Herinneringen van Teade Wouda e.a. 9
TERUG BLIK OP DE TWINTIGER JAREN.
Typische dingen in Lemmer.
Als je in die tijd het machine - geroezemoes van de houtmolen was gepasseerd en vervolgens het hek bij pasveer had geopend, voor de richting Oosterzee, dan deed je dit als jonge knaap niet zonder enige voorzichtigheid of heimelijke angst. Dit hield verband met sterke verhalen die je menigmaal hoorde in Lemmer, over de "Aapkes van Oosterzee". Het zouden twee jongens zijn met het uiterlijk van apen. Waarvoor je, je terdege in acht moest nemen; ze waren gevaarlijk....zei men. Hoe vaak ik het ook probeerde, na telkens al mijn moed te hebben verzameld, nooit was er iets te zien. Ik begon reeds aan legendevorming te denken, totdat ik op zekere dag, een boodschap moest doen voor mijn vader en er eigenlijk niet meer aan dacht, tot ik in een klein zijstraatje plotseling oog in oog stond met twee vreemde jongens. Iets ouder dan ik in de leeftijd van misschien 13 jaar, die er inderdaad ongewoon uitzagen (en wist je toen veel) en je daardoor schrik inboezemden, ook omdat één rare geluiden maakte.
Dit waren ze, wat nu! Op hetzelfde ogenblik keek ik ze echter recht in de ogen, maar daarin was niets te bespeuren om angstig voor te zijn. Mijn onlust gevoelens verdwenen als nevels voor de zon. Het waren eerder goedige niet begrijpende ogen. En zijn deze, een heel oud gezegde, niet inderdaad de stempels van de ziel? Ik geloof dat die jongens meer van mij schrokken dan ik van hen. Ze deden in ieder geval geen mens kwaad en ook nu bleek weer, dat verhalen vaak langs de rand van de waarheid lopen. Wat er later van de stumpers terecht gekomen is weet ik niet.
Wel herinner ik mij, dat ik medelijden met ze had en dat ik ze nadien nooit meer gezien heb. Het stond misschien in verband met de ouders die de jongens meestal binnenhuis hielden. In die tijd was dit niet zo ongewoon, je moest zoiets zoveel mogelijk verbergen ofschoon natuurlijk de wijde omgeving er bekend mee was. Hulp en begeleiding waren dingen die nauwelijks van de grond kwamen, buiten inrichtingen voor ernstige gevallen. In deze tijd is het heel anders, vooral door de meer begrijpende houding, hoewel daar ook nog wat aan valt te sleutelen. Maar het is in ieder geval in geen enkel opzicht van bestaande instituten van toen. En dan wordt soms ook nog beweerd dat er niets ten goede verandert, terwijl de voorbeelden voor het grijpen liggen, maar je moet het wel willen zien.
Lemmer zelf had in die tijd, weer andere typen die ik reeds in anderen bijdragen heb aangehaald. Zo herinner ik mij de woonwagen bewoners - kooplieden, die zo nu en dan ons dorp aandeden; het gezin van Houten, wat een aantal kinderen betekende. Als het bedtijd was trok pa een grote houten lade, die onder de wagen lag naar buiten, deze diende dan als bed. Het grut werd er netjes ingestopt en vervolgens schoof het geval weer dicht, zodat er aan de buiten kant niets was te zien. De volgende morgen werd het bed teruggehaald en konden de stakkertjes uit stappen. Van Houten, handelde in van alles wat los en vast zat, en had de gewoonte overal uitvoerig te vertellen over zijn levens omstandigheden. Om zijn operatie gebied wat dichter binnen de grenzen van zijn bedoeling te brengen.
Dit lukte hem aardig, want hij was in staat de dood zelf dood te praten. Ook vertelde hij steevast zijn eerdere ervaringen in Lemmer; opgeschoten jongens hadden op een donkere avond zijn woonwagen met alle hebben en houden als een appelboom heen en weer geschud, zodat deze bijna zou zijn gekanteld. Dit laatste was overdreven maar paste prachtig in de trant van zijn verhaal, ook ten behoeve van zijn handel. Zijn geschreeuw die avond met hoge doorslaande stem, tot ver in de omtrek te horen, stond in geen enkele verhouding tot de werkelijkheid. Niettemin was het stof waarover in Lemmer lang en breed is gesproken, aangenomen als een welkom verzetje. Ook van deze typen hebben we later niets meer gehoord. Waarschijnlijk heeft hij het dorp te gevaarlijk gevonden. Zo ja dan was dat ten onrechte, want waneer iemand het toen inderdaad te bont maakte, dan kon hij er op rekenen onder handen te worden genomen, met zo nodig een pak op zijn huid. Mede hierdoor kon haast altijd het evenwicht worden bewaard, zonder tussenkomst van de politierechter, door een soort eigenrichting dus.
In ieder geval ging het het niet zoals ik onlangs in de krant heb gelezen, omtrent een stel "Bokkerijders" uit Lemmer, waarvan minstens één, doordrenkt met enorme hoeveel heden bier, zinloos eigendommen van anderen vernielden en zich zelfs overgaf aan soortgelijke zacht uit gedrukt vorm van geweld in niet bedwelmde toestand. Op de tribune van het gerechtsgebouw bevonden zich een paar aanhangers van de leider die ergens herinnerden aan de onlangs in Amsterdam gehouden Grand Gala van de matheid. Hier waren eveneens vreemde vogels die een show van de zotheid op voerde. Als genoemde leider zijn arendsblik over de tribune liet dwalen, werd hij aangemoedigd door hem vererende aanhangers niet beseffende dat de politierechter inzag op onnozelheid alleen maar met een zekere mildheid te kunnen reageren.
