Herinneringen van Teade Wouda e.a. 6

LEMSTER ZEELIEDEN EN DE ZEILVAART IN DE 19-DE EEUW.

Kofschipper Adrianus Siebes de Jong voer op de West.

Door Albert Hendriks.

Toen in 1813 Nederland weer onafhankelijk werd, verkeerde de zeilvloot ernstig in verval. Er waren hoogstens 30 schepen, min of meer geschikt voor de vaart op Indië. Van Amerikaanse en Engelse reders, die in de Napoleontische tijd een moderne zeilvloot hadden opgebouwd, moesten klippers worden gecharterd om de verbinding met de Tropen te herstellen.

Koning Willem I, bepaalde dat een premie zou worden gegeven aan Nederlandse werven, die schepen van minstens 300 ton lieten bouwen. Op initiatief van de koning werd in 1824 de 'Nederlandsche Handel Maatschappij' opgericht om de in verval geraakte koloniën weer tot 'bloei' brengen. Zo werd onder andere verplicht voor het vervoer van Indische Gouvernement producten uitsluitend gebruik te maken van Nederlandse schepen, terwijl voor elk nieuw schip de bevrachting van twee uit en thuisreizen naar Java of China, tegen winstgevend tarief werd gegarandeerd. Om voldoende aanwas te krijgen van vakbekwame zeelieden werden de grotere klippers en barken verplicht minstens één leerling als lichtmatroos in dienst te nemen voor elke 100 last laadruimte. Eén last is twee ton

Herstel.

In 1824 bezat Nederland 1100 schepen waarvan 54 Oost-Indiëvaarders. In 1837 was het aantal Oost-Indiëvaarders toegenomen tot 146 stuks met een draagvermogen van 50.000 last. Dit was voldoende vervoer's capaciteit om de bouwpremie te laten vervallen. Toen de Nederlandsche Handel Maatschappij er toe overging om aan schepen van 400 last en minder een hogere vracht toe te kennen dan aan schepen van groter charter, werd het voordelig schepen te bouwen die zo dicht mogelijk onder de 400 last bleven.

De gebruikte scheepstypen waren scherp gebouwde klippers, fregatten en barken. De Klippers en fregatten waren gewoonlijk als bark getuigd, waardoor met een kleinere bemanning kon worden volstaan. Op snelheid werd in die dagen nog niet gelet. Omstreeks het midden van 19 de eeuw nam Nederland met 2400 houten zeilschepen, variërend van 100 tot 800 ton, de vierde plaats in van de zeilvloot in de wereld. Van deze 2.400 schepen, die grotendeels per schip kleiner waren dan 100 last, was meer dan de helft gedomicilieerd in Amsterdam. Rotterdam was toen de tweede haven en voor wat de specifiek Nederlandse rondgebouwde scheepstypen, de koffen en tjalken, betrof, was de provincie Groningen de belangrijkste thuishaven.

Wat totale aan en afvoer van lading betrof, zou het tot plm. 1900 duren dat Rotterdam de hoofdstad had ingehaald en begon te overtreffen. In 1859 waren er 1100 reders; de meeste rederijen exploiteerden één schip Ongeveer 500 grotere schepen, klippers, barken en fregatten voeren bij toerbeurt op Indië voor de NHM. De kleinere schepen, zoals koffen, tjalken. en schoeners, waren meer kustvaarders en bevoeren Scandinavische en Engelse havens, de Franse bocht of bedreven, de straatvaart (door de Straat van Gibraltar). Slechts enkelen staken de Atlantische Oceaan over.

Stoomvaart verdringt zeilvaart.

Hoewel al in 1826 de eerste Nederlandsche Stoomboot Maatschappij (NSBM of NSbM) werd opgericht, die met vijf schepen de vaart van Rotterdam op Keulen en Antwerpen onderhield, vond aanvankelijk de toepassing van hulp stoomvermogen weinig toepassing bij de klipperfregatten. Wel werden kleinere raderstoomsleepboten, gebruikt voor het geleiden van de grotere zeilschepen naar de havens van Amsterdam en Rotterdam.

De in 1847 gebouwde ijzeren schoener "Industria" van W. Ruys bewees in 1848 zijn zeewaardigheid door via Kaap Hoorn naar Valparaiso te varen. Toch waren tegen het einde van het derde kwarteeuw ijzeren schepen in de vaart op Indië nog uitzondering. Omstreeks de zestiger jaren beleefde de zeilvaart wederom een malaise periode. Het scheepstype dat zich onder invloed van de bescherming door de Handel Maatschappijen in de Indische vaart had ontwikkeld, bleek daarbuiten niet rendabel.

De concurrentie van de stoomvaart begon zich af te tekenen. In 1856 werd de KNSM opgericht, in 1870 volgde de SMN. In 1880 kwam de KPM tot stand, terwijl tenslotte de Rotterdamse Lloyd in 1883 werd gesticht. Hoe zou de zeilvaart zich kunnen handhaven, vraagt Jacob Adrianus de Jong, zich in zijn studie af. Het enige wat een zeilschip voor had was de goedkope doch min of meer onberekenbare energiebron de wind. Het waren vooral de barken en de rond gebouwde zeewaardige maar nogal afdrijvende koffen, die plaats moesten maken voor de grotere snel varende scherp gebouwde klippers en schoeners. De traditionele laadruimte van 800 ton voor klippers werd al spoedig vergroot tot meer dan 1.000 ton. In 1870 werd zelfs de 2.000 ton overschreden. In 1903 werd de laatste stalen 4.mast bark gebouwd van 2.500 ton, waarvoor geen lonend emplooi meer werd gevonden. Na 1880 begon de stoomvaart de zeilvaart van de zee te verdringen. Omstreeks de eeuwwisseling was het lot van de grote zeilvaart beslist.

Adrianus Siebes de Jong wordt kapitein.

Adrianus Siebes de Jong, de overgrootvader van mevrouw van der Wal uit Lemmer, geboren te Schiedam op 12 oktober 1830 als zoon van Siebe Benjamins de Jong en Pieternelletje Trappenburg, dochter Van de Schiedamse molenaar Jan Trappenburg. Zijn vader Siebe Benjamins de Jong (1798-1854) stamde uit een oude Lemster familie van zeelieden, was kapitein van de kof "Anna". Zijn grootvader Benjamin Pieters de Jong (1764-1835) was kapitein van de kof "De Jonge Frederik". De familie woonde in Lemmer, de schepen hadden Amsterdam als thuishaven.

