Herinneringen van Teade Wouda e.a 2

"DE ÔFSLACH IS HJIR SYMBOALYSK FOAR DE STRIID FAN DE FISKERIJ"

Lemmer houd op vissersplaats te zijn.

Als vissersplaats heeft Lemmer vrijwel geen betekenis meer. Nog slechts enkele vissers brengen hier de vangst uit het IJsselmeer aan de wal en alleen voor hen bestaat nog steeds de gemeentelijke visafslag. Steven Visser, de nu 80 jarige "Directeur" van de afslag, slaat de aangevoerde vis nog dagelijks af. Gevoelsmatig is de afslag in Lemmer nog van veel waarde. Immers, Lemmer houd officieel op vissersplaats te zijn, als besloten wordt tot opheffing van de visafslag. Een stuk historie zal dan worden afgesloten.

Een sluiting van de visafslag van Lemmer zal velen aan het hart gaan. Er ligt immers een roemrijk stuk geschiedenis in de herinnering van de oude vissers, die vroeger de Zuiderzee bevisten. Alom bekend zijn de Lemster bokking's die voor deze havenplaats een bekend handelsartikel waren. Een halve eeuw lang draaide in Lemmer alles om de visserij. De plaats had een vloot die in 1930 was uitgegroeid tot over de honderd aken, botters, schouwen of anderen boten. Honderden personen vonden een bestaan op het water of in de hangen, 'De Baan' 'De Hellingen' of 'De Zeilmakerijen'.

De penetrante geuren die afkomstig waren van de visrokerijen, de netten, taanderijen kenmerkte op treffende wijze de bedrijvigheid van de toenmalige plaats Lemmer. En de frase, "Wee binne Lemster jonges, wee leve fan de sé, en al hwat wee tsjinje forpierewaaie wee. Wee witte fan gjin sparjen, wee lizze noait hwat wei,wee leve as God yn Frankryk fan de iene yn de oare dei" uit het officieuze Lemster volkslied, zegt veel over de mentaliteit van de Lemster vissersbevolking.

De bloei als vissersplaats had overigens niet direct een positieve weerslag op de welstand van de bevolking. Velen waren afhankelijk van de besommingen uit de visserij en anderen vonden slechts een armoedig bestaan bij de hangbazen. Het waren met name deze paling en haring rokers die met de handel in vis goede verdiensten binnenhaalden. Heel anders was het met de vissers en de arbeiders.

Sprak men in het jaar 1808 van een vergelijking van de visserij, met het zoeken naar eieren in het lage hooi en rietland, welk een zoeken tot zeer weinig voordeel strekt, en beschreef men de visserij als een zeer schrale kostwinning voor veel vissers, het was rond 1900 niet anders. Als creditgevers bepaalden veel hangbazen de financiën van de vissers. Niet alleen vroegen de visrokers rente en aflossing, ook werd een afspraak gemaakt, dat men de vangst moest leveren.

Het ontbreken van de visafslag in Lemmer wreekte zich al gauw. De visrokers, die overigens al vanaf het begin van de negentiende eeuw in Lemmer bloeiende bedrijven hadden, maakte vanaf 1850 afspraken met de vissers om de vangsten rechtstreeks te leveren. Het kwam de prijsstijging niet ten goede, want van openlijke concurrentie was geen sprake, de roep om een gemeentelijke visafslag werd dan ook steeds luider.

Van verschillende kanten werd na de eeuwwisseling herhaalde malen aangedrongen op de instelling van een visafslag, uiteindelijk kwam deze er in 1916. Nadat de Zuiderzee-vissersbond andermaal een dringend verzoek had gedaan, besloot de gemeenteraad tot oprichting. In een voorstel zijn burgermeester en wethouders kort en krachtig: deze visafslag wordt verlangd om de vissers in gelegenheid te stellen bij publieke verkoop zeer waarschijnlijk een hogere prijs voor hun vis te bedingen. Voorts verwacht men, dat na de oprichting van een visafslag zich meerdere visrokers, zouters en handelaren zich te Lemmer zullen vestigen en vissers uit andere plaatsen hun vis aan de afslag te verkoop zullen aanbieden wat de ingezetene dezer gemeente ten goede zal komen.

Eerder had de vissersvereniging te Lemmer in 1908 aangedrongen op een vestiging van een visafslag. In een brief aan de raad wijst men ook op de misstanden die toen der tijd golden onder de vissersbevolking van Lemmer. Men geeft te kennen dat de vishandel in Lemmer in een eigenaardige toestand verkeerd. Doordat de aangevoerde vis steeds aan dezelfde vishandelaren geleverd wordt, die de prijs naar eigen goed vinden kunnen regelen.

Niet alleen wezen de Lemster vissers op het eigen belang. Men verwachte weliswaar dat ook vishandelaren van Urk of uit Enkhuizen of andere plaatsen naar Lemmer zouden komen om voor de nodige concurrentie te zorgen. Maar men wees er ook op dat vreemde vissers die thans Lemmer vermijden, niet zouden aarzelen ook hier hun vis ter afslag zouden aanbieden, de Lemster vissers hadden reden omdat te denken. Toen in 1916 tot de instelling van de visafslag werd besloten, lagen bij de gemeenteraad sympathiebetuigingen van de visserijverenigingen te Spakenburg, Elburg, Medemblik, Vollenhove, Huizen, Laaxem, Enkhuizen, Hoorn, en Kolhorn, alsmede van verschillende vishandelaren uit de vissers plaatsen rond de Zuiderzee.

