Brieven van de Grietman Lemmer 6
1851
7 juli 1851: De grietman schrijft aan de heer commissaris des Koning, dat op 29 maart 1850 door Heel- en vroedmeester Ferdinand Visser te Lemmer bij de Burgerl. Stand een kind is aangegeven dat op den 23 maart bevorens uit Cornelia Romkes de Wreede, jongedochter alhier was geboren een zoon aan welk kind hij verlangde de voornamen te geven van Bauke Poppe; dat door mij is geweigerd die voornamen aldus in te schrijven, omdat op grond der bestaande bepalingen het niet geoorloofd is een kind zonder de vereiste machtiging twee familie- of geslachtsnamen te geven en die van Poppe zowel hier als in Doniawerstal Westelingerwerf e.a. gemeenten in onze provincie een erkende geslachtsnaam is. Het doel waar om de omschrijving aldus werd verlangd bleek mij daar geen ander te zijn dan om een voornaam ingezetene die dezer grietenei te compromitteren met wien de gezegde heelmeester in onmin leeft.
20 december 1851: Uit een brief aan de heer commissaris de Koning blijkt, dat Raad van de gemeente Lemsterland in dus zelfs eerste bijeenkomst tot wethouders heeft benoemd: de heren Simon Wiegers Visser, koopman en scheepsrechter en Folkert Johannes Witteveen, mediciner docter beide te Lemmer. In deze vergadering waar de nieuwe burgemeester is benoemd tot ambtenaar van de Burgerl. Stand is voorzitter Jhr. Coert Lambertus van Beyma thoe Kingma, alsdan benoemd tot burgemeester van Lemsterland.
22 december 1851: Uit een brief van het gemeentebestuur aan heren Ged. Staten blijkt, dat voor hun lidmaatschap van de raad hebben bedankt de heeren Jhr. Wilco van Andringa de Kempenaer en Bauke Poppes, die alhoewel primitief de benoeming tot leden van de gemeenteraad van Lemsterland hebbende aangenomen, thans evenwel voor die benoeming hebben bedankt. Overeenkomstig de bepalingen van de gemeentewet zal een dag worden bepaald waarop verkiezingen voor de vervulling van de opengevallen plaatsen zal geschieden.
Met de invoering van de Gemeentewet in 1851 kwam definitief een einde aan de grietenij en aan het ambt van grietman. Vanaf dat moment werd het gemeentebestuur van Lemsterland gevormd door het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad.
1852
17 januari 1852: Aan de Schoolopziener wordt bericht, dat de Raad besloot tot oprichting van een armenschool en dat het in de bedoeling ligt een onderwijzer te benoemen tegen een jaar werden van f 200,-
24 januari 1852: Aan Gosse Egberts Hottinga, wordt vergunning verleend tot het oprichten van een koperslagerij op voorwaarde dat in de werkplaats geen steenkolen zullen mogen worden gebruikt.
1 mei 1852: De Koning (In 1852 was Koning Willem III de koning van Nederland) is in Lemmer op bezoek geweest. En op de Noordelijke grens der Gemeente, door het gemeentebestuur is ontvangen.
27 mei 1852: Aan de Prov. Staten wordt bericht, dat het het gemeentebestuur uiterst noodzakelijk voorkomt en in het belang van het dorp Lemmer en daardoor in dat der gehele gemeente en voor de scheepvaart door het zuidelijk gedeelte onze provincie, dat een verbetering van de haven alhier plaatsvindt en wel door een verlenging der havenhoofden. De ondervinding heeft geleerd, dat door het zich verhogen en meer en meer vastzetten der zandplaat even buiten de mond der haven de scheepvaart veel wordt bemoeilijkt, ja somtijds het in- en uitvaren in de haven voor enigszins diep-geladen schepen in de zomer bij gewoon tij onmogelijk wordt, waardoor dan ook dikwerf de haven wordt vermeden en zeer ten nadele van deze plaats de schepen elders binnenlopen. Aangedrongen wordt op een deskundig onderzoek omdat naar gebleken is de meningen verschillen over de wenselijkheid verlenging van de havenhoofden te beperken tot één of beide.
