Herinneringen van Teade Wouda e.a. 8

"SÛPE SE SA ALDERFREESLIKST BY JIMME YN È LEMMER?"

En andere herinneringen aan de oude Lemmer.

Met veel genoegen het ingezonden stuk gelezen, dat januari 1911 in de "Nieuwe Friesche Courant" heeft gestaan, uitgave W.A.F. Koopman te Lemmer (toen in de volksmond beter bekent als "Wafke") en ondertekend door acht Lemsters vissers. Dat roept weer vele herinneringen op.

Wat die zuiperij betreft, dat was schromelijk overdreven. Zoals al in dat schrijven staat ging burgermeester Callenbach helemaal af op de inlichtingen van politieman Venema en die had in die tijd van enkele uitwassen het meeste last. Dus dat werd wel breed uitgemeten. De burgermeester had zo goed als geen contact met de bevolking. Op het gemeentehuis ging in die tijd ook niet veel om, er werkte maar een stuk of wat mensen, waar ik mij de secretaris meneer Daan herinner, die aan de Rijksstraatweg woonden, later het huis van Laurens de Rook.

Maar ik geloof niet dat secretaris Daan er in 1911 al was. Lijcklema werkte toen wel op het gemeentehuis, droeg altijd een slipjas, die groen en glad was van ouderdom. Hij en zijn broer exploiteerden ook het café in de Schans, wat later van Uiltje Kooistra was. Het waren vrijgezellen en Richtje van de Brug was daar jarenlang de huishoudster.

Maar echt dronken mensen zag je er haast nooit. Uitgezonderd met kermissen, maar dat is nu nog zo. Wel waren er een stuk of wat visserslui die, als ze 's middags naar huis gingen om te eten, één of twee borreltjes gebruikten, en zondagsmorgens was het druk in de cafés. Maar wat wil je in de tijd van de één kamer woningen met een troep kinderen?. Het was geen wonder dat de mannen eruit liepen naar het café, waar het warm en gezellig was en je kon praten, bij moeke Knol nog een stukje muziek er bij? Nee echte zuipers had je niet in Lemmer. Wel een klein ploegje wat ook in de omgeving wel eens over de schreef ging. En het was toen een rauwe tijd en de strijd om het bestaan was zwaar.

En daarom had Venema het niet gemakkelijk. Ik weet van de verhalen van mijn vader, die in zijn jonge tijd ook wel mee kon doen, dat Venema hem een keer van huis zou halen aan de Lijnbaan. Hij had zeker wat uitgehaald, maar hij nam de hete kop van zo'n hoge kachel en gooide die naar Venema, die hard maakte dat hij weg kwam. Venema had in die tijd ook wat met Jan en Afke gehad, waar Jan wraak op moest nemen. Venema liep op een avond op de Lijnbaan, met zijn altijd aanwezige rotanstok in zijn hand. Komt Jan hem op sokken achterop sluipen, steekt vliegensvlug zijn hoofd tussen Venema zijn benen en kwakt hem zo achterover op de straatstenen... er heeft nooit een haan naar gekraaid. Ook hebben ze met een ploegje een bolderwagen bij een boer aan de Rijksstraatweg op de nok van een boerenschuur gezet, met de wielen aan beide kanten van de nok zo ging dat in die goeie ouwe tijd.

Maar met de kermis begin augustus was het wel eens raak. Mijn vader kwam nooit in een café, en kon daardoor ook niet tegen drank. Ik heb hem één keer dronken gezien, maar dan was het ook wel goed mis. Het was de kermis van 1907 of 1908. het was voormiddag dat Excelsior met daverende marsen door de Lemmer marcheerde. Van de Schans en de Kortestreek naar het Turfland. Ik was toen een jongetje van zes of zeven jaar en stond op de bakkershoek (Markt) te kijken naar de voorbij trekkende stoet. Honderden mensen hossend achter de muziek aan en daar zie ik vader en Kobus Brandenburg, en nog een paar met de armen over elkaars schouder ook achter de muziek hossend, met natuurlijk flink wat op. Ik erg angstig er achteraan, en bij de brug van Jelte gekomen, grijpen ze de stok met klompje er aan, wat Jelte de schippers toe stak om het doorvaart geld te innen, en dat klompje ging met het touw er aan, door de lucht en werd weggegooid.

Even verder bij Schotsman, neemt hij z'n pet en die gaat met een sierlijke boog draaiend over Excelsior heen, een eindje verder neemt hij zijn pantoffel, met geborduurd anker erop van zijn voet en die gaat dezelfde weg, even later gevolgd door de andere, hij liep nu op sokken en had niks meer om weg te gooien. Dat ging zo langs de Kortestreek en ze komen op het Turfland. Net voorbij het "Fine tsjerkje" woonde van der Veen, die daar een winkeltje en aardappelhandel had. Er stond een kruiwagen voor de winkel met zo'n hekwerkje aan de voorkant waartegen een zak aardappelen tegen kon steunen. Vader neemt de kruiwagen en begint daarmee een ronde dans te maken. Toen ben ik maar terug gegaan, en later in de middag hebben vier man hem slepend naar huis gebracht.

Turfland.

Grote consternatie thuis vanzelf. Ik weet nog dat Oate Jette en pake Jan er waren. Pake Jan zei: hij moet wat hards onder het hoofd hebben, en toen legde ze een stoel op de vloer, en hij werd met zijn hoofd op de zgn, bekkeling gelegd en was toen gauw in het land der dromen. Dat is nu zowat 67 jaar geleden, maar ik zie het nog allemaal voor me. De andere dag natuurlijk veel spijt. Het zou niet meer gebeuren en ik moest bij de kraam van Friso, die altijd tussen de beide bruggen stond een grote zak oliebollen halen, en ik kreeg een heel dubbeltje voor de kermis en daar kon je toen heel wat mee doen. Een ritje met de draaimolen van Van der Veen met z'n grote rode hangsnor, koste toen nog één cent. Die stond altijd op de Schulpen met zijn mooie draaimolen.

