Herinneringen van Teade Wouda e.a 3
'T HOEKJE
Ja, een merkwaardig huis. Het moet gebouwd zijn in de 18de eeuwen als bakkerij.
Niemand heeft ooit iets over een daar gevestigde bakkerij gehoord en toch moet deze daar geweest zijn. De beide in dit pand nog aanwezige bakkersovens moeten gelijk met het pand zijn gebouwd. Het bestaat niet dat men eerst het huis gebouwd heeft en naderhand daarin de ovens heeft aangebracht. Dan kun je beter het hele geval weer afbreken.
De zoldering, bestaande uit zware balken (thans bedekt door board) wijzen op hoge ouderdom. Had het huis een oudhollandse gevel (zoals bijv. het oude gebouw van de Friese Bank naast de Wildeman) dan zou ik het Hoekje in de 17de eeuw thuisbrengen. 't Hoekje heeft een dergelijke gevel niet gehad. Het staat op deze foto in een rij van huizen van eenzelfde (laat 18de eeuws) karakter, met het front naar de Schulpen en met de deur in het midden. Het zal dus wel uit de laatste helft van de 18de eeuw zijn. Daarop wijst zeer duidelijk de aanwezigheid van ornamenten in Franse stijl in de achterkamer. Toch zou het Hoekje wel ouder kunnen zijn, want het staat op zowat het hoogste punt van De Lemmer en dat is altijd bewoond geweest, zolang die bult daar heeft gestaan.
Bewoners:
1838: Siebe Broers Stellingwerf, koopman.
Sietse Douwes van Veen (1796-1867), gehuwd met Minke Rienks Sleeswijk. Hij was boterkoopman.
Douwe Sietses van Veen (1853-1892), gehuwd met Froukje Wouda. Ook hij was boterkoopman.
1892: L.R. Landmeter. Deze liet het huis verbouwen en vestigde daar een sigaren en tabakszaak, alsmede een boekhandel.
1905-1921: Mijn ouders (M. P. Kokje), Jacob Kokje, gehuwd met Trijntje Verbeek, namen woning en zaak van Landmeter over (alsmede zijn kat). In 1921 werden huis en zaak overgedaan aan de familie Zwart (de kat was toen al dood). Nog steeds woont aldaar mevrouw J. Zwart- de Vries en heeft daar later jarenlang een sigarenzaak gedreven.
Het huis stond voor de grote doorbraak van plusminus 1890 in een rij van ongeveer gelijksoortige betere woningen. Twee van deze huizen bleven staan. Het eerste huis naast de steeg, dat in mijn tijd nog het huis van juffrouw Brandenburg werd genoemd en later Schotman's Bazar werd, en het onze, dat toen pas inderdaad op een hoek kwam te staan. Er bevond zich een vrij brede steeg tussen dit huis en het derde pand. Na de afbraak kwam de zijgevel (wie weet hoe lang had men naar een beetje licht gesnakt) geheel vrij en ontstond daar, na de verbouwing door de heer Landmeter, het aardige huis dat thans 't Hoekje wordt genoemd.
Wat ik tenslotte niet begrijp is, dat er blijkbaar nooit iemand is geweest (bijv. een bouwkundige) die eens is wezen kijken naar die ovenboel. Ik heb getracht daarover iets aan de weet te komen bij mevrouw Zwart (via de telefoon), maar zij bleek nog een stuk dover dan ik en we vonden het toen maar beter het gesprek (?) te beëindigen.
M. P. Kokje.
Hier is het pand op drie zéér oude opnames te zien.
DE PAN MET SNERT EN DE ZWEETSOK
"stjerrend wier heite".
Pieter, toen ongeveer 17 jaar, moest die morgen in het begin van de jaren twintiger jaren vroeg op zijn werk zijn. Hij woonde in een steegje van de Beneden Schans. Via een klein stenen trapje kwam hij ook die morgen in de Schans en ging vervolgens door het smalle straatje, waar in die tijd op de hoek van de haven kapitein Vogelzang, van de nachtboot woonde. Pieter was eigenlijk te laat uit zijn nest gekropen. Dit was eveneens de rede dat hij slechts in haast een paar happen naar binnen had kunnen schrokken. Hij sloot de deur achter zich met een hongerig gevoel. Tot het middaguur is het dan voor een jonge vent een lange rek temeer omdat ze toen echt hard moesten aanpakken voor een paar centen.
Lemmer was nog in een dikke duisternis gehuld. De torenklok sloeg zes monotone slagen. Alleen in de winkel van Libbe Bouma, brandde een waggelend vlammetje van een olielampje. Korte hevige windvlagen joegen de regen door de verlaten en trieste straat. In de verte hoorde je alleen het gerammel van bussen op de wagen van een melkrijder. Vermoedelijk was Faber van 'De Wildeman' reeds onderweg naar zijn land achter het Eerste Brugje. Pieter huiverde in zijn vissersbuis en had het gevoel dat ook die grauwe morgen geen loper voor hem was uitgelegd.
Hij stond bekend als een fijne levenslustige jongen. Altijd met een grijns van oor tot oor op zijn guitige kop. In de voetballerij was hij een enthousiast speler en supporter. Hij had een bijnaam. Deze was verrassend toepasselijk door zijn commentaar op alles en nog wat. Hij was, zogezegd altijd duidelijk met een vlotte babbel aanwezig. Onlangs hoorde ik een verhaal over hem, wat ik in deze tijd naar buiten wil brengen, het was bijna onder het stof der tijden bedolven, lang geleden dus en typisch Lemmer van toen.
