Herinneringen van Teade Wouda e.a 5

Incident op de Langestreek.

Als ik er nog aan terug denk, lopen mij de koude rillingen over de rug. Gelukkig maakte de politie er een einde aan, nadat we enige malen de sommaties van de heer Roukema, voor kennisgeving hadden aangenomen. Agent Wiersma, joeg ons met getrokken gummistok de Lemmer in en waarschuwde onze ouders met de boodschap, nu is het afgelopen of anders op de bon en 4 weken tuchtschool op water en brood besmeerd met zeep dit hielp.

In dit gebied was overigens genoeg te beleven, aan de havenkant van de Westdam was een lang remmingwerk (voor het aanleggen van schepen) met loopplanken en leuningen aansluitende op het voetpad van onze pier. Ons feest was om in de zomer hard over de plank te rennen om zover mogelijk in de haven te springen en vervolgens zolang mogelijk onderwater te blijven en daarbij dan liefst ook nog proberen zwemmende de overkant te halen. Er was er maar één die het presteerde en dat was Jan Douma (helaas overleden) zoon van de bakker van de benedenschans, die longen had als een olifant.

Jan voer later als kapitein bij de Coastervaart na zijn opleiding aan de Terschellinger Zeevaartschool. Hij vertelde ons sterke verhalen, nadat hij eerder enige reizen naar het toen voormalige Indië had gemaakt. Ik herinner mij nog de kappers, die daar in de buitenlucht werkten en die.. zo zei Jan, regelmatig riepen "haar knippen meneer, niet goed haar terug", en "volle kracht verkeerd vooruit", als een schip achteruit moest varen

Hij was ook een van de vaste ploeg waarmee we iedere week per tram naar Heerenveen reisden. Jan had de gewoonte zijn niet geringe hoeveelheid brood vóór Joure, soldaat te maken, dan was het nog geen half acht in de morgen en bleef de verdere dag in leven door vooral bij ons een hap te lenen. Iemand anders met de voorletter J. was een nogal snel warm oplopende man, die ergens met zijn niet onknappe vrouw op de Langestreek woonde. Ze hadden nu en dan, zal ik maar zeggen een diepgaand verschil van mening en dit koste mij op een vredige zondagmorgen bijna het leven toen er onverwacht een zwaar projectiel door de ruiten van het huis daverde en net achter mijn rug op de straatklinkers aan diggels viel. Het echtelijk verschil werd vervolgens op straat verder uitgepraat. De man kreeg van de doorkijvende vrouw heel duidelijk het verzoek "de pest" of naar keuze het "apezuur" te krijgen aan welke vriendelijke uitnodiging hij niet voldeed.

Age Boem (Age Zandstra), in gezelschap van "karre met schil", die juist uit de richting van het centrum kwam, bekeek de situatie met kennersoog verslikte zich haast, scheler kijkende dan ooit in zijn pruim, draaide de klep van zijn grote pet helemaal naar achteren en riep luidkeels door de aanblik van het straattoneel reeds hevig geëmotioneerd "Smyt se mar yn it dok, dat kring hâld mar twa kear mei de kop ûnder wetter. Zover is het echter niet gekomen, want het reeds wat gekalmeerde duo werd door anderen naar binnen geduwd en dit was meteen het einde van de happening.

Een paar dagen later kwam ik J. best een aardige man, op straat tegen en vertelde hij ongeveer wat de oorzaak van het incident was geweest en hoe het kwam dat hij in drift een zware kruik "uit de losse hand" naar buiten kegelde. Als tegenprestatie eiste ik van hem dat hij daarop de volgende avond de ketel van zijn locomotief.. hij werkte een tijdje bij de tram als machinist.. onder hoge druk zou houden zodat wij in recordtijd van Joure naar huis konden, om zo snel mogelijk de warme hap te kunnen pakken, want tegen die tijd rammelde we allemaal van de honger. De machinist die dit traject het snelst reed, was voor ons een Big Boy die hogen ogen gooide.

Nieuwelingen die voor het eerst naar school reisden, hetzij naar Heerenveen of Sneek werden ingewijd: of de hele reis onder de bank, of je werd in het bagagenet gedeponeerd. De actie van de neofiet bepaalde of hij al dan niet verder onder handen werd genomen. Ik herinner mij een jongen die zich verzette, met gevolg dat wij hem vlak vóór Lemmer zijn kousen en schoenen uittrokken waarna hij op bloten voeten, aangegaapt door en met de nodige opmerkingen van passanten naar huis moest lopen om de volgende morgen zijn spullen weer in ontvangst te nemen.

Plezier en gein was ook bij ons plaatselijk en vaak zeer afhankelijk van bepaalde typen, zoals Jurjen Propsma, die zo heel jong is overleden, maar optimistisch bleef hij, tot het laatst geheel conform zijn werkelijke aard. Hij was scheepsbevrachter, caféhouder en herenkapper van beroep en woonde op de Oudesluis, waar zijn actieve vrouw jaren later nog een sigarenzaak dreef. Jurjen was een uitstekende voordrager en toneelspeler die veel rollen voor zijn rekening nam. Luid fluitend fietste hij altijd door het dorp wanneer hij de schippers afreed om zijn zaken te regelen.

Winkel/zaak van Propsma

Schrijvend over hem, over deze man die zo uitstekend in het gehele Lemster beeld paste, schiet mij een jongetje te binnen dat geregeld aan de arm van zijn oudere broer door Lemmer liep.

Ze woonden op de Nieuwburen, waar hun vader een klein kleermakersbedrijfje uitoefende. Als de jongen naar de kapper moest, en dit was dan Jurjen, zong hij onderweg op de melodie van een bekend liedje: "En dan komt Jurjen met een grote schaar, en knipt me een kop met polkahaar". Ja deze dingen speelde zich af en wij vonden het in die kleine gemeenschap van toen allemaal heel gewoon.