Tot grote ontevredenheid van de Lemster vissers had het toch nog een groot aantal jaren geduurd, voordat in 1916 tot de oprichting van de afslag in Lemmer was besloten. Vele jaren lang was de visafslag in Lemmer onderwerp van gesprek op de algemene vergadering van de visserijbond te Amsterdam, maar het kwam niet tot een uit te dragen zaak. Maar liefst ander half jaar lang liet de Hoofdinspecteur van Lemsterland, wachten op een advies over de wens van de Zuiderzeevissers. Toen hakte de raad van Lemsterland de knoop door. De burgermeester was verwonderd over de trage gang van zaken. Het gevraagde advies is er nooit gekomen.

Ondanks de komst van de gemeentelijke visafslag bleef aanvankelijk nog de schrille tegenstelling tussen de rijke hangbaas en de arme visserman. De conclusie uit een verslag van de staat der zeevisserijen in 1912 is duidelijk. Het gemakkelijk verkrijgen van kredieten voor de vissers bij hun geldschieters, die tevens afnemers van hun vis en leveranciers van hun visserijbenodigdheden zijn. Heeft in deze gemeente toestanden doen ontstaan, die de vissers in plaats van welvaart een aantal verplichtingen heeft bezorgd. Het grootste deel van de vloot verkeerd onder financiële druk, welk slechts door een reeks van voorspoedige jaren kan worden opgeheven. Pas in 1918 werden er maatregelen getroffen, die ervoor zorgden dat vissers niet meer afhankelijk te hoefden zijn van de hangbazen.

Overigens waren deze overeenkomsten tussen de visrokers en de vissers geheel in de rede met de plotseling opkomende bloei van Lemmer als vissersplaats. Niet toevallig was het dat de Lemster vissersvloot rond 1880 in aantal begon toe te nemen. Waren er in 1880 zestien schepen, in 1905 was dat aantal al gestegen tot 84 aken, botters, schouwen, en andere vissersschepen. Veel personen zagen een welkom alternatief voor de vervening of de landbouw. De vervening gebieden in Echten, hadden hun hoogtepunt al gehad, en door de malaise in de landbouw was ook het boeren bestaan van mindere waarde.

Veel veen en landarbeiders zochten daarom hun broodwinning in de visserij. Die bestaansbron bezat toekomst. Door veranderde vis methoden, het vissen met staande netten voldeed beter dan met de zogenaamde wonderkuil, werd de ansjovisvangst juist in 1883 lucratief. Ieder die maar een boot machtig kon worden en enig kapitaal bezat om een viswand te kopen werd ansjovisvisser, predikanten, turfschippers, boerenarbeiders, motor-vaarders, ja wat niet al, groen en rijp, werd ansjovisvisser, zo werd toen in een rapport verklaard.

Maar ook in de aan de visserij verwante bedrijven zagen de boeren en veenarbeiders mogelijkheden. Dank zij de bloeiende visserij konden immers ook zeilmakerijen, scheepshellingen, mast en blikmakerij of netten-taanderijen in Lemmer gedijen. Of men kon wel in de hangen, die al langere tijd goed draaiden en visrokerijen aan de slag. En wilde men de Zuiderzee op, dan kon men krediet krijgen van visrokers als De Rook, De Jager, Sterk of door ondernemer Jan Pen die in Lemmer een belangrijke rol heeft gespeeld in dit soort zaken.

De haring en ansjovisvisserij was in de bloeiperiode van het meest belang voor Lemmer. Vele vangsten werden op de visafslag aangevoerd en vele schotten werden daarna verwerkt in de hangen. Veel hing vast van het slagen van de haringvangst of de ansjovisteelt. Was dat goed, dan profiteerde de hele Lemster bevolking. Drukte in de vissersplaats was er met name in de ansjovistijd. Dan stonden honderden mensen deze vissen uit de netten te halen en waren er even zo velen bezig met koppen en zouten.

Sterk merkbaar was de teruggang op de gemeentelijk visafslag. Met de daling van de aanvoer kwam de visafslag in de rode cijfers. In 1932 besloot de gemeenteraad deze instelling in een andere vorm voort te zetten. De gedachte overheerste toen dat de afslag ten dode was opgeschreven. Om de visserij toen niet te duperen, werd echter niet tot liquidatie overgegaan, zo werd verklaard.

De aanvoer van haring stagneerde al snel, nadat de Afsluitdijk was gedicht. In 1934 werden 10.100 stuks afgeslagen, in 1937 kwamen er nog 600 haringen, maar daarna niets meer. De Tweede Wereldoorlog gaf echter een andere wending aan het verhaal. De aanvoer van met name paling, witvis en snoekbaars maakte een belangrijk deel uit van de omzet en steeg zelfs. Door de oorlogscrisis werden bovendien hogere prijzen betaald en in 1941 concludeerde de gemeenteraad dat de visafslag te Lemmer ook in de toekomst recht van bestaan zou hebben.

