Brieven van de Grietman Lemmer 2
1812
Doorvaart door Lemmer: Volgens de registers der douane zijn in mei 1812 door Lemmer 1460 schepen gekomen waren, bij nog gevoegd kunnen worden alle ledige schepen en graanschepen en voor Keizerlijke rekening, welke ook enige honderden bedraagt.
J.J. Akkerman wordt bij schrijven van 5 oktober 1812 aangesteld tegen de beloning van f 400.- per jaar om alle in- en uitgaande schepen op te schrijven.
1813
Op 18 november verzoekt de commandant van het departement Friesland de Maire te Lemmer de brenger van de brief zijnde der keizerlijke Kozakken, alle hulp en bijstand te verlenen, zijn komst staat in verband met de opsporing van enige schepen geladen met geld en andere zaken afkomstig uit Groningen, alle goederen behoren toe aan het gewezen gouvernement
G.F van Asbeck
Een PS als slot der brief meldt dat er nog 400 man Pruisische troepen staan te arriveren.
In een brief van 20 november verzoekt de burgemeester van Staveren zijn ambtgenoten om schepen aan te houden of op te sporen die zich wederrechtelijk meester hebben gemaakt van middelen uit de landskassen. Voorts dient onder geen beding toestemming te worden verleend voor het schutten via de sluizen te Tacozijl of Lemmer van schepen die toebehoren aan het voormalige gouvernement van Frankrijk.
Op 5 december ontvangt Lemmer, op bevel van de Russische keizerlijke commandant, een detachement troepen ter herstel van de rust en orde. Het commando over dit detachement berust bij de heer Zeeben, voormalig luitenant bij de rekrutering. De commandant van het departement Friesland gelast schipper Oedzers, beurtschipper op de route Groningen–Amsterdam en op dat moment met zijn schip in Lemmer, geladen met geweren en kisten, om zich onverwijld met zijn schip naar Groningen te begeven. De maire wordt verzocht deze beschikking aan de schipper over te brengen.
Op 23 november zijn twee proclamaties van de heer Russisch-Keizerlijke Opperbevelhebber Rosen ontvangen, met het bevel deze officieel af te kondigen en aan de religieuze gezindten te verstrekken. Tevens is opgedragen de proclamaties vanaf de kansels voor te lezen.
Op 26 november arriveerden drie kozakken in Lemmer met als taak de rust en openbare orde te handhaven. Er werd opdracht gegeven om passend onderdak te verzorgen en de soldaten van de noodzakelijke levensmiddelen te voorzien.
Als richtlijn gold de verzorging van deze militairen in Leeuwarden. Per persoon diende dagelijks te worden verstrekt: twee pond brood, twee pond vlees, drie roemers jenever in de ochtend en drie roemers in de avond, alsmede één fles bier. Voor elk paard dienden vijf maten haver, vijftien pond hooi en tien pond stro beschikbaar te worden gesteld.
Tot slot volgt een overzicht van de ingezetenen die wegens militaire dienst afwezig zijn uit de gemeente Lemmer en werkzaam zijn bij de land- of zeemacht. Het betreft in totaal 28 personen, te weten: Uilke Douwes, Sijtse IJmkes, Johannes Krips, Ids Johannes, Hielke Aukes Blok, Freerk Alberts Zwerver, Hidde Aukes Blok, Albert Jannes Biesse, Cornelis Innes Bontekoe, Inne Jans Visser, Auke Douwes Bakker, Jetze Jetzes Postma, Klaas Freriks van Dijk, Douwe Gooitzens Bijlsma, Hendrik Annes Schanstra, Jacob Jans Boekweit, Jan Louis, Sipke Klazes Visser, Jilles Wijbolts, Jan Sikkes Zeeman, Rinke Berends Bergsma, Gerrit Hendriks de Jong, Sjoerd Anskes, Simon Abes en Halbe Tjeerds.
Deze lijst werd op 23 september 1813 opgemaakt
23 november 1813: De Maire ontvangt een bericht uit Groningen dat een transport van 200 Kozakken met hun paarden onder commando van kolonel van de Garde en zijne Majesteit prins Lapuchin, onderweg is naar Lemmer en op 24 november zullen aankomen. De Maire dient te zorgen voor de geschiktste schepen en de beste schippers moeten worden Gerequireerd. Voedsel voor mens en dier, ook voor de prins en zijn officieren moet aan boord zijn. De Maire wordt voor alle verantwoordelijk gesteld.
26 november 1813: Een transport van schepen naar Amsterdam kan als vervallen worden beschouwd, omdat Amsterdam reeds door de Keizerlijke troepen bezet is.
Bericht over Jan Hermanus Falkema: Het laatste bericht over Jan Hermanus Falkema is ingekomen van St. Malo, volgens de brief van 9 november 1813. Dit bericht de Maire van Lemmer aan de onder-prefect te Sneek. Een schoorsteenstuk afkomstig uit de afgebroken boerderij aan de Nieuwburen, laatst bewoond door J. Aukema, is thans in bezit van de Burgemeester en opgeborgen ten gemeentehuize. Dit schoorsteenstuk stelt voor een gezicht op St. Malo. De vraag is staat dit in verband met de soldaat Falkema?.