Iets heel anders betreft een koopman uit Sneek, die eens per jaar met een grote handkar ons dorp aandeed. De wagen was gevuld met krakkemikkige vlaggetjes en andere prullaria. Hij was verzot op vodden en afgedankte dingen (vroeger werd niet gauw wat afgedankt), die je bij hem kon inruilen tegen de in de handkar bevindende prularia uit zijn handkar. Hij werd door kinderen bestormd, die naar huis waren gerend om oude rommel op te halen. Een bepaald dingetje voor zoveel vodden, en een ander ding voor bijvoorbeeld een kopje of veel beter een oude trekpot.
Zijn vaste kreet, op die mannier zoals alleen sommige kooplui het kunnen doen, klonk de hele dag door Lemmer: "Voddee, voddee, nikkele theepottee". Het is een raadsel hoe de goede man, met zijn bleke ascetengelaat en immer gekleed in een lage zwarte jas, door een dergelijke handel zelfs een korst brood kon verdienen. Maar in die tijd kon héél wat. Het leek wel iets op de Chinezen van voor de oorlog die je in de steden, weer of geen weer, met bakjes voor de borst, kon aantreffen vergezeld met hun klagelijk geroep 'pinda, pinda, lekka pinda'....Ja heel andere tijden en typische dingen en gewoonten, maar niet om ze direct terug te verlangen, daar gelaten het feit dat niets ooit op dezelfde wijze terug keert.
1948: Uitbreiding en vernieuwing van zaken te Lemmer.
LEMMER. De laatste tijd leest men nog wel eens pessimistische klanken uit Lemmer, zoals: de L.T.M, opgeheven, Koppe's bootdienst Lemmer-Amsterdam gestaakt, weinig voordeel van de Noord-Oostpolder, liet kanalenplan te ver van Lemmer enz. enz., maar als men klanken uit de winkelierskringen hoort, dan is men daar optimistisch.
En gelukkig, Lemmer staat nog niet ten dode opgeschreven, het heeft, mede door zijn ligging vertrouwen in de toekomst, en dat de „lege" plekken, die de laatste maanden zijn ontstaan, weer zullen aangevuld worden. Dat de winkeliers het hoofd nog niet in de schoot leggen, komt de laatste maanden wel sterk tot uitdrukking. We hebben zo eens een kijkje genomen langs de winkels en hier en daar een praatje gemaakt. Op de Langestreek zijn er twee winkels bijgekomen van de heren K. Koopmans en B. Steenstra, terwijl de heer Gorter binnenkort naar de Kortestreek en de fa. K. de Boer in dat pand weer gaat uitbreiden voor bedden en matrassen.
Aan de Kortestreek heeft de heer G. v. d. Gaast zijn pand geheel voor winkel ingericht, zodat deze nu overzichtelijk alles op het gebied van elektriciteit. waterleiding enz. bij elkaar heeft! De slagerij van Sonsma heeft een geheel nieuwe voorgevel gekregen, in moderne stijl. De kroon op het werk zet de heer J. Gorter, die in het voormalige arbeidsbureau een geheel nieuwe zaak krijgt in goud- en zilverwerk, welke op 18 December officieel geopend zal worden. De fruitwinkel van de heer W. Lemstra is met de helft vergroot.
Op de Nieuwburen heeft de heer Gort, bekend om zijn smeedwerk, de zaak overgenomen van de heer P. de Blauw en binnenkort zal het garagebedrijf en autodiensten van Aukema en De Vries, uitgebreid worden aan de Nieuwburen. De fa. Bijlhout heeft ook nog plannen, door aankoop van het gehele bouwcomplex van de heren IJlst en Verbeek.
In de Schans, waar veel oorlogsschade was, door de bevrijding in April 1945 zijn verschillende panden aardig opgeknapt. Hierbij valt in de eerste plaats op het schoenenbedrijf van de heer Tj. Dijkstra. Daar heeft het bouwbedrijf van de fa. A. Bosma een modern winkelpand van gemaakt. Ook de schoenreparatie werkplaats is groter geworden. De heer Zuur in manufacturen, heeft zijn zaak ook in moderne stijl gebracht met twee etalages.
Aan de haven, bij de ligplaats der boten, heeft de heer De Graaf uit Oosterzee, een winkel geopend in tuigwerk, met aanverwante artikelen. Ook de heer G. v. d. Bijl uit de Schans heeft zijn zaak van binnen geheel gemoderniseerd, met een koelcel voor zijn zuivelproducten en tevens ook voor pluimvee te slachten.
In het vroegere pand van de heer J v. d. Veen, in kruidenierswaren enz. heeft de heer S. v. d. Schoot zijn intrede gedaan aan de Schulpen in werkmanskleding enz., dit is de uitbreiding van de zaak aan de Nieuwburen. Achter dit pand is nu gevestigd het handelshuis van de nieuwe fa. Bos en Heida. Van meerdere, hier niet genoemde zaken, liggen plannen gereed voor modernisatie en uitbreiding. Vaak brengt de uitbreiding moeilijkheden met zich mee, wat betreft het vinden van geschikte ruimte daarvoor.