INCIDENT TIJDENS (WETTELIJKE)GIJZELING.

Bewoners en verhalen van het Achterom, te Lemmer.

Enige tijd geleden schreef Evert de Vries over "oproer" in het Achterom te Lemmer. Bovenstaande aankondiging heeft totaal niets met gijzeling te maken zoals het in onze tijd als terroristisch verschijnsel voordoet en ook niet met oproer. In de twintiger en in het begin van de dertiger jaren bestond het merkwaardige instituut "gijzeling". Het betekende o.a. dat een crediteur, via een rechtelijk vonnis waarin de gijzeling was uitgesproken in zaken van koophandel iemand voor zijn onbetaalde geldvordering kon laten oppakken. Daarvoor gaf hij opdracht aan een gerechtsdeurwaarder die er dan maar voor had te zorgen, dat de man netjes in een huis van bewaring (wat een naam) werd afgeleverd.

Het slachtoffer verbleef daar, totdat hij zijn schuld had betaald, behalve wanneer hij zichzelf failliet liet verklaren, maar intussen zat hij mooi enige dagen "bewaard" in een hokje. Iedereen zal begrijpen dat veel deurwaarders op dit soort karweitjes niet bepaald happig waren. Mijn vader (Rinsma) en ik als helper zeker niet. Als ik mij kon drukken liet ik het niet. Dat lukte niet altijd, want zeiden ze, je moet er voor later aan wennen. Ik herinner mij verder dat er bij ons zolang mogelijk werd uitgesteld, in bijzonder waneer de schuld niet duidelijk aan slordigheid of opzet van de schuldenaar was te wijten.

Zo'n geval heb ik veel later wél meegemaakt. De bewuste man had de vaste gewoonte alle rekeningen en aanmaningen, die na 15 januari van ieder jaar die binnenkwamen, ijskoud achter de pendule op de schoorsteenmantel te zetten en ze daar toe te vertrouwen aan de tijd die door het uurwerk in alle rust werd weggetikt. Hij had er geen enkele moeite mee.....Een jaar later werden de brieven enz, geopend ondanks het feit dat hij regelmatig visite van deurwaarders kreeg en sommaties van andere rechtsbeoefenaars. Voor deze groepen was hij een welkome klant, want tenslotte werd alles toch betaald. Zo hebben alle dingen ook een betere kant.......

De gijzeling die op mij de meeste indruk maakte speelde zich omstreeks 1927 af. Het betrof een eenzame vissersman uit Tacozeil. Het ging hoogstens om f 200,- waardoor de gijzeling onmogelijk langer kon worden genegeerd. Het betrof geen verkeerde. Hij zal geen centen hebben gehad, zoals velen in die bar slechte tijd. Daarbij vergeleken is ons geweeklaag van heden een lachertje. Rinsma Sr. had al enige malen laten weten wat de man boven het hoofd hing, maar steeds zonder succes. Een paar reizen op de fiets naar Tacozeil haalde niets uit. Het slachtoffer scheen het te ruiken en was onzichtbaar.

Plan de campagne:

Toen werd een soort overval plan, in fasen uit te voeren, in elkaar gezet. Net echt.....

A. Bericht afwachten van een waarnemer, die wist wanneer onze man bij de kust aan het vissen was met zijn kleine bootje.

B. Het sturen van een snelvoetige bode naar Lemmer, met de gemaakte code.....'Opdraven' dit woord riep hij met luide stem bij ons in de lange gang, waarna het naar achteren echode. Ik hoor het nog.

C. Deurwaarder met getuigen en de snel bij zijn lange flapjas gegrepen veldwachter, pijlsnel in de T-Ford en vervolgens omzichtig naar Tacozijl.

D. Parkeren op een strategisch en daarna sluipend langs de onderkant van de Zeedijk voortbewegen; onderlinge afstand ongeveer 3 meter.

E. Op het juiste positiepunt behendig naar boven klauteren en, als goede spionnen, uiterst voorzichtig over de kop van de dijk loeren.

F. Wachten hoe lang ook, terwijl de dienstpet van de veldwachter als een vogelhuisje net even boven de dijk uit kwam.

Eindelijk was het uur U aangebroken. Ze renden als het weerlicht naar beneden, waarbij de veldwachter struikelde en enige meters verder terecht kwam, wat niet bepaald zijn gezag verhoogde. De deurwaarder riep: "In naam der Koningin" en kondigde de gijzeling aan. Het verliep verder zonder veel moeite daar de man aanvankelijk als verdoofd het hele gebeuren over zich heen liet gaan. Dan allemaal in de auto en op naar Leeuwarden, na dat eerst de familie was ingelicht.

De reis voerde het gezelschap over een brug, naar ik meen in de omgeving van Irnsum, hier voltrok zich een incident. Op de brug moest namelijk een paard en wagen worden gepasseerd, waardoor heel langzaam werd gereden. De doorgang was uiterst smal. Plotseling opende de gegijzelde totaal onverwacht het portier, wrong zich naar buiten en riep "ik verdrink me" en wilde zich in het diepe kanaal storten. Gelukkig kon dat worden vermeden, maar het gaf natuurlijk een niet geringe opschudding. De stemming was nu nog drukkender. Behalve het slachtoffer zelf, slaagde iedereen een diepe zucht van opluchting, toen alles tenslotte in Leeuwarden was afgehandeld.

De achterblijver werd er nog een keer opgewezen dat zijn familie onmiddellijk een advocaat in de arm moest nemen, om eventueel een eigen faillissement aan te vragen of te trachten tot een regeling te komen. Gelukkig was de detentie van korte duur, want na een paar dagen slaagde de familie er inderdaad in de moeilijkheden op te lossen.

Het leed was geleden.


JAARLIJKSE TREKVOGELS EN ISRAËL - INCIDENT SAKE VISSER.

Sake Visser.