(Datum: 04 juli 1814. Krant: LC - Leeuwarder Courant. Type bericht: Verkoop schepen
Advertentie. De notaris Witteveen, in de Lemmer, presenteert, publiek, bij strijk en verhooggeld, aan de meestbiedende te verkopen: een twee en dertigste aandeel in het Koffe Schip, genaamd de VROUW ELISABETH, gevoerd bij schipper Harms Falkama (opm: Harmanus Falkema), leggende te St. Malo.
Wie hieraan gading maken, komen op donderdag den 14 juli 1814, bij de finale toewijzing, ten huize van Tjalling Andries Talsma, kastelein in het Heeren Logement, in de Lemmer, en kope op condities, welke ter visie leggen ten kantore van de voornoemde notaris, en bij wien nader onderricht is te bekomen.)
De terugtrekking Franse douane: Johannes Hanzes, adjunct-maire, bericht dat voor 11 november december 1813 de Franse douanes zich hebben teruggetrokken.
1814
Verzoek om medewerking bij uitbanning gestrafte bij brief van 29 mei 1814 inviteert de Schout der gemeente Lemmer bij deze alle civiele autoriteiten om ingevolge de wet van plaats tot plaats te laten transporteren de persoon van Israël Falk Cohen. In de jaren 1809 de Amsterdam gegeseld en gebrandmerkt. Voor 6 jaren geconfineerd en eeuwig gebannen uit het toenmalig Koninkrijk Holland, hebbende hij de 24 december 1813 bij decreet van onze soeverein ontslag uit de continent bekomen met de kracht blijving, niettemin van het hem ten laste leggen wij verzoeken alle civiele autoriteiten op zijn route gelegen hem te laten transporteren, ieder voor zover hun lieden aangaat en van de Lemmer op de Kuinder, Wolvega, Blesse, Steenwijk, Meppel, Coevorden en zo tot over de grenzen. Betrokkene was 30 jaar en had op 19 mei achttienveertien te Lemmer diefstal gepleegd en was daarop aangehouden.
Hondsdolheid: In Lemmer komen ieder jaar meerdere gevallen van hondsdolheid voor, meer dan in andere Grietenijen. Het bestuur wijdt dit aan het houden van vele honden, zo'n 6 a 7 in een gezin, meerdere gezinnen kunnen deze beesten niet voldoende voedsel verschaffen, waardoor deze als straathond vaak hun kostje trachten op te doen via alle afval nazoeken, soms rauwe vis tot zich nemen enzovoort. Het plaatselijk bestuur stelt in 1814 een verordening vast waarbij het verboden wordt per gezin en ook per woning meer dan één hond te houden, terwijl inwoners die moeten worden onderhouden door de gemeenschap geen hond mogen houden. De straf wordt bepaald door 3 gulden per overtreding, de helft komt ten goede aan wat wij thans noemen sociale zorg en de andere helft is voor de aanbrenger. Zo wordt verboden honden gedurende de hondsdagen los te laten lopen. Gebeten runderen of schapen dienen direct afgemaakt te worden en verbrand. van het vlees mag niets genuttigd worden. Indien mensen gebeten worden, dient direct de plaatselijke regering hiervan in kennis gesteld te worden en de patiënt zo gauw mogelijk Bilster drank (De Biltse drank (historisch vaak 'Biltsche drank' genoemd) was een geheim volksmedicijn uit de 18e en 19e eeuw tegen hondsdolheid (rabiës), maar het was volkomen ineffectief en inmiddels allang achterhaald) toe te dienen en deskundigen te waarschuwen aldus opgemaakt te Oosterzee 15 november 1815. Eenzelfde ontwerp is in Lemmer gedateerd op 16 november 1815.
Geneeskundigen in Lemmer 1814. Fredrik Otto Wegener, genees- en heel meester, te Leeuwarden geëxamineerd in 1795. Gosse Johannes Zuiderveld/Suiderveld, heel en vroed meester, te Franeker geëxamineerd in 1798, beide hebben een akte van toelating bekomen te Leeuwarden op 6 juli 1804 Catherine Nikkel, vroedvrouw, geëxamineerd te Leeuwarden op 19 maart 1811.
Pier Jacobs Huitema: Teruggekomen uit de Russische veldtocht, de persoon van Pier Jacobs Huitema te Oosterzee die op 7 december 1814 als vermist werd opgegeven door de schuit van Oosterzee, aan de heer commissaris van het arrondissement Sneek. (Pier Jacobs Huitema was een Friese militair en landbouwer die is geboren op 15 maart 1792 te Oosterzee (Lemsterland). In de historische documenten en genealogische registers is hij met name bekend vanwege zijn inschrijving in 1814 bij het Franse leger (de Grande Armée van Napoleon Bonaparte)
1815: De schout te Lemmer, nodigt alle ingezetenen en vooral de vrouwen en jonge dochters uit om voor dinsdag 4 juli des morgens 11 uur, willen doen bezorgen, zoveel oud linnen en pluksels als enigszins doenlijk is, daar het groot aantal gekwetsten deze geringe opoffering één grote waarde in het ogenblik doet verkrijgen. In deze meerder dan ene uitnodiging te doen, zouden voor het edele Friese hart een belediging zijn. Wij weten wat wij in deze verwachten mogen en een schone hoop van het Vaderlands lievende hart zal ook hierin niet teleurgesteld worden.