Zo was er ook Gerber, als eigenaar van die mooie kruidenierszaak op de Markt, waar nu het Gemeentekantoor is. Ene Wed Gerber, trouwde met Gaastra, die geen nazaat had. Vermoedelijk de oudste zoon Gerber, zat in die zaak op de markt. Hij was getrouwd met 'tante Foke' die zo genoemd werd. Ze hadden één zoon, die naar z'n stief-grootvader Doede heette. Om het helemaal mooi te maken, kocht Gaastra voor hem zijn naam erbij. Als opgeschoten jongen kwam deze Doede Gaastra Gerber, wel in de vakanties in de Lemmer en werd dan ook op de kermis gesignaleerd, hetgeen Annieke Kalsbeek de vraag ontlokte 'Vindt je grootvader dat wel goed?', waarop de jongeman antwoordde, dat het een spijker aan z'n doodkist was! Intussen was de kruidenier al gestorven en de weduwe weer getrouwd met ene Brouwer, zoon van de predikant, die vóór Ds. de Geus, in de Lemmer stond. Deze Brouwer had een Bank in de Boteringestraat in Groningen.
De familie woonde op 'Nienoord' in Leek, nu rijtuigmuseum. Doede is beroepsmilitair geworden. Dan was er ook een Gerber, die predikant was in Assen. Hij preekte in de vakanties vaak in de Lemmer, hij liep op een snikhete zomermiddag te zingen: 'Hij werpt z'n ijs daarheen als stukken', hetgeen heel verfrissend was.
Toen Siebold de Vries in de kazerne in Assen lag, was hij welkom in de Geref pastorie. Deze Ds. Gerber, was getrouwd met een dochter van Peereboom, die, na een mislukt huwelijk met Wed. Jongsma (eind Langestreek), bij de zuster van zijn eerste vrouw introk, waar ook zijn ongetrouwde dochter woonde. Hun adres was even vóór Luiking; (tante Rim en tante Frouk). Verder was er dan natuurlijk 'Juffrouw Betje', waar Kaatje Kooistra zolang huishoudster was.
En de schrijver G. Rijnsdorp in Rotterdam, (die steeds interessante artikelen in De Trouw schreef), was ook met een Gerber getrouwd. Toen Gaastra stierf; vermaakte hij aan de Geref kerk geld, om er nieuwe stoelen voor te kopen, die evenwel niet in de consistorie gebruikt mochten worden. Ook zorgde hij voor een legaat, waarvan, op z'n verjaardag, aardappelen moesten worden gekocht voor de armen. Dat was in de oorlog van 1914 -1918 niet zo eenvoudig, maar ja, dat kon hij ook niet voorzien.
DE WATERSNOOD RAMP VAN 3 EN 4 FEBRUARI 1825.
Een verslag van de gebeurtenissen in en rond Lemmer en de gemeente Lemsterland.
Bron: Een oud boek uit de oudheidkamer Het Lemster Fiifgea, genaamd: Geschiedkundig tafereel van den Watervloed en de overstromingen in de Provincie Vriesland 1825, geschreven in 1826 door J. van Leeuwen.
Bij één van mijn laatste bezoekjes aan de oudheidkamer 'Het Lemster Fiifgea' kreeg ik een oud boek in handen, dat geschreven is in 1826, vrijwel direct na de watersnood ramp van 1825. Hierin staat ten aanzien van Lemmer en de omliggende dorpen een uitgebreid verslag van de gebeurtenissen. Wanneer je langs de oude zeedijk van Lemmer naar Schoterzijl rijdt, kom je, hoewel ze langzaam aan het verdwijnen zijn, nog een aantal kolken tegen. Stille getuigen van de grote watersnoodramp van 1825. Op het stuk zeedijk van Kuinre naar Blokzijl zijn ze nog duidelijker aanwezig.
Nu terug naar het boek. In het najaar van 1824 waren er al diverse stormen en waren de inwoners van Lemmer bang, dat het paalwerk en de sluis (dat was de oude sluis bij vishandel Beljon) op den duur de fel gedreven zee niet zouden kunnen keren. Temeer omdat het water ten oosten van het dorp met zo'n een ontzettende kracht tegen de dijk aan joeg, door rollende stortzeeën de kruinen van de dijk afbrokkelden en het dijklichaam verzwakte. Hele rijen palen werden uit de grond gerukt. Dit gebeurde op 20 december 1824. 'Bij een hevigen orkaan, waarbij alle gemoederen eenparig in schrik en vrees voor doorbraak deelden en mannenmoed en veler krachten werden vereischt om het nakend gevaar in den nood af te wenden.' Zo omschrijft J. van Leeuwen het. Je kunt je voorstellen, dat velen met grote angstgevoelens in de nacht van 3 op 4 februari bij een nieuwe storm, het opstuwende water gade sloegen.
Van Leeuwen schrijft: 'De bewoners van den Nieuwendijk (dit was toen nog de zeewering) werden eensklaps in den slaap gestoord en uit het bed gedreven, daar de zware golfslag. al reeds het achterste gedeelte hunner woning genaakte en op dezelve met geweld aandrong. Onder den heftigen storm steeg de vloed in den vrijdagmorgen van 5 uur af telkens met ieder uur enige duimen hooger en was te 9 ure tot 2 el 67 duim boven volzee gerezen (=2,03 meter), waardoor het water over de Schulpen stroomde en al spoedig naar de Lange Streek bezijden de sluis nederliep.' Tot zover het citaat.