Het eerste slaat op vakantie. Maar wel op een heel andere dan in de twintiger jaren en daarvoor. De tijd waarover ook door anderen wordt geschreven in deze krant. Vakantie, wat betekende dat? Werknemers hadden in die tijd twee of drie dagen vrij. Later werd het een week en dat was een gebeurtenis.

Tijdens die schaarse vrije dagen bleven de Lemsters meestal thuis, om uit te rusten of wat te vissen langs de Remming in de Vluchthaven of bij de Sluis. In het centrum van Lemmer heerste stilte; geen gevuld Dok met luxe boten en geen kleurrijke menigte rond de Streken, geen lokkende terrasjes (al of niet met cultuur) dit alles gepaard gaand met gezellige drukte van deze tijd. Het centrum was destijds alleen enige vrachtschepen rijk die diende om met hard werken een boterham te verdienen en verder waren er de eeuwig krijsende meeuwen.

Wie een paar dagen wegging zocht de familie op. De boten van en naar Amsterdam waren een uitkomst door hun indertijd lage tarieven. De lagere school had 14 hele dagen vakantie. In onze ogen een schier eindeloze tijd want het begrip tijd heeft dan een heel andere betekenis voor je. Later gingen we een heel enkele keer kamperen waarbij steevast Albert Schirm, Hendrik Brouwer, en Feike Visser aanwezig waren. Van de hele vaste ploeg destijds is alleen Schirm, in het dorp gebleven, zijn werk lag hier en het resultaat van hem en zijn vrouw is voor ieder op de Schulpen zichtbaar.

Evert en zijn vrienden gingen in die tijd vaak met ons de hort op als er een auto was te pikken, rijbewijs of niet. Controle bestond er bijna niet. Met deze tochtjes was het echter voor deze jongens wel bekeken. Tussen twee haakjes: naoorlogse generaties hebben geen idee van deze totaal andere toestanden, opgegroeid als ze zijn met aanmerkelijk meer "money in the pocket" en andere voorechten.

Zelfs vandaag de dag is vakantie, ondanks de teruggang, een exodus. Ver voor de vertrekdatum worden plannen gesmeed, auto's en tenten nagezien om dan met veel moed (en offers) eigen comfortabele huizen te ontruimen, en zich neer te leggen op een enkele vierkanten meter, van de buitenlucht door een millimeter tentdoek afgescheiden, weer of geen weer lekker of niet als wormzoekers langs de grond te kruipen. Als je zo thuis moest leven, was het huis en de buurt te klein. Hele stromen verplaatsen zich door Europa als een reusachtige waaier nijvere mieren. Op campings kun je de gekste dingen meemaken. Zo stonden we eens op een camping in Italië, Een paar meter bij ons vandaan werd een keurige tent opgezet door even keurige mensen, waaronder een pater met een lange zwarte rok en hoedje (vetpannetje) op zijn hoofd, die enthousiast maar kennelijk onhandig meewerkte.

Na verloop van een paar dagen zeiden we tegen elkaar, wat gek je ziet die pater elke morgen, komende uit de plaatselijke kerk, in vol ornaat in de tent duiken maar dan zie je hem de hele dag niet meer. Hij loste daar blijkbaar in het niets op. Het raadsel werd spoedig opgelost: hij bleek zich te verkleden door een polohemdje en korte broek aan te trekken, want zo zagen we hem aan het meer zitten te vissen, nonchalant een sigaretje draaiende, vermomd dus, als een gewone toerist. De volgende morgen was hij weer de priester en zo ging het door.

Een andere keer het was in Denemarken, raakten we in gesprek met twee dames, namen werden niet genoemd maar uit het gesprek bleek dat de ene in Y woonde, ik liet me ontvallen dat ik daar nog een stuk achternicht moest hebben, van wie ik in jaren niets meer gehoord had. De bewuste dame keek me oplettend aan en zei ineens, jullie komen heb ik begrepen uit Leeuwarden?, we knikten van ja, waarop zij zei. Dan ben jij Willem Rinsma. Zij was de bewuste achternicht.. ik schrok mij dood en stamelde een excuus. Het werd goed opgenomen.

In Lemmer hoorde ik dat Sake Visser (de meeste gefotografeerde oud Lemster) inmiddels op Schiphol was geland na zijn vakantiereis. Het zal wel een gerucht zijn, maar er wordt beweerd dat Sake bij aankomst in Israël enige uren op de luchthaven is vastgehouden, als verdacht van spionage voor een of andere bananenrepubliek. Toen echter zou zijn gebleken dat z'n haargroei geen vermomming was maar puur natuur, mocht hij na aangeboden excuses vertrekken. Sake hoe zit dat nou?

Een paar dagen nadat dit stukje klaar lag voor verzending, ging bij mij de telefoon. Men mag twee keer raden wie mij opbelde - Sake. Hij vertelde mij welk een prachtige reis hij had gemaakt. De beleving van zijn leven, zij het erg vermoeiend. Deze vakantie heeft op zijn gevoelige natuur een diepe indruk gemaakt, zoals duidelijk uit zijn woorden kwam. Woorden van die andere Sake dan alleen de uiterlijke kant. Hij noemde onder andere het prachtige uitzicht vanaf de Olijfberg en de daarmee verbonden historie en andere fraaie dingen, waarvan hij had genoten. Het typische is (in verband met bovenstaand gerucht) dat hij inderdaad door de douane werd terug geroepen toen hij voor de terugreis het controleapparaat passeerde. Hij had een fraai koperen doosje gekocht en dit in zijn reistas gestopt, met als gevolg het alarm afging. Sake Visser moest alles uitpakken en toen ontdekte men de onschuldige oorzaak. Hoe dan ook de reis blijft voor Sake een blijvende herinnerring.


THEUNIS (DE FLAPPER) VISSER.

Lemmer.

In eerder artikelen hebben wij wat herinneringen laten herleven uit de Lemster periode, die we hier onder voortzetten.