Zoals ik al vertelde was hij hongerig van huis gegaan. De klok had dan ook nauwelijks twaalf slagen laten horen en over de Lemmer klinkende fluit van 'De Houtmolen' was nog niet koud of onze Pieter was reeds in hoog tempo naar huis onderweg. Al in de omgeving van hun woonhuis kwam hem via een welwillende windvlaag een verrukkelijke geur van snert tegemoet, waardoor zijn eetlust nogmaals werd opgejaagd. Zijn moeder bleek niet thuis te zijn. Hij ontdekte echter dat bij de buren de deur uitnodigend open stond. Dat kon overal zonder bezwaar.
Want er werd niet op de manier van heden als de raven van alles bij elkaar gejat door een stelletje ongeregeld, groepen die heel zacht uitgedrukt ernstig lijdend zijn aan een gestoord normbesef. Pieter ontwaarde bij de buren ook niemand, maar wel de bron van de geur die voor hem zo'n aantrekkingskracht had. Als de gesmeerde bliksem keek hij onder de deksel van een pan waarvan de inhoud op het vuur stond te pruttelen. Hij had het gevoel dat zijn honger nog intenser werd toen hij in die pan ook nog een vette kluif ontdekte, die door aanbranding al een beetje zwart begon te worden. Geen nood snel griste hij de kluif eruit en brandde zijn vingers.
Maar dit was voor hem geen reden de kluif op zijn rechtmatige plaats terug te leggen. In plaats daarvan greep hij in zijn opwinding een bij de deur hangende zwarte sok die bijna stijf van het zweet stond, deponeerde deze in de pan, en verdween als een schichtige haas met zijn zo begeerde hap. Nadat het tumult over het geheimzinnige later was geluwd zat buurvrouw ijverig aan een zwarte sok te breien. Aan één exemplaar had haar man niets.
Het kwam niet in haar op dat Pieter, die goeie beste jongen de hand in het spel zou kunnen hebben. Zo'n gedachte lag geheel buiten haar verwachtingspatroon. Ze heeft zich nog lang afgevraagd hoe dit alles in hemelsnaam kon plaatsvinden. Toen veel later de ware toedracht uit de mouw kwam, klonk de gulle lach van de humor door de Schans en verspreidde zich op gevleugelde door het dorp van toen.
DE PAS GEVERFDE DEURPOST
Onlangs stond de deur, die het verleden afsluit, weer even op een kier. Door de tocht dwarrelden enige beelden uit de jaren twintig over de drempel. Geholpen door Jan Wouda, zag ik hem ineens weer voor mij. Een jongeman klein van postuur, fel in dialoog praten als brugman en inderdaad ook een goede voordrager, o.a. van het schone lied "Ach moeder, ik kan je niet missen, het is hier zo stil om mij heen" Te beluisteren op www.youtube.com Dit soort emoties oproepende dingen stonden hoog genoteerd.
Inderdaad Jan Zandstra, beter bekend als Jan Ukkertsje, een van de bekende figuren van Lemmer uit die tijd. Jan kon echt fel zijn, als het politieke inzichten betrof, alleen leidde het niet tot echte hatelijkheid en elkaar voor rotte vis uitmaken. Links en rechts waren niet alleen op materiële pijlers gebouwd. Een voorbeeld hiervan is Evert de Vries, die op zijn tachtigste verjaardag nog gebeld werd door Hidde de Blauw uit Delft, de zoon van Seerp de Blauw, bij wie Evert zo lang heeft gewerkt. Als je Jan bestreed kon je als in een operette zogenaamd van hem een schop krijgen. Zijn commentaar was vaak, "Jimme begripe der neat fan, jim hearre net bij it earme fiskersfolk" waarbij hij vergat dat de meeste vissers niet arm waren. Beslist niet. Overdrijven met een bepaald soort humor was een kenmerk van vele. Wie Jan en zijn maten kende, wist dat het jongens waren die door hun werk de woellende elementen van de rusteloze Zuiderzee in hun bloed voelden stromen. Zij hadden vaak een hard leven met grote risico's door storm regen en koude, voor zichzelf en hun materiaal.
Onderwijzers in Lemmer zeiden niet voor niets dat veel jonge jongens tot de moeilijkst bedwingbare leerlingen behoorde. Een van deze meesters had er inderdaad veel moeite mee, een magere vrijgezel die ergens op de Kortestreek in de kost was, en zich weinig met de dorpsgemeenschap bemoeide. We konden hem zonder veel moeite op de kast jagen. Hij was dan zo stom om steeds woedender te worden, raakte over zijn toeren en sloeg er dan in. Een paar potige jongens namen dat niet en sloegen terug. De daders en bijlopers moesten voor het hoofd van de school, de Heer Radersma, verschijnen en dan kregen we door zijn vlijmscherpe standjes best op onze donder, gevolgd door uren nablijven.
We vonden het allemaal maar heel onredelijk, te onnozel om in te zien dat je beter eerst je zelf had te onderzoeken in plaats van alle schuld aan de onderwijzer toe te schrijven. Veelsoortige dingen voltrokken zich destijds in Lemmer, meerdere zijn al in de krant genoemd. Zij pasten in de sfeer en de omkleding van het toenmalige dorp met zijn grenzen een honderd meter voorbij Spuisluis aan de oostkant en de Trambrug aan de westkant. De geboorte ervan ontstond in hoge mate mee door het rustig leefklimaat wat zo afwijkt van deze tijd.