De morgen was vol gevaar, want ten westen van de haven werd het paalwerk losgescheurd en tegen de huizen aan gesmeten. Stootte hierbij een muur en gevels aan stukken. Verschillende huizen werden hierbij geheel of gedeeltelijk verwoest, andere zwaar beschadigd. In de Wildeman stond het water 40 cm. hoog: de turfschuur, het washok en de gaanderij, werden binnen een uur weggeslagen, zodat men voor een instorting begon te vrezen, te meer, omdat het door vernieling van het paalwerk direct aan de zee was blootgesteld. De toestand van de dijk werd steeds zorgelijker. Ten westen van het dorp, aan het einde van de Nieuwedijk, (van Leeuwen noemt het: bij de taanderij), werd een gat in de glooiing van de dijk geslagen, met spoedig een doorbraak tot gevolg. Toch wist men de dijk hier te behouden en het gevaar te keren.
Bij de hoogste stand van de vloed in de middag stroomde het water over de klippen van de sluismuren heen. Het had een hoogte bereikt van 2,12 meter boven de normale vloed. Maar het ergste moest nog komen. Want, de in de herfst van 1824 toch al verzwakte dijk ten oosten van Lemmer (het stuk van Lemmer naar Schoterzijl) begaf het op 13 plaatsen, waarbij op 3 plaatsen diepe kolken geslagen werden en het water Friesland in stroomde. Hierdoor steeg het water in de Lemmer zo, dat in de morgen van 5 februari 1825 het water 90 cm op de Nieuwburen stond, zodat men naar de zolder moest om droog te blijven. Met boten werden de mensen van de zolders afgehaald; temeer omdat instorting gevaar aanwezig was.
Ook het huis van Grietman Jhr. A. A. van Andringa de Kempenaer, stond diep in de vloed en werd meer en meer bedreigd. Maar ook hier gold het gezegde: Een ongeluk komt nooit alleen. De Grietman, reeds lang ziek, vertrok naar Holland, naar den Haag (mogelijk om steun te vragen). Hij stierf aldaar.
Nu terug naar het wassende water: dit stond 2,1 meter boven het land in de omtrek. U kunt zich voorstellen wat dit voor de laag gelegen dorpen betekende. Zondag 6 februari draaide de wind naar het noordoosten en bedaarde de storm. Ook toen drong pas goed in Lemmer door wat de andere dorpen, met name Oosterzee en Echten, hadden doorstaan. Hierover later meer. Doordat de al eerder genoemde dijk in Overijssel (het stuk dijk tussen Kuinre en Blokzijl) het begaf , kwam het water van twee kanten op Lemsterland aan. Hierdoor steeg het water zo snel, dat op de rampdag 's avonds om 7 uur te Follega binnen een uur het water 1,30 m in de huizen stond en kort daarna al het land rond Follega en Eesterga 1,40 m onder water liep. Een ramp, wanneer je bedenkt, hoe men in die tijd gehuisvest was.
In de dorpen Oosterzee en Echten was het turfgraven nog in volle gang en de turfgravers, vaak mensen uit Schoterland en Overijssel (Giethoorn), woonden meestal in vlug in elkaar gezette huisjes. Aan de Gieterse vaart stonden er vele, waarvan er nog enkele overgebleven zijn. In het boek worden ook nog diverse staaltjes van menslievendheid genoemd, waarvan ik enkel met naam en toenaam wil noemen. Koopman en veenbaas Hendrik Raterman, welke aan de Oosterzeese brug woonde (Gietersebrug) en zelf door het water al zijn turf verloor, schade ongeveer 16.000,- gulden, in die tijd een heel hoog bedrag, nam op vrijdag een honderdtal mensen in zijn huis op en zaterdag nog eens 70. Al deze mensen werden daar enkele dagen verzorgd ten koste van de voorraad van hun gastheer (een veenbaas was vaak ook winkelier) Ook bij Jan Mast, kastelein aan de Nieuwe brug (tweede brug) onder Echten werden 70 noodlijdenden van voedsel voorzien en verzorgd.
Tevens is vermeld, dat Jelle Jacobs Kolk, boer onder Oosterzee en Arjen Jans, Schipper te Echten vele mensen gered en verzorgd hebben. Ook wordt er door Van Leeuwen melding gemaakt van een 'wonderbaarlijke' geboorte. Dit ging als volgt: Hendrik Huisman, turfgraver in de veenderij onder Echten, woonde met Margje Luitjen, welke hoogzwanger was, en hun vijf kinderen buiten de Polderdijk, niet ver van zee (mogelijk aan het zogenaamde 'wegje' tussen de Kooisloot en de Zeedijk)
Toen vrijdagmiddag het water over de dijk kwam en hun huizen en tenten binnen stroomde en 's avond zo hoog steeg, dat diverse huizen instorten, namen ze hun toevlucht in een turfpraam, een zogenaamde bok. Hierin werden 4 huisgezinnen, die tesamen uit 22 personen bestonden, opgevangen. Hendrik bracht met behulp van een buurvrouw en de vroedvrouw, die omdat zijn vrouw op het punt stond te bevallen, 's morgens uit het dorp was gehaald, zijn hoogzwangere vrouw in de bok, waarin zij al ronddobberend, omstreeks middernacht is bevallen van een levend kind.