Op de markt was destijds een textielzaak gevestigd van Izaak Speijer, waar zich vermoedelijk thans het zakenpand van de heer Henk Molenberg zich bevindt. In de zaak van Speijer was van alles op textiel te koop. De artikelen lagen in bakken rommelig door elkaar en zelfs aan de buitenkant was een etalage opgesteld om iets uit te zoeken. In die tijd reeds een moderne open winkel, waarmee ik niet wil suggereren dat het bekende mode magazijn van de firma Schirm hiervan het gevolg is geweest.

Speijer, een korte nogal dikke man, stond regelmatig achter zijn toonbank. Op de loer om de geachte kopers goed in de gaten te kunnen houden. Op een warme zomerdag stuurde mijn moeder mij naar zijn winkel om een zwembroek te kopen maar zei ze erbij, je moet goed opletten en afdingen, want zo gaat dat in deze winkel. Ik knoopte het goed in mijn oren en haastte mij naar de winkel met in het vooruitzicht straks in de haven te kunnen plompen met een nieuwe zwembroek, die niet meer zoals de oude steeds afzakte, waardoor de zedelijkheid in gedrang zou komen.

Nauwkeurig doorzocht ik de buiten opgestelde bak en vond al gauw iets van mijn gading om vervolgens opgewekt de winkel te betreden. Deze had mij allang in de gaten en zei direct "Wat hest daar" met daarop mijn vlotte antwoord "Wat anders dan een zwembroek". Speijer had blijkbaar zijn dag niet en bleef kortaf, wat echter geheel niet tot mij doordrong, vervuld als ik was van mijn nieuwe aankoop en de instructies die mijn moeder mij mee gaf, de prijs werd genoemd en ik dingde een stuiver in de argeloze veronderstelling dat Speijer hier wel zou intrappen. In plaats hiervan liep zijn hoofd witheet aan en werd ik uitgescholden voor snotneus. Hij kwam haast over de toonbank heen met de woorden "Wat meenst dou wel, er ût of ik schop die er ût. Door deze reactie dodelijk verschrikt, ben ik zonder zwembroek in een record tijd naar huis gerend, om maar weer met mijn oude zwembroek te gaan zwemmen.

De eerste weken ben ik met een boog om de winkel van Speijer, heen gelopen, totdat ik de moed verzamelde, zonder af te dingen er toch een broekje te kopen. Speijer was toen weer heel vriendelijk en deed of er niets was gebeurd. Hij was trouwens toch een aardige man, alleen nu en dan wat opvliegend.

Destijds woonde er ook een onderwijzer in Lemmer, die Speijer geregeld op de kaartclub ontmoete in hotel van der Hoff, later hotel Boersma. Speijer kon deze onderwijzer niet luchten nog zien, omdat hij met schutjassen altijd jammerlijk van hem verloor. In die tijd ging er driemaal per dag een bus met passagiers naar Sneek, deze startte voor het Gemeentehuis waar nu onze vriend Everto de Carro (lijkt wel Spaans maar hij is een Real Lemster, al jaren zijn uitstekende producten tegen zeer billijke prijzen verkoopt.

De laatste bus vertrok in de namiddag omstreeks 5 uur en Speijer moest op zekere dag nog dringend voor een boodschap naar Sneek. Zodat hij op het laatste moment dravend en zwetend zijn tent uit stoof, maar oh noodlot, de bus reed precies voor zijn neus weg, hoe Speijer ook schreeuwde en rende hij kon de bus niet meer inhalen en de chauffeur scheen (?) hem niet te horen. Dit vermakelijk tafereel werd door vernoemde onderwijzer, die toevallig voor het postkantoor stond met kennelijk genoegen aangezien. Hij kon het niet laten om tegen Speijer te zeggen, dat hij meer moest trainen in hardlopen om wat ponden af te vallen. Deze werd razend, stikte haast in zijn woorden en kon alleen tegen zijn rivaal uitbrengen "Och man val dood smerige bleuband vreter" dit was zijn manier om wraak te nemen.

Dit incident herinnert weer aan een andere familie in Lemmer. Op de Nieuwedijk woonde destijds de Davidsons: vader, moeder, dochter en zoon Machiel. Deze laatste was eveneens een apart type, die wij als jongens goed kenden en die nu en dan ook op onze dansavondjes in het Nutsgebouw aanwezig was. De moeilijkheid voor Machiel was, dat de meisjes vaak niet met hem wilde dansen omdat hij zo stonk naar kattenvellen en allerlei andere rommel, die hij in een hok op de Nieuwedijk, laat ik maar zeggen deskundig bewerkte ten behoeve van zijn handel. Uit het hok kwam inderdaad een niet te harde, alles doordringende stank waar Machiel door gewoonte niets van merkte, maar hem wel als een mistbank doordrong. Dergelijke oneindigheden moesten door een oudere vriend die de leiding had, op een tactische manier worden geklaard. Geen gemakkelijke opgave met Machiel, want deze begreep er niks van en kreeg de pest aan hem.

Als hij zelf danste wenkte Machiel ons en wees naar hem, en had dan de gewoonte te zeggen "kijk zie je wel hij is kwaad, hij heeft een kattenrug" iets wat Machiel door zijn specialiteit heel goed kon beoordelen. Wij konden deze grap maar matig waarderen, omdat onze vriend inderdaad een klein lichaamsgebrek had. Om hem af te leiden vroegen wij hoe het met zijn zuster Sara ging, waarop altijd prompt de reactie op volgde "Zoek haar eens op dan zal je zien dat zij vlekkerig begint te worden, omdat het weer er in zit".

Je kon zulke dansavonden best met hem omgaan, maar het kon de volgende dag ook gebeuren dat hij vanuit zijn werkplaats met kabaal en veel geschreeuw een bezem achter je aansmeet, omdat je er langs fietsende vriendelijk riep: "Machiel Adriaanzoon de Ruyter" zonder enige bijbedoeling natuurlijk. Deze mensen zijn er helaas allang niet meer in het bijzonder door de Duitse bezetter. Zij gaven een aparte fleur aan Lemmer, evenals Hijmans uit de Schans.