Verder het grote verschil in communicatie met zelfs een omgeving van enkele kilometers verderop, sporadische informatie, veel minder geld voor alles zodat de gemiddelde mens zich veel minder kon permitteren en zich maar moest zien te redden en het ook deed. Zo herinner ik mij een verhaal van iemand die ook in de rondleiding van de jaren twintig past. Een populaire man. Eens moest hij onverwacht als leedaanzegger voor de bekende heer Faber invallen. Ondanks alle goede bedoelingen van de begrafenisvereniging was niet te voorzien wat zich toen voltrok. Ook onze invaller moest langs de deuren om een tekst voor te lezen waaruit bleek wie er overleden en wanneer de teraardebestelling zou plaatsvinden.
Hij moest daarvoor gebruik maken van een bestaand kostuum. Dit bleek hem echter een paar maten te groot te zijn, maar het kon niet anders de zwart geklede jas was te lang evenals de mouwen waarin zijn handen bijkans zoek waren, de broek sleepte aan de hielen iets, maar net te veel over de grond. De gebruikelijke hoge hoed (kachelpijp) leunde nonchalant naar achteren op zijn kop met krullig haar. Helemaal onderaan staken te grote schoenen uit de broekspijpen. Toen hij ergens opnieuw zijn tekst oplas merkte hij plotseling dat hij met zijn linker handschoen tegen een pas wit geverfde deurpost leunde.
Midden in zijn plechtige opdracht zweeg hij abrupt keek naar zijn zwarte handschoen die van zwart wit was geworden en veegde zonder erg de witte verfhand aan zijn deftig gestreepte broek af.....zijn missie even totaal vergetend, uitte hij tot ontsteltenis van de vrouw in de deur een paar krachttermen die wel totaal buiten de inhoud van zijn boodschap met de daarin vervatte hoop vielen. Hij merkte het echter onmiddellijk en bood met de pink op de naad van zijn broek zijn verontschuldiging aan, en maakte dat hij weg kwam.
De hier afgedrukte tekening is van onze vriend Albert Schirm, hij heeft met zijn talent in de loop van de tijd heel wat werk verricht. Ik vind het allemaal maar heel kunstig, want zelf kan ik met moeite een poppetje op papier krijgen. Omstreeks 1915 en later was het pand links op de tekening in gebruik bij C.J. de Jong, als winkel in koloniale waren, zoals dat toen genoemd werd.
Als jongetje deed ik er wel eens boodschappen wij woonden toen nog in de tweede Parkstraat. Het interieur vond ik geweldig, al die grote fraaie bussen met mooie afbeeldingen langs de kanten en veel losse artikelen in de bakken waaruit de waren met een grote houten lepel werden uit geschept. Om vervolgens per pond te worden verkocht. In de avond was de winkel verlicht met zwakke gas pitten met hun effect van beslotenheid en gemoedelijkheid. Ik hoop dat ieder ouder wordend mens de essentie uit zijn jeugd diep in zich voelt en mag beseffen dat de meest gewone dingen later de waardevolste blijken te zijn, omdat ze ergens iets wakker hebben gemaakt
DE RISICO'S VAN HET VISSEN EN DE ORKAAN OP 25 SEPTEMBER 1935.
Herinneringen van H. Bijma. De risico's van het vak.
Hendrik Bijma, weet er niet van, dat bij het vissen op de Zuiderzee ooit één Lemster verdronken is. Wel kan men zich voorvallen herinneren en ook uit de pers zijn daar voorbeelden van bekend, waarbij de goede afloop kantje boord was. Eén van de vroegste bronnen, waaruit een en ander over de risico's van het vak geput kan worden, is de Visscherij-Courant. Een goed voorbeeld daarvan is de verslaggeving rond het stormweer dat op vrijdag 6 mei 1910 over de Zuiderzee raasde. Vooral rond Urk kwamen velen in problemen en liet een Huizer het leven.
De volgende dag was het nog niet veel beter, zoals een verslaggever uit Lemmer berichtte. Bijna had hier zaterdag 7 mei de zee een offer geeischt. Daar het weer 's morgens te slecht was geweest om de netten te halen, zeilde de vloot in den middag uit. Toen de schuit van schipper Willem van der Bijl, een 15 minuten buiten de haven was, viel er weder een bui in en moest de halve fok gezet worden. De knecht Klaas Bijlsma, wilde de ringen voor vast maken, doch viel daarbij achterover buiten boord. Men stond achterin klaar om hem te grijpen, doch hij kwam niet weder boven voor de aak al een eindje van hem afwas. Direct werden alle middelen in het werk gesteld. Men bemande de vlet, doch kon deze niet roeien, de vlet dreef harder weg dan de drenkeling zwemmen kon.
Toen met de aak erop af, doch deze weigerde. De fok werd weer gezet, het nog eens geprobeerd en ja, de aak ging door den wind. Vlug naar de plaats des onheils, de drenkeling was niet meer te zien. Ja, daar zag men hem boven op de zee, vlug de boom klaar, hem die toegestoken; gelukkig hij was binnen boord. Het was een groot wonder, maar Bijlsma was een ontzettend goed zwemmer, dat was zijn geluk. Hij had met dat al.. toch in stormweer meer dan een half uur buiten boord gelegen.
Het is te Lemmer nog eens voorgekomen dat Gauke Leeuwke Bootsma, die uit de vlet viel, door deze na te zwemmen, zich het leven redde. "De visschers zijn toch geraden wel te leeren zwemmen".