Adrianus had drie broers (twee oudere en één jongere) die evenals hij.. hoe kon dat ook anders, zeeman zouden worden en drie zusters, namelijk Clazina, Pietje en Neeltje. De drie broers zijn overleden in of door hun beroep. Zijn oudste broer Benjamin, kapitein van de kof "Valerius Lodewijk" verdronk in 1864 op 43-jarige leeftijd op de rede van Lissabon tengevolge van het omslaan van een sloep.

  1. Adrianus de Jong
  2. Benjamin Pieter de Jong
  3. Jan de Jong
  4. Siebe de Jong

Zijn tweede broer Jan, lichtmatroos op de bark "Jan Pieterszoon", overleed in 1845, te Semarang. Zijn jongste broer Siebe, stuurman op de "Valerius Lodewijk'" overleed in 1863 op 24-jarige leeftijd te Matanzas op Cuba. Zeevaartscholen, zoals wij die thans kennen, bestonden destijds niet.

Jongelui, die zich tot de scheepvaart aangetrokken voelden, leerden hun vak in hoofdzaak in de praktijk. Adrianus de Jong, werd op 20 april 1852 het diploma eerste stuurman van de zeevaartschool te Harlingen uitgereikt. Na een meerjarige praktijk als lichtmatroos, leerling-stuurman en stuurman, werd Adrianus de Jong op 24 jarige leeftijd in 1854 kapitein van de kof "Adolf Frederik". Voordien had hij nog twee jaren gevaren als eerste stuurman op de schoener "De Jonge Walrave". Hij was ingeschreven bij het Zeemanscollege te Amsterdam onder no. 654. Dit is tevens het nummer dat op de vlag was vermeld met de letter 'A' op de voorste mast van zijn schip. De letter 'A' gaf aan de eerste letter van de thuishaven. Van in Rotterdam gedomicilieerde schepen voerden de gezagsvoerders hun collegenummer in de vlag, gevolgd door de letter 'R'.

Foto van Ad de Jong: Foto van Adrianus Siebe de Jong. Geboren te Schiedam op 12 oktober 1830. Schipper op een kofschip en een schoener-brik voor hij in 1874 de s.s. “Lemmer” kocht. Dit schip bracht hij in, middels een fusie met de gebroeders Nieveen, die 4 jaar eerder de Groninger-Lemmer Stoomboot Maatschappij hadden opgericht. Hij is overleden in Lemmer op 5 april 1894.

'De Amsterdam' De Amsterdam in de binnenhaven van Lemmer, omstreeks 1920. Eén der eerste boten die behalve vracht ook passagiers vervoerde. De "Amsterdam" en het zusterschip de "Lemmer" waren eigendom van de Lemster ondernemers, Adrianus de Jong en Jochem de Haan. Het stoomschip had oorspronkelijk 2 masten. De achterste mast werd later verwijderd, waardoor er meer ruimte kwam voor passagiers.

Over-de oceaan.

De "Adolf Frederik" was een tweemaster, met een ronde voor- en- achtersteven, breed in verhouding tot de lengte, goed belaadbaar, dreef vrij veel af en was derhalve minder snel dan de scherp gebouwde schoeners en klippers. Aangezien snelheid in die dagen niet zo'n voorname rol speelden als in latere jaren het geval zou zijn, het schip eenvoudig was getuigd en een kleine bemanning vroeg, gold toentertijd de kof als een economisch schip. Hoewel kofschippers zich hoofdzakelijk bezig hielden met de Europese kustvaart, maakte mevrouw van der Wal's overgrootvader eens per jaar een reis naar "De West". Hij volgde met zijn schip ten dele het zgn. karrepad van de Oost-Indiëvaarders, dat wil zeggen door het Kanaal, via de Azoren, Madeira en de Canarische eilanden tot Trinidad. De Indië-vaarders wendden hier de steven naar het Oosten (de Kaap). Adrianus Siebes de Jong, passeerde Trinidad in westelijke richting naar als eerste haven Curaçao. Vervolgens werden bezocht de onderwindse eilanden, Paramaribo en de haven langs de oostkust van Brazilië tot Rio de la Plata.

Handel op Amsterdam.

Aangezien Adrianus de Jong, behalve schipper ook koopman was, werd behalve de gecontracteerde lading, indien er vrije ruimte overbleef, voor eigen rekening katoentjes en ijzerwaren, meegenomen uit Amsterdam; goederen waarvoor in de West altijd belangstelling bleek te bestaan. Was er voor de terugweg laadruimte over, dan werd deze opgevuld met huiden in Rio de Janeiro of met koffie in Bahia, waarnaar vraag bestond in Amsterdam. Eerste haven in Nederland was Den Helder. Bij gunstig tij en wind werd door de geulen in de Zuiderzee naar Amsterdam gevaren. Zo niet, dan werd het schip door het Noord-Hollands kanaal naar Amsterdam getrokken met een raderstoomsleep-bootje.

De vaargeul in het zuidwestelijke deel van de Zuiderzee vertoonde in het begin van de 19-de eeuw neiging tot verzanding, terwijl het aantal schepen van grotere diepgang toenam. Dit had tot gevolg dat voor Amsterdam bestemde grotere schepen in Den Helder een deel van de lading moesten lossen en zo nodig met een scheepskameel over de ondiepte bij Pampus werden gezeild. Scheepskamelen zijn inrichtingen waarmee schepen, die door hun diepgang bepaalde ondiepten niet konden passeren, gedeeltelijk uit het water gelicht konden worden, uitgevonden in 1688 door de Amsterdammer Meeuwis Meindertsz Bakker. Ze werden steeds in paren gebruikt en bestonden uit een soort houten caissons, van binnen verdeeld in, waterdichte kamers die leeggepompt konden worden. Tegen elkaar aangetrokken pasten ze precies aan weerszijden tegen een schip, dan kon het onder eigen zeil of gesleept in de haven wordend gebracht.

De noodzaak tot het gebruik van kamelen ontstond door de verzanding van de haven van Amsterdam. Om de haven van Amsterdam voor schepen van grotere diepgang bereikbaar te maken, werd in de jaren 1818-tot 1824 't Noord-Hollandskanaal gegraven. Dit kanaal was twee meter dieper dan de geul bij Pampus. Om de kosten van deze aanleg niet al te zeer op te voeren, werden de vaak zeer bochtige ringvaarten van de ingepolderde meren deel van dit grote scheepvaartkanaal. Deze bochten hebben wel eens last veroorzaakt Volgens W.W Reys in zijn boek. "Aardrijkskunde van Nederland" deel I, kwam in Purmerend op een zondag tijdens de kerkdienst de boegspriet van een klipper door het kerkraam steken. In Amsterdam werd zo mogelijk afgemeerd op het toen nog open IJ aan de noordelijke kant van het stations eiland nabij het voormalige hotel "De Ruyter". Aangezien zo'n trip naar De West slechts enige maanden in beslag nam, werd tussentijds wilde vaart bedreven door vrachten te bemachtigen voor de Duitse bocht, Engelse havens of naar de Middellandse Zee.