In deze zelfde periode, of iets later werd ook nu en dan behoorlijk geknokt door jongelui die boven hun dranklinie waren gestegen. Gelukkig was het nooit ernstig en vielen er geen slachtoffers. Alles was gebaseerd op een grote mond en wat vuistwerk. In dit verband herinner ik mij nog heel goed dat zij een groot ontzag hadden voor agent Hans Poepjes, die in Oosterzee werd gestationeerd, nadat hij zijn opleiding in Rotterdam had genoten. Men wist te vertellen dat hij korte metten maakte en niet vatbaar was voor smoesjes.

Toen er weer eens iets aan de hand was, werd Poepjes erbij gehaald. De relletjeschoppers vluchten hals over kop naar de aken en de botters, die als gewoonlijk in rijen van 4 of 5 in de vluchthaven lagen aangemeerd. Als ik mij niet vergis was Rode Okke er ook bij en Teunis Flappert, overigens beste jongens die zo'n haast hadden dat zij struikelden, ook door het afzakken van hun broek, en aan de buitenkant van de gemeerde schepen als speren in het water schoten. Poepjes stond het schouwspel vergenoegd aan te zien, stak de duimen achter zijn koppelriem en liep met opgeheven gezicht terug naar het centrum de orde was immers hersteld en de burgerij kan rustig gaan slapen.

Theunis (de Flapper) Visser.


LEMMER, 1909

Naar ik meen in 1909, kwamen er weer twee nieuwe plannen, de Parkstraat zou worden gebouwd en het park werd een perkje van 5 bij 6 meter doorsnee. Maar ik weet nog, dat de sloot langs de straatweg eerst werd gedempt met zand. Er werd begonnen met het bouwen van twee winkels vooraan, waarin later een kruidenierswinkel kwam, van Pieter Douma en aan de Lemster kant Beersma met textiel, het waren voor die tijd riante huizen, en dat niets hier blijvend is, blijkt wel uit het feit dat de winkel van Beersma (J.J. Beersma, 2e Parkstraat) allang weer afgebroken is.

Later kwamen de tweede en derde Parkstraat, je dacht toen maar ze kunnen nooit tot de trambaan bouwen, want dat is zo eindeloos ver weg. Als je op de straatweg liep, en je zag de tram voorbij rijden, die zo klein leek aan de horizon, nee dat was nooit te belopen. Japie van Kleis, kwam dan ook later in de tweede Parkstraat wonen, maar dat duurde niet lang want Japie zei "Het was 1600 stappen naar de haven en 1600 stappen terug" en dat duurde Japie veel te lang. En nu zijn die Parkstraten allang afgebroken, en de tram rijd allang niet meer, de tramboot vaart al in geen jaren meer, en de Lemsters wonen al verder van het centrum dan destijds van af de trambaan het geval was.

We hadden het toen nooit voor mogelijk gehouden. Meester leerde ons toen op school, dat we met 7 miljoen mensen in Nederland woonden en landbouw en veeteelt het hoofdmiddel van bestaan was, en dat we arm waren bedeeld met delfstoffen. Dat is nu allemaal wel even anders, want we lopen al aardig naar de 14 miljoen. Maar toch is het leven heel wat prettiger geworden. Want we beginnen maar eens te kijken naar wat we nu kinderarbeid noemen, maar toen heel gewoon was.

Ik zal U eerst vertellen wat aanazen was, want dat bestaat een dikke 40 jaar niet meer, de helft van de vissersvloot was naast het ansjoopvissen aan het hoekwanten. Dat was vissen op bot met een hoekwant, een spleet telde 225 haken, die aan snelle laten we maar zeggen dunne touwtjes waren bevestigd en zo'n 60 á 70 cm lang waren. Die waren dan weer geknoopt aan een dikkere lijn, de haken zaten aan een vaam, dat is ongeveer 1.75m. van elkaar en aan elke haak moest een gekookte garnaal worden gestoken of gekruld , je had aasbakken die zo'n 1.20 m. lang waren en zo'n 60 cm breed, met schuin opstaande randen, alleen aan de voorkant niet. De haken zaten op een spleet, dat was een houtje van 35 cm lang, waarin naast elkaar twee dikke ijzeren draden geregen zaten, waar de haken op geregen waren.

De spleet of het houtje stak in een gat in de aasbak en het azen kon beginnen. Zo'n 20 cm van de achterkant van de bak werd een laagje zand gelegd het hoekwant kwam er achter te liggen en de haken met de garnaal eraan in het zand. Zo gingen 5 spleet hoekwant op of in een bak. Het was zoals U wel begrijpt arbeidsintensief werk , want er werd door de best bemande schepen zo'n 60 spleet geschoten of uitgezet in zee en dat was vele kilometers lengte.

U had zeker niet gedacht dat vroeger de Lemsters gokkers waren. Nu dat was wel zo, naast de hang van Andries Blauw, toen het huis er naast nog niet gebouwd was, stond er alleen een schaapskooi van Pieter Wouda, een broer van mijn schoonvader Jan Wouda en Taede Wouda, van de LE 2. Dat zijn de drie stamvaders van alle Wouda's. Je had in de Benedenschans de steeg van Pieters Antje, en daar stond een pomp van Pieters Antjes, Pieter werkte op de houtmolen en had een paar schapen die 's avonds in de kooi worden gebracht.