Hoe anders zou het echter lopen, toen de Tweede Wereldoorlog was beëindigd. De visafslag verloor nadien steeds meer haar functie, ordenend op te treden bij de vishandel van een open prijs was al helemaal geen sprake. De in Lemmer aanwezige vishandelaren bepaalden de prijs, die bovendien lager was dan op andere visafslagen betaalde prijzen. De bedoeling was om verkeerde praktijken in de handel tegen te gaan, maar van het tegendeel was sprake door het monopolie van de Lemster viskooplieden. Uit andere plaatsen kwamen de handelaren niet meer naar Lemmer. Urk werd als afslag hoofdzaak en door de geringe aanvoer te Lemmer kreeg de visafslag nog slechts een zeer bescheiden rol toebedeeld.

En ook de verwachting dat na de inpoldering van de beide Flevo polders de visserij zich zou verplaatsen naar het noordelijke gedeelte van het IJsselmeer en Lemmer gunstiger zou komen te liggen, werd gelogenstraft. Voor de meeste vissers bleef het aantrekkelijker om in Enkhuizen of Urk te lossen. Bovendien speelde mee dat in deze plaatsen een betere outillage aanwezig was, en meer handelaren waren gevestigd en er vanouds een veel betere markt was, eigenlijk heeft de visafslag te Lemmer nooit met Enkhuizen of Urk kunnen concurreren.

"Je kunt wat mij betreft de deuren wel dicht spijkeren van deze afslag" werd in 1952 al aan de afslager in Lemmer toegevoegd, door één van de Lemster vishandelaren. Het werd een hopeloze toestand, en herhaalde malen is daarna gesuggereerd om de gemeentelijke afslag in Lemmer maar op te heffen. De omzet daalde voordurend en het vormde voor de gemeente Lemsterland een aanzienlijke kostenpost.

De visafslag leek op een spoedige sluiting af te stevenen, vooral omdat steeds meer Lemster vissers de netten opborgen of het besluit namen met kotters op de Noordzee te vissen. Onderwijl dunde de vloot sterk uit en van de Lemster vissers bracht ook maar slechts een deel de vangst naar de thuishaven. Van de eens zo vermaarde vissersvloot van Lemmer stonden er in 1962 nog maar vijftien schepen geregistreerd, vijf daarvan visten op de Noordzee. Bovendien bevond zich onder die groep Lemsters ook nog een aantal meer actieve IJsselmeervissers.

Opheffing werd door de jaren steeds voorkomen. Het zou moeilijkheden voor de Lemster vissers kunnen opleveren. De groep die het IJsselmeer bevisten. Zou gedwongen worden om de vis in Stavoren, Urk of Enkhuizen af te slaan. Voor dat argument toonde men zich gevoelig. Ondanks het feit dat de visafslag de gemeente Lemsterland enkele duizenden guldens per jaar kostte, bovendien wees men steeds weer op de veilplicht, als er weer stemmen opgingen om de afslag te sluiten.

En nog steeds wordt opheffing van de visafslag te Lemmer afgezworen. De gemeente moet er weliswaar jaarlijks enkele duizenden guldens op toe leggen, maar Lemmer blijft met de visafslag de status van Vissersplaats behouden. Burgermeester Feite Faber is daar duidelijk over. "Sa lang as it mei in bytsje kosten trochgean kin, sjoch ik gjin reden om der mei te stopjen", aldus luid zijn commentaar.

De vier overgebleven Lemster IJsselmeer vissers hebben te kennen gegeven belang te hebben bij het voortbestaan van de visafslag. Het zijn Jan Fleer, Gauke Bootsma, Rauke Kuipers en Bauke Visser, die nog voor aanvoer zorgen op de gemeentelijke afslag aan de Willemskade. Ondanks het feit dat de visafslag in Lemmer als ordenend orgaan tussen visser en handelaar veel van zijn functie heeft verloren is 'Directeur' Steven Visser er nog dagelijks te vinden als de vissers de haven binnen lopen.

Van de echte afslag kan men overigens moeilijk meer spreken, de enige kopers zijn de vishandelaar Jurjen Bootsma en minder frequent de visverwerkende industrie van de gebroeders Sterk. Meestal laten zij zich niet zien op de visafslag, ze geven slechts de prijzen door waarvoor men de vis wil kopen en voor die prijzen leveren de vier Lemsters in de meeste gevallen de vis rechtstreeks aan de handelaren. Slechts bij grote aanvoeren gaan de beide Lemsters naar de visafslag om te keuren en te kopen.

Zowel van de zijde van de handelaren, als van de vissers hecht men nog waarde aan het voort bestaan van het "Stekkie" van Steven Visser. "Ik sjoch foar de takomst lykwols donkere loften foar de ôfslach kommem, is echter de mening van visser Jan Fleer. Ik sjoch wol dat dit mei de tiid ôfrint. Foar de de hannel is it nogal hasty net mear de muoite wurdich, omt de oanfier te lyts is, oer't generaal leit de prijs hjir ek leger as yn Starum of op Urk boppdat komme troch lege oanfier ek gjin fremde hannelers mear nei De Lemmer, sadatder hastgjin konkurensje mear is". Verhaalt nu de 63 jarige Fleer, die in zijn zonen opvolgers heeft, die volgens hem mettertijd zullen moeten uitwijken naar anderen afslagen. Om die reden zijn ze ook lid van de vissersvereniging Stavoren, die daar de visafslag van de gemeente heeft overgenomen.

Foto's van Jilling Kingma: 'Directeur' Steven Visser, noteert de door de Lemster vissers, Bauke Visser en Jelle van der Heide, geleverde vangst. Plaats van handeling is het kleine gebouwtje van de visafslag aan de Willemskade in Lemmer.