Lemmer.

In januari 1857 trouwde Adrianus de Jong te Lemmer met Hendrikje Feites Bakker, geboren op 1 september 1834, overleden op 15 april 1867. Uit dit huwelijk werden twee zoons geboren, namelijk Feite, geboren op 30 januari 1858, overleden op 25 november 1909 en Siebe, de grootvader van mevrouw van der Wal, geboren op 8 mei 1862 en overleden op 27 januari 1935. Omstreeks 1860 kwam aan de bloei van de zeilvaart een eind, vooral barken en koffen verdwenen van het toneel om plaats te maken voor sneller zeilende klippers van grotere tonnage, fregatten en schoeners.

Adrianus de Jong kocht in 1862 in verband hiermee een snel varende schoenerbark van 200 ton, waarmee het bedrijf op dezelfde voet werd voortgezet. De schoenerbark, genaamd "Anna Maria Henrietta" was een tweemaster. De voormast was vierkant getuigd, de achtermast had langsscheepse zeilen. Op 12 oktober 1871 hertrouwde Adrianus de Jong te Lemmer met de volle nicht van zijn eerste vrouw, Hendrikje Comelis Bakker, geboren op 13 maart 1841 te Lemmer, daar overleden op 8 oktober 1914. Uit dit huwelijk werden geboren: Comelis Poppe 25 december 1875, Adrianus 2 juni 1877, Petronella Clazina 1 december 1878 en Dieuwke 19 mei 1881. In 1874 achtte mevrouw van der Wal's overgrootvader het nodig, mede om gezondheidsredenen (hij was astmatisch geworden), om over te schakelen naar de stoomvaart." De Arina Maria Henrietta" werd in het gebouw "Frascati" in Amsterdam verkocht. Nog in ditzelfde jaar werd Adrianus de Jong medeoprichter van de 'Groninger-Lemmer Stoomboot Maatschappij' door inbreng van het stoomschip "Lemmer" dat de vracht en passagiersdienst zou onderhouden tussen Lemmer en Amsterdam. Adrianus Siebes de Jong overleed op 5 april 1894 op 63-jarige leeftijd, in Lemmer.

Door Albert Hendriks.

  • Reactie.

Toen ik dat aardige verhaal las over de Lemster zeelui en de familie de Jong, bedacht ik, dat er minstens nog een reder in Lemmer geweest moet zijn, n.l Lichthart, maar daarover straks. Mijn reeds lang overleden man kreeg op de Amro- Bank, eens een jonge collega, die beweerde Dick de Jong, te zijn en een kleinzoon of achterkleinzoon van een Lemster reder. Nu kon ik eerst dat verhaal niet goed thuisbrengen, maar aangezien Dick een betrouwbare jongen was, ben ik het gaan navragen en ja, hij moet dus een kleinzoon geweest zijn van Siebe de Jong, die op de Nieuwedijk woonde. Dick' s vader (ouders?) zaten in Amerika en Dick is nog ver voor m'n man gestorven. Maar intussen wist ik het weer: C.P. de Jong was een neef van Siebe, had ook een Adriaan en poppe(tsie) Bakker was ook een neef, had ook een Cornelis.

Dat is gemakkelijk en zinvol als de mensen hun kinderen" vernoemen", dan blijven ze, als het ware, aan hun voorgeslacht verbonden, wat je van Sonja, Martin en Monique niet zo best kunt plaatsen. En nu Lichthart Ik heb hem niet gekend en vermoedelijk niemand van de nog levende Lemsters. Maar wel z'n vrouw, zoon en dochter. Ze woonden tussen bakker Oldendorp en bakker Van der Geest op de "Oude Haven". Toen ik er als kind kwam mocht ik oude platen bekijken van grote zeeschepen en kreeg ik het verhaal van het eigen schip dat nooit weerkeerde.

Of de weduwe daarna een winkeltje begon, weet ik niet, wel dat het erg beste mensen waren en dat het altijd armoe troef was, want zakenmensen waren het niet, behalve voor hun moeder moesten Sijbrand en Diewke ook nog voor 2 demente tantes zorgen Dieuwke was zo'n beetje hoedenmaakster erbij en Sijbrand liep, naar ik meen, voor het ziekenfonds. Later is hij nog bij ons boekhouder geweest, ik was toen z'n assistente en ik heb de herinnering behouden aan een zeer belezen, vrome en wijze man. Toen Dieuwke na de dood van haar broer de winkel niet meer houden kon, heeft ze nog met de "bollekoer" gelopen, die later door een karretje vervangen werd. Gelukkig heeft ze nog een paar zorgeloze jaren gehad in Hilversum, waar ze door een broer van m'n vader, Jentsje de Vries, die daar een rusthuis dreef als een soort juffrouw-van gezelschap bij een oude heer geparkeerd werd.

Rinsje van Ommen de Vries, Amsterdam.


MARKANTE FIGUREN VAN WELEER IN LEMMER.

Zoals ongetwijfeld vele anderen, las ik met belangstelling het interview in de krant van 2 maart 1978 door Albert Hendriks met professor Jan Pen te Groningen. Het blijkt dat ook hij met Lemmer van vroeger nog een binding heeft, gelet op zijn weergegeven indrukken. Met dit dorp is het geloof ik, toch opvallend hoe velen her en derwaarts verspreid regelmatig terug keren door oude banden. Natuurlijk is dit niet alleen met Lemmer het geval, niettemin het lijkt hier anders dan anders. Er was destijds ook duidelijk sprake van een nogal nauw verbonden gemeenschap, misschien door de invloed van de zee, wie zal het precies zeggen.

Ik herinner mij Jan Pen uit die tijd heel goed, ofschoon hij 10 jaar jonger is dan ik, wat op die leeftijd een groot verschil betekent. Zoals ik Willem Deurtje was, noemden zijn leeftijdgenoten hem inderdaad "Jean Plume" de tijd ook van Lijkele Boersma, zoon van hotelhouder Boersma op Nieuwburen, de nu bekende auteur Pieter Terpstra wiens vader in de Schans een boekhandel dreef. Klaas Zwarthoed later KLM gezagvoerder, de vriendelijke Rinie Koole, Harm Douma en andere die ik mij op dit moment niet zo goed herinner. Ik ben er echter van overtuigd dat de heer Pen in die tijd door zijn bijnaam niet gefrustreerd werd. Hij had de mond zeker op de goede plaats, maar benaderde de andere op intelligente wijze. Men werd op afdoende wijze van repliek gediend zoals ik hen toevallig eens bezig hoorde.