Als kinderen mazelen hadden, en die wilden niet uitkomen, ging men naar Pieter om schapenkeutels, die werden in een zakje in warme melk gehangen en de kinderen moesten dat op drinken. 't Was een probaat middel, zei men! Maar bij de schaapskooi van Pieter was een flink stuk zwarte grond en dat was de gokhoek. Zondagsmorgens waren daar zo'n 150 man bezig om met geld te spelen. Het meest geliefd was het zogenaamde "bekken" Dat werd met drie of vier man gespeeld en er werd eerst overeen gekomen of er met één of twee centen gespeeld zou worden. Dan werd er getost wie er eerst mocht, was al koploper, deed je met vier man dan kreeg de eerste 8 centen in een dichte hand en die werden op de grond geworpen, de centen die op kruis vielen waren voor de gooier. Dan mocht de tweede met de overgebleven centen en zo ging dat door.

Er waren soms wel volwassenen die het met dubbeltjes deden, dan waren er die net als stand werkers riepen "Cent forgees" Er werd dan een cent gegeven aan de roeper en die gooide de cent omhoog en die moest wapperen, dat was kantelen in de lucht. Viel de cent op kruis dan mocht de opgooier de cent houden, viel hij op munt dan moest de ander 2 cent hebben. Dan was er het streekje nerven, dan werd er een ovaal figuur in de grond met een streep overdwars gezet, en daar in het midden een vierkantje op, hoedje genaamd dan was er het werpen met centen door twee of drie man, gooide iemand een cent in het hoedje dan was al het geld voor hem. En anders was de winnaar wie het dichts bij het hoedje was.

Parkstraat


LEMMER OMSTREEKS DE TWINTIGER JAREN.

Toen het die avond lang geleden gebeurde, moet het laat in november zijn geweest. Lemmer was reeds een paar dagen in een vieze kleverige mist gehuld, mede veroorzaakt door de laaghangende rook van de visrokerijen (het milieu was toen nog onbekend) De misthoorn met zijn dag en nacht naarstig gebrul (de Bolle zei men) golfde in flarden tegen de huizen en stierf enige kilometers verder uit. De smoezelige gasverlichting bij de Blokjesbrug kon nauwelijks tot verlichting komen. Nog zie ik de man uit het doktershuis op de Schulpen komen, om vervolgens met haastige tred in de richting van de brug lopen. Tot mijn schrik liep hij verleid door de mist en de karige verlichting teveel naar rechts en met 'n schreeuw verdween hij van de hoge kade in het donkere koude water.

Na de plons was het even doodstil maar gelukkig kwam de vergadering (Leugenbank) op de hoek in actie en hoorde je enige malen achtereen Plomp, plomp, plomp. Dit werd gevolgd door veel geschreeuw en gevloek in het water, want de redders 'Witte Jelle' inbegrepen konden elkaar niet onderscheiden waardoor de één de ander greep. Het duurde echter niet lang of de drenkeling werd met man en macht via het vlot op de kant gehesen, voor de huizen van Bakker Loen en Slager Wiersma. Het bleek een schipper te zijn die naar de dokter moest voor een plotseling ziektegeval aan boord.

30-12-1940

Er werd verder in Lemmer niet lang over gepraat want zo iets gebeurde wel vaker, maar de drenkelingen werden altijd gered omdat zovele Lemsters uitstekende zwemmers waren en uiteraard vertrouwd met het water. Het was gewoon een erezaak en vaak ook een welkom verzetje.

Zo ook een redding in 1903.

Een verzetje was ook voor ons jongens, toen mijn goede vriend Albert Schirm, met een oude motorfiets, die hij ergens voor een tientje op de kop had getikt, op straat verscheen tot groot verdriet van zijn oom die er kennelijk totaal niets in zag. Wat hebben wij een moeite gedaan om dat kreng aan het lopen te krijgen, hetgeen voor mij althans veel zweten en duwen betrof. Daartoe aangespoord door een enthousiaste Schirm, die aanvankelijk niet wilde weten dat hij een kat in de zak had gekocht. Tenslotte belandde het vehikel op de schroothoop en zagen we uit naar andere mogelijkheden.

Dit had als gevolg dat we stiekem de motorfiets van mijn vader pikte. Dit was één van de eerste Harley Davidson's met een heel breed stuur. Deze motor zou geschiedenis maken Pa Rinsma, was als berijder zo onhandig als het maar kon, wat natuurlijk resulteerde in allerlei dwaze situaties. Zo herinner ik mij dat hij eens vanaf de Gedempte Gracht in de richting van de Kortestreek reed, de bocht te lang nam (of te hard reed) over de stoep bij de winkel van Peereboom en gas gaf van in plaats te remmen, om daarna door de ruit van de winkel te rammen en zonder ook maar één schrammetje terecht kwam tussen de baaien hemden petten en hoge hoeden.

De motor bleef draaiende voor de pui staan en Lemmer heeft er nog dagenlang over gepraat. Mijn vader had trouwens nog meer sporten, zoals het 'Wilsterflappen'. (Wilster is de lokale naam voor goudplevier en flappen staat voor de vangmethode.) Dit was toen in deze regio een volkomen onbekend iets. Hij was er zelf trots op en noemde zich bij voorkeur vogel flapper in plaats van Deurwaarder. Hij beschikte over de welwillende medewerking van, Van Deinum, die in 'n huisje woonde vlakbij de Zeedijk tussen Lemmer en Tacozeil. Deinum fungeerde als een soort voorhoede post, die direct een boodschap zou sturen zodra er wilsters in de buurt waren. Hij liet dan weten dat Rinsma onmiddellijk moest komen want zei hij "Het tilt van de wilsters wel een, Tramboot vol". Vader schoot dan meteen in de klompen om bij aankomst te ontdekken dat er geen vogel was te bekennen. Deinum veinsde er niets van te snappen, want hij had ze toch zeker zelf gezien!