Dank en bededag: de dank en bededag op 5 juli gehouden werd bepaald, dat de hele dag en avond alle herbergen logementen en dergelijke alle zonder onderscheidene gesloten moeten zijn. Doorreizende vreemdelingen mogen van verversingen worden voorzien maar jenever schenken is verboden, alle leerlingen en fabrieken moeten stilstaan, alle werkzaamheden ophouden, winkels moeten gesloten blijven. Noch voor noch na, noch tussen de godsdienstoefeningen. Ook het venten op straat is verboden. maar ook alle geschreeuw en geroep en gespeel van kinderen op straat moet worden voorkomen.
Klachten over overtreding op het octrooi veer Lemmer-Amsterdam. Op last van de burgemeester der stad Amsterdam wordt op 6 juli herinnerd aan een keur van de jaren 1750 betreffende het passagiersvervoer van en naar Amsterdam. Vooral het veer Lemmer-Amsterdam, ondervindt schade van het vervoeren van passagiers met veerschepen van elders, die van Joure en Sloten worden met name genoemd. Vooral de vaart van Amsterdam op Lemmer wordt inbreuk gemaakt. Op de geoctrooieerde rechten o.m. houdende de verplichting, dat niet in Lemmer thuis behorende passagiers voor Lemmer en geheel Friesland mogen opnemen en vervoeren. Beurtveren naar plaatsen die ook verbinding met Amsterdam hebben, mogen alleen passagiers meenemen, die met het schip een einddoel hebben.
1816
Op 16 januari 1816 wordt een zekere Jan Bremer te Oosterzee aldaar reeds als bakker genoemd.
1817
Enkele aantekeningen: F.D. van Veen armvoogd. ? Stellingwerf assessor en I.F. Witteveen, waarnemend grietman. Hendrik Kleinhouer, gaarder provinciale belastingen op het gemaal.
Wijkmeesters in Lemmer.
Wijk I. Hielke F. Hoeksma en Hendrik le Heux
Wijk II. Carst D. Fortuyn en Tjitte S. Reitsma
Wijk III. Jan Menzes en Nanne J. de Rook
Wijk IV. Geert I, van Dijk en Tjalling J. Bootsma
Eerste regent van het nieuwe armhuis van de hervormde gemeente is Joh. Hanzes - Nanne Jurjen de Rook en Jan Menzes, dit conform de voordracht van de Hervormde gemeente.
Aangesteld tot vader en moeder van het armhuis: Sijmen Sijbes Visser en zijn echtgenote Antje Jans Koster.
Havenmeester Lucas Terweel; Politie Dirk Blom.
Benoemd dat visafslager in de plaats van Willem Ferwerda ( overleden) Jan Mezenbroek, oud kofschipper. 25 augustus door overlijden van Andries Aants Riemersma, was de post van oproeper vacant. Aangesteld is Jan Striksma, schoenmaker.
Jacob Francis Visser, aangesteld tot havenmeester in de plaats van Terweel die ontslag had gekregen wegens hoge ouderdom.
1818
Brief van 24 november 1818. Aan de gedeputeerde Staten van Friesland, naar aanleiding van gevraagde inlichtingen uit de jaren 1790-1800, hoofdzakelijk uit 1793. Medegedeeld wordt dat deze inlichtingen niet kunnen worden verstrekt, omdat in de eerste plaats als een gevolg der irreguliere veranderingen van bestuur der occupatie zowel als de aftocht der Engelse krijgsmacht in de jaren 1799 de archieven dezer grietenij zijn getransporteerd buiten de grietenij en dat tijdstip te rekenen in het ongerede zijn geraakt
1820
3 maart 1820: Brug over de Zijlroede in gebruik gesteld.
In vacature lid grietenijraad J.F. Witteveen benoemd verklaard Bouke Poppes.
Brief van 18 mei 1820: Het betreft hier een brief van de grietman aan de gedeputeerde Staten, hoewel het college inlichtingen vroeg over de algemene toestand in de gemeente, ten opzichte van de scheepsbouw mag gesteld worden, dat de scheepsbouw thans kwijnt en als onmiddellijk gevolg daarvan kwijnen ook de verwante fabrieken en trafieken. In Lemmer staan de scheepswerven stil of werken op halve kracht en zo is het eveneens met de mast en blokmakerijen. Ook de smederijen en de touwslagerij zijn reeds enige tijd zonder werk. De grietman geeft dan zijn persoonlijk inzicht en noemde concurrentie van de Amerikaanse scheepswerven de hoge rechten die geheven worden en dientengevolge ook de concurrentie van de vaart op Frankrijk Engeland.