Brieven van de Grietman Lemmer 3

1821

Brief van 17 januari 1821; Aan zijne Exc.  de Here Minister van het Publiek Onderwijs de Nat. Nijverheid en de Koloniën. Ik waag mij om u te schrijven, dat die Nijverheid welke de grootste invloed op het volksbestaan kan hebben, zo waag ik het mij rechtstreeks aan Uwe Excellentie te adresseren ten einde de hoge protectie van uwe Excellentie in te roepen, op een poging welke te Lemmer wordt ondernomen en door het grietenij bestuur aldaar wordt aangemoedigd tot weder opbeuring der thans verlopene en weleer bloeiende handel in tonnenvlees. De afschaffing van de belastingen op het beestiaal heeft een ruime teugel gegeven aan de baatzuchtige woeker, welke al dadelijk trachten winst te doen met ongezond vlees of bijvoeging van koppen en meerdere gelijk afval. Deze kwalijke praktijken hebben de meest nadelige invloed voor de gehele handel in tonnen vlees gehad. Het veler nadeel heeft dan ook aanleiding gegeven tot de klikken Koninklijke Koloniale en Marine dienst, een meer moeilijke wijze van aanschaffing van voorraad van gezouten vlees heeft moeten kiezen. En verder tot dat einde heb ik de eer uwe Excellentie te solliciteren zo mogelijk bij de Koloniale dienst wel een proef te willen doen nemen van het hiervoor omschreven tonnenvlees, waarvoor door de ondernemers 13 tonnen disponibel zijn gehouden. De prijs is f 40,- per ton inhoudende ruim 98 Nederlandse ponden, d.i. 200 ponden oud gewicht netto, terwijl onder de prijs alle onkosten van tonnen, zout en plomberen zijn inbegrepen

Brief aan de burgemeester van Schiedam d.d. 7 maart 1821; De grietman van Lemsterland wijst erop dat de handelsbetrekkingen welke er bestaan tussen de meest aangelegen plaatsen in Friesland en Groningen en de stad Schiedam, in gedistilleerd menigvuldig zijn en het veilig on-kostbaar en spoedig transport van jenever van Schiedam naar het noorden is gevoeglijk iets belangrijks, hetwelk een speciale geest van een der inwoners van mijn gemeente heeft gaande gemaakt. Een plaatselijke schipper met name Tjibbele Botes Rouwkema, wil een geregeld scheepsveer openen van Lemmer op Schiedam, met de bedoeling naast andere vracht voor een zeer matig loon de jenever van Schiedam te vervoeren en van Lemmer naar aangelegen plaatsen, in de provincies Friesland en Groningen over te brengen de grietman bevel het een en ander aan en ondertekent namens

De assessoren A.A. van Andringa de Kempenaer

Gezouten vlees. Uit een brief gedateerd 9 maart, blijkt dat de minister van Nijverheid Marine en Koloniën een proef met het gezouten vlees neemt, omdat de gereserveerde 13 tonnen vlees per beurtman naar Amsterdam worden afgezonden.


1823

Veenblazen in Echten en Oosterzee waren in 1823; Jan Jans Oord, Klaas Jochems Muurling, Wolter Hendriks Ruiter, Koop Jochems Mast, Rintje Klazes Tromp en Jan Meines Kleinsma.

8 augustus 1823: Aan de eigenaar van de veren te Lemmer op Amsterdam, wordt door grietman bericht dat een afschrift van een Request aan zijne Majesteit de Koning is ontvangen, gepresenteerd door Eduard Taylor wonen de aan de Vuursche, provincie Utrecht houdende het verzoek om een concessie om een stoomboot te Laten vertrekken op gezette tijden van Amsterdam naar de Lemmer en terug tot het vervoer van passagiers en vrachtgoederen.

(In de zomer van 1823 vroeg Eduard Taylor, die op de hofstede "Ridderoord" bij de Vuursche woonde, concessie aan voor stoomvaartlijnen van Amsterdam op Utrecht en op De Lemmer. Maar nog voordat die hem zou worden verleend bestelde hij een schip van 36 meter lang bij de werf van Van Swieten. Onder zijn invloed en die van de ASM werden de eerste stoombootverbindingen tussen Amsterdam, Hamburg en Lemmer opgezet. Deze schepen vormden de vroege voorlopers van de latere, beroemde Lemmerboten.)