Ik kwam toen weer regelmatig door omstandigheden in Lemmer op onze primitieve tegeltennisbaan achter 'Hotel Boersma'. Verder kan ik mij levendig voorstellen dat hij van water houd in plaats van bossen, daar hij waarschijnlijk vanuit zijn slaapkamer, over het huis van de vishandelaar Willem Pippy en over de haven de zee kon zien.

De familie Pen woonde in een voor die tijd groot modern woon en winkelpand in de Schans. De winkel had die typisch aangename geur van teer en netten, zo echt behorende tot een levend vissersdorp. Men was zeer nauw met het dorp en de visserij verbonden. Ontelbare, allerlei soorten netten zijn in de kelders gebreid door bekwamen vaklieden als de familie Zijlstra (Minze-Jep) en anderen. De firma zelf had een internationale faam wat betreft de producten en haar betrouwbaarheid. Vader Jurjen Pen* was een sympathiek en dynamische man met een artistieke kuif, die voor iedereen voor goede raad en bijstand aanspreekbaar was, waarbij ongetwijfeld zijn lieve vrouw een grote rol speelde. Ja ook dit zijn mensen die glashelder in het geheugen blijven gegrift, evenals hun boekhouder de Heer de Vries, die jaren en jaren trouw de administratie van het bedrijf verrichte.

* 21-01-1948: Een 93-jarige.

LEMMER. Op Vrijdag 23 Jan. a.s. hoopt de heer Jan Pen alhier zijn 93ste verjaardag te vieren. Wie de heer Pen alle dagen door de Schans ziet lopen, om een bezoek te brengen aan de zaak, die nu beheerd wordt door zijn zoon, de heer Jurjen Pen, zou niet zeggen, dat hij al flink in de 90 is. Deze krasse oude baas fietste nog flink, toen hij de 80 al ver achter zich had. Het waren de Duitsers, die hem de fiets tenslotte ontnomen hebben. In alles stelt de heer Pen nog belang. Als er nog een belangrijke vergadering is, zal hij niet ontbreken, en op het laatste Sint Nicolaasfeest in de bewaarschool was hij aanwezig.

Toen de nieuwe brug naar de Schans in 1941 officieel geopend werd door de Burgemeester, was het ook weer Pen, die als eerste burger de brug overliep. Als oudste inwoner van Lemmer geniet hij een grote populariteit. Zijn gezicht wordt wel minder, en ook de stok is er het laatste jaar bijgekomen, maar desondanks wandelt hij nog overal heen. In het openbare leven heeft de heer Pen altijd een belangrijke plaats ingenomen. Zijn bestuursbaantjes waren vele en overal was hij actief werkzaam. Zo heeft hij mede opgericht de Ned. Ver. tot afsch. v. alc. houdende dranken, waarvan hij jarenlang voorzitter is geweest, en nu nog erelid, de bond van Staatspensionnering en niet te vergeten de Bewaarschool.

Van de vroegere S.D.A.P. is Pen ook de oprichter geweest en wel in de bekende kwestie Hoogezand—Sappemeer. Voor vele Verenigingen was Pen mede de stuwende kracht en tal van sprekers, die voor diverse Verenigingen spraken, vonden in zijn gezin onderdak. Ook voor toneel, zang en muziek bestond bij hem altijd grote belangstelling. Bij de viering van het 50-jarig bestaan van de Muziek- en Zangver. Excelsior in 1946 kwam Pen persoonlijk zijn gelukwensen aanbieden, en sprak een kort herinneringswoord door de microfoon tot de aanwezigen.

Een bijzonderheid uit zijn leven was wel de tocht per arrenslee over de toenmalige Zuiderzee in 1891 naar het Eiland Urk. Van de negen personen, die deze tocht volbrachten, is de heer Pen de laatste overlevende. Tot in 1929 was hij recordhouder van deze tocht, maar hij nam de kans toen waar, om op moderne wijze en wel per auto, deze tocht te herhalen. Een oorkonde van deze tochten is in zijn bezit.

Ook is de heer Pen een belangstellend zeiler geweest, en bij vele wedstrijden was hij vertegenwoordigd. Zijn zaak in de Schans in visserij producten, is zeker over het gehele land bekend. De heer Pen is geboren te Oosterzee, in een gezin van negen kinderen. Zijn vader was turfmaker en de verdiensten waren in die dagen slecht. In 1880 vestigde Pen zich in Lemmer en in 1882 trad hij in het huwelijk met Mej. Janke de Rook. Uit hun huwelijk zijn zes kinderen geboren van wie drie nog in leven zijn. Het zal a.s. Vrijdag de heer Pen stellig niet aan belangstelling ontbreken)

Er waren meerdere van die families in Lemmer, markante figuren in een passende omgeving, die een duidelijke stempel op Lemmer drukten, zoals de familie de Rook en de familie Sterk...'De Hangbazen' en de gebroeders Sleeswijk en 'De Houtmolen' van de eerst genoemden herinner ik mij het beste Jurjen en Tiese de Rook. Bij deze de Rook's, werkten destijds als boekhouder de bekwamen Rienk Tijsseling, de later bekende accountant in Lemmer. De door mij bedoelde Tiese de Rook, heeft jaren op de hoek van het tramstation gewoond. Het waren met elkaar mensen met capaciteiten die zelfs op ansjovis (door Tiese) in Spanje lieten vissen. Onderschat deze en andere oud Lemsters niet, zeker niet omdat het een andere tijd betrof met zo totaal verschillende opvattingen en andere economische structuren dan heden. Je moet wel veel visie en durf hebben en niet zoals sommige Lemsters onwennig worden als ze de vertrouwde torens in Lemmer niet meer konden zien.

Naast hun zaken stelden zij zich welbewust op voor het lot van anderen. Men had blijkbaar het intuïtief besef dat het er meer op aankomt wat iemand werkelijk van binnen is dan wat hij aan de buitenkant zowel is of lijkt: geen (politiek) fanatisme, want dit is de dood voor inzicht en wijsheid, noch holle en daarom vergankelijke leuzen vanaf de (politieke) barricaden.

Jurjen Pen.

1953

Voetbal toen en misdaad.

