Lemmer van 1228 tot 1900 1
Brieven van de Grietmannen-Burgemeesters
(circa 500–1500 na Christus)
De Lemmer maakte in de vroege middeleeuwen (circa 500–1500 na Christus) deel uit van Westergo, een van de bestuurlijke gebieden waarin Friesland in de 15e eeuw was verdeeld. Westergo was onderverdeeld in districten, die op hun beurt waren ingedeeld in decanaten. Lemsterland, gelegen in het uiterste zuiden van Friesland, was tot het midden van de 18e eeuw een dunbevolkt gebied.
1228
De plaats werd in 1228 voor het eerst vermeld in historische bronnen. In documenten van de bisschop van Utrecht werd de vroege voorloper van het dorp aangeduid als Lenna. Door de eeuwen heen ontwikkelde deze naam zich via varianten als Lyaemer tot het huidige Lemmer.
1250
Als gevolg van overstromingen die Friesland gedurende drie opeenvolgende jaren teisterden, werden in 1250 de resterende landgebieden ten westen van de Friese kust, van Harlingen tot voorbij Hindeloopen, weggeslagen en veranderden zij in een uitgestrekte watervlakte. Omstreeks dezelfde periode werd ten zuiden van Lemmer een nog groter gebied weggeslagen, waardoor de oppervlakte van het meer Flevo verdubbelde.
1309
De eerste bekende vermelding van Lemmer dateert uit 1309, onder de naam “In de Lemmer”. Deze vermelding is opgenomen in het Groot charterboek der graaven van Holland, van Zeeland en heeren van Vriesland van Frans van Mieris de Jonge (Deel II, pagina 89), gepubliceerd in 1754. De betreffende pagina bevat een belangrijke oorkonde uit 1309, waarin onder meer de vroegst bekende historische verwijzing naar de Friese plaats Lemmer is vastgelegd.
1396
Hertog Albrecht van Beijeren, bijgestaan in het opperbevel door drie van zijn zonen, had zijn strijdmacht te Enkhuizen verzameld. Vervolgens stak hij de Zuiderzee over en landde aan de zeedijk tussen Lemmer en Kuinder. Nadat de Friezen vergeefs hadden geprobeerd de landing te verhinderen, vond op 29 augustus 1396 een veldslag plaats op een nabijgelegen uitgestrekt terrein. Dit gebied stond bekend als het Oostzingerland, ook wel Oosterzee-ingerland genoemd, nabij Schoterzijl.
1398
Begin juli 1398 stak deze krijgsmacht, in opdracht van Albrecht van Beieren, graaf van Holland, tijdens de Fries-Hollandse oorlogen over naar Friesland. De vloot landde destijds tussen Lemmer en Tacozijl.
Gedurende de late middeleeuwen bleef Lemmer een felbevochten grensplaats en een strategisch belangrijk bruggenhoofd voor buitenlandse machthebbers die controle over Friesland nastreefden.
1400 (Omstreeks)
De nabijgelegen nederzetting Lemsterhoek werd door Hollandse troepen verwoest en nadien niet herbouwd. Als gevolg hiervan verschoof het zwaartepunt van de bewoning definitief naar de nabijgelegen nederzetting bij de uitmonding van de binnenwateren. Deze nederzetting ontwikkelde zich in de loop der tijd tot het huidige Lemmer.
1422
Onder het bewind van hertog Jan van Beieren werd in 1421 te Lemmer door de Hollanders een aanzienlijk blokhuis opgericht. De bezetting stond onder leiding van heer Floris van Alkemade. In 1422 werd het blokhuis bestormd, waarbij Floris gevangen werd genomen en later om het leven werd gebracht. Vervolgens werd de versterking volledig verwoest en met de grond gelijkgemaakt.
Hoewel Lemmer in de 15e eeuw nog geen grote bloeiende havenstad was zoals in de eeuwen daarna, werd de basis voor de maritieme economie toen al gelegd. De inwoners leefden in een relatief dunbevolkte streek en hielden zich bezig met lokale visserij, landbouw en vroege scheepvaart over de Zuiderzee. Het gebied had in deze eeuw echter zwaar te lijden onder de voortdurende partijtwisten en plunderingen die Friesland in de late middeleeuwen teisterden.
1506
Er werd reeds aanzienlijke handel gedreven en er was al een waag aanwezig, hetgeen bij een besluit van 14 augustus 1506 werd bevestigd.
