Brieven van de Grietman Lemmer 5

1841

23 december 1841: De grietman bericht aan de gouverneur van Friesland op diens verzoek, dat de kosten vallende op het begraven vanuit zee aangevoerde of aangebrachte lijken, betaald worden uit de grietenij en dat deze gewoonlijk navolgende zijn

  • Voor kist en graf f 6.60 twee
  • voor behandelen lijk en vervoer naar het berriehok en het kisten door 4 man f 5,-
  • Het dragen naar de begraafplaats aan 4 man f 2,- aldus samen de somma van f 13,60,-

Oprichting weverij om het lot van de armen te verzachten. In 1943 gestopt


1842

1 november 1842: Brief van grietman aan de gouverneur betreffende het leggen van bruggen in de Straatweg Lemmer-Sneek, dat er geen bedenkingen zijn tegen de opgegeven afmetingen en constructie over de sloot bij Eesterga en Follega en een stenen duiker over de sloot bij de begraafplaats alhier (De tegenwoordige begraafplaats was dus toen in gebruik)

23 december 1842: De brug over de Follegasloot, wordt volgens de plannen een nieuwe ophaalbrug met een doorvaartwijdte van 5. 50 ellen. Deze wijdte wordt door de grietman te gering geacht, vooral omdat de scheepstimmerwerf staande en gelegen bij de Schans. Als men zoals vroeger zeeschepen wenst te bouwen, zodanige schepen nergens een uitweg naar zee kunnen vinden, dat de aldaar vroeger gebouwde zeeschepen steeds gebruik hebben gemaakt van de doorvaart der Follegabrug welke alleen om die reden een doorvaartwijdte had van 6.50 ellen, gelijkstaande met die van de brug liggende over de zeesluis alhier. Voorts neemt de grietman de vrijheid op te merken, dat bij de drukke scheepvaart waarbij grote tjalken en Zeeland-vaarders met zware en brede bovenlasten tijdens felle storm door de Follegabrug varen, het van veel belang te achten is dat bedoelde brug haar tegenwoordige wijdte van omstreeks 6.50 ellen behoude.

21 april 1842: Uit een brief van het grietenijbestuur aan de gedeputeerde Staten blijkt dat dan commissarissen van het stoombootveer van Lemmer op Amsterdam zijn; Tjallinga Aurelia Wilhelmina Camstra baronesse thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, weduwe (douarière) van Regnerus Livius van Andringa de Kempenaer.


1843

Aanwezig zijn de volgende instellingen

a. Een armenhuis

b. Een soepcommissie, die in de wintermaanden 4 maal per week warme spijzen verstrekt, bij strenge kou uitdelingen van brood en turf

c. Twee gilden met ziekte en begrafenisbussen, beide instellingen van een zeer nuttige en weldadige strekking.

d. Departement van het Nut tot het oprichten van een spaarbank


1844

3 februari 1844: De grietenijraad bericht aan de gouverneur ter voldoening aan het apostolaire dispositie en onder terugzending der daar bijgevoegde bijlagen betrekkelijk de verplichting tot onderhoud van het vaarwater de Zijlroede, dat de grietenijraad blijft persisteren bij het gevoelen, dat het onderhoud van dat vaarwater voor zodanige uitgestrektheid als in de legger is opgegeven, evenals de sluisbrug behoort te komen ter laste van de floreenplichtigen van de dorpen Lemmer, Eesterga en Follega als eigenaren van de Lemsterzijl op niet alleen van het octrooi tot tolheffing van den jare 1640, maar vooral omdat sedert onheuglijke jaren door de eigenaren der Lemsterzijl is verpacht de visserij in dat vaarwater. Dat de raad daarom ook alleen op de legger van onderhoudsplichtigen dit gedeelte der Zijlroede, hetwelk tot vissen verpacht wordt strekkende vanaf de zeesluis tot aan de hoek van de zogenaamde kalkovens ten laste van eigenaren der Lemsterzijl heeft gebracht.

14 februari 1844: Aan de hoofdonderwijzen en de meisjesschool te Lemmer wordt bericht, dat het grietenijbestuur ter ore is gekomen dat hij in strijd met het Reglement op het lager onderwijs jongens in de school opneemt en gezamenlijk met de meisjes onderricht geeft en mits deze ernstig verzocht wordt om dergelijke ongepaste handelingen voor het vervolg na te laten.

Bij akte van transport DD 20 december 1844 is het eigendomsrecht van de Follegabrug overgegaan op het rijk. Voordien was dit recht voor de ene helft bij de erven van R.L. Van Andringa de Kempenaer en de andere helft bij de kerkvoogdij van de hervormde gemeente van Follega, die naast het onderhoud ook het recht van tolheffing hadden, hun verleent bij octrooi van den jaren 1651.