De reactie is een lange brief, maar ingekort was de Grietenij van Lemmer het hier niet mee eens met de bemoeienissen van de heer Taylor: Resumerende komt het Grietman en Assessoren hoogst onbillijk voor en ook nadelig en voor het minst ook zeer gehazardeerd zouden toeschijnen als de gevraagde concessie wierde toegestaan. Dan wij onderwerpen onze gevoelens eerbiedig aan beter oordeel en zo tegen ons gevoelens en verwachting het zijne Majesteit de Koning mochte behagen de ontegenzeggelijke vernuftige uitvinding der stoomvaart op de Zuiderzee te verstevigen, wij alsdan gaarne hulde aan de waarheid van het ten requeste gepasseerde door de heer Taylor, dat namelijk de vaart van Amsterdam over Lemmer, zonder enige twijfel behoort onder de grote communicatie des Rijks, als zijnde deze voorname weg zo binnenlands tussen Holland, Friesland, Groningen en Drenthe, het als buitenlands met het gehele noorden van Duitsland Oost-Friesland, Hamburg en Bremen, mitsgaders Denemarken, Zweden en Noorwegen. Bijaldien het zijne Majesteit de Koning mogte behagen stoomvaartuigen op de Zuiderzee toe te laten, varende van de ene haven na de andere, het bestaande octrooi met de bepalingen van het besluit van 21 augustus 1818 van kracht zal blijven en al waarvoor wij eerbiedig verzoeken dat in zo'n danig geval wij mogen worden geautoriseerd om aan de eigenaren van het bestaande zeilveer te proponeren voor hun rekening en risico. Zonder tussenkomst van vreemdelingen een stoomvaartuig aan te leggen

w.g. S.B Stellingwerf
ass. Grietenij Lemsterland


1825

29 april 1825: Grietman en assessoren van Lemsterland, doen aan de eigenaren van het veer van de Lemmer op Amsterdam een kopie toekomen van een Request aan zijne Majesteit de Koning, namens de heer Napier kapitein in Engelse dienst, houdende het verzoek tot het obtineren van een octrooi van Amsterdam naar de Lemmer v.v. met geheel van ijzer vervaardigde stoomvaartuigen tot transport voor reizigers en koopmansgoederen en ter vervanging der gewone beursschepen. Nodigen uit binnen 8 dagen daarop advies te ontvangen.

Brief van 15 juni 1825: Assessor Stellingwerf deelt de heer Gouverneur van Friesland mede, dat heden bij hem uit Den Haag is ontvangen de smartelijke tijding, dat aldaar op de 13e deze maand ‘s namiddags één uren is overleden de Hoogwelgeboren heer Jonkheer A.A. van Andringa de Kempenaer, in leven grietman van Lemsterland, de laatste brief door grietman van Andringa de Kempenaer, getekend is van 29 september 1824.


1826

In 1825 was er de watervloed geweest, die het dorp onderwater had gezet en tallozen dakloos achterliet. Een jaar later kwam de galkoorts. Op 3 augustus 1826, vraagt de Grietman bemiddeling van de gouverneur om indien de galkoorts-epidemie erger wordt, hulp van meer medicatie te zenden, aangezien er slechts 3 doctoren zijn, het aantal patiënten 500 bedraagt, doch niet kwaadaardig is, aangezien er slechts 16 sterfgevallen zijn geweest in de loop van Juli j.l.

4 september 1826: De galkoortsziekte is de afgelopen maand kwaadaardiger geworden, aangezien de afgelopen maand 69 personen zijn overleden, terwijl dit normaal 6 per maand bedraagt. Dokter Witteveen, is ook ziek geworden deze heeft plusminus 200 patiënten en deze liggen thans zonder hulp. De grietman vraagt bemiddeling van de gouverneur om een bekwaam medicus te zenden tot afloop van de heersende ziekte of herstel van dokter Witteveen.