1516
Op 24 november 1516 werd Lemmer getroffen door een uitzonderlijk zware stormvloed, waarbij alle binnendijken doorbraken.
1522
Karel van Gelre geeft opdracht tot de bouw van een blokhuis, een versterkte accommodatie bestemd voor de huisvesting van een garnizoen. "De geldersche soldaat maeckt een Blokhuys in de Lemmer" "Doe brack de Graef op ende bracht de Knechten in de Lemmer. Aldaer onboodt hy alle Geldersche Deelen / bij straffe van de brandt ende maeckte een Blockhuys met een geweldige Wal met wyde ende diepe Grachten tegen d' inval uyt het Sticht".
1570
De Allerheiligenvloed van 1 november 1570 geldt als een van de meest ingrijpende watersnoodrampen in de Nederlandse geschiedenis. Deze uitzonderlijk zware stormvloed trof ook de regio rond Lemmer bijzonder hard. Historicus Hooft omschreef de gebeurtenis als „een van de ernstigste rampen die men zich uit de geschiedenis kan herinneren, veroorzaakt door het woeden van het water, zowel in omvang van angst als schade.” De gevolgen waren aanzienlijk. Tussen Sneek en de Kuinder kon destijds worden gevaren over een waterdiepte van 27 palmen. Uitgestrekte delen laagveen braken los, dreven weg en bereikten zelfs gebieden tot in de omgeving van Utrecht.
1581
Tijdens de Tachtigjarige Oorlog werd Lemmer ingenomen door Spaanse troepen onder bevel van commandant Maarten Schenk. Ondanks de politieke en militaire onrust behield Lemmer zijn strategische positie als maritiem knooppunt. In de daaropvolgende eeuwen nam het belang van de plaats als verbindingsschakel tussen Friesland en Holland verder toe.
Gedurende de 16e eeuw werden onder het gezag van keizer Karel V, evenals tijdens latere conflicten, herhaaldelijk nieuwe schansen met brede grachten aangelegd en vervolgens ontmanteld. De herinnering aan deze verdedigingswerken is in Lemmer nog steeds zichtbaar in de straatnaam De Schans.
1602
De benaming “Lemsterland” wordt voor het eerst vermeld in 1602. In een procedure voor het Hof van Friesland werd deze naam toen gelijkgesteld aan de oudere benaming “Lemster Fiifgea”. Deze historische naam verschijnt voor het eerst in het Register van den Aanbreng uit 1511. Dit register vermeldt dat de Lemster Fiifgea bestond uit de vijf dorpen Lemmer, Eesterga, Follega, Oosterzee en Echten. Samen vormden zij destijds één ambtsgebied onder het bestuur van George, hertog van Saksen.
1640
Octrooi tot tolheffing van de Lemsterzijl. De Lemstersluis, oorspronkelijk aangeduid als Lemsterzijl, was een waterschap belast met het beheer van de zeesluis te Lemmer. Al in 1411 wordt melding gemaakt van een zijl die scheepvaart mogelijk maakte, hoewel het aannemelijk is dat deze voorziening aanzienlijk ouder is. Het onderhoud van de sluis berustte destijds bij de floreenplichtigen van de dorpen Eesterga, Follega en Lemmer.
1672
De poging van de bisschop van Münster om Lemmer te bezetten, is niet geslaagd.
17e en 18e eeuw
In de 17e en 18e eeuw diende Lemmer als belangrijke thuishaven voor de Nederlandse koopvaardijvloot die de Oostzee bevoer. Ook na 1672 ontwikkelde de plaats zich tot een toonaangevend visserijcentrum in Nederland. Met een omvangrijke vloot Lemster aken verwierf Lemmer een vooraanstaande positie in de haring- en aalvisserij op de Zuiderzee.
Brieven van de Grietman Lemmer
Een verzameling historische correspondentie
Samengesteld door Roelie Spanjaard-Visser
1748
In de 18e eeuw nam de onvrede over het bestaande stadsbestuur geleidelijk toe. Deze ontevredenheid ontwikkelde zich steeds vaker tot oproerige bewegingen. In 1748 kwam deze spanning voor het eerst tot uitbarsting. De belastingdruk woog zwaar, met name op de noodzakelijke levensbehoeften. Daarnaast vormden de belastingen die aan de provincie moesten worden afgedragen een belangrijke bron van ongenoegen. Deze omstandigheden zorgden voor aanhoudende maatschappelijke onrust, waardoor een uitbarsting uiteindelijk onvermijdelijk werd.