Oud-kermisman Van der Veen, bij zijn zelfgemaakte mini-draaimolen.

Maar de ouwe heeft wel woord gehouden, zoiets is nooit meer gebeurd. Eén keer heb ik hem een beetje aangeschoten gezien, dat was in 1911 of 1912. Hij had met een maat een klipper binnen gebracht, die bij de "Marderhoek" was vastgelopen. Ze hebben een anker uitgebracht en wisten hem met de lier los te trekken. Zoiets gebeurde wel vaker en was natuurlijk een welkome prooi. Maar dan moesten ze een akkoord zien te bereiken met de verzekering Mij., want de ondervinding had wel geleerd, dat als het op een proces aankwam, de advocaten met de buit gingen strijken. Met de plaatselijke verzekeringsagent moest dat vanzelf worden afgehandeld bij Faber in de Wildeman.

Maar om op de adviseur van burgermeester Callenbach terug te komen, politie Venema die was niet erg geliefd bij de bevolking en zeker niet bij de visserslui. Hij was dan ook wel een bijzonder mens. Want toen hij met pensioen ging, en dat zal in die tijd ook wel geen vetpot zijn geweest, begon hij een winkel aan de Polderdijk. Nu kon je hem dagelijks door de Lemmer zien rijden met een lange kist met koeken achter op zijn fiets en dan zong hij luidkeels "Bij Venema op de Polderdijk, verkoopt men honingkoeken, Honingkoeken zijn zo zoet je moet ze maar eens proeven" De jongens zongen er dan achteraan. "Valt er een boom uit de lucht, Venema op de vlucht"

Maar de visserslui hebben de politie ook wel eens geholpen. Mijn vader heeft mij verteld dat op een keer een deel van de vloot van Vollenhove, in de haven lag en dat waren in die tijd geen lekkere jongens. Daar waren de Lemsters nog lieverdjes bij vergeleken. Die zaten 's avonds in het café van Jentsje Knol en maakten daar een herrie. Politieman Bosma, ging het café in om de herrie wat te sussen. Maar ze ontwapenden Bosma en die werd op het biljart gesmeten, en ze zouden hem met zijn eigen sabel slachten. Toen hebben de Lemster vissers hem ontzet en een broer van Hidde Koornstra, was ontzettend sterk die nam de twee ergste belhamels onder elke arm één en sloeg ze met de koppen tegen elkaar en Bosma's leven was gered.

Het is bij Vollenhove gebeurd, zo tussen plm. 1890 en 1900 dat daar vier stropers, die door de Rijksveldwachter werden aangehouden, koelbloedig door die vier zijn vermoord, om beurten hebben ze die man met een mes bewerkt, omdat ze allemaal evenveel schuld zouden hebben, zijn ze allemaal opgepakt en tot levenslang veroordeeld. Drie zijn in de gevangenis gestorven, en één is als een oude man zijnde op vrije voeten gesteld, dus het waren geen lieverdjes.

Terug naar de sterke Lemsters van vroeger. Die sterke broer van Hidde Koornstra is niet oud geworden. Want ik weet mij te herinneren dat toen ik een jongen was, Hidde Fetsje in de Schans woonde, waar later Willem de Blauw woonde, ik heb een foto heb gezien, waar de sterke man in z'n kist lag. 

Juni 1954. Op de haven voor de afslag te Makkum zijn deze mannen bezig met het inzouten van de vis. V.l.n.r. Sake Koornstra, Joost Siemensma, Dorus en Hidde Koornstra, Jan Visser, Wybren Rinia, Willem Visser en de jongen op de voorgrond is Arend Hzn. Poepjes.

Maar er waren in die tijd meer krachtpatsers in de Lemmer. Mijn moeder vertelde mij dat zij als jong meisje in betrekking was bij bakker Fortuin, later Knol, in de Benedenschans. Daar werkte ook een bakkersknecht die oersterk was. Er was een groot vat krenten aangekomen van 400 kilogram, dat zouden de mannen met z'n allen naar de zolder brengen, toen ze dat 's middags zouden doen, had de sterke knecht voor een verassing gezorgd, en het alleen de brede trap op weten te krijgen.

Dan ging er het verhaal van de toen al oude Eibert Duim, die vroeger ook altijd de honderden lammeren, die met de Lemmer nachtboot werden verscheept, met een kwast verf een merk op de kop gaf. Als er dan ook koeien in het ruim werden vervoerd en een enkele de loopbrug niet af wilde, nam hij de koe op zijn rug, met onder zijn armen de voor en achterpoten, en zo sjouwde hij de koe het ruim in, zelf heb ik het niet gezien. Maar wat ik wel heb gezien is dat er een keer stieren met de boot mee moesten en grote Lammert Dijkstra, die ook erg sterk was, een stier bij de horens pakte, zodat de stier zijn kop niet heen of weer kon krijgen, ook liep hij met een aanbeeld van 200 kilo door de smederij.

Nu zijn we door de sterke mensen heen, die komen schijnbaar niet meer voor. Als er 's avonds paarden met de nachtboot mee moesten, wat ook af en toe ook gebeurde, was je daar als jongen niet vandaan te krijgen. Want er waren dan paarden bij, die de loop brug niet af wilden, wat ze ook probeerden, als het dan niet anders kon deden ze zo'n paard een brede zeildoek onder zijn buik door, en werd het paard opgehesen met de stoomlier, dan sloeg het dier uit angst met zijn poten op de keien dat het vuur er uit sloeg. Dan bonkte het hart in je jongenslijf want je hoopte dat het paard zou winnen, wat natuurlijk nooit gebeurde.