Het stond destijds, zonder misverstand te wekken, duidelijk in de Lemster courant: Degenen die in de nacht van Vrijdag op Zaterdag de sokken op de Nieuwedijk van de lijn heeft verwijderd, wordt in zijn eigen belang aangeraden ze terug te hangen. De dader is bekend. Het rechercheteam Kok-Wiersma, werd direct ingeschakeld voor een diepgaand onderzoek. De heren hadden echter pech daar geen vingerafdrukken konden woorden ontdekt, noch voetsporen, en het verder een ernstige belemmering was, dat de mensen in die tijd grijze en zwarte sokken droegen. Zoek het dan maar uit. Want je kan moeilijk vermoedelijke verdachten uit de klompen laten stappen om het breipatroon te onderzoeken. Gelukkig was het ook niet nodig, want een paar dagen later kon worden gemeld dat de sokken weer op de plaats van de misdaad hingen en ook nog... zo werd er gezegd, netjes waren gestopt.

Zo ging het in deze tijd toen "Wet en orde" een andere indruk maakte dan nu. Dezelfde courant nam ook geregeld verslagen op van de door LVV gespeelde wedstrijden uit en thuis. Iedere Lemster kent lange Joost Scheffer, die destijds als keeper in het tweede elftal fungeerde en soms in het doel stond met een grote strooien hoed, die bijna tot de bovenlat reikte. Zodra er een gevaarlijke aanval plaatsvond, liep Jaap met een paar grote stappen uit zijn verdediging's positie, stak hij zijn grote hand als een bord in de lucht en brulde uit alle macht STOP! Dit veroorzaakte schrik en verwarring in de gelederen van de aanvallers, de eigen partij was met die truc op de hoogte, waardoor Joost een prachtige kans had de bal te grijpen en deze ver in het veld terug te slingeren. Waar hij terecht kwam was in die tijd van minder belang. Hij kon dit maar een paar keer uithalen, daar alles went en bovendien door de tegenpartij werd geprotesteerd bij de scheidrechters. Dit waren op eigen terrein meestal Lemsters, die beslist niet helemaal vrij waren van partijdigheid en sommige dingen niet hoorde of zagen.

Evert de Vries, 'Carro' speelde ook vaak mee en was wat je noemt een fanatieke doordrukker. Hij was werkelijk een week lang wanhopig als hij of iemand anders een opgelegde kans voor het doel miste. Die toch al loodzware bal kletste dan in een brede sloot met half zout water, die een paar meter achter het doel langs liep. Hij werd meteen opgevist door Sipke Woudstra, de gasfitter die geen enkele wedstrijd miste en vaak meereisde voor de slag die elders moest worden geleverd. Zijn zoon Jaap Woudstra, woont nog in de Lemmer. Vroeger woonden ze in het zogenaamde Kippebuurtje. Het is mij bekend dat Jaap een hartstochtelijk verzamelaar is van oude aanzichtkaarten en foto's van oud Lemmer. Hij maakte hiervan zelf afdrukken.

1963: Koert de Vries, in juli a.s. al 33 jaar lang de actieve secretaris, benevens voorzitter van de jeugdcommissie en totocommissielid.

Deze mensen hebben er veel aan gedaan dat de club steeds beter van de grond kwam om er een paar uit mijn geheugen te noemen: Uilke de Jong, scheidsrechter, Jan Coehoorn als ballenbewaarder, Herman Gebben enz. Jan had een nuttige taak, want we moesten de eerste jaren heel zuinig met geld zijn. Ook mede daarvoor zette Piet Zwart, een verloting op touw en plaatsen wij als jongens het oude orgel van Hette met de kruk. Welk orgel wij om beurten draaiden, op een vrachtwagen om er mee te trekken door Lemmer en omstreken, zelfs tot aan Kuinre toe. Hier hadden wij weinig succes, want voetballen op zondag was uit de boze en loten zijn voor de zotten.

Niettemin werd er een aardige cent opgehaald voor het opknappen van het terrein op het Hop en een poging een tribune te bouwen. Daarna draaide Hette iedere week weer verder met zijn orgel tot het van vermoeidheid in elkaar zakte. Jan Wever de bekende melkboer heeft het orgel als jongen vaak voor zijn oom geduwd en eraan getrokken tot hij er zelf haast bij neer viel.

Het was een hele eer als je in die tijd mee mocht spelen. De elftalcommissie besloot meestal op vrijdag avond. Dit ging zo, in die tijd was het vaste prik dat er veel langs de Streken werd gewandeld. Het kon er zelfs erg druk zijn, vooral wanneer Excelsior op zomeravonden een concert gaf vanuit de muziektent, die toen tegenover de openbare school was gelegen, De commissie liep verschillende malen met ernstige gezichten, rond de Streken en plotseling schoot één van de heren op je af met kort afgebeten woorden "Je zit er in". Dit betekende dat je zondag paraat moest zijn, en dat er van je werd verwacht dat je vooral flink op de man speelde. Later werd het geleidelijk allemaal anders en begonnen aarzelend onderlinge besprekingen over de te volgen spelmethodiek enz. Je kreeg toen ook netjes een briefje met ja of nee in de bus. Als ik nu het prachtige terrein en de accommodatie zie, dan is er uiteraard ook op dit gebied enorm veel veranderd. Ons genoegen en plezier was er toen niet minder om, want je wist immers niet beter.

Deze foto betreft een opname gemaakt ter gelegenheid van het behalen van het kampioenschap in de eerste klasse van de Friese Voetbal Bond in 1927 door Lemmer I. De foto is waarschijnlijk gemaakt in de tuin van hotel Boersma, onder de boom die daar stond en die op een speciale manier geleid was. Op de achtergrond zijn de huizen van de Polderdijk zichtbaar met daarboven uitstekend de pijp van de aan de overkant gelegen houtmolen.

Het eerste elftal kampioen 1e klas. F.V.B in 1927. Van 1923 tot 1926 was de naam L.V.V. Lemmer Voetbal Vereniging. Shirt Groen/Zwart. Broek: Zwart.

V.l.n.r. geheel boven: Sipke Woudstra, Jan Zandstra, (2 supporters) Staand: Jacob Visser, Andries Bootsma, Uilke de Jong, Sake v.d Bijl, Jelle Douma, Eele Visser, Jan Coehoorn, Sake Bootsma, Hidde de Blauw, Jurjen Propsma, Johan Platte, Roelof Zijlstra, A.v. Winden (scheidsrechter) liggend: Yme Bosma, Herman Gebben, Geert Feenstra, Dirk Veldkamp, Johannes Wijnands.


MENSEN UIT HET OUDE LEMMER EN ANDEREN HERINNERINGEN.

