Brieven van de Grietman Lemmer 4

1832

5 juni 1832: Naar aanleiding van een circulaire bericht het grietenij bestuur aan de heer gouverneur van Friesland, dat ten opzichte van de voorschriften betreffende maatregel tegen de Aziatische buikloop (Met de 'Aziatische buikloop' (of vaker de 'Aziatische braakloop' genoemd) wordt de besmettelijke darmziekte cholera bedoeld. In 1832 bereikte deze bacterie via de tweede wereldwijde cholerapandemie voor het allereerst Nederland. De ziekte verspreidde zich razendsnel over het land, met name in de arme, dichtbevolkte stadswijken. Tijdens deze eerste epidemie (1832–1833) vielen er in Nederland ruim 10.000 doden) verschillende voorschriften in acht zijn genomen onder meer

a. Het dorp Lemmer wordt verdeeld in 4 wijken, het dorp Oosterzee in twee wijken en het dorp Echten, Follega en Eesterga ieder in één wijk, zoals thans ook reeds het geval is voor andere gevallen.

b. In iedere wijk zal de wijkmeester belast worden met de aantekening en overbrenging aan de Commissie van alle aangiften van choleragevallen, terwijl door medicus dokter Witteveen gezorgd zal worden voor de aanschaffing van een genoegzame hoeveelheid van berokings-middelen en de meest nodige medicijnen. Voor de gehele gemeente zijn twee geneeskundigen beschikbaar namelijk dokter Witteveen en chirurgijn Fledderus.

c. Alle bepalingen zullen bij een onverhoopt ontstaan der cholera dadelijk ter kennis van de ingezetenen worden gebracht, ten einde daardoor het verkrijgen van geneeskundige hulp ten spoedig ze zal kunnen plaats hebben.

d. Dat het vroeger opgegeven huis van de Grietman thans uit hoofde van de gronden, welke de gecommitteerde geneeskundigen tot het onderzoek van een Aziatische buikloop en hun rapport in het algemeen hebben ontwikkeld, minder geschikt geworden is door de verre afstand van de bebouwde kom men te rade is geworden de school van de heer Koopmans hiervoor te bestemmen en in te richten als hospitaal, hier zou dan gezorgd kunnen worden voor de verpleging van onvermogende lijders welke niet behoorlijk in hun huizen kunnen worden behandeld, terwijl hier ook in de nabijheid gelegenheid wordt gevonden om de geneesmiddelen te bereiden en heet waterbaden in gereedheid te houden. Ook zal het lokaal van genoegzame kribben voorzien worden.

e. Deze inrichting zou echter in de andere dorpen niet kunnen worden daar gesteld, doch men oordeelt dat zulks op het platteland en in ver van elkaar gelegen woningen dit minder noodzakelijk zal zijn dan in een bebouwde plaats. Het algemeen rapport is ter kennis van de ingezetene gebracht en in het bijzonder aangemaand zich daarin gegeven maatregelen op te volgen, waarbij in het bijzonder op de verkoop van vis en vlees wordt geattendeerd.

26 augustus 1832: De plaatselijke commissie bericht dat een geval van Aziatische braakloop is geconstateerd op 25 augustus te 4 uren bij de persoon van Auke de Haan, beursschipper van hier op Amsterdam, aan de gevolgen van welke ziekte de patiënt heden morgen is overleden. Andere gevallen zijn hier nog niet voorgevallen. Een volgende geval - een dag later- deed zich voor bij de vrouw van een schippersknecht, die in de middag van diezelfde dag overleed. Enkele dagen later doen zich ook te Echten bij een schipper en diens vrouw cholera gevallen voor, die ook dodelijk zijn. Aan de hand van de aangifte aan de provinciale commissie, krijgt men echter de indruk, dat de epidemie niet een kwaadaardig karakter heeft gehad en verliep met plusminus een tiental gevallen.

7 november 1832: Aan de gouverneur wordt bericht dat ook te Oosterzee een hospitaal zal worden ingericht. De grootste zwarigheid is echter dat het geringe aantal geneeskundigen in de gemeente één grote leegte is, omdat men de noodzakelijkheid gevoeld dat de permanente verzorging en dus deze geneeskundige aanwezig moet zijn nodig is. Dit kan echter worden voorkomen, als de geneeskundige Geveke, die tijdelijk in de uitvoeging van zijn praktijk is geschorst, weer kan optreden en de schorsing wordt opgeheven. Hij zou dan met de behandeling van de zieken te Echten en Oosterzee kunnen worden belast.


1833

9 december 1833: Bericht wordt dat een schutter komende uit het leger, in de nabijheid van de Lemmer onder Eesterga plotseling ongesteld is geworden en ter plaatse is overleden. De ogenblikkelijk aangewende geneeskundige hulp heeft niet meer mogen baten Hij is aan de Aziatische braakloop overleden.


1834

1 oktober 1834: Het grietenijbestuur bericht aan de heer gouverneur van Friesland, dat zeer binnenkort tot de besteding van het bouwen van een nieuwe school in de Lemmer zal worden overgegaan.