De ellendige toestand van de vrouw is met geen pen te beschrijven: in stormweer in een open vaartuig, met daarin 21 lotgenoten, waarmee ze pas zaterdagmiddag te Echten aankwamen bij het huis van Harmen Kortland, veenbaas onder Echten. Getracht werd haar in huis te brengen. Doch dit was door het hoge water niet mogelijk, zodat ze noodgedwongen in de schuur op het hooi terecht kwam, van waaruit ze in een Somp (dat is een platgeboomd zeilvaartuig, zeer geschikt voor vaart op ondiep water) 's nachts naar Lemmer werd gebracht. Waar ze om vijf uur 's morgens aankwamen en waar zij voor het eerst goed verzorgd kon worden. Deze vrouw herstelde boven verwachting snel van haar ontberingen en keerde spoedig weer naar Echten terug. Het kind stierf jammer genoeg na enkele weken.
Ook worden er in het boek de namen genoemd van J. Propsma. S. Herres, B. P. de Jong, S.v. Leeuwen en de kasteleinszoon Breemer. Zij hebben veel mensen uit hun benarde positie gered. Verder worden nog bovengenoemde Huisman en J. G Sloothaak en G. J. Wind genoemd, die met de praam de Fam. Teunis Visser, van een wisse dood gered hebben. Het mag een wonder heten, dat er in de hele Grietenij niemand verdronk. Wel kwamen er 444 stuks vee om en werden bijna driehonderd huizen geheel of gedeeltelijk verwoest.
Alle turf op het land was weg en ook het hooi was onbruikbaar. Ook in de dorpen Eesterga en Follega, was het treurig gesteld. Overal ingestorte huizen en verdronken vee. Alleen in Follega verdronken er al meer dan honderd stuks. De totale waarde van de turf en het hooi, dat verloren was gegaan, werd geschat op f. 132.000,- . De waarde van de beschadigde en verwoeste huizen wordt niet genoemd.
Al met al een grote ramp. Tot zo ver het verslag van de watersnoodramp van 1825. In het boek wordt niet alleen Lemmer en omstreken, maar ook de andere gemeenten genoemd. Deze gebeurtenis, waarbij de helft van Friesland onder water liep en waarbij 17 mensen verdronken, zal veel armoede gebracht hebben. Het zou maanden duren voor het water weer weg was: er kon alleen bij eb afgestroomd worden, via de spuisluizen en bemaling van polders gebeurde toen nog door middel van windmolens.
Dit verhaal is bedoeld om aan te geven dat er in de Oudheidkamer van Lemmer veel meer te vinden is dan oude gebruiksvoorwerpen. Er zijn ook veel oude boeken, foto's, kaarten enz. Ook is er een mooie maquette over het turf maken. De turfmakers werden bij de ramp van 1825 zwaar getroffen. Zij woonden en werkten in het gebied, waar de meeste doorbraken waren: de toen zo geheten Veenpolder van Echten nu Bantega.
Jan. M. de Vries.
Pentekening van de watersnoodramp hier te zien op de Schulpen te Lemmer 1825.
SJOERD JOUWERTS STAPERT.
STAPERT (Sjoerd), geb. in de Lemmer 9 Nov 1735, overl. aldaar 6 Nov. 1816, was de derde of jongste zoon van Jouwert Stapert en Tetje Nannes. Hij was als zijn vader waterbouwkundige, aannemer en scheepsbouwer. In de Lemmer was hij bekend onder den naam Sjoerdbaas. Hij was een warm patriot en werd 16 Juni 1795 in de grietenij Lemsterland tot lid van het bestuur der provincie Friesland gekozen. Op 15 Juli 1795 werd hij door dat bestuur benoemd tot architect van 's lands werken in Friesland. Zijn zaken gaf hij aan zijn zoons over. Dit bleef hij totdat de verdeeling van de Bataafsche republiek in provinciën gewijzigd werd in een verdeeling in departementen. Hij kwam nu ingevolge besluit van het Uitvoerend bewind van 14 Juli 1800 in dienst der geheele republiek als commissaris-inspecteur van den waterstaat voor de departementen Eems en Oude IJsel, te zamen met J. Sabrier. Hij verkreeg Leeuwarden tot standplaats. Deze betrekking heeft hij tot 1 Nov. 1803 vervuld, toen hij bij besluit van het Staatsbewind van 14 Oct. te voren buiten dienst gesteld werd en weder in de Lemmer ging wonen. Hij huwde 20 Nov. 1757 Minke Barre, bij wie hij 2 zonen en 5 dochters had.
www.historici.nl
LEMMER - Oud rechter Rienk Wegener Sleeswijk hield op de donateur avond van It Lemster Skûtsje een inleiding over Sjoerd Jouwerts Stapert, een Lemster op drift zoals Sleeswijk hem noemde. Sleeswijk is een Lemsterland-kenner bij uitstek. Zijn familie woonde indertijd in Andringastate aan de Schulpen en was eigenaar van de Houtmolen. Spreker vond het een eer om hier bij de skûtsje liefhebbers te zijn.