Een eveneens zeer zware noordwester overviel de zeevarenden op 17 december 1949. Wind uit deze hoek is in het noorden doorgaans nog krachtiger dan op de rest van het IJsselmeer. Hendrik Bijma was die dag met zijn,"spekbak" op zee en kan zich niet herinneren ooit eerder, nog later, zulk slecht weer te hebben meegemaakt.' "We kwamen uit Wieringen, hadden 's morgens de botnetten gehaald en toen was het al slecht weer: in buien de fok neer en dan voor 't kale rifzeil, zo ging dat. We zouden naar Medemblik, onderwijl deden we de vis uit en op het laatst kwam d'r zo'n lucht opzetten: je zag geen horizon meer. Ik dacht bij mezelf: "Dit heb ik nog nooit meegemaakt".
Deden de meest riskante situaties zich voor op zee, ook bij werkzaamheden in of rond de haven kon er iets mis gaan. Onderstaand berichtje uit Lemmer, opgenomen in de krant van 30 mei 1914, geeft daar een tweetal voorbeelden van.
"De knecht van B. Poepjes had, terwijl hij bezig was met het tanen van netten, het ongeluk een deel der taan over zijn voeten te krijgen, waardoor hij onmogelijk zijn werk kon voortzetten". "Zaterdag l.l. tijdens een onweder sloeg de bliksem in de mast der schuit van H. ter Heide van Kuinre, waardoor de splinters in het rond vlogen. Persoonlijke ongelukken kwamen echter niet voor"
HERINNERINGEN VAN WILLEM TOERING; 25 SEPTEMBER 1935.
Een datum, die Willem Toering en met hem verschillende andere Lemsters, in het geheugen gegrift staat, is 25 september 1935. "Ik was 15 jaar en het was het eerste jaar dat ik voor volle knecht moest staan. We gingen 's morgens uit Lemmer vandaan met een klein zuidoostelijk windje en d'r was een regentje. We zeilden zo met z'n allen een eindje zuidwest in en toen d'r an. We trokken zo west-over boven de Friesche wal langs tot een klein eindje van het Vrouwezand af en daar werd het helemaal stil. Zo ineens, uit het niets, schoot die wind uit naar het noordwesten en orkanen! Zijn we van daar helemaal voor de kale mast tot onder Schokland gekomen".
"Dat is het ergste weer geweest wat ik ooit meegemaakt heb. Je kon geen hand voor de ogen zien. Al het water waaide de zee uit! Twee keer zei vader: "Nou moet je zien of je ook wat ziet", want achterin zag je niets. Ik de plecht op en zou me omdraaien om wat te roepen in-de-wind-op. Maar ik kon geen geluid uitbrengen zo waaide het! We hebben, zo voor de wind af, twee keer een zee ingehad, die het deurtje opendrukte en zo het vooronder in liep. Dat is een kluit water hoor! Voordat je dat er weeruit hebt".
"We zouden Schokland in, maar dat haventje was in-de-wind en we konden nooit die motor aankrijgen, want die had onder water gezeten. Zijn we met een stuk of wat onder Schokland ten anker gekomen, de LE 16 ook. Die knecht had de fok niet goed vast gemaakt en toen ie op de wind kwam te liggen, was het zo in één keer: joets, die fok aan boven toe!. Het was twee klappen en een heel stuk sloeg d'r af. Toen met z'n beiden die fok naar beneden wroeten. Het heeft een uur of vier zo achter elkaar gestormd en we hebben die hele nacht daar gelegen".
Willem Toering weet van nog enkele Lemsters, hoe het hen tijdens het noodweer verging. De LE 88 van Henny Kingma z'n vader die zaten in het Lemster vaarwater. En ja, die vertrouwden het niet waar ze terecht zouden komen, dat die gooide de aak dwars en het anker overboord. Dat anker houdt - die aken hadden kettingen -en die aak zet de kop d'r in, dat toen dachten ze : "Hij komt nooit weer boven !"
Maar ja, toen ze één keer die zet gehad hadden, bleef ie zo op en neer rijen. D'r was één Lemster, die was binnen de gasboei van de Steil Bank en die dacht: "Het anker overboord. Eind aan de mast en laat die kabel nou achter de bolder weggaan: de aak dwars en tjak, de kabel af! Die is geloof ik in De Kuinder terecht gekomen. En mijn jongste oom, met de botter van pake Jelle, die waren aan het halen onder de Afsluitdijk, bot-opper om 't zo maar es te zeggen. Ze konden geen gaffel krijgen en die zijn op verzuipen af in Workum gekomen.
Foto van Jilling Kingma.
HERINNERINGEN VAN HARRIT KINGMA; AAN DE ORKAAN.
Van de orkaan op 25 september 1935 heb ik het volgende gehoord. De vissers waren aan het dwarskuilen op paling. Na het halen van de kuil zijn er zeer weinig in Lemmer gekomen. Eén ervan was de LE 9 van Harrit Kingma, een prima houten zeeschip. Bij hem aan boord was toen Steven Ale Visser, een jonge sterke kerel, die jong is overleden. De LE 6 met aan boord Lubbert Coehoorn, zijn zoon Jilling, en Wiebren Hoekstra, die zelf een nieuwe schouw liet bouwen en zodoende bij Coehoorn aan boord was. De LE 6 is achter de Middelbuurt (Schokland) voor anker gegaan en zij hebben veel zand door de orkaan aan boord gekregen.