1836

20 maart 1836: De grietman richt een schrijven tot de heer Gouverneur in Friesland, naar aanleiding van een door ingezetene gericht adres aan de minister van Financiën om verbetering in de postbestellingen. Uit dit schrijven blijkt dat de correspondentie wordt opgehaald van Huis ter Heide, waar ze van Heerenveen arriveert. Van Huis ter Heide wordt deze correspondentie bestemd voor Lemsterland maar naar hotel de Wildeman in Lemmer vervoerd, waar ook tevens die voor Gaasterland is meegezonden. Onder toezicht van de politie wordt dan de aankomend post gesorteerd en die van Gaasterland wordt dan door een bode, die van Balk naar Lemmer komt meegegeven. Deze persoon heeft op zijn reis naar Lemmer, dan de te verzenden post vanuit Balk meegenomen, die dan van Lemmer via Huis ter Heide weer naar Heerenveen wordt vervoerd, alles per bode en lopende. De grietman beschouwd de aangevoerde argumenten om verbetering in bestelling en distributie te krijgen zeer overdreven. Hij zou graag de mogelijkheid in overweging zien genomen om in Lemmer een distributiekantoor te zien gevestigd (voorloper postkantoor)

29 maart 1836: Gedeputeerde Staten vragen naar de wenselijkheid om alle beurtschepen eens per jaar te doen inspecteren op goede hoedanigheid. De grietman acht het echter niet nodig, dat dit van regeringswegen hier geschiedt, omdat het beurtveer op Amsterdam Groningen en Lemmer alle eigendom zijn van de familie van Andringa de Kempenaer. De beurtman is aan de weduwe H.I. Ages en dat op Enkhuizen, door schipper Wouda wordt bevaren. Het Sneker beurtschip behoort aan de heren Fortuin en Visser en het Bolswarder, Balkster en Jouster aan schipper Reijenga, welke eigenaren zich in het algemeen beijveren om hun schepen in de best mogelijke staat te houden, hetwelk ook aanleiding heeft gegeven, dat dezelfde zowel bij het reizend publiek als voor het vervoer van goederen ten gunste bekend zijn, zodat wij dit gerustelijk aan de zorg van de eigenaren kunnen overlaten. De grietman is echter graag genegen in het vervolg hierop een waken oog te houden.

6 oktober 1836: De grietman bericht aan de heer Gouverneur, dat de nieuwe school is gereed gekomen en zo mogelijk in gebruik dient te worden genomen. Met goed vinden van de heer schoolopziener de heer J.J. Wassenaar, vraagt het gemeentebestuur

1. Het ontbinden en afschaffen van de thans bestaande schoolinrichtingen- de maritieme school inbegrepen- met ingang van 27 juni a.s.

2. Het invoeren van het onderwijs in het nieuwe schoolgebouw op datzelfde tijdstip en

3. Het uitreiken van aanstellingen aan de onderwijzers Koopmans en Landmeter als hoofd en adjunct onderwijzer in de jongensschool en aan meijer als onderwijzer aan de meisjesschool en zulks op de tractementen en één emolumenten in het geapprobeerde reglement gespecificeerd.

5 juli 1836: De waarnemend grietman Stellingwerf bericht aan de heer gouverneur het overlijden van de grietman Willem Carel Gerard van Welderen baron Rengers op heden 5 juli 1836 des namiddags te 5 uur 30 is overleden.

28 september 1836: De nieuwe grietman W. van Andringa de Kempenaer, bericht aan de heer gouverneur dat hij heden de functie van grietman dezer gemeente heeft aanvaard, in welke betrekking ik benoemd ben geworden bij Z.M. besluit van den 21 augustus 1836, no 34

29 september 1836: Het grietenijbestuur van Lemsterland bericht aan de heer gouverneur van Friesland in gevolgen resolutien, dat a.g. plaatsen van bliksemafleiders op hoge gebouwen en torens. Dat geen der torens of gebouwen in deze grietenij aanwezig is, dat men het noodzakelijk acht, dezelfde van bliksemafleiders te voorzien.


1837

11 januari 1837: De grietman bericht aan de heer gouverneur dat op 10 januari 1837 des namiddags te 5½ uur is overleden de secretaris dezer gemeente de heer Johannes Greidanus. In dit schrijven wordt tevens verzocht de heer Hermanus van Genderen, kandidaat-notaris alhier woonachtig met het tijdelijke secretariaat te willen belasten, wien ik de eer heb tot dien einde aan U.H. Edelgestrenge heer voor te dragen.

12 januari 1837: In de vergadering van de grietenijraad, wordt zowel door de grietman en assessoren als de Raad in de heden gehouden vergadering, voorgedragen als secretaris de heer Hermanus van Genderen, kandidaat-notaris 2e luitenant bij het 2e bat. der 2e afdeling Friese schutterij, oud 25 jaren alhier woonachtig. Als tweede kandidaat wordt voorgedragen Jhr. Jean Louis Theodore Waubert de Puiseau , openbaar notaris alhier.