Sjoerd Stapert leefde van 1735 tot 1816. Dat was een roerige tijd met veel oorlogen. Van 1740 tot 1748 woedde de Oostenrijkse Successieoorlog. Na enkele jaren gevolgd door de zevenjarige oorlog. Verder kreeg men in die tijd te maken met Engelse zeeroverij.
Tot zijn veertigste was deze ‘geweldig gekke Lemster’ een heel gewone man. Zijn vader Siebren was een succesvol zakenman, getrouwd met een Lemster meisje uit de gegoede stand. Hij had een touwslagerij, was reder en koopman. Sjoerd kreeg daar zijn opleiding die in 1756 voltooid werd met een reis naar Riga als afsluiting. Het was de tijd dat de Engelsen Nederlandse schepen roofden en uit die tijd hield Stapert een diepe afkeer over voor alles wat Brits was. Toch waren die oorlogsjaren een welvarende tijd. Zo lang er oorlog was en je zelf neutraal bleef kon er aan beide kanten verdiend worden.
Van het goudgeld dat in die oorlogen verdiend was werden een stuk of vijf luxere woningen in Lemmer gebouwd. In het huis aan het Turfland, nu bewoond door Piet Zantman, hebben twee generaties Sleeswijk gewoond. Daarna is het geschikt gemaakt om in tweeën bewoond te worden.
Sleeswijk vertelde van een tegeltableau van het lopen van Jezus over het water dat in de woning aan het Turfland zat. Dat werd er uit gesloopt en verkocht. Na jaren kwam het weer te koop en kwam in het bezit van de Ottema Kingma Stichting. Die heeft gezorgd dat het nu in het Prinsessehof in Leeuwarden is.
Sjoerd Stapert gaf veel gewicht aan zijn functie van diaken. Daarnaast was hij brandmeester, touwslager, scheepsreder en aannemer. Voor al deze zaken had hij veel werkvolk in dienst. Hij gedroeg zich als een eenvoudig, egalitair man die het met iedereen goed kon vinden. Zo gebruikte de familie Stapert die achternaam nooit. Dat was toen te deftig. Pas toen er contacten met Den Haag kwamen moest die naam er wel bij . Overigens moet die naam afgeleid zijn van een voermansroep ‘Sta paard!’
Het redersbedrijf van Stapert, bloeide vooral in de Amerikaanse Vrijheidsoorlog. In 1781 kwam de oorlog met Engeland. Sjoerd Stapert sloot zich aan bij de patriotten. De vrouw van stadhouder Willem V was een zuster van de Engelse koning. Men wantrouwde de stadhouder omdat hij als een halve Engelsman werd beschouwd. Sjoerd was dus antistadhouder. Hij werd kapitein van het Lemster exercitie genootschap. De anti Britse gezindheid van Stapert werd nog verergerd door de Engelse zeeroverij. Er was een vloot van Nederlandse schepen in konvooi onderweg naar een Franse haven. In Het Kanaal lag een eskader Engelsen te oefenen. Zij overvielen het konvooi en tweehonderd schepen met inhoud vielen in Engelse handen. Alleen een paar oude, eigenlijk al afgedankte schepen kwamen terug. Sjoerd had belang in elf van de verloren schepen.
- Er is een akte waarbij Sjoerd Jouwerts Stapert en zijn compagnons verklaren dat zij voor de bouw van het oorlogsschip "Stad en Lande" de som van 139. 000 Caroli guldens van de provincie Friesland hebben ontvangen en dat daarmee hun aanspraken op betaling door de Staten-Generaal zijn vervallen.
Datering: 1787
NB: Zie tevens de Resoluties van de Staten van 17 december 1786, 16 maart 1787 en 11 mei 1787.
Omvang:Archiefnummer:5-Inventarisnummer:2702
Vindplaats: Tresoar (Frysk Histoarysk en Letterkundich Sintrum)
En: Bouwtekening van het oorlogsschip Stadt en Lande
Op een werf in Harlingen liet de admiraliteit een groot schip bouwen. Ook Stapert bouwde een dergelijk schip voor de overheid. Er werd alleen naar het bouwen gekeken en niet naar de mogelijkheden om uit Harlingen weg te komen. De schepen liepen met de kiel in de modder vast en kwamen de haven niet uit. Er moest eerst gebaggerd worden. In 1783 waren de schepen klaar en de oorlog was voorbij. Het door Stapert gebouwde schip moest 400.000.—gulden kosten. Het werd door de admiraliteit geaccepteerd maar de laatste 130.000,- gulden kreeg de reder niet meer. Dit sterkte hem in zijn opvatting dat het bestuur zo rot als een mispel was. Door een truc kwam het geld tenslotte toch nog binnen.
Als kapitein van het exercitie genootschap zou Sjoerd met 30 man Lemmer verdedigen tegen de Pruisen. Maar de Pruisen kwam niet. Zij kozen een andere weg naar Amsterdam. Reden voor Sjoerd om met zijn mensen naar Amsterdam te gaan om die stad mee te verdedigen. Ouderkerk aan de Amstel werd met succes verdedigd, maar Amsterdam wilde capituleren. Stapert, vond dat onzin maar werd verbannen. Hij vertrok naar Brussel en was welkom in Noord Frankrijk. Daar ging hij het bedrijfsleven weer in. Tenslotte kwam hij in een Koninklijke commissie terecht.