DE OMGEKEERDE WERKELIJKHEID EN TIJDIGE REDDING!

Nieuw signaal.

Bovendien is het heel belangrijk dat er heden een groot verschil met vroeger is. Genoemde verschijnselen, met inbegrip van het beletten door dictatuur van vrijheid in woord en geschrift, worden nu algemeen krachtig veroordeeld. Het wordt niet langer onvermijdelijk geacht, evenmin als internationaal geweld tussen staten onderling. Het is een duidelijk signaal van een opgang komend ontwaking-proces voor het welzijn van allen. Geweldloze vredesbewegingen voor tweezijdige ontwapening en andere acties die worden gekenmerkt door waardigheid en rust zijn er o.a. een voorbeeld van. Maar het voornaamste is en blijft dat we eerst ons zelf ontwapenen door destructieve neiging beter te beheersen. Verrees ook niet de nieuwe Phoenix als symbool van vernieuwing, uit eigen as? En beginnen overal velen zich niet reeds als Socrates te voelen toen hij eens zei geen Athener te zijn maar een burger van de wereld?

Maar, terug naar Lemmer van toen. Op de ene foto zien we de tramconducteur Jan Woudstra en het tramstation omstreeks 1920. Zijn zoon Ruurd was jaren lang tandarts in Leeuwarden en woont nu al enige tijd in Eindhoven. Woudstra hebben we van nabij gekend via het puffende bokkentrammetje naar Heerenveen. Evenals zijn bekende collega Marten Bijlsma, droeg hij het kleine conducteurs petje nonchalant op het achterhoofd. Beste mensen, maar in de tram moesten we met Marten niet proberen "De kachel aan te maken", want hij zetten je zo buiten boord en dan moest je maar zien hoe je thuis kwam

Ook de naam Bosma roept herinneringen op. Hij was jarenlang hofmeester op een van de nachtboten; een kleine rustige mannetje die zijn werk voortreffelijk verrichte. Heel wat Lemsters en passagiers van elders hebben zijn koffie gedronken en een kussen gehuurd om te trachten om een beetje te slapen, onder het gestamp van de grote stoommachine. De boot vertrok 's avonds om negen uur, nadat een stoot op de stoomfluit door de stilte van Lemmer had geklonken.

In de herfst en winter keken de mensen onder het koper kleurig licht van de petroleumlamp en zeiden of dachten: De Nachtboot! Genoemde Bosma, bevond zich eens tijdens dichte mist op het zee ijs ter hoogte, meen ik, van de Vuurtoren waar hij in een wak terecht kwam. Door enorm hard te schreeuwen wist hij de aandacht van enkelen bij de sluis staande Lemsters te trekken. Deze renden in de richting van het hulpgeroep en slaagden er in de ongelukkige uit zijn levensgevaarlijke positie te halen. Ik heb het zelf niet meegemaakt maar het incident ging als hot news door het dorp.

We moesten toch wat te praten of te roddelen hebben, want ook de radio stond nog in de kleinste maat kinderschoenen. Een toestel was slechts weggelegd voor een enkeling. En wat voor een? Je had een twee of drie draadantennen nodig van minstens 50 meter en liefst zo hoog mogelijk. Bij heden vergeleken was alles uiterst primitief. De lampen zaten aan de buitenkant en gaven ook nog licht. voor de huiskamer. Het grootste en modernste apparaat stond bij Pier Meyer in het Nutsgebouw aan de Nieuwburen. Hij was een sympathieke en actieve man met vooruit strevende ideeën. Ik herinner mij dat hij eens (ik heb het geloof ik al eerder aangehaald) bekend heeft gemaakt dat bij hem tegen geringe vergoeding, men in de zaal een radiomuziekuitzending kon beluisteren. Voor de muzikale Lemsters was dit heel wat. Er kwam evenwel niets van... er kwam alleen gezucht en geruis, waarschijnlijk was die avond de windrichting niet goed. De nogal wat omvangrijke winkelier Zandbergen tegenover het Nutsgebouw, met zijn handel in grutterswaren, verpakt in grote bussen langs de muur en verkoop van boter uit het vat en prachtige koperen weegschalen op de toonbank, zag er helemaal niets in! Over zijn bril heen kijkende mompelde hij zoiets als "Moderne fratsen".

Trouwens voor veel Lemsters was het een groot wonder, zomaar geluiden uit de lucht. Het was dan ook vaak, eerst horen en zien en dan geloven. En zo verstreken de jaren in de goede oude tijd. Het werd steeds duidelijker dat het zoute water van de rusteloze Zuiderzee mettertijd over zou gaan in zoet water - het IJsselmeer. Nu worden hier binnenkort weer de alom bekende zeilwedstrijden gehouden met alles wat er verder aan vast zit. We hopen opnieuw veel oude vrienden te ontmoeten. Ruurd Rodenburg niet te vergeten die ergens in Eindhoven woont. Wiesje Dasoul en haar man zijn blijkbaar naar het buitenland gegaan, we hebben sedert vorig jaar niets meer van hen vernomen. In B was ook niemand aan te treffen. Max Koole is vast van de partij en Zwarthoed zal ook wel weer van de partij zijn uit Nice. En verder Feike en Hidde Visser uit Utrecht, Hidde de Blauw uit Delft. En misschien deze keer Henk Brouwer ook.


DE OUDE LEMMER.