Nu stappen we weer over naar een onderwerp, het schaatsen. Wat leefden we vroeger mee met de Lemster schaatsers, die toen in Friesland en Groningen de lakens uitdeelden. U kent ze nog wel, 'Oude Liekele' die jong was, 'Zwarte Liekele', Arend Poepjes en Eelke de Vries. Dit viertal won alle prijzen, de grootste dan. Holst van Amsterdam won ook wel eens, maar de anderen kregen de centen. Maar we hadden ook nog veel schaatsenrijders, die net onder de top waren. Daar had je Andries de Blauw, de latere arm-meester, Lammert en Kees Dijkstra, met daarvoor nog een oudere broer, Jaap Stienstra 'Zwarte Jaap', Meinte Raadsveld, Franke Frankema en Benninga. Die reden meest de wedstrijden waar de kopstukken niet kwamen. Benninga kon zo hard klauwen, de hele 160 mtr lang. Z'n benen gingen zo hard heen en weer, het leek wel een wekker die afliep. Er werden in die tijd ook veel wedstrijden gereden met paren.

Lammert reed veel met Lytse Trien, en ze konden er wel wat van, het was in die tijd een kleine felle bliksem die helemaal schuil ging achter grote Lammert en hem onder het rijden steeds aanvuurde. Ze reed toen altijd in een gebreid, zoals ze dat toen noemden 'Oranje Nassau' garen rokje en een zelfde kleur broek eronder, wat al vrij gedurfd was in die tijd. Ook Djoeke Kingma reed wel mee en Sibbeltje Bootsma.

(Op 14-jarige leeftijd nam Arend deel aan een hardrijderij van jongens te hoek onder Rotstergaast. Hier won hij de premie, een nikkelen horloge met ketting. Toen hij zestien jaar was, ging hij naar Wolvega om aan een rijderij voor mannen mee te doen. Er waren niet veel minder dan 169 rijders. Nadat hij eerst tegen een sterke rijder een kamp-rit had gemaakt, doch daarna de beide volgende ritten won, ging hij naar een jongere broer en zei hem dat hij nu de eerste prijs ging winnen. En zo kwam 't ook uit. In 1899 wist hij te St. Johannesga, Follega en Wolvega resp. de 1e, 3e en 2e prijs te behalen. Daarna kwam hij op verschillende rijderijen in de provincie uit en ging regelmatig met de 1e prijs strijken. Graag had Poepjes de snelste rijder tegenover zich; dat inspireerde om zich tot het uiterste te geven. En hij wist in die tijd, dat hij het kon winnen. In Leeuwarden moest hij het eens tegen de toen ook bekende rijder Holst opnemen. De eerste rit werd verloren, maar de beide volgende gewonnen. De eerste prijs ad f 120.— was voor Arend Poepjes. Verder nog de prijzen: Twee medailles van H.M. de Koningin, gewonnen resp. te Joure op 29 December 1908 en te Sneek, van 32 uitgenodigde rijders in 1912 en een van Prins Hendrik, eveneens te Sneek in 1907; twee verguld zilveren medailles van de Koningin, voor de snelste rit, beide te Zoutkamp en beide gewonnen in 1917; een gouden medaille, zonder datum, uitgeloofd door „Friso" te Sneek. ,Hier won hij driemaal van 32 uitgenodigden. Het lint met zilveren schaatsje, van de ijsclub te Dokkum, werd eveneens driemaal gewonnen. Lemmer heeft een rijk verleden achter zich. waarmee het heden helaas wèl een scherp contrast vormt. Want Lemmer heeft geen hardrijders meer. De klinkende namen van Lyckle Poepjes. Folkert van der Werf, Bouke de Wreede, Miente Steenstra, de Dijkstra's en Eelke de Vries.)

-Om nog even op schaatsrijder Benninga terug te komen, dat was een zoon van één van de twee Joodse slagers die toen in Lemmer waren. Hun slagerij was aan de Schulpen, toen naast de cosmeticazaak van C. P. de Jong. Benninga is naar Leeuwarden gegaan. Ze hebben het daar zeker goed gedaan, want vele jaren later zag je tankwagens rijden met het opschrift Benninga 's vetsmelterijen, (In het pand Hoogend 26 / 28 te Leeuwarden was vroeger de vethandel van Benninga, die via een naastgelegen steegje en een binnenplaats bij zijn hoge bedrijfsgebouw kwam, waar hij de vetsmelterij had). De andere slager was Gebr. v.d. Woude, hij had een mooie zaak aan de Langestreek. Toen die ook zijn vertrokken heeft Dooitzen de Jong de zaak gekocht en zijn slagerij op de hoek Gedempte Gracht, werd toen betrokken door slager Koning, die zijn zaak in de Schans heeft opgeheven. Janus Coehoorn is daar toen gaan wonen.

Israelietisch weekblad 1898.

Een tijdje geleden werd op de t.v. "Afkes tiental" en de toen in Warga, heersende armoede op het scherm gebracht. Wat me toen op viel, was dat schipper Bakker van Terhorne ter sprake kwam. Die heeft even later vanuit Lemmer de ansjovisvangst beoefend. Het was een grote groene Tjalk met zo'n koftjalkneusje ervoor en er stond UD 2 op, dat was Utingeradeel. Mijn neef Sake Los, heeft nog bij hem gevaren. Schipper Bakker was een beste man, mijn neef was bij zijn grootmoeder in huis, waar Bakker op bezoek kwam, waarschijnlijk voor zijn knechtje. Grootmoeder was niet erg lekker, hij haalde zijn portemonnee uit zijn zak, legde geld op tafel en zei "Haal hier maar Wortelboer kruidenpillen voor, bent U zo weer beter", wat nog waar was ook.

Jacoba Maria Wortelboer's Kruiden, die tot ver in de omgeving van Oude Pekela afname vonden. Kruiden, 'zijnde het beste huismiddel tegen vele ongesteldheden, zoals slechte spijsvertering, trage ontlasting, hoofdpijn, slijmhoest, gal, roos, influenza, enz.” stond er verder op de verpakking van de kruiden te lezen.

Er waren toen veel binnenschippers die netten aanschaften en op ansjovis visten, want daar was voor die tijd soms veel geld mee te verdienen. Maar ja, je bent niet zomaar een goede visserman. Mijn vader heeft mij verteld dat er eens een schipper was, die kon zijn eigen netten of beun niet terug vinden, nu was dat niet zo verwonderlijk voor een niet vakman, want het was soms net een bos van boeistokken, maar voor de visserslui was het een lachertje. Hij vroeg aan iedere visser die hij praaide op zijn Jouster-Hollands "Hé je myn beakens ook zien". Ze zullen hem wel niet veel wijzer hebben kunnen maken.