8 juli 1852: Verzoek tot herstelling van de voorgevel van het Israëlische gebouw, daar die in zeer slechte toestand verkeerd.
14 juli 1852: De burgemeester verzoekt de directie van de Friese stoomboot rederij te Harlingen om de nodige bevelen te geven, dat de stoomboot Tjerk Hidddes (stoombinnenvaarder Tjerk Hiddes, de trekschuit naar Groningen) met meer bedaardheid althans langzaam de Lemmer in- en uitvaart en zolang hij zolang hij langs de huizen en turfschuiten en hopen welke even buiten deze plaats staan stoomt, steeds de deur gesloten mag blijven, aangezien reeds dezer dagen door de vonken uit de schoorsteen van die stoomboot een hevige brand in de turfhopen heeft plaatsgehad, welke gelukkig intijds gezien en gedempt is geworden.
26 juli 1852: De burgemeester zendt aan de officier van Justitie te Sneek twee verhoren van getuigen terzake van mishandeling van Jan Kempes. Teneinde in deze zaak enig meerder licht te verlangen, heb ik de beide beklaagden - zeer eenvoudige en doodarme mensen - nog eens omstandige gehoord en daarvan gemelde verbalen opgemaakt. Het komt mij zeer wenselijk voor, die zogenaamde duivelbander in deze zaak betrokken en daartoe termen zijnde gestraft wierd, daar het een daadzaak is, dat vele eenvoudige lieden alhier, bij ongesteldheid hunne kinderen of aanverwanten tot deze persoon hunne toevlucht nemen, van hem dan tegen hoge betaling enige kruiden te genezing bekomen en alzo het offer van bedriegers worden.
1853
18 juli 1853: Tot boter- en kaasdrager in de Waag te Lemmer, werden door de Raad benoemd: Adam Rippen en Arend Roukema, aldus een brief aan de Waagmeester. Albert Meines Klijnsma, benoemd tot lid van de raad geeft te kennen zijn benoeming niet te zullen aannemen. Klaas Koopmans te Oosterzee heeft zijn benoeming wel aanvaard.
7 september 1853: Aan de commissaris des Konings wordt bericht, dat een zeer uitvoerige bespreking door B. en W- is gewijd, aan het treffen van voorzorgsmaatregelen ten opzichte van cholera morbus gevallen. Hoewel de noodzakelijkheid niet is erkend om de mestvaalt in de Schans nabije diaconiearmhuis weg te ruimen en te verplaatsen is het aan het college wenselijk voorgekomen, dat als verzamelplaats voor straatvuil, mest enz. een andere gelegenheid wordt gezocht. Hieraan zijn echter verschillende bezwaren verbonden. Een andere plaats in de onmiddellijke nabijheid van Lemmer is moeilijk en anderdeels omdat de kosten aan het opzamelen verbonden velen zullen wezen, hetgeen momenteel door gelamenteerden welke in het armhuis worden verpleegd, wordt verricht aan wie ook ten dele de mestvaalt behoort. De onreinheid van de Schans wordt dan nog eens met name genoemd, maar niet tegenstaande er genoeg wordt gesurveilleerd is het niet mogen gelukken de bewoners meerdere reinheid te leren. Wij zijn er echter op bedacht bij het reeds daar stellen van een publieke pomp, voorzien van best welwater en maatregelen te nemen die verbetering zullen aanbrengen. Er wordt op gewezen, dat deze buurt geen grotere onreinheid te zien geven dan buurten in de grote steden, maar dat de oorzaak zoude zijn, dat die buurt in 1849 het brandpunt is geweest der cholera morbus. Veeleer schrijven wij dit toe aan het zich ophopen aldaar van een groot getal zeer arme bewoners, die zich moeten behelpen in zeer kleine bedompte woningen en welke bij het gemis van de nodige kleding, dikwerf gebrek hebben aan goed voedsel, terwijl bovendien het vele gebruik van vruchten en gedroogde vis hen meer dan anderen aan besmettelijke ziekten blootstellen.
10 december 1853: Het gemeentebestuur bericht aan de eer H.W. Brandsma te Lemmer, dat Ged. Staten besloten hebben vergunning te verlenen tot het oprichten van een bijzondere school te Lemmer.