7 oktober 1826: Nogmaals gaat er een brief om hulp naar de gouverneur. Er zijn vele dorpen in de provincie die geheel van hulp zijn verstoken. In Lemsterland zijn nog twee artsen en daarom is hierin niet voorzien. Alleen bij tijd en wijlen zal de dokter van der Moer te Heerenveen kunnen invallen en eveneens medicus Fledderus. Thans gaat een medicus over een van de gemiddelde van gemeente van 9300 zielen, waaronder 600 zieken. De volksklasse is geheel zonder hulp. Daarom wordt nogmaals een beroep gedaan op de gouverneur om te kunnen voldoen aan de heilzame bepalingen ten nutten der leidende mensheid voorgeschreven in Ued. besluit van 27 september 1826.

4 november 1826: Ruim 400 zieken lijden wezenlijk gebrek vooral in Oosterzee en Echten, waar de nood het hoogste is, hebben van gemeentewege al eens bessensap verstrekt en ook verschoningen. De assessor vraagt ook geldelijke steun, de Grietman blijkt dan ook ziek te zijn.

21 november 1826: Aan de gouverneur wordt op diens verzoek bericht dat in alle 5 dorpen in de grietenij kerkhoven aanwezig zijn. Het kerkhof van Lemmer is uit hoofde van de vele sterfgevallen bijna gevuld, doch men zal zich gemakkelijk graven op de kerkhoven der nabij gelegen dorpen kunnen verschaffen, als zijnde zeer ruim en waarvan thans reeds en vroeger veel gebruik werd gemaakt. Op last van zijne Majesteit is direct het begraven in de kerken verboden.

13 december 1826: De ziekte neemt geleidelijk af.


1827

28 maart 1827: Brief van Grietman aan Gouverneur; De grote binnenpolder van Eesterga en Follega, is gisteravond overstroomd door opgestuwd water uit andere delen van de provincie. De polder is geheel overstroomd en er staat circa één el water op de landen op de landerijen. Ook de polders in Echten en Oosterzee hebben wateroverlast, echter in andere mate. Op sommige plaatsen is echter de rijdweg geïnundeerd.


1828

27 februari 1828: Aan de here gedeputeerde Staten van Friesland; Het grietenijbestuur van Lemsterland heeft de eer aan uw Ued. ter voldoening aan de resolutie van de, 28 augustus 1827 no 19 provincieblad nummer 122 betrekkelijk het door zijne Z.M. bepaalde ten opzichte van het niet begraven van lijken in de kerken enz. het aanleggen van nieuwe begraafplaatsen enz. de volgende mededeling de suppediteren. Dat het reeds door de plaats gehad hebbende buitengewone sterfte, in de jaren 1826 en 1827 voor het emoveren van het Koninkl. besluit noodzakelijk was geworden een nieuwe begraafplaats voor het dorp Lemmer aan te leggen en het bestuur geen betere en geschiktere gelegenheid daardoor heeft kunnen vinden, dan door het aankopen van een stuk land even buiten het dorp gelegen en geen communicatie met het bebouwd gedeelte hebbende. Dat verder de aankoop en de reeds volbrachte in orde making van deze begraafplaats bestreden moet worden uit de somma van f 1500,- daartoe op de staat van begroting voor het jaar 1827 voorgedragen en door Ued. bij resolutie van 30 mei 1827 toegestaan. 


1829

31 januari 1829: Aan Z.M. Majesteit den Koning der Nederlanden, prins van Oranje Nassau, Groothertog van Luxemburg enz enz. enz.

Lemmer is sinds de invoering der kantons van de vrederechter ten alle tijden geweest de hoofdplaats van het kanton. Dat de onlangs aangenomen wet betrekkelijk de rechterlijke indeling der provincie Friesland, waarbij bepaald is dat de grietenij Lemsterland, met de drie Grietenijen Gaasterland en Doniawerstal, benevens de Stad Sloten zal uitmaken het vierde kanton van het Tweede Arrondissement dezer provincie de vrees heeft doen geboren worden, dat de hoofdplaats van het kanton verlegd zou worden naar de naburige stad Sloten, welke telkens het eerste van alle tot het vierde kanton behorende plaatsen het eerst genoemd wordt. Het grietenijbestuur wenst gaarne dat de hoofdplaats van het kanton in Lemmer blijft gevestigd en neemt de vrijheid enige aanmerkingen onder de ogen van uw Majesteit te brengen, welke voor het verlangen van het grietenijbestuur pleiten.