Het moet ongeveer in die zelfde tijd zijn geweest toen schoorvoetend de schoolreisjes opgang kwamen. Wij stonden dan voor dag en dauw op en ik weet nog, dat ik de eerste keer door Siep Vleer, werd afgehaald om met het trammetje helemaal naar Oranjewoud te reizen. In ons gezelschap was ook onze vriend, Jan Douma, zoon van de bakker uit de Schans, later kapitein bij de Coastervaart, Die het als de beste kon versieren en mooi opzeggen. Hij had lak aan de ons vergezellende schoolmeester, waarbij o.a. de heer S. de Vries, van deze kreeg Jan een daverende klap om de oren, toen hij een glas kwast omschreef als hondenpies. Zijn reactie was dat het hem heel goed gelegen kwam, want eigenlijk had hij een gloeiende hekel aan limonade.

Over het trammetje gesproken: later reden wij er elke dag mee naar Heerenveen. Als conducteurs herinner ik mij de altijd vriendelijke Imke de Vries, Bakker en van der Wal met Prins op de "koffiemolen" als machinist. Vooral is mij M. Bijlsma, bijgebleven: een grote man met een klein conducteur petje op zijn guitige kop, zoals hij alleen kon dragen. Hij maakte tijdens zijn werk geen onderscheid; iedereen was voor hem gelijk. De kaartjes werden meestal in de tram verkocht en Bijlsma had de gewoonte heel duidelijk te vragen, "Én waar zal de reis heen"? Iemand die een retourtje vroeg kreeg te horen, dat hij alleen enkele reizen in de handel had, voor een retourtje moest je bij de chef aan het loket zijn. Hij wist ons ook goed aan te pakken, als we gezeten tegenover elkaar op de lange banken de tramwagen lieten schommelen tot ontzetting van de passagiers.

Door middel van de noodrem werd de tram gestopt en werden we ergens tussen Follega en Lemmer er uitgeschopt, wat lopen betekende tot aan de trambrug. Intussen was de Boer de brugwachter gewaarschuwd die ons aanzegde dat we op de bon gingen, wegens lopen op de trambaan. Al deze dingen hebben blijkbaar een diepere indruk gemaakt dan je verondersteld, Want anders zou je het nu niet meer zo precies weten. Door één en ander weer wat te laten herleven, hoop ik mijn vrienden en bekenden uit die tijd 'n pleziertje te hebben gedaan, want verder hebben dit soort stukjes natuurlijk geen enkele pretentie.


LEMMER ZATERDAG 9 AUGUSTUS 1986.

Op één na de laatste dag van de groots opgezette festiviteiten, overigens met weinig wind voor de zeilers op het IJsselmeer, maar wel met een aangename temperatuur. Van de ons oud-Lemsters, zo bekende schepen waren nog slechts weinig in de oorspronkelijke toestand waar te nemen. De bouwers van de Lemster aken, gebroeders de Boer en hun vakmensen, waren op een vergrote foto uit 1911 te zien bij Foto Werner. Het was niet moeilijk de vader van Harm Douma, er meteen uit te halen noch de heer de Boer die, naar ik meen, destijds met zijn gezin naar Bussum is vertrokken. Als het juist is dan hebben we daar al eens met onze ploeg op weg naar Laren om te kamperen, een nacht op zolder geslapen. 

Harm zag ik net nog even op de Kortestreek, scharrelen maar hij had niets in de gaten. Lemmer was weer even in de aanstekelijke atmosfeer gehuld. De harmonische muziek op de klip tegenover de Schulpen deinde over de straten en het water en paste geheel in de totaliteit van het Lemster beeld. Ik heb me laten vertellen dat de bespeler van het instrument in de Tuinstraat, woont en blijkbaar een inwoner van de laatste tijd is. Als immer waren de Streken dik bezet en het Dok gestoffeerd met rijen jachten, alles met elkaar een fleurig geheel vormende. Het rinkelen van de kassa's was hoorbaar....

Als je ook nu weer veel bekenden en vrienden ontmoet, dan is je dag helemaal goed. Bij de brug zag ik de sympathieke Siebe de Jong, die mij direct herkende ofschoon we elkaar in geen jaren hebben gezien, terwijl ook hij in Leeuwarden bleek te wonen. Wiebe Visser en zijn vrouw (Groningen), troffen we op het gezellige terras van de lunchroom met zijn handige zelfbediening aan de Kortestreek. Een uitstekende gelegenheid om weer eens wat bij te praten en zo ook te vernemen dat zijn zusters (en Jelle natuurlijk) met hun boten in de zomer een vaste ligplaats in de jachthaven hebben. Alle drie onze groeten langs deze weg. Langs genoemd terras zag ik ook ineens Rienk Tijsseling en zijn vrouw voorbij gaan. Het gevolg was een onmiddellijke herkenning met een wederzijdse vriendelijke groet. Rienk was met zijn integriteit en bekwaamheid de grondlegger van het bekende accountantskantoor. Bij de sluis heerste eveneens een geanimeerde drukte. Als ik daar sta ben ik altijd zo stom om de Zuiderzee te willen zien, maar altijd loopt mijn blik te pletter tegen grote gebouwen op de achtergrond.

Teade Wouda en echtgenote waren er ook. Ze vertelden mij dat ze nog dit jaar naar 'n appartement in de Schrans te Leeuwarden hoopten te verhuizen. Bij de spoorwegovergang wordt nl. een groot flatgebouw neergezet. Hun huidige woonomgeving voldeed hun zacht uitgedrukt niet meer. Verderop, wandelend langs de nieuwbouw richting Schapendijkje, zag ik Wiebe Scheffer, nu ook wonende in Leeuwarden, zich daar had genesteld. We hebben een paar woorden gewisseld met er tussen door een groet aan de vrouw van Imke van Dijk. Ik kan geen stap in Lemmer doen of ik kom één van hun beiden tegen. Gegroet! Daar we - mijn vrouw, dochter Ingrid en man en 'ik zei de gek'- nogal laat waren hebben we van het zeilen niks kunnen zien. Maar de NOS had warempel deze keer Lemmer ontdekt zodat het journaal van acht uur goede beelden van het gebeuren gaf.