Van de besprekingen van de Zuiderzee Commissie in Amsterdam weet ik niet veel, omdat op 12 juli 1927 het laatste schot met de ansjovisbeug was, wat toen toch op het eind liep, ben ik nog diezelfde dag overgestapt als schipper op een motorbootje "De Hans" voor de Rijks-Directie van de Zuiderzeewerken, waarmee toen in dat voorjaar was begonnen.

En zo werden we Medemblikkers. Dat niet ieder zijn zin kreeg van de Zuiderzeecommissie was begrijpelijk. Voor de vaste vissers was het geen punt om belanghebbende te zijn. Maar er waren veel die er zijdelings bij waren betrokken en die voor vol wilden worden aangezien. En daar kwamen wel conflicten uit voort. Ik zelf heb nooit wat met de Zuiderzee steunwet te maken gehad. De toenmalige minister-president Colijn heeft eens gezegd, dat er ten aanzien van de Zuiderzeevissers geen smet mocht kleven aan dat grote nationale werk. Colijn was ook voorzitter, van de Zuiderzeeraad.

In 1929 zijn we naar Den Oever vertrokken, want de Wieringermeerdijk was klaar. Ik was inmiddels op een grote stoomboot gaan varen "De Vlieter" en toen kregen we vaak de heer Colijn op de boot met de hele Zuiderzeeraad. Hij was niet mijn politieke vriend, maar om mee te praten was het een heel aardige man. Hij vertelde ons ook veel over de Zuiderzeewerken. Ik weet nog een keer dat we door de Wieringermeer stoomden. Hij vertelde dat er 47 bruggen in deze polder zouden komen. Ik heb ze later nooit nageteld. Op de "Vlieter" was mijn mooiste tijd en ik was in mijn element, was als het ware met een kompas voor mijn neus opgegroeid en mist of niet, ik ben altijd gekomen waar we moesten zijn.

De ingenieur en opzichter waren vaak verwonderd hoe wij altijd het punt vonden waar we moesten zijn. In de zomer voeren we altijd met gezelschappen die door de regering waren uitgenodigd om de Zuiderzeewerken te bekijken. Ze kwamen vanuit de hele wereld, wat voor ons interessant was. Ook Kamerleden en leden van Provinciale Staten van alle provincies. Onze burgemeester Pollema, die ons ook nog getrouwd heeft en dat nog goed wist, was er ook een keer bij en ik moest hem veel vertellen.

Wat zijn er nadien al veel burgemeesters geweest in Lemsterland. Koninklijke gezelschappen hebben we ook aan boord gehad, o.a. Prins Hendrik met gevolg. De koning van Siam met gevolg (in nu Thailand). Dan de keizer van Japan met een gevolg van dertig man. Wim Kan zou wel gezegd hebben: "Had hem toen maar verzopen". Maar we wisten toen niet, wat er nog zou komen. Maar hij werd toen al erg streng bewaakt.

Ik kom die morgen aan boord, op de brug die was afgesloten zit een mijnheer, ik had direct door dat het een rechercheur was. Hij zij "Goeiemorgen Wouda" en stelde zich voor als Deelstra. Hij kwam van Oudega en sprak Fries met mij. Ik hoefde hem niks te vertellen, hij wist meer van mijn leven dan ik zelf. Het was in 1930 toen het gezelschap aan boord kwam. Het was zwart van de mensen op de haven van Den Oever.

De directeur-generaal De Blocq van Kuffeler, van de Zuiderzeewerken was de begeleider van de hoge gasten. Ik kreeg een Marineboot voor en achter me te varen en alles verliep op tijd en volgens plan, maar het was wel uitkijken met aanleggen. Bij de baggermolens en zandzuigers die in de felle stroom lagen te baggeren en te zuigen en met al die staalkabels naar de ankers.

Toen we 's middags weer in de haven terugkwamen opnieuw duizenden mensen. Ir. Ringeling, die mijn baas was zei de volgende dag: "Was je gisteren niet zenuwachtig Jan"? Ik zeg: "Of u nu naast me staat of de keizer van Japan, blijft voor mij hetzelfde". Wat hij maar vreemd vond. Een bejaarde kapitein uit Dordrecht van de sleepboot "Lotus" zei me die namiddag: "Dat was toch een hele eer voor je Wouda". Ik vond het zelf overdreven, het was toch je werk. Het is allemaal lang geleden en Hirohito leeft ondanks alles ook nog en ik denk vaak aan die mooie tijd terug. Ik werd later toch Rijkswaterstater.

Misschien daardoor? Ik weet het niet, eerst sluiswachter en de laatste acht jaar scheepvaartmeester in Amsterdam. Ik heb ook daar altijd met plezier gewerkt. Maar nu zit ik met een pijnlijk been en kan niet eens naar de Jan Nieveen. We zullen maar hopen dat het gauw beter wordt, want op 9 augustus hebben we een vaarvakantie met een boot de Maas op.

Nu gaan we maar over naar de Bakkershoek door K. Verbeek, geschreven. Wat konden we daar als kinderen mooi spelen. Door kommertje, slingeren met zo'n 50 jongens waarvan de laatste een zwiepert kregen. En dan "typelje" een dwarslatje op je klompen en dan met een lange stok weg zwiepen en dat gebeurde op zeven verschillende manieren. Wie het verst sloeg had gewonnen en daar kwam een hele behendigheid aan te pas.