Maar op het drankmisbruik terug te komen, toen ik een jongen was.. kwam er maar één dagblad in de Lemmer en dat was van Hepkema's Courant uit Heerenveen. (Nederlands streekblad dat tussen 1874 en 1951 verscheen in Midden- en Zuidoost-Friesland) Die kwam altijd om half vijf, vijf uur met de tram aan in Lemmer. Ik meen dat de krant toen 3 cent koste. En Schotman's Bazar, verkocht ze, abonnees zoals nu waren er geloof ik niet. Bij de rechtszaken van de rechtbank in Heerenveen stonden geregeld verslagen van vecht en steekpartijen, maar nooit uit Lemmer. Wel uit de Wouden zoals Jubbega, Schurega, Haulerwijk, Steenwijk enz. Dus dat wijst ook niet op overdadig drankgebruik voor Lemmer in die tijd, en drank aan boord van vissersschepen is zo goed als nooit voorgekomen. Dat was zeer zeker ruchtbaar geworden, er waren toen ook wel onder de vissers die fel tegen drank gebruik waren en lid van de geheelonthoudersvereniging. Er was vroeger altijd een grote afdeling van de bond in Lemmer en de mensen van het opkomend socialisme, waren ook felle tegenstanders van de drank, want arbeiders gezinnen hadden natuurlijk het meest te lijden als vader te veel dronk. Als er vroeger een verjaardag werd gevierd kwam er niet als nu drank op tafel, wel een pan chocolademelk.

Toen we al voor de oorlog van 1914 aan het buurtje woonden bij de R.K. Kerk waren onze buren Johannes (Jan) Visser en Rees, toen beter bekend als 'Johannes van Hantsje'. Hij had een grote aak, de LE 12. Ik weet nog best dat als hij en zijn vrouw op bezoek waren, je vaak kon lachen. Hij had altijd van die leuke verhaaltjes, die hij zo smakelijk kon vertellen. Zo had hij ook eens een buurvrouw gehad die in zijn uitzicht een paar weken een hemd had hangen. Dat begon Johannes de keel uit te hangen, en hij zei tegen de buurvrouw "Wanneer zal je nu dat gore Dorcas hemd eens inhalen buurvrouw" Nu was 'Dorcas' een meisjes vereniging die met kerstmis onderkleren uitreikte aan behoeftige mensen.

Zo had hij ook een zolder gehuurd, om een deel van zijn netten op te bergen en in de netten zit altijd veel stof. De bewoonster van het huis hete Afke. Als Johannes in de winter op die zolder aan het scharrelen was met het netwant, hoorde hij Afke die hardhorend was, mopperen over het stof dat naar beneden kwam. Afke: "Gesodemieter met dat rotstof uit die netten van Johannes voor die paar centen", Johannes van de zolder, "Sizze jo hwat, Afke?" Afke weer: "Welné myn goede man, geane jo jo gong mar hear". Een tijdje later ging het weer van voren af aan en dan kon Johannes schateren van het lachen.

Johannes was een fijne man. Toen ik drie jaar was noemde ik hem al oom. Hij woonde toen in de Benedenschans, waar later Marten en Griet Kokje woonden. Hij had daar ook een winkeltje en verkocht o.a. ook Bensdorp repen, die in een stopfles zaten en 2½ cent kosten. Als ik er was zei hij al gauw Sille wy in reepke nimme, soan? En zo komen er soms herinneringen bij je boven van een gewone foto in de krant, n.l. de foto van mevrouw Coehoorn Jongsma in de Zuid-Friesland, toen ze voor de P.V.D.A. zitting nam in de gemeenteraad van Lemsterland, want de raadsverslagen sla ik namelijk nooit over. De foto was precies haar moeder op die leeftijd. Maar het bijzondere was wel dat haar grootvader, Auke Bakker van de LE 6. in...ik dacht 1913 of 1914 ook in de gemeenteraad van Lemmer heeft gezeten en ik daarin ook nog voor een klein deeltje aan heb meegewerkt.

Foto van de heer Stevens: Het echtpaar Jan Stevens Visser en Rinske Visser-Friso. 18 december 1941. Met hun kinderen en de aangetrouwde familieleden.

Het was zo dat naar het oordeel van de vissers hun belangen in de raad niet tot uiting kwam. Er moest een visserman in de raad komen, en de keus was gevallen op Auke Bakker. Het was een rustige man, die zijn woordje goed naar voren wist te brengen. Een stemlokaal was in de oude R.K. Kerk, waar wij toen vlak bij woonden. Ik kreeg een lijst waar de namen op stonden van de kiezers, die waarschijnlijk wel op Bakker zouden stemmen, was er dan weer een geweest, kreeg die een streep. Zo konden ze de kiezers die tegen de tijd dat de stembus ging sluiten nog op roepen om alsnog te komen. Bakker liep altijd rechtop, altijd de beide handen tussen de broeksband en was tevens een droge humorist, mocht er graag iemand tussen nemen. Zo lagen we eens in Urk de ansjovisnetten over te halen. We lagen bij Bakker opzij en daarbinnen nog een Lemster. Die wou rijst eten, maar wist niet hoeveel ze nodig waren met z'n drieën, en vroeg dat aan Auke. Daar zag Auke een mooie grap in en zei: "Ik denk dat je aan een kilo wel genoeg hebt". Dus er ging een kilo rijst in de pan en dat vloog al gauw de pan uit. Op het laatst stond alles vol met rijst tot de koffie mokken toe....en Auke maar lachen, dat z'n grap geslaagd was.