Na wat omzwervingen door Frankrijk ging Stapert in Duinkerken wonen. Van daaruit kon hij zijn rederij weer beheren. Bij dit alles werd Sjoerd vergezeld door zijn zoon Bareel?. In 1792 vertrok deze, terug naar Nederland. De vader volgde hem en ging in de richting van Zutphen. Hij en zijn metgezellen werden later als helden in Lemmer binnengehaald. Sjoerd werd provinciaal bouwmeester. In die functie kreeg hij te maken met het opruimen van familiewapens en dergelijke van de Friese Nassaus. Hij verhinderde daarbij niet dat alles, zelfs de graven van dat geslacht, kapot geslagen werd.
Door: Johannes de Vries.
Bij het Turfland hield Lemmer zo'n beetje op, daarom werd het ook wel 't Ein genoemd. Het grote huis met nog het achttiende-eeuws geveltje aan de rechterkant nr 56 staat er nog steeds. Aan dit pand aan het Turfland werd de naam 'Staperthuis' gegeven. Daarmee wordt verwezen naar de Lemster koopman en touwslager Sjoerd Jouwert Stapert, die het statige woonhuis met bedrijfsgebouwen in 1758 liet bouwen. Ook woonde in het ene deel van het huis, zeilmaker Willem de Vries, het andere gedeelte werd bewoont door Siebe van Gepke, een vrijgezelle visser die het samen met zijn moeder bewoonde.
Nu wonen in dit statige herenhuis P. Zantman en M. Patist, wie het betreedt, waant zich even in de achttiende eeuw. Het kan niet anders dan dat alle mensen die Turfland 56 in de afgelopen 250 jaar hebben bewoond, heel goed op het huis hebben gepast. Ze koesterden liefde voor het statige herenhuis. De sfeer van 1758 is nog steeds in het rijksmonument terug te vinden.
GRIETMAN GAF LEMMER BEDRIJVIG AANZIEN.
LEMMER - Waar nu in de zomermaanden de toerist flaneert op de Langestreek, daar was ooit een samenballing van andere bedrijvigheid, dan van eetgelegenheden zichtbaar. Hier lag namelijk de kern van economische activiteiten, die voor het merendeel te maken hadden met de ligging van Lemmer aan de Zuiderzee. Het water in en om Lemmer lag altijd vol met schepen van allerlei formaat, bestemd voor de zee en binnenvaart.
Lemmer ligt op de grens van land en water en de inpoldering van een deel van het IJsselmeer, heeft niets veranderd aan het feit, dat op deze plek de meeste scheepvaartbewegingen binnen de Friese grenzen worden geteld. In de loop der jaren is een groot deel van de maritieme activiteiten verlegd van de dorpskern naar de zeekant, met inbegrip van de grote binnenvaart, die een eigen uitgang naar het IJsselmeer kreeg, via het sluizencomplex van het Prinses Margrietkanaal aan de westkant van Lemmer.
Ondanks de bestemmingsverandering is de dorpskern en de scheepsbedrijvigheid in vroeger jaren nog gemakkelijk voorstelbaar: verander in gedachten de jachten en kruisers die aan de oevers van de Langestreek zijn afgemeerd, in traditionele bedrijfsschepen en er doemt een beeld op, dat alleen de aller-oudste Lemsters nog kunnen oproepen, of dat, dat zichtbaar wordt gemaakt op tekeningen en foto's. De Lemster architect Jelle de Jong, heeft zich beziggehouden met naspeuringen over de Lemster kernbebouwing, toen hij gegevens verzamelde' over het fraaie monument Oudesluis 9.
De Jong, schrijft over Nanne Jouwerts Stapert, die vanaf 1790 op één der fraaiste plaatsen in het dorp woonde, met uitzicht op de zeesluis en op de brug over de (Lemster) Rien. Dit deel van de Rien, zoals de meeste waterlopen bij de Friese steden en dorpen, dicht bezet met werkplaatsen en kleine industrie, is ruim een eeuw geleden gedempt en hoe toepasselijk, herdoopt in Gedempte Gracht.
Het uit 1773, daterende koopmanshuis van de Oudesluis in Lemmer, waarvan een groot deel van de geschiedenis in een boekje is vastgelegd. "Jelle de Jong en de historie van „huis Oudesluis 9"
KARAKTERISTIEK is het huis aan de Oudesluis in Lemmer zeker. Vooral nu het na een grondige restauratie door de Lemster Douwe Tijsseling wordt gebruikt als restaurant en woning. Over de historie van dit uit 1773 daterende pand was tot op heden weinig bekend. De als bouwkundig tekenaar bij architectenbureau Kroes werkzame Jelle de Jong, uit Lemmer werd evenwel in de historie geïnteresseerd toen in 1980 het pand Oudesluis 9 gedeeltelijk werd gerestaureerd. Veelvuldig gestelde vragen over dit op de Monumentenlijst staande huis brachten hem op het idee om een onderzoek in te stellen. Het resultaat daarvan heeft hij in een boekje samengebracht.