Op deze plaats lag ook de LE 16 van Robijn de Jong, voor anker. Japie Kleis Visser, vluchtte helemaal naar de Ketel en is eerst als vermist opgegeven. Ook de LE 63 van Renze Hoekstra en Rikus Bootsma, werden door de orkaan overvallen en verder Obbe Poepjes en Meinze de Vries, die bij hem viste.
De LE 76 van Janus Coehoom kon de kuil niet aan boord krijgen en moest deze uiteindelijk losgooien en met veelwater in de botter kwamen ze in de haven van Schokland aan.
De LE 74 heeft het natuurgeweld in de haven van Urk afgewacht. De LE 64 van Rense Visser en LE 20 van Rienk Coehoorn, kwamen ten anker richting Kuinderse dam ter hoogte van de boerderij van Rinkema, die als landmerk door de vissers werd gebruikt even als die van Durk Everts in Gaasterland.
Als het zulk vliegend stormweer was of zoals toen zelfs een orkaan, dan restte slechts vluchten voor de wind. Dit waren enkele lotgevallen van de Lemster vissersvloot, die in die jaren vrij groot was. Voorbij, voorgoed voorbij, dichtte J. Bloem, toen griffier bij het kantongerecht.
Doorspelen, en safe over de plank.
Door het jaargetijde was de straat vanaf de Blokjesbrug naar de Langestreek, ook die zaterdagavond tegen negen uur, weer guur en vooral verlaten. Even voorbij de zaak van Gosse Wierda, direct rond de flauwe bocht, was in die tijd de ijzerhandel met aanverwante artikelen gevestigd van de heer Koksma. Ik kwam uit de kapperszaak van Booms op de Prinsessekade, waar de klanten zaterdags tot laat in de avond onder het mes werd genomen.
Er werd hier heel wat afgepraat, gelogen en gezwetst, vaak onder aanvoering van Booms zelf, die precies wist hoe hij de geachte clientèle moest aanpakken en bespelen om de gang er op een behoorlijke manier in te houden, terwijl hij er toch goed voor wist te zorgen dat de gemoederen niet werden verhit door politieke gesprekken, want dit paste hem niet in verband met zijn winkeltje vóór de salon waar hij aan verschillende klanten regelmatig een hoeveelheid aan sigaren verkocht. Deze voorzichtigheid was niet ten onrechte, gelet op de diverse pluimage van zijn bezoekers.
Het pand geheel links is van Koksma.
Op die bewuste avond was genoemde Koksma, eveneens aanwezig en door al het gepraat kwam hij laat thuis na reeds de gehele dag hard te hebben gewerkt. Dit nam evenwel niet weg dat de winkel als altijd moest worden schoongemaakt. Zo ging hij doodop en heel laat in zijn bed, vervolgens naar boven om met een lucifertje het gas in het licht om te zetten. Later werd dit door een uitvinding van de eeuw gemoderniseerd, door aangebrachte haken die met een lange stok op en neer konden worden bewogen, terwijl overdag het kousje alsjeblieft door middel van een kunstig waakvlammetje bleef branden een grote vooruitgang dus.
Ondanks de toen ook alom heersende enorme werkloosheid met een daarmede gepaard gaande armoede voor de velen, waarvan we heden geen idee hebben, was met de zojuist genoemde dingen nog wel eens iets te verdienen zulks in tegenstelling met het technologisch tijdperk wat heden aan de gang is en wat zoveel goed, eenvoudig werk heeft weggespoeld. En waar is het einde?. Zouden we inderdaad over deze ontwikkeling erg ongerust en zonder vertrouwen moeten zijn?.
In ieder geval was het zelfvertrouwen niet bijster groot van een schipper die destijds met een snikje aan de polderdijk in de Lemmer lag. Toen hij weer eens goed dronken over de loopplank aan boord trachten te kruipen, prevelde hij in zijn zwaar benevelde toestand iedere meter "Heer sta mij bij". Toen hij eindelijk "Vaste wal" op het schip onder de voeten had, slaakte hij een diepe zucht van verlichtingen riep "Naar boven" nu, Heer nu hoeft het niet meer. Het scheepje heeft hier niet lang gelegen, want als turfschipper moest hij zo de winter maar even de hakken liet zien, weer met spoed op reis om nieuwe voorraad op te halen. Zelfs tot in Drenthe, turf was in die tijd de belangrijkste brandstof.
Ik herinner mij dat er ook veel werd afgegraven, in het prachtige natuurgebied in de omgeving van Echten, Delfstrahuizen en verder oostwaarts. Wat de turf betreft ik heb heel wat aantallen van onze zolder gedragen om moeders turfbak die zo'n beetje scheef achter de kachel stond gevuld te houden. Voor bedtijd haalde zij de gloeiende kooltjes uit het vuur die vervolgens gedurende de nacht, zorgvuldig in de grote koperen doofpot werden bewaard om ze de volgende ochtend weer te kunnen gebruiken, voor het aanzetten van de kachel.
In huis kon niets bevriezen want waterleiding moest nog worden uitgevonden. Je kon alleen maar hopen op een volle regenwaterbak. Nog hoor ik als jongen boven op bed liggend de vertrouwde geluiden die van beneden kwamen, in verband met de winterse bezigheden. Het gaf een gevoel van intimiteit en veiligheid in de bedstede waar ik nog een tijd in geslapen heb. Mijn leeftijdgenoten weten wat ik bedoel. Naar boven ging je met een olielampje of een brandende kaars, allemaal dingen die passen in die tijd. Men vergeet het nooit, want het had iets van dat onzichtbare "iets" wat inderdaad heden door veel jongeren wordt aangevoeld. Maar zij hebben weer andere dingen die ook goed zijn, en waar zij veel als ze willen mee kunnen doen.