Zo'n geval als waarmee we de vorige keer eindigde, dat een schipper zijn netten niet kon terug vinden, had zich nog nooit voorgedaan en zou ook nooit meer gebeuren. Maar het was wel vakwerk hoor, dat iedere visser zo op zijn beug afstevende. Wel had iedere visser zijn eigen kleur vlaggen aan de boeistokken, maar er werden naar peilingen aan de wal gekeken bijvoorbeeld kerktorens van Lemmer, in elkaar of een handbreed van elkaar naar binnen of juist naar buiten.

Het is vaak gebeurd dat een schip de sluis invoer met een sleep verscheurde netten er achteraan. Die zaten dan vast tussen roer en achtersteven. En de kurken bleven dan boven drijven en goed zichtbaar. De schipper maakte flink haast om weg te komen uit de sluis, en de vissers kwamen later hun verscheurde eigendommen ophalen, de nummers van de aken stonden in de kurken gesneden. Verzekerd was er niks en niemand. Alle schade was voor je zelf. Dat waren dan weer de wederwaardigheden van Lemsters vissers uit vroegere, die nooit terug zullen komen.

Ook een bekend figuur uit die tijd was Durk Mop, dat was vanzelf zijn bijnaam, maar je kende hem niet anders, z'n eigennaam was Bijlsma. Hij had een blozende ronde kop, en altijd een zwarte hoed op, en kon praten als brugman. Het was in de herfst van 1914. We visten met Jelle Visser, van de LE 58, met de wonderkuil in span op spiering. Er zat wel wat handelsbloed in Dirk. Hij kocht van ons een paar keer in de week 50 pond spiering, die we voor hem uitzochten, want ze moesten wat groter zijn dan normaal. Die kwam hij dus 's morgens vroeg halen, voor we naar zee gingen, met een vletje, ze hingen dan voor hem klaar in een klaarzak, die in de bun hing. Hij ging dan met een vletje achter 'De Suup' aan dat was de boot naar Sneek, en verhandelde ze daar.

Maar op een morgen dat Dirk de vis kwam halen, waren ze gestolen. Een zoon van Jelle, Renze en ik moesten van Dirk mee naar zijn huis om huiszoeking te doen, want hij wilde niet onder verdenking staan. Hij woonde toen in het Achterom in de steeg tegenover de "jiskepream". Zijn vrouw was geen Lemster en leek wat ziekelijk te zijn. We moesten ook mee op zolder, vanzelf geen spiering te zien. Veel later kwamen we aan de weet wie de spiering wél had gestolen. Het was een later geëerd koopman. De spiering was gebakken bij van der Meer, toen hoek Schulpen, Nieuwedijk. Die daar toen een grote kruidenierswinkel had en de leverantie van levensmiddelen verzorgde voor het Belgische vluchtelingenkamp bij Sondel. Het was toen het eerste jaar van de oorlog 1914-1918. Van der Meer wist natuurlijk niet dat de spiering was gestolen, en voor ons viel het toch niet meer te bewijzen.

Ik heb later Dirk uit het oog verloren, maar heb gehoord dat hij later een houten aak heeft gekocht, ik meen de LE 76 van Janus Coehoorn, en daar zijn jongens op heeft groot gebracht, nee Dirk was er de man niet naar om zijn kinderen in de steek te laten.

Nu krijgen we nog een bekend figuur uit het Achterom. De bijnaam was 'Appe Koo'. Ik denk dat ze Afke hete, maar van sommige mensen kende je alleen de bijnaam. Ze liep altijd met grote stappen, de knieën vooruit, over de straat en was een impulsief mens. Haar man was Marten een goed mens. Hij was aangenomen als knecht op de houtmolen, alwaar hij zomers ook als schipper op de boeier van Sleeswijk mocht varen. Afke maar roepen aan iedereen die het maar horen wilde, "Marten is op é houtmole en het foar ivich wurk"!. Tjeerd Knol van de Langestreek was nogal een grappenmaker. Hij was vrijgezel en had rijke ouders.

Hij kwam Afke op een keer tegen in de Schans. Hij sprak Afke aan en zei "Bij de boer aan het Pasveer verkopen ze vandaag beste karnemelk voor maar 2 cent de liter", dat was tegen geen dove gezeid, het was wel een kwartier of twintig minuten lang lopen, maar dat had je er in die tijd graag voor over. Afke aan iedereen vertellen van die goedkope karnemelk, dat het was algauw een hele optocht van vrouwen met emmers naar het Pasveer. De boer wist niks van karnemelk af en moest met veel moeite de vrouwen weer tot bedaren brengen, want ze waren het kookpunt nabij.

'Daarom' komt ook nog voor bij de bijnamen in De Lemmer, maar die lag weer op een ander niveau. Die had namelijk de eerste motorfiets te Lemmer en was toen met stofbril en motorkap, met daar tussen een grote hangsnor, met lerenjas aan, een uniek verschijnsel in die tijd, hij had een fietsenzaak aan het begin van de Nieuwburen, tussen de 'Wezen Visser' en de manufacturenzaak van 'Van Schoot'. Ik denk dat het pand later de bakkerij van Schirm was. Maar je zag toen nog weinig fietsen, de mensen waren toen te arm voor een dergelijke luxe. 'Daarom' zijn naam was Keimpe Veenstra en ik kan hem nog wel uittekenen, iedereen kende hem van zijn motorfiets, het was een trekpleister. Hij is al gauw naar Enkhuizen verhuisd.

Foto van Tresoar: Een motor-motorfiets met 'voorspan', foto uit het familiebezit van Tjerk Lammers (kleinzoon van man op motor), Drachten. Het nummer B-199 was geregistreerd op naam van Keimpe Aukes Veenstra, Lemmer. Afgegeven: 07-01-1907


MIST EN RONDJES LANGS DE STREKEN.

Oud Lemsters zullen het nog wel weten. Sluit uw ogen maar eens en ga stil zitten om in uw herinnering, laten wij zeggen, goed 50 jaar terug te gaan. Het is één van de mistige en gure dagen van begin december. De duisternis is omstreeks 4 uur ingetreden en de mist wordt steeds dichter. Huizen en schepen zijn in vreemde, geheimzinnige vormen gehuld; de gordijnen zijn overal reeds gesloten, alleen hier en daar valt door een spleet een straaltje koperkleurig licht naar buiten. Het zachte schijnsel van de gaspitten in de etalages van Luite Steensma en bakker Dijkman, werpt een smoezelig op straat, en schept met de mistige lichtboog van een gaslantaarn lange schaduwen, die schijnbaar beurtelings zwarter en lichter worden. Ter hoogte van het Waaigat, is het akelige, doordringende gebrul van 'De Bolle' de misthoorn ineens veel krachtiger en lijkt het of de mist even van schrik in elkaar krimpt.