Uit de aangevoerde argumenten blijkt dan dat Lemsterland 3669 zielen telt, Lemmer 2118 en buiten Lemmer 1551. Doniawerstal telt tel 2167 en Gaasterland 2811 zielen. Sloten heeft slechts 428 inwoners. Lemmer is de voornaamste plaats alhoewel geografisch niet in het midden gelegen, toch voorkeur geniet en ook steeds heeft genoten. De meeste zaken voor het vredegerecht zullen ook uit de boezem van Lemsterland komen. Het zou zeer bezwaarlijk zijn de kartonrechter en deszelfs assessoren, griffier, deurwaarders, alsmede de ontvanger der registratie behoorlijke huisvesting in de stad Sloten te bezorgen. In de Lemmer is dat geen probleem, mede daarom wordt verzocht Lemmer tot hoofdplaats van het kanton te bestemmen.

(Het kantongerecht werd ingesteld als opvolger van de vrederechter uit de Franse tijd (vanaf 1810). Het kanton Lemmer omvatte destijds de gemeenten Lemsterland, Sloten, Gaasterland en Doniawerstal. Per 1 mei 1934 werd het kantongerecht Lemmer opgeheven, waarna het gebied werd toegevoegd aan het kanton Sneek. Tegenwoordig valt de locatie Lemmer onder het rechtsgebied van de Rechtbank Noord-Nederland, die rechtspraak verzorgt in de provincies Friesland, Groningen en Drenthe.)

5 mei 1829 brief aan de Gouverneur; Ik vind mij verplicht u Hoog Ed. Gestr. voorlopig te informeren dat op gisteren door de heer vrederechter van het kanton Lemmer, schriftelijk informatien en getuigenissen van personen zijn genomen, welke gewerkt hebben aan het verplaatsen van enige lijken, hetwelk in het algemeen belang in de maand december van het vorig jaar zonder UED. Gestr. voorkennis in de Lemmer heeft plaatsgehad.

16 mei 1829: Brief aan officier van justitie te Sneek. (Betreft proces-verbaal over het zogenaamde schenden van de begraafplaats te Lemmer, sluit aan op de verklaring van de vrederechter te Lemmer) Donderdagavond van het gepasseerde jaar, zijn 32 lijken van een min gunstige naar een meer gunstige plaats, op een professioneel in de tijd der geheerst hebbende ziekte gebezigde begraafplaats overgebracht en dat deze verplaatsing op een alleszins betamelijke en geregelde wijze is ten uitvoer gebracht. Dit is gedaan omdat het terrein voor het stichten van een nieuwe school voor het dorp Lemmer door de grietenij raad besloten was. De verplaatsing der kisten is met overleg en na bekomen goedkeuring van de heer gouverneur te werk gegaan. De grietman zegt zijn bewondering niet te kunnen verbergen, wat de heer Vrederechter kan bewogen hebben een daadzaak, welke hem van den beginnen af niet onbekend kan geweest zijn en nu na een tijdsverloop van ruim 4 maanden eerst ter kennisse van UED. Gestr. te brengen niettegenstaande gene der daarbij wezenlijk geïnteresseerde personen over deze maatregel, welke in het algemeen belang is geschied, enige bezwaren tot dusverre heeft ingebracht.

9 november 1829: Gezondheidsdienst te Leeuwarden wordt gevraagd een overzicht van de bevolking. Hieruit blijkt dat in het najaar van 1821 en het voorjaar van 1822 in Lemmer typus heeft geheerst, waar als gevolg van meer dan 30 sterfgevallen zijn voorgekomen.


1830

13 oktober 1830: De grietenijraad acht het wenselijk, dat voor het winterseizoen tot het instellen van nachtwachten wordt overgegaan, ter bescherming van personen en eigendommen van ingezetenen. Naast de gewone nachtwacht zijn notabelen bereid ook één of meer nachtwachten aan te stellen en waartoe inmiddels de eerste stappen zijn gedaan. Voor de dorpen Oosterzee, Echten, Eesterga en Follega, zal een andere regel dienen te worden getroffen en zal men de ingezetenen tot een zodanige dienst dienen te verplichten, door middel van een keur, welke eerstdaags door de Raad zal worden vastgesteld en aan H.H. gedeputeerde Staten worden ingezonden.