In de middag van 23 mei 1748 kwam het tot een daadwerkelijke escalatie. Opzichtershuisjes die voor douanediensten werden gebruikt, raakten beschadigd of werden afgebroken; enkele werden zelfs in de haven geworpen. Door het snelle optreden van de toenmalige grietman van Lemsterland, Lycklama, kon verdere en ernstigere schade voor korte tijd worden voorkomen.
Het optreden van de grietman leidde echter tot toenemende onvrede, waardoor een herhaling van dergelijke incidenten niet kon uitblijven. Het betrof een politiek turbulente periode, waarin de verdeeldheid onder de bevolking zichtbaar toenam. Enerzijds waren er de patriotten: burgers die vertrouwen stelden in de ontwikkelingen in Frankrijk en daar steun zochten. Anderzijds stonden de prinsgezinden, die het bestaande stadhouderlijke bewind van prins Willem V bleven aanhangen.
Een incident in Lemmer in 1785 illustreert de gespannen situatie. Een zekere Elke Harmens riep, staande voor het Grietsmanhuis en zwaaiend met zijn hoed, ‘Oranje Boven’. Vervolgens herhaalde hij deze leus in de haven, waar het statenjacht lag aangemeerd. Vanwege deze uiting werd hij veroordeeld tot een tuchtstraf van een half jaar.
1767
Uit de opgevraagde inlichtingen blijkt dat reeds in 1767 is aangevangen met het ontginnen van een gedeelte van de veenderijen.
1787
In 1787 begaf de vrijwillige schutterij uit Bolsward zich naar Lemmer en Sloten, waar zij de openbare orde ernstig verstoorde. In Sloten werden kanonnen en munitie ontvreemd en naar Lemmer overgebracht. Daar eisten de vrij-corporisten, onder leiding van Bernard Jelgerhuis en Albertus Lycklama à Nijeholt, van Cornelis Witteveen, ontvanger van de grietenijgelden, de kas met een inhoud van 3.000 gulden.
Deze gebeurtenissen brachten de patriotten in een uiterst kwetsbare positie, waardoor zij genoodzaakt waren te vluchten. Verscheidene betrokkenen werden later wegens hun deelname aan deze revolutionaire activiteiten veroordeeld. De voornaamste leiders hadden zich echter inmiddels, uit veiligheidsoverwegingen, naar Frankrijk begeven.
In 1795 vluchtte stadhouder Willem V naar Engeland. De Franse troepen werden als bevrijders ontvangen en de idealen van ‘Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap’ vonden brede weerklank. Op talrijke plaatsen danste men rond de vrijheidsboom; ook Lemmer vormde daarop geen uitzondering.
De prominente vertegenwoordigers van de patriotten richtten, naar voorbeeld van diverse andere plaatsen in de provincie, de Vaderlandse Sociëteit op. De vereniging voerde daarbij de zinspreuk: „De burgertrouw en waakzaamheid zijn steunsel van een Sociëteit.”
1795
Tijdens de Napoleontische periode, in de Franse Tijd (circa 1795–1813), vervulde Lemmer een strategisch belangrijke en dynamische rol. Dankzij de ligging aan de Zuiderzee vormde het dorp een essentiële schakel in transport- en handelsverbindingen, maar was het tevens kwetsbaar voor de gevolgen van internationale conflicten.
1799
Tijdens de Franse overheersing werd Lemsterland als bestuurlijke eenheid opgeheven en vervangen door een commune of mairie. Deze nieuwe bestuursvorm omvatte Lemmer, Eesterga en Follega, inclusief de omliggende gebieden. (Een commune is een Franse gemeente die fungeert als bestuurlijk en administratief gebied. De term mairie verwijst naar het gemeentehuis of stadhuis waar het lokale bestuur is gevestigd).
De belangrijkste ontwikkelingen en gebeurtenissen in Lemmer gedurende de Napoleontische tijd kunnen worden onderverdeeld in een aantal cruciale momenten:
1. De Britse aanval en bezetting (1799)
Reeds voordat Napoleon Bonaparte zichzelf tot keizer kroonde, raakte Lemmer midden in de revolutionaire oorlogen rechtstreeks betrokken bij het conflict. In september 1799 vielen Groot-Brittannië en Rusland Noord-Holland binnen met als doel de Bataafse Republiek, destijds een Franse vazalstaat, aan te vallen.