1854
1 maart 1854: Verbetering van wegen. In een brief aan Ged. Staten wordt bericht, dat de raad dezer gemeente besloten heeft een uitspraak over een geprojecteerde weg van de Smilde tot aan de Statendijk in advies te houden, ééndeels omdat vanaf de Statendijk tot aan de Lemmer een puinweg bestaat welke reeds zoals der dezer daarin liggende passabel is en anderdeels omdat raad veel meer genegen is deze weg te verbeteren vanaf de Lemmer door de dorpen Oosterszee en Echten tot aan de Echtenerbrug en aan deze zijde tot Schoteruiterdijken, waardoor dezelve zeer gemakkelijk met bovengenoemde weg door een brug over de Tjonger zou te verbinden wezen en tevens vanaf de Echtenerbrug in verband zou kunnen worden gebracht met een daar te stellen weg door Schoterland tot aan het Heerenveen, waarmede de Lemmer in dadelijke aanraking wordt gebracht met twee hoofdwegen. De Raad heeft met de aanstaande bepoldering der uitgeveende plassen te Oosterzee en Echten in het oog houdende geoordeeld, dat het nu tijd is, deze belangrijke zaak in de grond onderzoeken en twijfelt er niet aan of het plan kan worden verwezenlijkt, de hulp van het rijk en de provincie kan niet ontbreken. Voor onderzoek van de toestand der wegen in de dorpen Oosterzee en Echten is een commissie ingesteld, die met de meeste spoed aan het werk zal gaan en hun rapporten uitbrengen. Wij geloven dat mochten op deze wijze de Lemmer aan de grote wegen in Friesland en Groningen en Drenthe te verbinden wezen, het doel der wegenverbetering beter dan ieder ander zal zijn bereikt en houden ons overtuigd. dat daarvoor voor de Lemmer grote voordelen kunnen ontstaan, temeer wanneer dezelve in verband ware te brengen met een eventuele verbetering van de zeehaven.
1858
29 april 1858: Door de Comm. des Konings is aan het bestuur van de gemeente kennisgegeven, dat bij de Hoge Regering was besloten tot de aanleg van een telegraaflijn tussen de kusten van Friesland en Noord-Holland met het doel om de bestaande lijnen te Sneek en Wormerveer over Lemmer, Enkhuizen, Hoorn, en Purmerend met elkander te verbinden.
20 mei 1858: Tegen voldoening aan een missive betreffende de spelling van Nederlandse steden, dorpen en gehuchten wordt aan de heer Com. Des Konings het volgende bericht:
1. De naam deze gemeente is Lemsterland, zij telt 5 dorpen met de namen Lemmer, Oosterzee, Echten Eesterga en Follega. Deze namen worden steeds gelijk geschreven en daarnevens zijn tegenwoordig geen andere in zwang.
2. Met betrekking tot de betekenis der namen van de dorpen enz, wordt gezegd over Lemmer: In het jaar 1228 wordt deze plaats Lenna genaamd althans er lag toen een dorpje van die naam tussen de Rien en Tacozijl aan de Zuiderzee waar de Rijn of IJsseltak zich in twee armen Oost en West om Lenna verdeelde en boven dat dorp zich verenigde om noordwaarts in de Chomilosara (de Flussen) te stromen. De tak van de Rijn ten oosten van de Lemmer lopende wordt tot op den huidige dag nog Rijn of Rien in het Fries genoemd. (zie inscriptio "Frisia libera inter Kinnermannam et Amixiam" M. Altink pagina 112. De Nederlandse alternatieve titel luidt: Afteakeninge van het vrije Friesland, tusschen de Kinnen en de Eems )
29 april 1858: Afteakeninge van het vrije Friesland, tusschen de Kinnen en de Eems. door Menso Alting. Zuiderzeecollectie
Oosterzee: Het is zeer waarschijnlijk, dat de naam deze plaats aan hare ligging ten oosten van de Zuiderzee is ontleend. Reeds In de 15e eeuw schijnt dit dorp een niet onbeduidende handel te hebben gedreven en in het bezit van een waag geweest te zijn, alszo de bestaande waag bij besluit van 14 augustus 1506 is geconfirmeerd. (Zie charterboek van Friesland deel II bladz. 252) Ook kan de naams oorsprong van Oosterzee zijn ontstaan van Oostzing over de Oosterzing, aangezien nog heden ten dage het land liggende ten zuiden van de banstegue of bantsloot, Oostzingerveld genoemd wordt. (zie ook de kaart van Friesland door F. Halma 1718) Ook is het mogelijk, dat het woord Oosterzee in verband staat met de goden Ostara of Eostre of Oste aan welke de Germaanse volkeren in het voorjaar de vernieuwde vruchtbaarheid van bomen en gewassen toeschreven en vandaar hun Eester of Eestermonath bezaten en welke goden met de Friese Freya dezelfde schijnt te zijn.
