Herinneringen van Teade Wouda e.a. 7
OOK TOEN VIELEN DE HERFSTBLADEREN.
De Zuidwestenwind, met op de horizon het laatste licht van de septemberzon, rolden de golven tegen de Lemster kust, toen de Zuiderzee er nog niet werkelijk aandacht afscheid te nemen door zich tot een meer te laten inkrimpen. De eerste vissers kwamen met de wind in de rug geleidelijk de haven binnen. Op het zogenaamde eindje van De Dam en ter hoogte van de aloude vuurtoren, met zijn immer beschermend licht, werden ze gade geslagen door altijd wel enige wandelaar als wijlen de heer Schirm, de vroegere eigenaar van wat nu het Schirm imperium is, gemeentesecretaris, De Boer en de bekende onderwijzer van de openbare school, S. de Vries.
Soms kon je er ook Klaas Knol, aantreffen de actieve banketbakker uit de Schans, vaak gekleed in een sjieke geruite bakkersbroek en hagelwit jasje. Onlangs vierde hij met zijn dochter Wies en schoonzoon Guus Dasoul, in Bodegraven onder enorme belangstelling, ook vanuit Lemmer zijn ja... Honderdste! verjaardag. Het werd inderdaad een daverend feest met autoriteiten en een gelukstelegram van de Koningin. Een bijzondere dag voor een bijzondere man. Hij is ondertussen naar een bejaardencentrum in Heerenveen verhuist.
Meester de Vries, woonde heel vroeger op een bovenhuis bij het tramstation, het latere pand van de bekende Lemster familie Tijse de Rook. Daarna jaren op de Kortestreek. Met kapitein Grijpsma, van de nachtboot, was hij een van de eerste van het op gang komend bescheiden zeilwereldje, zo'n zestig jaar geleden. De Brekken lag nog in ontastbare stilte te dromen te midden van de watervogels op de zachte zomerse deining van (schoon) water. De er toen varende enkele boot had op de boeg het schuim als een goed getapt glas bier.
De inmiddels in de vluchthaven aangekomen aken en botters zochten hun vaste plaatsen. Voor het donker werd, luide de bel van de afslag nog een keer. De zee zat toen nog vol met spiering, paling, haring, bot, schol en garnalen. Sluiswachter Sander Coehoorn, taxeerde de lucht, maar zag geen rede iets met de stormbal te doen. Een weerbericht had hij evenals de schippers niet nodig. Ze voelden het zo wel. Het zijn allemaal dingen uit een tijd die nog een glimlach brengen voor oud Lemsters.
Gemeentereiniger Folkert, maakte in de rust van de vallende duister nog een rondje. Als altijd alleen. Een lange schrale gebogen man. Een soort verdoolde die vaak luidop sprak, alsof hij een verschil van mening met zichzelf had. Hij woonde in het Achterom in het Armhuis. Wonen is een veel te riante aanduiding. Want er was sprake van een armoedig en ongelofelijk troosteloos gebouwtje, waar ik als jongen het liefst haastig voorbij liep. Dit zijn van die gevoelsmatige dingen, die blijkbaar in onze innerlijke computer blijven geregistreerd, evenals bepaalde geluiden en geuren. De wel eerder genoemde Lammert was er ook gehuisvest. Hij had een oud al jaren niet meer lopend nikkelen horloge. Als we hem vroegen hoe laat het was, kreeg je steevast een tijd te horen die op dat moment nergens op sloeg. Toepasselijk stond hij bekend als, 'Lammert hoe laat is het'.
Folkert reed iedere dag met zijn wagentje met hoge schotten en een lange bezem door het dorp, driftig vegend en ging voor niemand een stap opzij. Als we een geintje met hem uit wilde halen, deed je er verstandig aan niet te dicht bij hem te komen, want hij wierp zijn bezem als een speerwerper, keihard en zuiver. Toen eens een zeldzame auto over de Nieuwburen scharrelde, verrichte Folkert, daar juist zijn dagelijkse bezigheden. In die tijd was er veel vervoer met paard en wagen. Het gevolg daarvan was dat er veel vijgen op straat lagen. Folkert bevond zich midden op de weg, maar ook nu ging hij geen centimeter aan de kant, eerst de straat schoon, ambtelijke dingen hebben voorrang, een auto dient te wachten. Dat kon toen ook zonder bezwaar.