- Militaire dreiging voor de kust: Britse oorlogsschepen verschenen voor de haven van Lemmer. Kapitein James Boorder stelde het dorp een eis tot overgave.
- Beschieting van Lemmer: Nadat Lemmer niet onmiddellijk aan deze eis voldeed, openden de Britse schepen het vuur. Kanonskogels troffen onder meer de woningen aan de Nieuwburen.
- Historische ooggetuigenverslaglegging: Koopman Poppe Jans Poppes legde de gebeurtenissen vast in zijn dagboek. Hij beschreef daarin nauwkeurig de ontstane paniek, de gewonden op straat en de daaropvolgende tijdelijke Britse bezetting van het dorp.
2. Strategische observatiepost en infrastructuur
Lemmer fungeerde van oudsher als belangrijke toegangspoort tot Amsterdam via de Zuiderzee, onder meer dankzij de bekende Lemmerboot. Tijdens de Franse Tijd kreeg deze geografische positie een aanvullende militaire betekenis.
- De kerktoren als militaire observatiepost: In 1798, kort vóór de komst van Napoleon, werd de kerktoren van de huidige Protestantse Gemeente Lemmer eigendom van de burgerlijke gemeente. Franse en lokale autoriteiten benutten de hoogte van de toren als strategische observatiepost, waarmee vijandelijke schepen op de Zuiderzee tijdig konden worden gesignaleerd.
3. De economische gevolgen: het Continentaal Stelsel
Na de volledige inlijving van Nederland bij het Franse Keizerrijk in 1810 voerde Napoleon het Continentaal Stelsel strikt in. Deze maatregel betrof een algehele handelsblokkade tegen Groot-Brittannië.
- Voor een handels- en vissersplaats als Lemmer had dit ingrijpende gevolgen. De legale scheepvaart en visserij kwamen vrijwel volledig tot stilstand, waardoor onder de Lemster bevolking aanzienlijke armoede ontstond.
- Als gevolg hiervan nam de smokkelhandel sterk toe. Via de Friese wateren en de Zuiderzee trachtten schippers alsnog goederen buiten de officiële handelsroutes te vervoeren.
4. Invoering van Franse wetgeving en de Burgerlijke Stand (1811)
Evenals in de rest van Friesland onderging het dagelijks leven in Lemmer ingrijpende veranderingen als gevolg van de administratieve hervormingen onder Napoleon:
- Achternamen: In 1811 werd iedereen verplicht een vaste achternaam te laten registreren ten behoeve van de nieuwe Burgerlijke Stand. In deze periode hebben veel Lemster families hun familienaam officieel vastgelegd.
- Dienstplicht (conscriptie): Deze maatregel had verstrekkende gevolgen voor de lokale bevolking. Jonge mannen uit Lemmer en de omliggende regio werden verplicht opgeroepen voor het Franse leger. Velen namen deel aan de militaire campagnes van Napoleon, waaronder de rampzalige veldtocht naar Rusland in 1812, en keerden niet terug.
Het einde van de Franse tijd
Na de nederlaag van Napoleon in 1813, gevolgd door zijn definitieve verlies bij Waterloo in 1815, kwam er een einde aan de Franse overheersing. Ook in Friesland werd deze ontwikkeling met opluchting ontvangen. De rust keerde terug in de haven van Lemmer, waarna het dorp kon beginnen met het herstel van handel en visserij. In de loop van de negentiende eeuw zouden deze sectoren Lemmer doen uitgroeien tot een van de voornaamste vissersplaatsen aan de Zuiderzee.
Na de Franse periode werd de grietenij Lemsterland in 1816, zowel wat betreft haar naam als haar territoriale omvang, officieel hersteld.
1803
Een brief waarin een scheepskapitein uit Lemmer wordt onderscheiden voor zijn verdienstelijke optreden bij de redding van Deense schipbreukelingen. De brief is gericht aan het Departementaal Bestuur van Friesland en gedateerd op 20 juni 1803.