Zo kom je ook minder mooie berichten tegen, waarbij je weer gaat denken over het verre verleden. Er stond een overlijdensbericht in het Parool en nadien ook in de Zuid-Friesland van Wybrand Scheffer, psychiater te Bakkum. Dan zie je de familie namen eronder, A. Scheffer, die zo goed als zeker de schrijver is van o.a. "Nachtboot naar Lemmer". De namen Tineke en Aaltje, die de grootmoeder en de vrouw was van grootvader Wybrand Scheffer en dan denk je weer aan de lekkere appels en Urkerbrok, die overgrootmoeder IJke Scheffer in haar winkel in de Schans verkocht, en waar nu nog een kleindochter en haar man woont. Ook denk ik dan aan de verhalen die mijn vader vertelde over Wybrand Scheffer, waar hij als jongen nog bij had gevaren. Dat was een intelligente man. Liep altijd met zijn handen op zijn rug onder zijn jasje. Hij had zo'n klein sikje onder zijn onderlip met een snor als versiering daarboven.

Hij had feitelijk 'te veel' verstand voor visserman. Daarmee wil ik niet beweren dat visserlui domme mensen waren, maar voor een visser bestond er niets anders dan vissen en slapen, wat er in de wereld om je heen gebeurde, moest je je maar niks van aantrekken, daar was gewoon geen tijd voor. Zo zat Wybrand meer in de handel en ik denk wel in samenwerking met zijn moeder en broer Simon. Ze woonden toen aan de Oostkant van de winkel in het huis met het grote winkelraam. Daarna (of was het er voor) heeft Gaasbeek er ook gewoond, die hofmeester was op de nachtboot en de grootvader was van wijlen het raadslid Anne Visser. Ik meen me te herinneren, dat toen het huis daarvoor is verbouwd en er nog een goudsmidzaak in is geweest.

Maar op Wybrand terug te komen, die zat ook altijd vol streken en grappen. Zo gingen ze eens, zo mijn vader vertelde op Kampen aan, om een vracht appels te halen. Telefoon zal er toen nog niet geweest zijn, maar hij bestelde bij 10 slagers een flinke rollade, af te leveren om één uur aan de kade bij dat en dat vaartuig. Om even voor enen gingen de touwen los en daar kwamen 10 slagersjongens met witte jassen aan, allemaal met een rollade aanzetten. Dan had hij de grootste lol en lachte zich slap.

Mijn vader werd er ook af en toe er tussen genomen en die nam op een keer wraak. Ze kwamen van Kampen af en Wybrand deed zijn behoefte zittend op de kant van het boord zo aan de achterkant van het zwaard, zoals dat gewoonte was. Nu stonden daar in zee vroeger in de zachte grond veel van die taaie eikenstokken, waaraan paling-kubben waren bevestigd (de voorlopers van de kistjes, een van wilgen tenen gevochte maand voor de [aal]vangst) van palingvissers. Vader stuurde de botter, want ik geloof dat de aak LE 44 er nog niet was, zo.. dat de zware stok onder de zwaardklamp doorboog. Die kwam er aan de achterkant onder vandaan, vloog weer recht en kwam met een flinke zwiep tegen het blote achterwerk van Wybrand. Toen kon vader weer lachen, want Wybrand kroop met een pijnlijk achterwerk naar het vooronder.

Zo gingen ze ook eens naar Amsterdam met een bun vol bot voor de visafslag daar. Ze lagen in de oranjesluizen, gelijk met een sleepboot, die ze voor een bakzooitje wel even naar de Ruyterkade zou slepen, nu ging het niet om het zooitje bot, want die koste niet zoveel, maar om de kapitein een hak te zetten. Toen ze er zowat waren, stuurde hij vader naar de bolderen, zou dan het roer van de ene kant naar de andere kant gooien, telkens als de aak dan een gier nam kwam er 'Loos' in de sleeptros en dan moest vader de tros zoveel in halen als hij kon. Toen ze zowat vlakbij het schip waren sneden ze het touw door en schreeuwde tegen de kapitein "Smakelijk eten" Bij zulke huzaren stukjes, had hij de grootste lol. Later is hij naar Ameland vertrokken en exploiteerde daar het beurtveer Holwerd - Ameland.


OOK LEMMER HEEFT EEN WAPEN.

Het Wapenboek van Andries SchoemakerAndries Schoemaker (1660–1735) een Amsterdamse textielhandelaar en een gepassioneerd verzamelaar van historische, topografische en heraldische gegevens. Rond 1695 stelde hij een waardevol manuscript samen waarin hij diverse (dorps)wapens tekende en beschreef. Dit document is van groot historisch belang voor de Friese heraldiek, omdat hij daarin een unieke reeks vroege Friese dorpswapens heeft gedocumenteerd. Het wapen van Lemmer (een zilveren schild met een arm die uit een wolk tevoorschijn komt en een rechtopstaande gouden sleutel vasthoudt) komt al rechtstreeks voor in dit wapenboek uit omstreeks 1695. Omdat veel Friese dorpswapens pas veel later (vaak in de 20e eeuw) officieel door de Fryske Akademy of de Hoge Raad van Adel zijn geregistreerd, is de registratie in Schoemakers wapenboek het bewijs dat het wapen van Lemmer al minstens sinds het eind van de 17e eeuw in deze vorm werd gebruikt. Schoemaker baseerde zijn tekeningen vermoedelijk op nog oudere bronnen (zoals 16e-eeuwse documenten of oude zeevaarders vlaggen). De sleutel in het wapen van Lemmer verwijst symbolisch naar de 'toegangspoort' die de havenplaats vormde tot Friesland

De "Marike" is Lemmer's "vlaggenschip"

Niet alleen de gemeente Lemmer heeft een wapen, maar de plaats Lemmer ook! Dit wapenfeit was ons niet bekend en we denken de plank niet ver mis te slaan, wanneer wij veronderstellen dat het merendeel van ons hiermee niet op de hoogte zal zijn: In ieder geval was men tot voor kort op de afdeling Algemene Zaken ten Gemeentehuize ook niet met het Lemster wapen op de hoogte, zo bleek ons. Dat wij het inmiddels wel weten en u nu dus ook, kwam door het bezoek aan ons redactiekantoor van twee zoons van schipper F. de Vries van het 1155 ton metende vrachtschip Marike.