Een onverwacht beeld vertoonde zich toen we de Plattedijk afreden om een bezoek aan het Iselmar-centrum te brengen. Ik was daar al een hele tijd niet meer geweest en dan sta je toch wel even te kijken, dat enorme complex met al die appartementen, het fraaie ingerichte restaurant met lounge, ingebouwd zwembad en solarium. Inderdaad niet niks. Vanaf de achterkant van dit royale sportcentrum heeft de recreant een ruim overzicht over de tot de 'nok' toe gevulde jachthaven. Op de wal waan je je ergens in Duitsland, vanwege de vrijwel alleen Duitse kentekens op de geparkeerde auto's.

Ik loop verder naar het eindpunt waar de oude Zijlroede in het Stroomkanaal overgaat. De schittering van het zonlicht op het brede water van het kanaal, omhult nog steeds het zacht ruisende riet dat zich elegant op de wind buigt. Vroeger heerste hier een volmaakte stilte en hoorde je in de late zomeravonden alleen de roep van een eenzame binnenvisser, De introverte bezoeker van heden kan de echo ervan misschien nog horen.

Terug in Lemmer, wat zich zo langzamerhand gerust een kuuroord mag noemen - was Reade grijze Sake, niet te zien. Voor hem is dit overigens niet zo erg want hij had onlangs reeds weer de show gestolen door de manier waarop hij bij (Bram-Teut) Bram de Jong een fraaie racefiets inwisselde. Een knap stukje werk.

Sake Visser (Reade Sake) die hier de fiets in ontvangst neemt, en later de wielerronde van Lemmer opent.

Na een vluchtig bezoek aan Henk Molenberg en diens vrouw, liep ik nog gauw even naar één van de praatbanken bij de brug. Riekus was er deze keer niet. Eén van de aanwezigen werd mij aangewezen als iemand die vroeger zoiets als de 'Schrik van Lemmer' zou zijn geweest. Dit etiket moet ook weer worden beoordeeld in speciale aanduidingstaal van lang geleden. Toen ik hem vroeg of het waar was, kreeg ik vlot te horen "Tink er mar om, oars traapje ik do sa op it tserkhóf". Het was dus waar, duidelijker kon het niet.

Later speelde het carillon van de immer over Lemmer wakende toren de melodie van het volle uur. Het past geheel in de fleur van het tegenwoordige dorp. Misschien klinken de tonen door tot in de U.S.A. gelet op de belangstelling aldaar voor platbodems (o.a. klippers) via relaties van scheepsmakelaar Buch, zoals in een krant van 9 augustus was te lezen*.

* 09-08-1986: AMERIKA HEEFT BELANGSTELLING VOOR ONZE SCHEPEN KLIPPER ALS DRIJVEND KANTOOR.

LEMMER, zaterdag In Amerika is grote belangstelling ontstaan voor Nederlandse klippers. De interesse kwam op gang na de vlootschouw ter gelegenheid van de feestelijkheden rond het herstelde Vrijheidsbeeld. In de vlootschouw, die aan het beeld voorbij trok, voer een aantal Nederlandse schepen mee. Scheepsmakelaar T. Buch uit Lemmer, die bij die gelegenheid ook met zijn boot in New York was, is daar benaderd door drie Amerikaanse architecten, die van klippers drijvende kantoren willen maken.

„Men moet bedenken dat in Amerikaanse steden de grondprijzen enorm hoog zijn," vertelt hij. Daardoor gaat men op zoek naar alternatieven. De klipper is een van de weinige schepen die bescheiden van afmetingen zijn, maar wel over voldoende holte beschikken. Ik werd onafhankelijk van elkaar door het drietal benaderd met de vraag of ik hen aan schepen van dit type kan helpen. In de vaart zijnde klippers moeten een hoge prijs opbrengen. Dat komt door het toerisme, want eigenaren van klippers die 'charteren', verdienen een goede boterham."

Vorige week woensdagmorgen maakte de inmiddels befaamde oud-Lemster Sake Visser in de dorpsmond beter bekend als Reade Sake bekend, dat hij van plan is een boek over Lemmer te gaan schrijven. De titel van het ongetwijfeld interessante boek zal 'Lemmer zonder grenzen" zijn. De immer opgewekte Sake Visser zat in de Wildeman o.a. bij de in Lemmer wonende Jan Aukema en diens zwager en oud Lemster Reitze Lemstra. Reitze Lemstra woont in Rotterdam, waar hij 45 jaar deel uitmaakte van de politie. Op de vraag waarom ze destijds uit Lemmer weggetrokken waren antwoordden Lemstra en Visser volmondig: "ût earmoede".

Na een overeenkomst te hebben gevonden verkondigde Reade Sake meteen dat Lemstra en hij 'wapenbroeders' zijn, die elkaar ieder jaar tijdens de 'Lemster Wike' weer ontmoeten. Op de vraag waar Sake zich bevond tijdens de reünie voor oud-Lemsters, antwoordde deze: "Dy haw ik fersitten, jonge. Ja sjoch, ik mocht op 'n aak mei nei it stoomgemaal. Ik hearde by de 'welgestelden'.

Visser, die ooit als een der eersten in Lemmer met ijs begon te venten (een ijsje voor 1 cent), maar ook als goedheiligman en dorpsomroeper fungeerde, stond en staat nog steeds paraat als er iets in Lemmer is te doen. Hiervoor komt hij met veel plezier over vanuit Heerenveen; is het niet voor het zeilen dan wel om hier te fietsen.

V.l.n.r. Jan Aukema, Sake Visser en Reitze Lemstra. Sake Visser merkte bij het nemen van de foto op,"Dat men er bij de drukkerij zorg voor moest dragen dat de foto niet op de kop werd afgedrukt, omdat zijn gebit anders uit zijn mond zou vallen". (waarvan acte!)

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.