Burgers ter voldoening aan uw Ued. besluit van den 11e deze nummer 4 hebben wij de eer u te berichten, dat wij de scheepskapitein Benjamin de Jong op de 18e deze voor ons hebben doen verschijnen en hem uit Ued. naam de gouden medaille, welke het de koning van Denemarken behaagd heeft aan de gemelde kapitein te schenken tot het gedistantieerd blijk van erkentenis voor de redding van de equipage van het Deense schip de Catharina Elisabeth, benevens de brief van kolonel de Tursman charge ‘d officiers van zijn Deense Majesteit bij deze Republiek en het extract uit het register van Ued. besluiten van de 11e deze ter hand gesteld en daarvoor van gemelde kapitein van nevensgaand Recepis ontvangen hebben.
Heil en eerbied
Drost en gerechten van Lemsterland
A.A. van Andringa de Kempenaer
en J. H. de Carpentier Lemmer
1805
In Lemmer is een waag gevestigd, waarvan het pachtcontract berust bij Joost Oldendorp, mr. Verwer. De pachter is niet beëdigd. De waag wordt telkens voor een periode van drie jaar verpacht. De jaarlijkse pachtsom bedraagt momenteel 281 caroli gulden en 15 stuivers; eventuele meeropbrengsten komen ten goede aan de pachter.
Deze maatregelen lijken gericht op de verhoging van de openbare inkomsten. In dat verband wordt tevens melding gemaakt van een herziening van de begrafeniskosten, verhoging van de huren van onroerende goederen en de invoering van diepgeld, ook wel moddergeld genoemd, voor baggerwerkzaamheden in de havens. Daarnaast worden consentgeld, vuurgeld, marktgeld, personele belasting voor stemgerechtigden en postgeld bij het inladen van vee en schapen geheven. In Oosterzee geldt bovendien een omslag op rundvee. Deze inkomsten dienen ter dekking van de uitgaven en ter ondersteuning van de armenzorg.
Voorts blijkt dat de drost een salaris ontvangt van 1.000 caroli gulden. Van de ontvangen huuropbrengsten worden twee penningen ingehouden als aandeel voor de drost.
Het briefslot in 1805 en 1806 luidde: “Wij bevelen Ued. edele in de bescherming des allerhoogste en verblijven met eerbied”, waarna de ondertekening volgt.
Daarnaast is een regeling aangetroffen betreffende de vrachttarieven van het postwagenveer tussen Lemmer en Groningen. Hierbij wordt verwezen naar een ouder reglement van 12 mei 1731. Deze verordening werd op 12 februari 1808 herzien en trad op 7 april van datzelfde jaar in werking.
De regeling had betrekking op de reizigerstarieven voor vervoer van Lemmer naar Groningen voor gezelschappen van één tot en met zes personen. Voor tussenliggende plaatsen werd het tarief vastgesteld op basis van het aantal uren dat van de postwagen gebruik werd gemaakt.
1808
Bij schrijven van 23 juni 1808 wordt, in opdracht van Zijne Majesteit, verzocht om een statistische beschrijving van onze grietenij.
Vraag 1. Oppervlakte en gesteldheid:
De totale oppervlakte bedraagt circa 5.383 morgen, waarvan 2.016 morgen is ingepolderd. De bodem bestaat grotendeels uit veenachtige, losse grond, terwijl in andere gebieden — met name in Oosterzee en Echten — voornamelijk kleiachtige grond wordt aangetroffen.
Vraag 2. Voornaamste polders:
Deze polders beschikken over in totaal 34 watermolens. Vijf molens bevinden zich bij Lemmer, Eesterga en Follega, ten noordwesten van de Riensloot, het Tjeukemeer, de Follegasloot, de Lemster Brekken en de Zijlroede. Hoewel dit gebied feitelijk uit vier afzonderlijke polders bestaat, kunnen deze voor praktische doeleinden als één geheel worden beschouwd. De overige molens liggen ten zuidoosten van de Riensloot, het Tjeukemeer, de Pier Christiaansloot, een gedeelte van de Tjonger en de Zeedijk. In dit gebied bevinden zich twaalf watermolens en diverse kleine tjaskers.
Vraag 3. Aanwezige bossen:
In Lemsterland bevinden zich geen bossen, heidevelden, ongecultiveerde zandgronden of hoogvenen meer.