5 december 1837: Het grietenijbestuur van Lemsterland, heeft naar aanleiding van een gevraagd advies inzake de postagentdienst van Leeuwarden op Lemmer de eer te berichten aan den heer gouverneur, dat deze dienst in handen is van J. Jans Dijkstra, en Jan Simons Knol en Pieter Klazes Spitse, allen in de Lemmer woonachtig. Deze hebben zich aan de Ged. Staten geadresseerd ter bekoming van een voorlopige permissie om de postwagendienst op de vorige voeten mogen continueren met dien verstande, dat het hoofdkantoor der onderneming worde overgebracht van Leeuwarden naar Lemmer. Dat ingevolge een advertentie in Leeuw. courant de tegenwoordige ondernemer Carel Wilkeshuis op 18 mei a.s. zal ophouden te rijden. Het kan voor zeer groot belang geacht worden, dat deze dienst blijft bestaan en niet worde gestremd. De overbrenging van het hoofdkantoor is daarom mede van belang, omdat de afrit in de Lemmer plaats heeft een half uur na aankomst der Amsterdammer beurtman. De grietman steunt gaarne het verzoek van adressanten, omdat hij dit van groot algemeen belang acht en ook van de plaats Lemmer.

9 januari 1837: Ter voldoening aan een ingekomen missive, wordt bericht dat er in Lemmer een arm gesticht bestaat, hetwelk in 1817 onder de administratie der tijdelijke diakenen met hun toegevoegde commissie uit de boezem der gemeente is opgebouwd. De totale kosten hebben circa f 14.000,- bedragen, waarvan een derde door de diaken en 2 derde door de bijdragen uit de leden zijn opgebracht. Het huishoudelijke beheer is aan een vader en moeder opgedragen, tegen het tractement van f 200,- gulden per jaar. Drie regenten en de vrouwen van de diaconen hebben het opper toezicht. De in het gesticht opgenomen behoeftigen, worden gedeeltelijk in staat gesteld om het spinnen als anderszins enig werk te verrichten en mede daardoor een zeer nuttige en voordelige strekking heeft, zowel ter beschaving en verdere opleiding als ter verzorging der behoeftigen.


1838

7 mei 1838: Grietman bericht aan de heer gouverneur, dat de gelegenheid om op lijsten in te tekenen voor het oprichten van een standbeeld voor den beroemde vaderlandse zeeheld den Admiraal Michiel Adriaanszoon de Ruyter geen belangstelling is getoond. Het grietenijbestuur heeft nadat aan de ingezetenen bij publicatie van het departement Vlissingen van het departement van Nut van het Algemeen, had verwittigd en een intekenlijst ter secretarie had neergelegd, later ter ondersteuning van het gestelde doel bij de voornaamste huizen heeft door rondgaan, echter met het ongunstig gevolg, dat er geen de minste inschrijvingen of bijdragen hebben plaatsgehad.


1839

De eerste zittingen kantonrechter raadkamer ten gemeentehuize.


1840

26 maart 1840: De grietman bericht aan het dijksbestuur van de Zeven Grietenijen en Stad Sloten, dat ze genoodzaakt is het Havenplein (De Schulpen) af te sluiten voor het daar stellen van een toestel tot afsluiting van het Havenplein alhier. Het heeft de grietenijraad bevreemd, dat de daaraan verbonden kosten ten laste van het dorp zullen moeten komen en ze heeft daar tegen ernstig bezwaar. Immers behoren h.i. soortelijke werken tot de algemene-waterkeringen dezer provincie en wel in het bijzonder tot die van de haven van Lemmer, waarvoor het onderhoud bij uitsluiting ten laste der provincie komt en sedert onheugelijke tijden door dezelfde is gehoed en kunnen geen schijn van grond vinden waarom die nu eenklaps voor rekening van onze grietenij of liever gezegd het dorp Lemmer moeten komen. Wij zullen hierover thans niet verder uitweiden, door ons bepalen tot de verklaring, dat het bedoelde onderhoud of tot het bijdragen van enige kosten deswegens volstrekt ongehouden en onverplicht achten, de verantwoordelijkheid jegens onze mede ingezetenen ons verbiedt om dit geval het verlangen van Hun Edel. gestrenge te te voldoen.

29 juni 1840: De grietman bericht aan de heren Sijtzema en Boelens (Bij het opzetten van deze vroege stoomvaartmaatschappij speelden de volgende personen een cruciale rol als commissarissen: Baron van Sijtzama (historisch destijds ook wel gespeld als Sijtzema) J.H. Boelens), die een concessie hebben verkregen tot het in de vaart brengen van stoomboten tussen Lemmer en Amsterdam, dat zij voor het aanleggen van hun boten gebruik zullen kunnen maken van het Westerhavenhoofd, waar een geschikte plaats zal kunnen worden gevonden. Voorgesteld wordt in overleg met de kapitein of de agent ter plaatse de meest geschikte of doelmatigste plaats te kiezen.