De Marike (samengesteld uit de voorste letters van de namen van de kinderen Marianne (18), Rimmy (29) en Kees (17) heeft sinds vorige week maandag het wapen van Lemmer op de roef. Het wapen, geschilderd door Kees de Vries, LTS-leerling in Sneek en verblijvend in het internaat in Lemmer, is op een aluminiumplaat aangebracht op de roef van het schip. Alhoewel schipper De Vries afkomstig is uit Sneek, kreeg de Marike twee jaar geleden Lemmer als domicilie. en de jongens kwamen er al sneupend achter, dat ook de plaats Lemmer zelf een wapen heeft. Bij navraag op het gemeentekantoor werd de correspondentiemap "Heraldiek" nagekeken en daaruit kwam "It wapen fan De Lemmer" in beeld, kleuraanduiding en nadere omschrijving tevoorschijn, van de hand van de heer Klaas Sierksma, o.m. voorzitter van de Stichting voor Banistiek en Heraldiek, welke stichting haar zetel heeft in Muiderberg en ook een Friese afdeling heeft, waarvan de heer Sierksma eveneens voorzitter is.

De heer Sierksma schrijft over het wapen van Lemmer het volgende (en voor hen die het Fries niet machtig zijn, vertalen wij het in het Nederlands): Een wapen van blauw met een arm, bekleed met rood, en zilveren hand, komende uit een zilveren wolk in de linker schildrand, de aanduidingen: links en rechts te rekenen vanuit het wapen zelf, en houdende een kruisvaandel van rood en zilver aan een stok van zilver, schuin naar links wijzend. De heer Sierksma schrijft vervolgens: Een opmerkelijk wapen, dat van de Flekke de Lemmer. Men kan nauwelijks zulke meer vinden in Nederland. Al heeft het - niet in figuur (meubel zegt men in de heraldiek), maar van aard - enige overeenstemming met het wapen van Lemmer, dat naar de beschrijving van de Hoge Raad van Adel er zo uitziet. -Van zilver met een arm van keel rood, volgens de omschrijvingen die bij de heraldiek, worden gebruikt, komende van de regter zijde van het schild, dragende op zijne hand een wereldkloot van goud.

Draagt dus het wapen van de gemeente al van de oudst bekende tijden af een symbool van de wereld, van de aarde en van de macht daarover, het wapen van de hoofdplaats heeft het symbool van de kerkelijke macht. Evenals ook andere Flekke-wapens is dat van 'De Lemmer' ons bekend geworden door het handschrift uit 1695 van Andries Schoemaker. Heeft de gemeente er zin aan, of de Flekke zelf, dat zou men er eens over kunnen denken om een eigen vlag in te stellen, waarvan de kruisvlag dan de grondslag zou kunnen zijn. Op het midden van het kruis zou het symbool van de gemeente kunnen komen. In elk geval komt de "hearring op 'e toer, er niet meer bij te pas" zo besluit de heer Sierksma zijn toelichting. Hoe het ook zij, gewapend met de wetenschap, dat de hoofdplaats over 'een opmerkelijk wapen' beschikt, kunnen we de ongunst der tijden weer wat manmoediger tegemoet treden. Misschien dat dr. mr. H.F.W. Luiking uit Naarden, wiens bijdragen over Lemmers historie wij altijd bijzonder waarderen, in dit stukje aanleiding zien op de kwestie wat wetenschappelijker in te gaan. In ieder geval voert de Marike hét wapen van Lemmer. Over de wateren tussen Friesland en Wesel (Dld.) waar het vrachtschip regelmatig ladingen grint en zand inneemt.

Bovenstaand is er al iets over geschreven over het wapen van De Lemmer, met een afbeelding. ervan en een foto van de brug van het vrachtschip "Marika" waarop dit wapen prijkt. De ontdekker van dit wapen is de heer KL. Sierksma te Muiderberg voorzitter van de stichting voor banistiek en Heraldiek. Het is hem bekend geworden uit het handschrift van 1694/96 van Andries Schoemaker.

De redactie van ZF vraagt mij, zo mogelijk, iets nader op deze aangelegenheid in te gaan. Aan dit verzoek voldoe ik bij dezen gaarne. Het wapen van 'De Lemmer' was mij tot nu toe onbekend. In 1960 heb ik met de heer Sierksma gecorrespondeerd over de vlag van de vlekke 'De Lemmer', vermeld onder Lemmer in zijn in -1960- verschenen Spectrum boek "De gemeentewapens van Nederland". Doch uit deze briefwisseling is gebleken, dat hier sprake is van een onjuistheid, aangezien een Lemster vlag onbekend is. Het blijft duister of deze al dan niet heeft bestaan.

Omtrent het wapen van 'De Lemmer' bestaat geen onzekerheid. Ik vroeg de heer Sierksma nadere inlichting t.a.v. genoemd handschrift. Hij verwees mij naar zijn uitvoerig artikel hieromtrent in de Friese Koerier van 28 december 1957. Het volgende is daaraan ontleend.