Ik zal wel ouder zijn dan K. Verbeek en weet daardoor wie er voordien in de panden woonden die op de foto van de Markt staan. Waar nu restaurant Schaaf is was voorheen Linos en Albino maar daarvoor was het 't drukke café van Minke Vegter en was er de praathoek "Onder de hoek". 's avonds kon je daar altijd een veertig en vaak meer mensen vinden, druk aan het debatteren. Rooie Okke, hoorde je boven alles uit, hij moest heel hard praten anders stotterde

De Albino-winkel was voordien denk ik naast Evert aan de Nieuwburen en heeft H. v.d Schoot later bij zijn zaak getrokken. Daarnaast de zaak van Henk Molenberg. Toen ik een jongen was dreef David de Jong, daar een manufacturenzaak. Die had twee jongens Bram en Nathan, die naar Amsterdam zijn vertrokken. Toen kwam Speier in de zaak, die kwam van Harlingen. Een drukke man waarover Rinsma, al eens een verhaaltje heeft geschreven, met Doede Kok toen als politieagent. Toen kwam Henk Molenberg, zijn vader in de zaak, die daarvoor zijn kleermakerij had naast Joost de Vries, later Bondiëtti. Naast Molenberg stond vroeger Hotel Eilers. Daar kwamen de boeren met paard en wagen en de paarden werden in de stal ondergebracht, die naast de bakkerij van Hofman in de brede steeg naar het Achterom stond.

Ik was denk ik vijf jaar dat we samen met mijn neefje Jacob Wouda uit de bewaarschool kwamen. Daar stond voor Eilers zo'n tilbury, een mooie grote wagen met veel glas. Het lemoen waar het paard tussen liep lag op de grond, Jaap pakt het ene en ik het andere lemoen en we draaiden dat een eindje. Zoals u weet loopt de Bakkershoek af naar waar nu het gemeentekantoor staat. Begint me die wagen te rijden bij de laagte neer, hoe langer hoe harder. Wij schrokken ons een ongeluk en wij draafden naar huis. Er stond toen een lantaarnpaal voor de kruidenierszaak van Babois. Daar reed de wagen pal bij langs en zo de Rien in. Die boer zeiden ze, stond er later bij te huilen, want er zat ook nog een mand met zeven kippen in..

Wij hadden natuurlijk als kinderen geen vermoeden dat zoiets mogelijk was. Maar geknepen dat wij hem hebben! En moeder je maar bang maken met, "Straks komt politie Venema, je halen en dan ga je de bak in en krijg je roggebrood te eten met spijkers en groene zeep erop". Ik was toch al zo bang voor Venema, want een tijdje eerder had ik een klap van zijn rotanstok gehad op mijn billen dat ik kon veertien dagen niet op mijn kont zitten.

Voor 'Sake de Rus' was hij doodsbenauwd.... Er reed toen nog een postkoets, naar de buitendorpen, er was achter een opstapje. Ik kwam uit de bewaarschool en moest naar de Schans en dacht mooi mee te rijden, met voornoemd gevolg. Nee, het moet daarna zijn geweest want het postkantoor was in 1907 klaar gelijk met de gasfabriek. Voordien was het postkantoor naast de Lemster boekhandel en werd gedreven door Gebr. Pereboom. Ze waren tevens kleermaker, ook Van der Horst heeft er zijn kapperssalon gehad, ik ben aardig van de Markt afgedreven, maar tegenover Eilers zie je op de hoek de zadelmakerij van Bijlhout. Die kon zo mooi orgelspelen en op zomeravonden ging het raam omhoog en stonden er altijd mensen te luisteren. Dan komen we bij de coöperatiewinkel "Excelsior", daarvoor woonde Boonstra er. Hij dreef daar zijn drogisterij. Op de tweede verdieping had hij wel 1000 paar klompen op rekken, die kon je zelf passen. Zijn vrouw heette Kaatje en was meen ik een zuster van Zeilmaker, Marten Folkerts de Vries, van de Polderdijk.

De zadelmakerij van Bijlhout en de coöperatiewinkel "Excelsior"

Boonstra, heeft later een nieuwe zaak geopend aan de Schulpen naast Propsma. Daarnaast krijgen we een winkel ik meen me te herinneren dat Schotsman daar begonnen is. Wat later 'Schotmans bazar' werd bij de klip, daarna Noppert en later Sportcentrum Klaas Visser. Schotsman is toen naar Leeuwarden vertrokken, maar wat ik er van gehoord heb, had hij beter in Lemmer kunnen blijven. Toen kwam in die oude Schotsman winkel de slagerij van Koning, die uit de Schans kwam en later de slagerij kocht van Dooitzen de Jong, op de hoek van de Gedempte Gracht. Koning had twee zoons, Harmen en Andries en een dochter Jansje die bij mij in de klas zat. Harmen is als zo velen in Lemmer en daarbuiten bezweken aan de Spaanse griep na de eerste wereld oorlog.

Dooitzen de Jong, kocht de mooie slagerij van Gebr. van der Woude aan de Langestreek. De slagerij die Koning verliet, werd overgenomen door Koopmans die jaren later naar de bekende Villa Nova ging en weer boer werd. Zoon Jan had later een slagerij aan de Nieuwburen.

Dan krijgen we de ingang naar het Achterom en komen we bij bakker Haveman, daar zijn geen veranderingen gebeurd. De zoon heeft de zaak voortgezet. Zijn broer Jannes, die jarenlang arts is geweest in Sint Nicolaasga kende ik beter. De oude Haveman zijn vrouw was, Marie de Boer van 'De Helling'.