De sfeer van die tijd werd onlangs door onze vriend Evert de Vries, zo gevoelig getypeerd (hij lag destijds in een ziekenbarak, zie foto onder) toen hij Leeuwke citeerde "Leeuwke stapte in zijn roodbaaien overhemd over de vloer, hij wou naar zee, omdat hij in zijn koorts meende dat er een schip in nood zat en die mensen toch niet kon laten verdrinken" kijk daar was ook een facet van de Lemmer en precies iets voor de goedhartige Evert om het zich klaar te herinneren. In die tijd werden eveneens de kleine dingen meer gewaardeerd. In totaliteit was alles anders, er was bovendien van alles veel minder en daardoor de verleidingen. Op de mens van heden komt véél meer af door alles wat we oproepen.
Op de arm is Evert de vries. Links: Moeder van Evert, Rechts: Leeuwke Bootsma en Ferdinand de Vries.
EN TOEN, O HEMELTJELIEF.
Op de Oostdam, aan de rand van de Lemster haven, stond een betonnen badhuis, het baaihokje. Van hieruit daalde men langs een steile trap, met daaronder de blauwe keien van de dam, naar beneden om vervolgens via een stevige loopplank met aan weerzijden leuningen in de golven van de Zuiderzee te duiken. Het water was er al meteen vrij diep en stond ongeveer tot aan je middel, veel golfslag was niet nodig om te zorgen dat je kopje onderging. In deze omgeving speelde zich eens het volgende, vermakelijk toneel af: op een warme zomerdag met een kalme zee ging de heer D. met zijn vrouw naar de dam, daar zij een verfrissend bad wilde nemen in het toen nog puur zuivere zeewater. Gestoken in een badpak van moderne snit (wat zij zelf heel goed wist) begaf zij zich op haar manier elegant te water, tevreden gadegeslagen door haar echtgenoot en, ten gevolge van het mooie weer, door wandelaars of andere baders.
Toen mevrouw enige tijd had rond gesparteld en na een paar verrukte kreten weer eens als een zeemeermin naar boven kwam met haar dikke figuur, o hemel, schuurde haar fraaie badpak op een fatale plaats waardoor haar "privacy" in gevaar werd gebracht....Haar man zich niet alleen onmiddellijk bewust van de zich zo onverwacht manifesterende precaire situatie, maar vooral van de duidelijk geïnteresseerde blikken van de omstanders, schreeuwde uit alle macht, "Hand er voor....en langzaam hierheen kruipen....ik houd de handdoek gereed". In zijn zenuwachtigheid gooide hij ook nog een oude aangespoelde mand naar haar toe, maar deze bleek zonder bodem te zijn. Zodat deze redding's poging mislukte. De intussen dichterbij gestroomde omstanders lachten achter hun hand en veinsden misschien ook alsof ze weinig zagen, maar nog die zelfde avond was heel Lemmer op de hoogte. Een zeker portie leedvermaak was er niet vreemd aan omdat de slachtoffers bekend stonden als nogal dweperig ingetogen mensen.
Wie herinnert zich in Lemmer Tjeerd Knol, broer van bakker Jan Knol, die heel vroeger met zijn zaak en woonhuis aan de Kortestreek was gevestigd een paar huizen verder waar nu de Helling is...? Later woonde men in een herenhuis aan de Langestreek, wat nu meen ik leeg staat en in vervallen toestand verkeert. Het was een bekende familie in Lemmer. De zoon, de heer Atte Knol nu notaris in ruste, heeft enige jaren geleden zijn oude woonplaats weer opgezocht. Hij was een vriend van mijn vader en ging heel vaak met hem jagen en te vissen. Het waren in die tijd twee echte buitenmensen. Voor het jagen gingen ze met de T-Ford van Rinsma Sr, met slinger en houten richtingaanwijzers. Naar Gaasterland, de heer Knol zal zich ongetwijfeld oproeper 'Jan Visser' herinneren de man met de vele bijbaantjes waarover ik eerder heb geschreven. Hij was een prachtig type een echte ouderwetse Gaasterlander. Tjeerd Knol een vrijgezel met een blozend uiterlijk staat vooral in mijn gedachten door zijn opgewektheid waaraan een neutje op zijn tijd niet vreemd was.
Het pand links op de foto was van bakker Jan Knol.
Hij was een verwoed sportvisser en je zag hem regelmatig op klompen in het visseizoen met zijn hengel op klompen door Lemmer lopen. Men kon de klok er op gelijk zetten zoals hij zich op vaste tijden naar de haven begaf. Zijn vaste stekjes waren meestal aan het remmingswerk langs de Westdam, achter de vuurtoren of op een eindje van de dam. Hier kon hij uren zitten en hij had zich de grote kunst verworven in het vangen van allerlei soorten vis. Hieronder bevond zich Geep: een slanke vis, zoiets als paling en met een lage bek. Deze vissoort zwom meestal in scholen in de Zuiderzee, zodat je heel wat boven water kon halen als je geluk had.