Gees Potter, scharrelt 't steegje in naast 'De Kleine Winst' het sigarenwinkeltje van conducteur van der Wal. Het roept de herinnering op aan een jongetje dat destijds bij haar woonde en Murk hete, op wie de Lemster in één van de hangen dit rijmpje had gemaakt. "Murk dreef op een kurk, naar Urk. De kurk zonk, en Murk verdronk" je moest dit versje niet hardop zeggen als Gees in de buurt was, Want een pats om je oren was dan snel een feit geworden.

In die tijd zo tegen St. Nicolaas en Kerstmis had manufacturier 'Speijer' (Izaäk Speijer) van de markt 's avonds nog wel eens een handeltje. Hij bracht dan na 8 uur, zware pakken stof bij de klanten om deze rustig te laten uitzoeken om ze vervolgens te verkopen. Dit was doorgedrongen tot de kaart en schaak club, die een paar keer in de week in Hotel Boersma, bijeen kwam. Er werd hier heel wat afgepraat, en grappen in elkaar gezet, dwaze streken inbegrepen.

Zo besloot men Speijer, die ook lid was en vaak met heel wat praatjes te koop liep, een poets te bakken, waarvoor veldwachter Kok in het complot werd genomen. Afgesproken werd dat hij na 8 uur de eerstvolgende zaterdag de wacht op de markt zou betrekken.. en dan toevallig Speijer zou ontmoeten, indien deze met een zwaar pak op de schouder voornemens was een klant op te zoeken om zaken te doen. Verkoop was in die tijd na 8 uur verboden, hetgeen Speijer natuurlijk heel goed wist. De opzet gelukte op volmaakte wijze. Kok groette Speijer vriendelijk, paste zijn stap aan bij die van Speijer en daar ging het stel over de Blokjesbrug, langs de Oude Sluis naar beneden en vervolgens de Langestreek op...Ziet U het?.. Speijer liep keuvelend en welgemoed door naar de Kortesteek, via de brug tegenover het Waaigat. Hij vond het wel een beetje vreemd dat Kok toen niet linksaf sloeg om naar huis te gaan, maar hij vermoede eigenlijk nog niets. De tocht werd voortgezet tot ze weer de Blokjesbrug bereikte, maar ook hier zette Kok geanimeerd het gesprek voort zonder alleen verder te gaan.

Ondanks de mist en de koude begon Speijer te zweten, toen ze weer de andere brug bereikten en dezelfde omloop zich voor de tweede keer herhaalde. Het pak op zijn schouder werd hoe langer hoe zwaarder en zijn bange, aangegroeide voorgevoelens kregen de donkere gestalte dat hij op één of andere manier tóch te grazen werd genomen, hij zag in een flits ineens de grijzende gezichten van de soosleden. Maar ja wat moest hij? Hij kon moeilijk doorlopen naar zijn klant, die vlak bij de Trambrug woonde, want dan had hij maar af te wachten of er geen bon zou volgen. Hij vertrouwde Kok, nu voor geen cent meer, omdat deze ook al een paar keer langs zijn neus weg informeerde wat eigenlijk de bedoeling was van de zware last, die hij zolang meetorste. Voor de derde maal bij de Blokjes brug aangekomen, zweette Speijer als een otter en begaf zich plotseling richting de andere brug, die hij moest passeren om thuis te komen. Als een ontploffende vulkaan barste hij uit tegen Kok, je kan ploffen en die anderen krijg ik nog wel, want ik heb best in de gaten wie hier achter zitten, hij klapte pisnijdig de winkeldeur achter zich dicht, maar zijn emotie heeft vast niet lang geduurd, want Speijer was zó witheet en zó ook weer koud.

Nu wij het toch over begin december hebben, herinner ik eraan dat het met St. Nicolaas, in Lemmer ook altijd een beetje feest was: prijs sjoelen bij Kobus Akke, op de Nieuwedijk en schutjassen om prijzen in het café van Moeke Knol in de Schans. Alles met elkaar gaf een gezellige drukte. Bij Kobus Akke, was het de gehele avond eivol en de sjoelbakken hadden geen moment rust, noch de tafel waar aan blikgooien werd gedaan. Altijd prijs....! Het was er zo heet als in een oven en het zweet liep Kobus bij alles neer. Ik weet nog dat ik het geluk had een boterletter te winnen, wat natuurlijk op jonge leeftijd fantastisch is, de middag was voor de kleintjes, want dan reed Sinterklaas in een open auto door het dorp. Dit werd altijd georganiseerd door de actieve Heer Coree, van 'De Houtmolen'. Deze schakelde mij als chauffeur in. Zodat ik alles van zeer nabij kon meemaken.

Sinterklaas, ik weet waarachtig niet meer wie dit altijd was, verklede zich in het Nutsgebouw en vandaar begon en eindigde de triomftocht door het dorp. Het was een tijd dat alles in centen en dubbeltjes werd berekend en zelden in guldens. Een cadeautje van f 2.00 (gulden) was al heel wat. Er waren ook kinderen die door armoede thuis niks kregen, maar hierin werd vaak op stille wijze voorzien.

Lemmer richtte zich daarna op Kerstmis en Nieuwjaar, ofschoon de kerstboom als symbool in heel veel huisgezinnen ontbrak. Natuurlijk heeft dit laatste niets te maken met oprechte benadering van vele om iets van de essentie van het van het verborgen gebeuren omstreeks de winterzonnewende te beseffen. Want in alle tijden is dit een zaak van de stilte van ons innerlijk en is 't tenslotte maar de buitenkant, een prothese dus als een soort hulpmiddel.

Op één januari zag je het verschijnsel van kinderen die langs deuren liepen met hun nieuwjaarswensen, met daarnaast enkelen oudere die dit beroepsmatig deden en Lemmer en omgeving afsjouwden om een paar centen mee te pikken. De mensen die op deze manier aan de deur niets wilde geven, hadden soms de kans te worden uitgescholden of ze kregen een voet tussen de deur. Dit armoede verschijnsel is in onze tijd reeds lang onbekend.

Ook is heden door alle enorme veranderingen een concert onbekend, via een toen moderne fonograaf, die in het bezit was van Lourens. Zijn achter naam weet ik niet meer. Hij woonde met zijn ouders en zijn zuster Albertje een struise knappe meid, aan de Gedempte Gracht. Op mooie zomeravonden werd het apparaat met een lange hoorn omzichtig door Lourens buiten geplaatst en door de grote menigte onder veelvuldig applaus aangehoord. Lemsters waren altijd al muzikaal, denk maar aan de topprestaties van "Excelsior" waarover de bekwame muziekkenner Teade Wouda, nog onlangs een paar artikelen in de krant heeft geschreven.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.