Dan op de hoek bij de Rien waar nu het gemeentekantoor staat, was een grote kruidenierszaak annex grossierderij. Ik meen dat de eerste die ik daar gekend heb een van der Gaast of Gaastra was. Later Babois, die had een zoon die Piet heette. Er stond altijd zo'n groot beeld in de etalage in ouderwetse kleren en een gouden pijp in de mond.


INGRIJPENDE VERANDERINGEN IN LEMMER 1886-1890.

Lange tijd zijn de waterwegen en de sluis in Lemmer voldoende geweest voor het scheepvaart verkeer, schepen veranderden niet veel. Hout was het materiaal dat beschikbaar was voor de scheepsbouw, de masten en het rondhout. Tjalken, aken, skûtsjes en beurtschepen bevoeren de Friese wateren en het vervoer ging voor het overgrote deel per schip. De landwegen stelden niet veel voor en waren in het natte jaargetijde vrijwel onbegaanbaar. In de toenmalige buitenhaven van Lemmer kwamen en gingen de koffen en smakken en hoe de zeeschepen ook verder mogen heten. Uiteraard zal de sluis het druk gehad hebben met de schepen, die zowel op zee als binnen konden varen.

Uit mijn jeugd herinner ik me nog wel de brede tjalken met de robuuste ronde kop, de gestaagde mast en getaande zeilen. Maar de moderne tijd diende zich aan. IJzeren schepen kwamen in de vaart en zelfs stoomboten. Het moest groter en sneller. De Sluis was eigendom van het waterschap "De Lemstersluis". Het bestuur hiervan was een zelfstandig lichaam. Men kan zich wel voorstellen dat het moeizame onderhandelingen zijn geweest, die moesten leiden tot de bouw van een grote sluis en een betere vaarroute. Het Rijk, de Provincie Friesland, de gemeente Lemsterland, het waterschap "De Zeven Grietenijen en Stad Sloten" en het waterschap "De Lemstersluis" waren hierbij met belangen en eigendommen betrokken.

Verschillende plannen en mogelijkheden zijn ongetwijfeld overwogen, maar het is geworden zoals op het hierbij afgedrukte kaartje is weer gegeven. Een nieuwe sluis is gemaakt op 250 meter afstand van de oude met aansluitende havendammen. Het is een zogenaamde bajonetsluis, dit wil zeggen dat het bovenhoofd en het benedenhoofd niet recht tegenover elkaar liggen, maar iets verspringen.

Tekening van een bajonetsluis.

De doorvaart breedte van de sluis is 8 meter, lengte 50 meter, drempeldiepte 2,66 -NAP. Er zijn 5 stel deuren. Aan de zeezijde de stormvloeddeuren. (Deze deuren hebben een merkwaardigheid: zij zitten binnenstebuiten. De dwarsbalken (dubbele T balken) vormende het geraamte van de deuren, zitten aan de verkeerde kant, nl. aan de kant waar de waterdruk vandaan komt. De ijzeren beplating zit aan de binnenkant en "hangt" door middel van de klinkbouten aan deze dwarsbalken, inplaats van door de waterdruk tegen deze dwarsbalken te worden geduwd, zoals de gebruikelijke constructie van sluisdeuren is. Boze tongen beweerden, dat de aannemer in familierelatie stond tot de betrokken ingenieur van de Waterstaat, met gevolg dat de fout met de mantel der liefde is bedekt. Wat hiervan waar is, is niet bekend. Wel staat vast dat deze deuren ruim een eeuw hun functie goed hebben vervuld, zelfs bij zeer hoge waterstanden, zoals in 1916 toen de oosthavendam geheel onder water stond en dit bijna over de vloeddeuren liep).

De hoogte hiervan sluit aan bij de hoogte van het bovenhoofd, 3,50 + NAP. Deze deuren moesten dicht als er op de Zuiderzee door springtij of door storm een hoge waterstand verwacht werd. Verder is er het stel vloeddeuren voor schuttingen bij normale vloedstand, dus als het water op de Zuiderzee hoger was dan binnen. Maar het omgekeerde kan ook voorkomen.

Bij noordelijke en oostelijke wind wordt het water van de Friese meren naar het zuiden gestuwd en waait de Zuiderzee lager af. Dan is het water binnen hoger dan buiten, de normale vloeddeuren zouden vanzelf open waaien en door de snelle stroom was scheepvaart niet meer mogelijk. Daarom is ook nog een stel ebdeuren gemaakt. Ze doen dienst bij lage ebstand en als door andere oorzaken de waterstand binnen hoger is dan buiten.

Maar er vond nóg een ingreep plaats. In het hart van de Lemmer werd de Markt doorgraven, Zodanig, dat de Lemsterrijn rechtstreeks verbinding kreeg met de gevormde binnenhaven. Hiervoor moesten een 10-tal gebouwen worden afgebroken.

De Gracht* werd gedempt, evenals een aanwezige zijarm of inham tussen gemeentehuis en kerk konden verdwijnen en een nieuwe brug werd ten westen van die Markt gemaakt.