Echten: Het is zeer waarschijnlijk dat de naam oorspronkelijk ligt in het oud Germaanse woord aegt, egt, igt, hetwelk rechtmatig en trouw betekent, terwijl in het oud-duits de eigen naam Aegthan samengesteld komt welk aegthan door verbasterin Echten of Egten kan geworden zijn en welke eigennaam als familienaam in Nederland nog voorkomt en aan dit dorp ingelijks de naam zal hebben kunnen geven (zie T.D. Wiarda "Ueber deutsche Vornamen und Geschlechtsnamen" Berlin 1800 pagina 47)
Eesterga: Wellicht heeft dit dorp zijn naam te danken aan Eester, jister en Gea-land - alzo het tegenwoordig nog in het Fries wordt genoemd Jisterga, hetwelk aanduid een land waar paarden en runderen gedruijd, gedroogd worden. Het Nederduitse woord Eest de plaats waarop de boekweit, tabak enz. gedroogd worden heeft dezelfde afkomst met het nu nog gebruikelijk de Fries woord Jister, zijnde de plaats waar de koeien gemolken en dus gedroogd worden.
Follega: Waarschijnlijk ontstaan uit Folle - een veulen - en ga of gea-land - en dus het veulensland, volgens sommigen is ook het volle Follegea land behorende aan Follelin in vroeger tijd daar gewoond hebbende (vaak geschreven als Follelinne) is een historische boerderijnaam en streeknaam ten westen van het Friese dorp Follega, gelegen in de gemeente De Fryske Marren). Ook kan de naam oorspronkelijk komen van het oude Duits Fol of Ful, dat goed betekent en nog voorkomt. In de eigennaam Folmar een goed heer of vorst. Folbird goed of wel geboren en dus Fol of Follega gaat goed land zou betekenen. ( zie T.D. Wiarda in voc Foll) (T.D. Wiarda: Dit staat voor Tileman Dothias Wiarda (1746–1826). Hij was een vooraanstaand jurist en historicus die pionierswerk verrichtte op het gebied van de Friese taalgeschiedenis. Hij stelde onder andere het invloedrijke Altfriesisches Wörterbuch (1786) samen)
31 mei 1858: De burgemeester richt zich in een schrijven tot de Officier van Justitie te Sneek en doet daarin goed woordje voor twee inwoonsters, die door de nood gedrongen en omdat hun mannen niet van de vlijtigsten zijn, door de honger gedreven bij een boer een stuk brood hebben gevraagd om dit hun kinderen te kunnen geven. De burgemeester vindt de straf die hun is opgelegd wel wat zwaar en hij gelooft dat de beide vrouwen zeer veel brouw hebben. Hij neemt de vrijheid de Officier te verzoeken haar verzoek om gratie zoveel mogelijk te ondersteunen, opdat hare straf inplaats van op 6 maanden tot op enige dagen worden verminderd.
16 augustus 1858: Op een verzoek om vrijdom van tollen voor de veldwachters, zo voorzien als voor de transporteurs onder een geleide wordt erop gewezen, dat er in deze gemeente en wel onder Oosterzee twee ponten of overhalen over het vaarwater de Lemsterrien voor personen en rijtuigen zijn gelegen, waarvan de een behoort aan de weduwe van Eling Koopmans en de andere aan Hendricus Hazinga beide te Oosterzee en onder behoor van Echten op de scheiding tussen Schoterland en Lemsterland een brug toebehorende aan de kerkvoogdij van Oosterzee bij passage wordt hier tol geheven, maar aangezien het alleen particuliere eigendommen zijn kunnen wij daarover niet beschikken.