28 december 1844: Het grietenijbestuur bericht aan de heer gouverneur op diens verzoek dat er in Lemmer, gedurende de wintermaanden een geregelde nacht of ratelwacht aanwezig is, bestaande uit 4 man door het bestuur benoemd en uit dorpskas betaalde personen die telken uren ratelende en uitroepende hoe laat het is de ronde doen.


1845

28 oktober 1845: Het plaatselijk bestuur van Lemsterland bericht aan de gouverneur naar aanleiding van een ontvangen missive, dat zij betrekkelijk tot behoud en de verzameling van mestspeciën, dat zij betrekkelijk tot behoud en de verzameling van mestspeciën ,dat zij overtuigd van het nut en het voordeel hetwelk erin gelegen is en steeds aandacht op te vestigen, om de verkrijging van deze mestspeciën zoveel mogelijk te bevorderen. Ter verwezenlijking van dit doel is reeds enige jaren met bestuurders van het armgesticht overeengekomen, dat door enige hunner geadministreerde iedere dag alle mogelijke meststoffen van de straten zouden worden geveegd en verzameld om later ten voordele van het gemelde gesticht te worden verkocht, zoals ook bij voortduring met succes geschied.


1846

Aan de heer gouverneur van Friesland wordt op diens verzoek bericht, dat er zich in Lemmer een rederij bevindt, waarvan boekhouder is de heer Siemen Wiegers Visser en dat geen schepen van hier thans de Amerikaanse kusten, havens of zeeplaatsen bevaren. Met betrekking tot voorgenomen zending oorlogsvaartuigen naar New-York heeft gemelde rederij ons te kennen gegeven niets verder in het belang van de Nederl. handel te hebben voor te dragen.

11 april 1846: Uit een brief van grietman aan de administratie van het regiment infanterie te Groningen, blijkt dat de afstand tussen Lemmer en Sneek gerekend wordt op 4 uur gaans en dat er op dat traject 6 tolhekken zijn, waarvoor per stuk f 0,20 moet worden betaald mits het een wagen is bespannen met één paard. Met twee paarden moet het dubbele worden betaald.

23 december 1846: De heer grietman richt zich tot de heer Baron Sloet tot Oldhuis te Zwolle, om medewerking te verlenen aan hun die omdat ze hier veel met werkloosheid hebben te kampen willen emigreren naar Saramacca (is een district van Suriname), daaraan steun te verlenen. De grietman verzoekt hun namen te willen noteren, opdat als zij als kolonisten in aanmerking kunnen komen, dit alsnog te willen berichten.


1847

21 januari 1847: De grietman bericht aan de Lemster reder S.W. Visser, dat hij van de minister van Financiën vergunning heeft ontvangen, ten aanzien van de invoer van tabak uit Frankrijk.

27 januari 1847: Het grietenijbestuur verzoekt aan gedeputeerde Staten om vergunning tot spoedige vernieuwing van de Truitjezijlbrug. De doorvaart wijdte zal dan worden 5.50 el, terwijl de doorvaart door de Langebrug is 5.20 el en Lemsterzijl 6.20 el. De tegenwoordige wijdte van de Truitjezijlbrug is 5.15 el. Men wil deze vernieuwing graag in dit winterseizoen effectueren.


1848

5 december 1848: De heer H. van Genderen, secretaris der grietenij, verzoekt eervol ontslag, wegens zijn benoeming tot adjunct bestuurder der Europese kolonisatie in de kolonie Suriname.


1849

6 januari 1849: De grietman verzoekt namens de vader aan de gouverneur van Friesland dat Feike Jouwerts Stapert milicien van de lichting 1847 en thans met groot verlof weer buitenlands mag varen. Hij heeft dit voor zijn dienstplicht ook reeds gedaan, want Hij is den 15 september 1845 met een Nederlands schip, gevoerd door kapitein J. Helmers van de Lemmer naar Drammen in Noorwegen uitgezeild en daar mede ook is voortgegaan tot de inschrijving voor de nationale militie.

21 maart 1849: De grietman verzoekt aan de leden van de Raad de here Koopmans en Klijnsma te willen bevorderen, dat ten gevolge het overlijden van Z.M. Willem II de klokken te Oosterzee en Echten gedurende 8 dagen driemaal daags een uur lang en wel vanmorgen 8-9 uur; middags om 12-1 uur en middags van 4-5 uur zullen worden geluid.

26 juli 1849

De cholera ziekte welke met het beroken van de kleding, het beddengoed etc. Geeft Dr. Romer verder aan dat door gebrek aan goed voedsel, misbruik van sterke drank en het wonen in morsige dompige woningen deze ziekte niet uit te roeien valt.

16 augustus 1849: De grietman bericht aan de gouverneur op diens verzoek, dat de afgelopen winter plus minus 100 personen zich hebben laten inschrijven om te profiteren van de uitdeling van levensmiddelen al hier tezamen de uitmakende een getal van 357 zielen terwijl dit in de winter van 1848/49 in totaal 108 heeft bedragen met 389 zielen.