De vrijwel als wapenverzamelaar onbekend gebleven, maar als penningkundige wel vermaarde Amsterdammer, Andries Schoemaker(1660), heeft in de jaren rond 1695 een wapenboek in twee delen getekend, dat voor de Friese wapenkunde van uitzonderlijke betekenis is. In dit boek treft men voor het eerst Friese wapens van steden en grietenijen aan, die inkleur zijn uitgevoerd. Vader en zoon Schoemaker hadden in hun bezit; drie dikke boeken met 14827 handgetekende wapens van Jacob Colyns. Dit was een Amsterdamse "kunstschilder", die van 1614 tot 1686 heeft geleefd en gewerkt. Zowel deze Colyns, maar evenzeer Schoemaker hebben uitgebreide en langdurige reizen door de Nederlandse dreven gemaakt. Zonder twijfel zijn toen hun schetsboeken gevuld met al het oudheidkundig belangwekkende dat zij onderweg tegenkwamen. Wie van hen beiden het nu geweest is, die ook de Friese steden, dorpen en wegen heeft verkend, kan (nog) niet worden nagegaan. In elk geval is er in de wapenboeken van Schoemaker veel interessant materiaal over Friesland bewaard, waarvan grotendeels de andere bronnen verloren zijn gegaan. Naast veel familiewapens zijn die van alle Friese steden en grietenijen opgenomen, bovendien een twaalftal dorpswapens, waaronder dat van De Lemmer.

Het wapen van De Lemmer wijkt volkomen af van alle uit Friesland bekende wapens. Zoals ook het gemeentewapen met de wereldbol iets uitzonderlijks is, zo blijkt ook het "dorpswapen" een wel bijzonder opmerkelijk beeld te vertonen. Men omschrijft het aldus: van blauw een arm, gekleed van rood, en hand van zilver, komende uit een wolk van zilver aan de linker schildrand, en houdende een kruisvaan van rood. en zilver aan een stok van zilver, in schuinlinker stand. Tot zover het ontleende aan genoemd artikel in de Friese Koerier.

Vermeldenswaard is het volgende, hetwelk ik van de heer Sierksma vernam. Het wapen van 'De Lemmer' is wel al een beetje wereldwijd bekend. De congressisten van het 6e Internationaal Congres voor Vlaggenkunde, die in 1975 per boot ook De Lemmer aandeden en aldaar door het gemeentebestuur werden ontvangen. Deze congressisten kwamen uit 38 landen. Opgemerkt zij, dat in tegenstelling tot het gemeentewapen van Lemmer, hetwelk bij besluit van de Hoge Raad van Adel van 25 maart 1818 werd bevestigd, het onderhavige wapen van De Lemmer geen officieel karakter heeft. Het is aan te merken als een wapen van de dorpsgemeenschap, als een embleem van de gezamenlijke dorpsbewoners

Elke Lemster kan, als lid van deze gemeenschap dit wapen op enigerlei wijze voeren, als schipper de Vries van de "Marike". Hij brengt hierdoor tot uitdrukking dat hij tot de gemeenschap behoort. Hetzelfde geldt, t.a.v. een oud Lemster, hij was lid van deze gemeenschap. Het verschil met het gemeentewapen is o.m. dat het niet valt onder het verbod dat een wapen van een publiekrechtelijke lichaam (gemeente) in een warenmerk voorkomt (art. 4, sub. 1, van de Bijlage van de Eenvormige Beneluxwet op de warenmerken). Het wapen van de Lemmer mag derhalve in een gedeponeerd warenmerk worden opgenomen.

Mijn wens is, dat het Lemster wapen op velerlei wijze ingang zal vinden.

Naarden, Dr. Mr. H. F. W. Luiking.

Een Friese bladzijde uit het wapenboek van Schoemaker.
Delpher 1957

Wapen van Lemsterland
(anno 1664)

Het Wapen der " gemeente vertoont in een veld van zilver, een arm van rood, komende uit den rechter schildrand, dragende op de hand van natuurlijke kleur, een wereldkloot van goud; het schild gedekt door een kroon van goud.

Een volksrijmpje zegt hiervan:

„In jiffrou mei in bal yn 'e han
Is 't wapen fen Lemsterlan."

Opmerkelijk, dat het eertijds nauw met Lemsterland verbonden Doniawerstal eenzelfde  wapenfiguur, zij het in omgekeerde houding, vertoont. Lemsterland's hoofdplaats is sedert
onheuglijke tijden het vlek.


ZEILWEDSTRIJDEN OP DE ZUIDERZEE.

We willen het dit keer eens hebben over de Zeilvereniging "De Zevenwolden". De vereniging is opgericht op 1 augustus 1865 en dat betekent, dat zij behoort tot de tien oudste zeilverenigingen van Nederland. Er is toen toch een behoorlijke handel en industrie geweest, om deze vereniging op te richten. De visserij had toen nog weinig betekenis. Een geschiedschrijving zou in dit kader te ver voeren; we pikken alleen wat krenten uit de pap, in dit geval het hardzeilen, dat van veel betekenis is geweest voor de bevolking. Een beetje fantasie en u ziet de oude haven voor U, vol met schepen. Het kleine hoofd, vanaf de Rook, nu Akkerman, met een flauwe bocht lopend, waar nu de sluiswoningen staan, was helemaal versierd. Zo ook het grote hoofd, ongeveer vanaf het huis van Schirm tot voorbij Eerdmans. Op het einde van het grote hoofd stond het grote vuur. De oude haven moet toen ook groter geweest zijn, richting Bijlhout en Amro-bank. Het loopvlak was ongeveer 3 à 4 meter breed en van houten planken gemaakt. Alles was met vlaggen versierd, wat een feestelijk aanzien is geweest. In 1817 is er geen kermis.