25 augustus 1858: Aan de heer de hoofdingenieur van den Waterstaat in Friesland, wordt bericht dat de Raad besloten heeft in de oude waag een lokaal beschikbaar te stellen voor het verlangen van een telegraafkantoor en daarvoor het nodige plan en bestek te zullen gereed maken. Gevraagd wordt of tegen de plaats ook bedenkingen bestaan.
1859
25 februari 1859: Een brief aan Ged. Staten waarin bestek en voorwaarden voor het optrekken der Oude waag en het bouwen van een telegraafkantoor te Lemmer wordt omschreven.
24 mei 1859: Namens de hervormde gemeente te Oosterzee went het gemeentebestuur zich tot Ged. Staten om via het provinciale college van toezicht over de kerkelijke administratie der hervormden in Friesland machtiging te krijgen tot de verkoop van enkele vastigheden en een inschrijving op het grootboek teneinde de opbrengst daarvan te besteden tot de kosten voor de reeds in aanbouw zijnde kerk en toren te Oosterzee.
9 juli 1859: Aan de heer commissaris des Konings wordt bericht, dat de opneming van het nieuwe telegraafkantoor heeft plaatsgehad en het werk door de aannemer naar genoegen is opgeleverd. Verwacht wordt dat de ingebruikstelling in het begin der maand Augustus voor de dienst in gebruik zal kunnen worden gesteld.
1860
17 januari 1860: Aan de Rechterlijke Macht in onze provincie wordt een exemplaar van de vastgestelde en door Ged. Staten goedgekeurde verordening der invordering en het heffen van een belasting op de honden toegezonden.
2 juni 1860: Aan Z.M. de Koning wordt een verzoekschrift gericht om medewerking voor het uitdiepen van de haven te verkrijgen.
23 november 1860: Namens de raad richten b. en w. zich in een request tot de Minister van Binnenlandse Zaken, betreffende het Rijkstelegraafkantoor. Zij vragen dat het kantoor voortdurend blijve bestaan en de eerste twee jaren zonder bijbetaling van de mindere opbrengst door de gemeente, welke bepaling bij de daarstelling van het lokaal voor deze dienst door de gemeente is ingelost. De kosten voor de gemeente hebben f 1738.09 bedragen. De kosten van exploitatie bedragen jaarlijks f 1500,- en de opbrengst heeft over het eerste jaar slechts f 660,- opgebracht, zodat de gemeente f 840,- zou moeten bijpassen, wat voor haar onmogelijk is, toch vraagt zij instandhouding van het kantoor, omdat dit voor Lemmer en omgeving, maar vooral voor de scheepvaart en de Stoomboot -en diligencediensten van groot belang is. Bovendien wordt nogmaals gewezen op de toezegging het vorige jaar gedaan, om Lemmer door een onderzeese lijn met Noord-Holland te verbinden.
17 december 1860: Aan de schoolopziener wordt medegedeeld, dat de raad besloten heeft en goedgekeurd door Ged. Staten, dat het aantal scholen in deze gemeente zal bedragen:
1. Een openbare school voor lager onderwijs voor jongens en meisjes op het Turfland
2. Een dito achter de kerk der Hervormden (armenschool) de eerstgenoemde zal de thans bestaande afzonderlijke jongens- en meisjesschool vervangen de raad heeft tegen combinatie van deze scholen geen bezwaar gezien; dit kan echter niet eerder geschieden dan in één van beide scholen een vacature ontstaat.
18 december 1860: Aan Ged. Staten wordt bericht, dat de nieuw aangelegde kunstweg van Pasveer naar Echtenerbrug geheel is afgewerkt en de werklieden bezig zijn de derde grindlaag op die weg te brengen. De opneming en schouwing wordt bepaald op 3 januari 1861, waarbij het college van Ged. Staten wordt uitgenodigd om 11 uur bij Pasveer aanwezig te zijn. Naderhand is deze opening vastgesteld op 31 januari 1861