-Nanne Jouwerts Stapert, leefde in een periode, die een grote verandering in Lemmer te zien heeft gegeven. Dat was niet in de laatste plaats te danken aan grietman, Regnerus van Andringa, die bijna een halve eeuw (1692-1741) een stuwende kracht was in dit deel van Friesland. Regnerus stelde veer- en beurtdiensten in, die veel activiteit in het dorp brachten. Reizigers uit Friesland, die overigens ook gebruik maakten van Harlingen en Groningen, reisden over land naar Lemmer. Daar namen ze de veerboot naar Amsterdam. Van Andringa, de grietman met visie, haalde ook ondernemers naar het dorp, dat in de tweede helft van de achttiende eeuw de snelst groeiende plaats van Friesland was.
De aanwezigheid van een flinke koopvaardijvloot, die mede kon profiteren van de Nederlandse neutraliteit in de Brits-Franse oorlog in het midden van de achttiende eeuw, gaf niet alleen werk aan zeelieden, maar ook aan toeleveringsbedrijven van scheepsbenodigdheden. Voor het grove werk was een houtzaagmolen nodig en die was in Lemmer gevestigd aan de Rien. In een beschrijving van A. E. Klijnsma, is sprake van een achtkante bovenkruier met stelling boven de zaagschuur. Het wiekenkruis had een vlucht van twintig meter, waaraan traditiegetrouw om en om witte en rood getaande zeilen waren bevestigd. Het molencomplex bestond verder uit twee woningen, een molenmakerij met woning, een boerenhuis met schuur, de woning van de bedrijfsleider (waarin een tegelkamer met tableau van de molen) en de houtschuur.
Klijnsma meldt ook, dat vóór 1788 de Lemster houtzaagmolen op de Molenkamp stond, aan De Molendray tussen Zijlroede en Zeedijk, aan de westkant van het dorp (Tussen Pension ’t lytse Knipke en de IJsvereniging Lemmer) De molen aan de Rien is lange tijd in bezit geweest van de familie Wegener Sleeswijk, van wie Cornelis, de bekendste vertegenwoordiger is geweest. Hij was, behalve van de molen, ook eigenaar van een zeilmakerij en een touwslagerij. Niet alleen in het centrum van het dorp was bedrijvigheid, maar, ook aan de Polderdijk, eveneens hoofdzakelijk gericht op scheepsbouw, scheepvaart en visserij.
Het silhouet van (de) Lemmer werd tot 1895 mede bepaald door de molen. In dat jaar ging eigenaar F.W. Wegener Sleeswijk, over van wind, op stoomkracht. De wieken werden afgenomen, maar de romp bleef vooralsnog intact. Lemmer bleef tot de dag van vandaag een belangrijke positie innemen als centrum voor scheepsbouw en onderhoud, distributie van massagoed, met de daarbij horende bedrijvigheid te land en te water. Dat geldt zowel voor de beroepsvaart als, in toenemende mate, de pleziervaart. Er is nu wel een duidelijk verschil met, bijvoorbeeld, de jaren dertig. De vissersvloot is uit de Lemster haven verdwenen.
De N.V. "Stoomhoutzagerij" te Lemmer.
"Cornelis Sleeswijk, dy't ûntfanger fan de gritenij en fan it wetterskip "De Zeven Grietenijen en de Stad Sloten" kocht yn 1849 de houtmoune oan de Rien". De aankoop van deze houtzaagmolen c.a. aan de Polle te Lemmer vond plaats bij gelegenheid, van de openbare verkoop van de onroerende goederen van de familie Brandsma. Successievelijk werd het bedrijf in de volgende jaren uitgebreid door aankoop van aangrenzend onroerend goed. De feitelijke leiding in handen van Johannes Brandsma, die als bedrijfsleider in dienst was van Cornelis Sleeswijk en na diens overlijden in 1857 van zijn weduwe Fettje Wegener. Nadat laatstgenoemde in 1862 was overleden is het bedrijf aanvankelijk voortgezet door Frederik Wilhelm Wegener Sleeswijk en Johannes Brandsma, gezamenlijk in een vennootschap onder firma, genaamd "De Weduwe C. Sleeswijk".
Na de dood van Brandsma in 1883 zette eerst genoemde firmant, het bedrijf alleen voort. Nadat in 1893 zijn zoon André Wegener Sleeswijk, zijn intrede in het bedrijf had gedaan, volgde in 1895 modernisering van de onderneming. In dat jaar werd de oude houtzaagmolen vervangen door een stoomhoutzagerij. In 1905 werd de firma omgezet in een naamloze vennootschap "N.V. Stoomhoutzagerij en houthandel, voorheen de Wed. C. Sleeswijk" geheten. In 1916 vond een grote uitbreiding plaats met een kisten, vaten en palletfabriek. Na het plotselinge overlijden in 1918 van directeur André Wegener Sleeswijk, ging het snel bergafwaarts met de onderneming en werd de vennootschap in 1925 geliquideerd. De nieuwe eigenaar N.V. De Friesche Bank bracht het bedrijf onder in een commanditaire vennootschap "C.V. Stoomhoutzagerij" genaamd, waarvan B. Corée Lzn. bedrijfsleider werd. In 1934 vond wederom een omzetting plaats, waarna Halbertsma's Fabrieken voor Houtbewerking N.V. het bedrijf overnam. Als onderdeel van het concern werd het betrokken bij de overname door Swedish Match te Amsterdam óf S.T.A.B. In 1975 werd het bedrijf gesloten. De arbeiders werden naar Grouw en Scheemda overgeplaatst.
Reactie plaatsen
Reacties