Wel is er geld beschikbaar gesteld door de gemeente voor volksvermaak. We kunnen wel aannemen dat op 11 september 1871 de eerste wedstrijd is gehouden. Prins Hendrik der Nederlanden, (Prins Hendrik de Zeevaarder, de broer van koning Willem III) werd ook uitgenodigd. Hij behaalde met zijn schokkerjacht de "Watergeus" de tweede prijs. De volgende jaren werd hij ook uitgenodigd, maar hij maakte er geen gebruik van. Van de vissersschepen boven de 30 voet, werd 1e Dirk de Waard, 2e C. Zondervan...alle twee van Marken. Bediener van het geschut is Ferdinand de Vries. Het geschut is geleend van J. Visser. Uitlegger Harmen Wouda. Keurmeesters R. Hoekstra, J. de Blaauw en De Rook.

1872. Ook deelname van jachten boven de 9 meter. Beurtschepen beneden 35 ton, 1e H. Coehoom. Botters als 1871. Bot-aken 1e Bootsma, 2e J.J. Visser.

1876. Is er behalve de Markers nr. 2 "de Onderneming" van P. de Rook. Er waren toen ook tjotters bij de deelnemers. De "Bever" 'werd gezeild door kapitein De Haan en zijn stuurman Nolke Hoekstra. Er was veel wind, maar ze lagen voor met het ronden van de boei gingen ze om. Dit gebeurde vlak bij de haven. Hendrik Mulder lag toen in tweede positie, maar die zeilde de mast overboord. 1e werd toen Sake van Teine (Bergsma) met "de Adelaar". Groot feest met de prijsuitdeling.

Na een paar borreltjes kwam er stemming en werd er gezongen: En "De Bever viel op zij, maar de Adelaar was blij". En Mulder heeft de mast gebroken. Falderalaerie, Falderalderié. Us "Adelaar" gaat nooit verloren, Falderalderie enz."

De Markers waren een fleurige groep; de vrouwen in klederdracht met hun lange vlechten, de mannen met hun leren pantoffels met de zilveren gespen en hun ronde platte hoeden. Zij bezochten ook de kermis en de harddraverij op "it Paed", de Straatweg naar Sneek.
Na plus minus 1890, toen de aken 40 voet en groter werden en ze mee zeilden van 1904 tot 1917 in Amsterdam, kwamen er geen Markers meer in Lemmer en waren de Lemsters de hurdsilers" van de "Sudersee".

Het wedstrijdelement is mede ontstaan door de overheersende westenwinden. Om de visgronden te bereiken, moest er bijna altijd bij de wind gezeild worden (elkaar de loef afsteken). De klippers en de tjalken van 38 ton tot 120 ton die mee zeilden in Amsterdam, hebben ook in Lemmer gezeild, maar er zijn geen uitslagen bekend, ook niet van de aken tot 1920. Van der Zande met de klipper "Friso" was altijd present. Toen de klipper nog in de tramhaven lag, was zijn zoon havenmeester van de jachthaven. Verder waren er de Vlietstra' s, Kool, Groenhof enz. Een hele bekende was Deden van Bakhuizen, 38 ton, acht keer mee gezeild in Amsterdam.. tweemaal 1e, tweemaal 2e en tweemaal 3e.

Bijgaande foto van de tjalk "De Jonge Leonardus" is mij toegezonden door de heer Deden, getrouwd met Trees Beljon, wonende in Californië. Hij staat rechts op de foto en was toen ongeveer 14 jaar.

De tjalk " De Jonge Leonardus" van S. Deden uit Bakhuizen.

Even terug naar Amsterdam 8 september 1915. Met 5 minuten verschil werd er gestart in een wedstrijd van 22 zeemijlen. Grote Lemmeraak jachten, klippers, houten en stalen aken.

1e Helena van Kalis, 4.24 uur en 34 sec.; 2e Onrust van Vos, 4.32 uur en 59 sec.; Klipper "Friso" van V.d. Zande 4.35 uur en 14 sec. 1e LE 47 stalen aak. 4.04 uur en 29 sec.; 1e LE 9 houten aak. 4.05 uur en 36 sec.

De vissersaken waren het snelste, maar dat was ook wel eens anders, Van der Zande moest 's zondags zeilen in Amsterdam. Hij tekent daarbij aan: "Woensdag van de werf gekomen in Zwartsluis, was het stormweer. Vrijdags gereefd en kwamen aan in Genemuiden; veel te veel wind. Zondag 's morgens om half zes goed weer, we konden Marken bezeilen. Voor top vlogen we naar de start. Toen de klippers van start gingen, waren we 12 minuten te laat. Het bestuur van de directieboot gaf ons te kennen, dat we mee konden zeilen. Maar wel eerst om de rode boei. Mijn bemanning was mijn vrouw, mijn schoonzoon en een knecht. Bij de Knar gingen we één voorbij, dat was f 50,-, toen terug naar Marken weer één voorbij f 75,-, bij de finish waren we de eerste f 100,- + een medaille." Dit vertelde hij omstreeks 1950. Het verschil met Deden, die tweede was, was slechts 40 seconden. In 1890 viste hij ook op ansjovis, zoals zoveel schippers, Van der Veen, Van der Zee, Pilon enz.

1911. Prijzengeld boeiers en jachten f 30,- Vrachtschepen Aken f 50.,-. Muziek op 2 boten kosten f 35,-. Huurloon op2 boten kosten f 40,-. Beurtschepen die andere jaren zeilden voor zeil en fok. Nu wordt de zeilgage vrij gelaten.

1917. Twee bestuursleden bedanken als beurtschepen weer meedoen, want zij storen zich niet aan de Wet en Reglementen.

H. Kingma.


ZILVERBRAKELS

Wanneer Kokje, in memoires over de Schans, gewag maakt van drie boerderijen, dan zal dat omstreeks 1900 geweest zijn. En dat waren toen Jan. R. de Vries, begin Schans-hoek- binnenhaven; Jan Maaikes tegenover de R.K. kerk en Age Tjalma bij de spuisluis, eerder bewoond door gebroeders Blok. No. twee. is al spoedig afgebroken. Er kwam een nettenbaan met bovenwoningen voor Jan Pen. De andere twee, zowel Jan de Vries als gebroeders Blok, waren tevens veehandelaar en maakten het bedrijf dienstig aan hun handel.