* (Dit was een gracht die liep tussen het gemeentehuis en de voormalige slagerij van Sjoukes door). De twee bruggen, bij de Korte streek en Nieuwburen (Er lagen twee bruggen over, één in het verlengde van de Nieuwburen, en één vanaf de Kortestreek naar de Oudesluis oostzijde. Eerstgenoemde had in de volksmond de naam "Hottinga's Brêge", de andere werd in de volksmond "Plug's brêge" genoemd. Er moet een gravure van zijn van 1857, die zich bevind in de Oudheidskamer van Lemmer)

Dit werd de Truitjezijlbrug genoemd, waaronder een keersluisdeur via een nieuwe kade ontstond en zo een verbinding tussen Nieuwburen en Gedempte Gracht enerzijds en Markt en Schans anderzijds vormde. De deuren van de Oude Sluis konden open blijven staan en zo was in 1890 de nieuwe vaarweg gereed. Men zal de verbetering geprezen hebben en het, scheepvaart verkeer werd nog meer dan voorheen een bron van bestaan voor Lemmer.

In de gevormde vluchthaven, ten oosten van de Nieuwe sluis, kwam bovendien een veilige ligplaats voor vissersschepen en vrachtschepen, afgeschermd van de Zuiderzee tot de oostelijke havendam. Aansluitend aan de sluis is een nieuwe zeewerende dijk gemaakt.
Tegelijkertijd is nog een ander punt bij deze werken betrokken, namelijk de afwatering van Friesland. Het overtollige regenwater kan men in herfst en winter maar moeilijk kwijt raken. Grote delen van het lage midden van Friesland, de zogenaamde "bûlannen" liepen onder en fungeerden als reserve waterberging. In het noorden van de provincie kon alleen bij Dokkumer Nieuwe Zijlen tijdens eb overtollig water gespuid worden. Langs de westkust kon dit door de sluizen in Harlingen, Makkum, Workum, Hindelopen, Molkwerom en Staveren. In het zuiden door Lemmer en Schoterzijl.

Reikhalzend werd in vroegere eeuwen door de boeren uitgezien naar noordoostelijke wind; dan kon het water weg en kwamen de landen droog! In Lemmer gaf dit tegenstrijdigheid van belangen. Als met flinke wind gespuid werd, veroorzaakte dat in de oude oude Sluiskolk zoveel stroom dat de schepen er niet meer in op konden komen. Daarom werd aan 't eindje van de Schans, waar nu de Riensluis is, een spuisluis gebouwd.

Deze foto uit Lemmer dateert van omstreeks 1887, toen men begonnen was aan de nieuwe havenwerken met schutsluis enz. Hierdoor had in Lemmer zelf ook een radicale verandering plaats. Het is dus al een hele oude kiek en de kwaliteit heeft daar uiteraard onder geleden. De brug genoemd naar de draaier of "opwipper" uit die tijd, de Hottinga's-brêge, was een schakel tussen de Nieuwburen, vanwaar de foto genomen is, en de Markt. De Rien (Vissersburen), liep rechtstreeks voorbij van het gemeentehuis naar het Dok. Daar lag de Plugs-brêge, die hier niet opstaat. Tussen deze twee bruggen, lag wat nu Gedempte Gracht heet. De gracht en de drie panden, die men rechts op de foto ziet, zijn afgebroken. Er zijn nog meer panden onder de moker gevallen, maar die zijn hier niet zichtbaar.

Brede schuiven konden daar opgetrokken worden om het water door te laten. Bij groot peilverschil kolkte het daar met groot geweld door. De scheepvaart had weinig last meer en kon doorgaan. De nieuwe sluis met havendammen, eigenlijk gebouwd in het water van de Zuiderzee, de spuisluis en de doorgraving van de Markt waren werken van enorme omvang. Voor grondwerk waren er alleen schop en kruiwagen beschikbaar. De heipalen moesten met de trekhei in de grond worden geslagen.

Foto en tekst van HEIBEDRIJF VIS:

Tegen de zestiende eeuw was de handhei verdrongen door de trekhei, die een veel grotere valhoogte mogelijk maakte en waarmee veel langere palen tot aan dieper gelegen, stabiele zandlagen de grond in konden worden gedreven. Een trekheistelling bestond uit drie schuin geplaatste houten palen die aan de bovenkant met touwen aan elkaar vast zaten. De middelste paal van de stelling werd het gladde been genoemd. Aan de ene kant van het gladde been stond het klossenbeen, de paal aan de andere kant werd het derde been genoemd. Het klossenbeen was voorzien van uitsteeksels zoals we die kennen van de houten stelten. Het klossenbeen fungeerde als een soort ladder waarlangs je omhoog kon klimmen als dat nodig was. Helemaal bovenin de stellage, op meer dan 15 meter hoogte, hing de rammelschijf. Over deze katrol liep een touw dat aan het ene uiteinde werd bevestigd aan het heiblok, dat langs twee verticale geleiders liep. Wel 40 mannen trokken aan het touw om het zware heiblok op te tillen en lieten het weer vallen. Omdat het met regelmaat moest gebeuren, zongen de mannen ritmische liederen.

Zetsteen, basalt en stortsteen, alles werd met groot vakmanschap door handkracht op zijn plaats gebracht. Het verdwijnen van de oude Lemster Markt, het verlies van vele historische gevels en het dempen van de Gracht waren de offers die gebracht zijn voor de economische ontwikkeling. Of deze offers terecht of onterecht, zijn geweest, daarover kunnen de meningen verschillen. Het is echter wel, opmerkelijk dat van alle oude havenplaatsen aan deze kant van de Zuiderzee Lemmer de enige is die flink tot bloei is gekomen.

P. Beetsma.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.