De hengelaar die beet kreeg zag zijn dobber met een ruk in de diepte verdwijnen van het half groene water, waarna hij met een forse slag de buit binnen moest trachten te halen. Knol bezat hierin goede bedrevenheid. Trouwens ook in het vertellen van sterke verhalen was hij niet achterlijk. Eens zo vertelde hij mij, viste hij in het binnenwater bij het strookanaal een eind voorbij de Mudserd, toen er in de verte een dreigende onweersbui op kwam zetten. De vogels werden als gewoonlijk onrustig en begonnen heen en weer te vliegen: de lucht betrok steeds meer. Er was duidelijk zoals we dat noemen "Een schip met zure appels opkomst" Men kan dit zich goed voorstellen en zelf ook weten, dat er dan vlak vóór het onweer een typische sfeer aanwezig is, het wordt doodstil in de natuur en de wind gaat liggen. Het is alsof een onzichtbare kracht zich voorbereidt de ontlastende zich dreigend met donkere koppen boven de horizon verheffende bui op te vangen.
Een ademende frisheid van de ochtendschemering is direct weer volop in de atmosfeer, zodra de zon met haar glorie over de aan de hemelgetoverde regenboog op aarde stapt. Tjeerd vertelde verder ik dacht nu moet ik opschieten, want anders raak ik in een enorme bui want de eerste windvlagen joegen over het donkere water van het stroomkanaal. Het werd steeds donkerder. In de verte ruiste het water van de bui toen ik de riemen greep. Hoe hard ik ook roeide, de op het water rikkentikkende regen kwam steeds dichterbij maar ik kon door alle inzet van mijn krachten steeds een paar meter vóór de kletterende bui blijven, en bij de Mudsert nog net op tijd op de wal springen alvorens het water bij bakken uit de hemel hoosde, gevolgd door enorme donderslagen en daaraan voorafgaande weerlichtflitsen. Ik was kurkdroog...en een tijdje toen de zon weer doorbrak ben ik teruggegaan om verder te vissen.
Polder Mudsert.
Misschien nog veel beter dan heden, het was in ieder geval vrij wat rustiger (Mr. Henk Luiking, met wie ik nu en dan zeilde zal het bevestigen. Hij woonde destijds op de Kortestreek in het herenhuis waar nu de familie nog woont. Onlangs zag ik zijn naam in deze krant in verband met een artikel over de Lemstersluis. In genoemd gebied heb ik vaak met een Lark gezworven zo'n platte boot waarmee je zelfs langs de kanten van de Brekken tussen het riet door kon varen om een rustig plekje te zoeken. Je zag inderdaad verder niets en behalve het ruisen van de wind door het riet en het geluid van de vogels hoorde je verder niets.
Jan Bosma, zoon van de machinist van de nachtboot, die destijds tegenover het Waaigat op de Nieuwedijk woonde. Weet ook ongetwijfeld waar ik over praat. Als bureauchef op een notariskantoor woont hij al jaren in Leeuwarden. Wij hebben elkaar in die tijd de loef trachten af te steken met hardzeilen en als heftige concurrenten elkaar dikwijls voor rotte vis uitgemaakt. Op die leeftijd nam je het niet zo precies, zeker niet in de Lemmer. In die tijd zag je ook iedere dag in dit gebied de Gebroeders van der Bijl, de beroepsvissers, met hun goede Friese boot. Zij hadden o.a. een dichtzet op de Zeilroede ongeveer een paar honderd meter voorbij het zgn. Siberië. Hier hing altijd een enorme stank in het bijzonder met zuidenwind. Het was de opslag voor afval en ook werden er de tonnetjes aangevoerd met het "Vlaggenschip" van de Gemeente Lemsterland.
Een grote praam die werd geschoven met lange bomen door twee mensen van de Reinigingsdienst. Een zwaar karwei en niet bepaalt het schoonste, maar niettemin moest het enige keren per week worden uitgevoerd. Het sluit aan wat Albert Schirm, mij onlangs vertelde omtrent één van deze mensen, in de volks mond toen aangeduid als de "Jiskeberen" die met behulp van een maat met de bekende tonnetjeswagen in hoog tempo over de Blokjesbrug reden. Dit was nodig omdat de brug uit twee gebogen delen bestond, zodat er in het midden spraken was van een lichte verhoging. Op het hoogste punt gekomen, gadegeslagen door de vaste klanten onder de hoek en met een hoeraatje als aanmoediging vloog er plotseling een scheut uit een van de goedgevulde tonnetjes en kwam precies op zijn hand terecht. Toen hij die soep wilde wegslaan sloeg hij hart met zijn hand tegen de rand van de wagen en stak hij in een onbewuste reactie, onder commentaar van de omstanders zijn pijnlijke vingers in zijn mond zonder iets te ruiken of te proeven. Alles went blijkbaar.
HET LEVEN EN WONEN IN DE EERSTE HELFT VAN DE 19E EEUW.
LEMMER, In de twintiger en dertiger jaren van de vorige eeuw zag het leven er totaal anders uit dan nu. De nu vanzelfsprekende voorzieningen als waterleiding, stroomvoorziening, centrale verwarming, telecommunicatie, en talloze andere zaken, waren onbekende begrippen. 'Leven' betekende voor vele mensen: 'het hoofd boven water houden'.
"Het waren andere tijden, maar wij wisten toen niet beter. We hadden niks en toch waren we gelukkig", zegt de bejaarde heer Leeuwke Zandstra tevreden. Dit wordt beaamd door de bejaarde familie Bijlsma: "Het was wel een stuk gezelliger, en als er iemand in de straat ziek was, dan wist de hele straat dat. Dan bracht je een pannetje soep, en praatte je wat met elkaar. Je kende alle buren en als de klokken van de kerk luidden, dan wist je wie er dood was gegaan, omdat de 'aanzegger' langs alle huizen in de buurt was geweest".