Deel van een plattegrond van De Lemmer uit het midden van de 19de eeuw. Schans 31 was toen kadastraal bekend onder sectie A, nummer 440

Alle vervoer van enige betekenis in die dagen, ging te water en daardoor ontstond in de Lemmer nog wel eens oponthoud. Men had wel vaste beurtdiensten toen nog zeiltractie, bijv. Leeuwarden-Lemmer-Amsterdam. Jarenlang is daarbij Cornelis de Boer uit de Pottebakkerssteeg, vaste dekknecht geweest en kreeg daar, wanneer het schip in de sluis lag voor doorschutten, gelegenheid om even "halje-trawalje" (snel) een schoon hemd te halen. Zijn vrouw was dan meestal al gewaarschuwd.

Ook beurtschipper Hof, van de Vissersburen had een vaste wekelijkse dienst (vrijdagmarkt) op Leeuwarden. Je kon bij hem alles bestellen, het kwam altijd goed. We hebben eens broedeieren voor een toom Zilverbrakels besteld en het kwam prompt in orde. Het waren wel niet allemaal Zilverbrakels, maar dat komt tegenwoordig in elk gezin voor.

Voor groot vee waren deze beurtschepen echter minder geschikt. Anderzijds werd bij de mensen graag alles thuis bezorgd. Wanneer koopman F. Schöne-met-het-pak, uit Heerenveen in de Lemmer neerstreek, dan werden het voor Ate de volgende week drukke dagen. Reeds bij het eerste brugje stond men naar hem uit te kijken en het was een ware ren om de wilgen. Ate had dan de handen vol aan zijn paard. Wie er niet lachte was manufacturier van Schoot. 'Door je eigen geloofsgenoten word je de das omgedaan' was zijn opvatting.

Maar om op het veevervoer terug te komen voor over zee, eiste dat bijzondere voorzorgen. Nu had de Lemmer met zijn moderne sluis en havenoutillage in 1886 reeds een zekere voorsprong gekregen en was het veevervoer met de Lemmer nachtboten daardoor belangrijk toegenomen. En zo werd ook geleidelijk aan de accommodatie van de boten zelf verbeterd; werd bijvoorbeeld de roerganger meer beschermd en de ijzeren stuurstang vervangen door een stuurrad. Het bezwaar bleek evenwel dat de roerganger dan niet meer kon zien welke stand het roer had en telkens over de achterplecht moest gaan kijken, wat soms tot risico's leidde..

Zo is het eens gebeurd, dat de boot daardoor uit het roer liep; of dat nu de enige oorzaak was de Afsluitdijk was er toen, ook nog niet en er was dus nog eb en vloed, het laat zich in de schemer van de historie niet allemaal meer duidelijk onderkennen, maar in elk geval raakte de boot zijn koers kwijt en kwam op de "Marderhoek" terecht. Er was juist een belangrijke veelading aan boord, ook bovendeks. Eén koebeest heeft de dijk naar Tacozijl weten te halen, maar het is daar de dood gestorven, ondanks de zorgen van Keizer, die op Tacozijl woonde., Mond op-bek-beademing was toen nog niet bekend.

Het probleem kwam toen om het dode dier naar Lemmer te vervoeren, maar in Tacozijl waren geen takels genoeg, om het kadaver op de wal te krijgen. Het kadaver is toen achter 'De Suup' aan naar de Lemmer vervoerd, waar het officieel is vrijgegeven en een bekende slager van de Schulpen, heeft de 'Achterommers' nog lang goedkoop vlees bezorgd. De man zelf is later naar Amsterdam verhuisd en daar slager in het Panopticum (?) geworden. En zo vroeg de nieuwe situatie op allerlei wijze aanpassing. Er was bijv. vroeger maar één 'Hoofd' en dat was van hout. Schaafsma, een zoon van notaris Schaafsma, de voorganger van notaris Spannenburg, in Utrecht heb ik de krant mee gelezen, heeft wel eens verteld dat zij als jongens onder dit hoofd door klommen tot aan het vuur toe.

Pietje-van-het-hoofd, was het laatste houten huis, naast het perceel van de familie Klaaszens (Klaassens). De laatste bewoner boven Pietje, voordat het huis voor het tramstation moest wijken, was een familie, waarvan de naam ook nu nog op vele lippen ligt: Schirm.

Later veranderde dat allemaal; de grotere diepgang van de nieuwe haven maakte 't nodig de havenmond verder in zee te brengen, met enerzijds de lagere oostelijke dam en anderzijds de grote 'Daem', waarop later halverwege de vuurtoren met het 'Grote' vuur geplaatst is. De eerste opstelling achter de vroegere bouwkeet van de havenwerken (later woning opzichter Dingemans) aan de Nieuwedijk, voldeed blijkbaar niet. Ondanks dat alles bracht ook de nieuwe situatie nog wel eens moeilijkheden. Het is gebeurd met een loeiende november storm -van de Afsluitdijk was nog geen sprake - dat het water tot een ongekend hoog peil opwoei, zo zelfs dat de kliene oostelijke dam er finaal ûnderstrûpte. Het was echt 'Min waer op 'e Lemmer'

Roukema, die de drie lichten verzorgde, liep zelfs grote risico's. Laat nu een vreemde schipper, ik meen een Arnemuider, misleid door de hoge waterstand en met heel slecht zicht, proberen de haven binnen te lopen langs het grote vuur. De man had nog geluk ook, een grote zee nam de boot, een vergrote Staverse jol, op en zette die prompt weer neer tegen het hek van de vuurtoren.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.