Vraag 4. Gedenkteken of merkwaardigheden:
De haven is van groot belang voor de communicatie en vormt de veiligste aanlegplaats voor de passage van Amsterdam naar Oost-Friesland. Uitbreiding van de havenfaciliteiten wordt daarom wenselijk geacht. In het gebied is geen sprake van akkerbouw of houtteelt, met uitzondering van de beplanting rondom boerderijen en drie eendenkooien, die voornamelijk bestaan uit wilgen, elzen en berken. De paardenhouderij is beperkt en voorziet hoofdzakelijk in de behoefte aan paarden voor het karnen. De rundveehouderij is daarentegen aanzienlijk omvangrijker. Volgens de laatst bekende cijfers uit 1805 waren er 1.601 koeien en 575 boerenbedrijven. De melk wordt voornamelijk verwerkt tot boter van goede kwaliteit. Daarnaast worden veel varkens gemest, terwijl de schapenhouderij beperkt is. De productie van kaas is eveneens gering.
- In Lemmer wordt reeds de rampzalige staat van Koophandel en scheepvaart gevoeld, in vele huisgezinnen welke leefden uit arbeid aan 6 scheepswerven 3 mast en blokmakerijen 5 smederijen één Lijnbaan en 3 zeilmakerijen. Thans zijn alle drie in kwijnende staat en noodgedwongen ledig te lopen. Wijders zijn in Lemmer nog twee houtzaagmolens, deze hebben ook geen werk, wegens het ontbreken van balkhout. Dit is in het gehele Koninkrijk niet verkrijgbaar.
- Er is uitvoer van turf, boter en vee en invoer van Hamburger Rhijns en Zwols scheepstimmerhout. Er is een levendige handel tussen Lemmer en Dordrecht en onderscheidende plaatsen aan de IJssel. Doorvaart op Hamburg en Noorwegen en de Oostzee, bij deze vaart heeft Lemmer groot belang ter bekoming van granen grenen en vurenhout. Het aantal koffen smakken is plusminus 30, deze zijn thans alle werkeloos tot grote schade van de scheepsredes. De meeste schade is geleden door het nemen van verscheidene schepen door de gemene vijand, ook zijn meerdere in Franse dienst geprest. Er is wel schadevergoeding beloofd doch niet verkregen, na jarenlang vruchteloos aandringen bij het Franse gouvernement. Vele schepen zijn door het optreden van de gilden te Amsterdam niet naar Lemmer terug kunnen komen. De gilden in Amsterdam hebben dit herstelwerk uit willen voeren, om daardoor werk te bekomen tot schade van de Lemsters werklieden.
- Ook is in Lemmer nog een aanzienlijke handel in bokking en haring door geheel Friesland en Groningen verspreid. Op de Zuiderzee wordt een geringe recognitie geheven ten bate van de algemene armen. De visserij levert een schrale kostwinning op.
- Tot nachtwakers in Lemmer werden in november 1808 aangesteld; Jan Schroor Sijbren Douwes, Wiebe Johannes en Ids Romkes, tegen een traktement van 10 stuivers per nacht.
- Op 8 december was het stormweer, de afgelopen nacht was het zeewater opgelopen tot 4 3/4 de voet a 5 voet boven ‘peil. Er worden middelen beraamd met de opziener van de landswerken Karst Fortuin, om water te keren bij het overlopen nabij de Zijll te Lemmer. Er werd een kistdam geslagen. Na 5 uur ‘s ochtends is het zeewater gevallen. Een ledige tjalk werd verbrijzeld, op het paalwerk van het Oosterzeese onland of buitendijks land. Het scheepsvolk werd geborgen, aldus een mededeling aan de landdrost.
- Waaggebouw. Het waaggebouw is een zeer slechte staat en zeer bekrompen. Gewezen wordt op een publieke veiling van naastgelegen huis en grond. De aankopen van de boterwaag zijn veel kleiner. Er moet handelend worden opgetreden en aankopen, anders wordt de pas afgesneden. Voor jaren kosten f 3000.- huur -per jaar f 281.- er wordt subsidie gevraagd in de verbouwkosten.
1810
Op 2 oktober 1810; bericht het gemeentebestuur aan de Landdrost, dat in Lemmer een brandspuit uit voorhanden is, met alle daartoe behorende instrumenten, als emmers, haken, brandladders, met alles wat tot 1 grote en complete brandspuit behoort.
Stichten van een armhuis: Bij schrijven van 26 mei 1810 hebben Baljuw en gemeentebestuur in aanmerking genomen dat de gereformeerde diaconie een armhuis zullen stichten, waarin behalve de diaconie armen voegzaam algemene armen zouden kunnen worden opgenomen. De armvoogden van Lemmer worden gelast de opname te bevorderen, zodra het armhuis gereed is gekomen