Lemmer is voor zowel Zandstra, als de familie Bijlsma, de plaats waar zij geboren werden, en waar zij altijd gewoond hebben.
Grotere gezinnen, kleinere woningen.
Zandstra vertelt: "Het was in die tijd heel normaal dat ouders wel negen tot twaalf kinderen hadden. Ons gezin bestond echter uit twee kinderen en mijn ouders, maar de meeste gezinnen waren veel groter. Toen ik een kind was, woonden wij in een huurhuis aan de Singel. Het huis was onderdeel van een gebouw van twaalf woningen. De twaalf woningen werden in het midden gescheiden door een poort; zes woningen links en zes woningen rechts.
In het poortje waren twee Wc's, één voor de zes woningen links, en één voor de zes woningen rechts. Zo'n WC was eigenlijk gewoon een hokje, met een tonnetje erin. Vooral zomers kon het er behoorlijk stinken. We knipten vierkante velletjes van oude kranten, en die werden als Wc-papier gebruikt. Zo deed iedereen dat. Tweemaal per week kwam de gemeentereinigingsdienst met een handkar langs om de volle tonnetjes mee te nemen, en er lege voor in de plaats te zetten." En hij vervolgt: "De twaalf woningen waren allemaal hetzelfde ingedeeld: een huiskamer, een gang, en twee bedsteden in de woonkamer. En of het gezin nu groot of klein was, meer ruimte was er niet beschikbaar. Er waren geen keukens en geen badkamers. In de gang stond een tafeltje, met daarop een gaskooktoestel, want er was wel gas. Dat kwam van de gasfabriek. In de gasmeter moest een dubbeltje gedaan worden, en als dat verbruikt was, weer een dubbeltje, anders kwam er geen gas meer. Er was ook geen waterleiding. Het regenwater werd opgevangen in een bak in de grond. Bij het gemeentehuis konden we water ophalen in melkbussen, voor 2 cent per emmer".
Het huishouden.
"Er waren geen wasmachines. Alles was werd met de hand gedaan, met een boender en zachte groene zeep. In de zomer droogde de was buiten, maar in de winter aan lijnen in de kamer, waar de kachel brandde. Er waren wel strijkijzers, maar die waren toen nog niet elektrisch. Wij hadden er twee. Ik streek met de ene, terwijl de andere werd opgewarmd op het gas", zegt mevrouw Bijlsma. "En stofzuigers waren er ook nog niet. We hadden matten op zeil. Elke week werd er geveegd, en werden de matten geklopt. Die matten gingen hoogstens een jaar mee. We hadden geen badkamers, geen Wc's, en ook geen douches.
Om onszelf te wassen, namen we een emmer water mee naar boven. En in de winter kookten we eerst wat water, omdat in de emmer erbij te doen, zodat het wassen niet al te koud zou zijn. Elke morgen moest in de winter de kachel aangemaakt worden. Dat ging met hout en turf, en daarna kolen erop. Die kolen moesten we met een kruiwagen van de gasfabriek halen. In de winter gingen we allemaal vroeg naar bed, want dat scheelde stookkosten, maar ook gas, want we hadden gaslampen. Dat was trouwens ook zo met de straatverlichting. Die bestond ook uit gaslampen, welke door een 'lantaarnopsteker' aan en uitgedaan werden. Die man trok er 's avonds bij schemering op uit om alle lantaarns aan te steken, en trok er 's morgens bij zonsopgang weer op uit om ze stuk voor stuk te doven", aldus Zandstra.
"Er waren ook nog geen 'wekkers'. Maar dat was geen probleem, want er was wel een 'nachtwaker'. De nachtwaker had tot taak om mensen te wekken op een door hun gewenste tijd. Het maakte niet uit hoe laat dat was. Daarmee verdiende de nachtwaker zijn brood. We sliepen op met stro gevulde zakken. Ik heb daar altijd goed op geslapen, maar ze moesten wel regelmatig met nieuw stro bijgevuld worden. We hadden een klein keldertje. Dat was de koelste plek in huis, dus daar bewaarden we het eten. We hadden geen voorraden, maar kochten dagelijks wel wat er die dag nodig was. Hoewel de kelder koel was, hadden we 's zomers toch vaak zure melk", zegt Bijlsma. "Op een dag verhuisden wij naar een huis! waar geen bedsteden waren, maar slaapkamers met ledikanten. 'We komen in een paleis', zei mijn vader toen", vervolgt, Bijlsma.
Het Armenhuis.
Aan het Achterom stond het Armenhuis. Daar woonden veelal oudere mensen, die geen geld hadden. Het Armenhuis werd beheerd door een zogenaamde 'vader en moeder'. Beulen waren het', zegt Zandstra met afschuw. "De bewoners werden vaak schandalig behandeld. Wilden ze een wandelingetje maken, dan moesten ze daar toestemming voor vragen. Dan moesten ze op een bepaalde tijd terug zijn. Maar waren ze een paar minuten te laat, dan kregen ze stokslagen".
Het leven was niet gemakkelijk, maar we vertrouwden wel op eerlijkheid. Er werd nauwelijks ingebroken of gestolen, en 's nachts was het niet nodig om onze buitendeuren op slot te doen.
Reactie plaatsen
Reacties