Na lange jaren vol ijver zijn werk te hebben verricht, kwam hij in een tehuis in Joure terecht. Hij is zonder twijfel op zijn eigen manier gestorven: eenzaam, bijna naamloos zou je kunnen aannemen. Als het in de Lemmer had plaats gevonden, zou zijn onafscheidelijke lange bezem als symbool van ijver en zijn functie bij zijn bed hebben kunnen staan. Een paar dagen na zijn heen gaan vergezelde ook hem het geluid van de zware torenklok met zijn melancholieke klanken naar het kerkhof, een verstilde dag in september met reeds lange schaduwen en kleurrijke vallende herfstbladeren, die het pad naar zijn laatste rustplaats tooiden. Terwijl de baar passeerde dwarrelden ze, gedreven door onzichtbare hand, even op alsof ze een trouwe vriend een laatste groet wilden brengen.
Tenslotte hadden ze jaren zijn aandacht gehad, ofschoon Lemmer in die tijd niet bepaald een bomen land was. Maar nu waren ze zijn zorg niet meer. Ook niet het legen van zijn handkar in de Jiskepream die tegenover de Gedempte Gracht, een vaste ligplaats in het Dok had. Noch kon Age Boem, hem meer deren als deze, zoals hij dat deed in het voorbij gaan een straal van zijn tabaksap feilloos in zijn handkar mikte. Een dan opgeheven bezem had op Age geen invloed.
Jiskepream in het Dok.
Bedoelde praam was een van de lijndiensten van de gemeente om afval en de inhoud van de vermaarde tonnetjes te vervoeren. Naar "Siberië, een stortplaats als weidse benaming waar allerlei twijfelachtige, soms haast bewusteloos makende geuren ten hemel stegen. De plaats bevond zich een paar honderd meter voorbij de boerderij van Villa Nova aan de Zijlroede, met aan de andere kant de noordzijde de bekende Roggemolen van Koopmans. Beide bestaan allang niet meer. Evenmin het keiharde werk van de werkers, jong en oud, die toen o.a. rond de visserij bij de hangen werkten. Onlangs hebben we nog via Evert kunnen lezen hoe ze in een koude omgeving in de pekel werkten en gebarsten handen opliepen met de daaraan verbonden pijn. Maar over dat laatste hoor je hem niet. Wie de handen van sommige had gezien, begreep niet hoe ze het volhielden.
Terug naar Folkert. De aanduiding straatreiniger schijnt onder het kleed te zijn geveegd, om er echter aan de andere kant uit te komen met de veelkleurige benaming van milieuverzorger. Althans in de taal van onze vernieuwde boodschappers. Natuurlijk moet de taal werkelijk veranderde opvattingen volgen om levend te blijven. Maar dan wel door onderscheid makende begrippen en niet alleen ten dienste van de ingewijden via modieus groeps Bargoens. Woorden zijn dan voor anderen als aangeboden windeieren.
Folkert zelf zou stom verbaasd zijn geweest.
OPNIEUW OUD LEMMER
Geattendeerd door de leuke artikelen van Mej. Romkema en Jan Wouda, over het bovenstaande onderwerp, had ik als oud Lemster het gevoel dat een gordijn werd opgetrokken. Ja Lemmer was vooral in die tijd een dorp met een aparte sfeer en veel typen, waarover je een boek zou kunnen schrijven. Voorop moet inderdaad worden gesteld, dat het voor velen ook een tijd was van armoede, want het ontbrak hen vaak zelfs aan de noodzakelijkste middelen om zich voldoende te kleden en te voeden, waardoor hier en daar soms gebrek werd geleden. Nostalgie is goed en geen reden om te zwijgen, maar het is nooit meer dan één facet van bestaande omstandigheden, die altijd een minder aangename betekenis hebben. Jan Wouda is dit vast met mij eens.
Wij kwamen in 1914 in Lemmer. Mijn ouders woonde lange jaren aan de Langestreek. Door het beroep van mijn vader (deurwaarder) werd ik al spoedig 'Deurtje' genoemd, wat ik heel gewoon vond. Als ik nu en dan in Lemmer kom en achter mij plotseling zacht iemand hoor zeggen, is dit 'Deurtje' niet?, Dan ben ik er nog een beetje trots op. Het blijken oude bekenden de zijn, die ik graag de hand druk. Typische.. in Lemmer waren er zoveel. Zo herinner ik mij een zekere Bouwe de Pieper, die ergens in de Tuinstraat woonde. In het voorjaar door de pottenbakkerssteeg lopende, had hij de gewoonte de vogeltjes na te doen. Waarschijnlijk vandaar zijn typerende bijnaam, waarmee Lemsters zo sterk waren. Veel van deze dingen werden in één van de rokerijen geboren, waar allerlei liederen werden gezongen, vaak verband houdende met landelijke of plaatselijke omstandigheden. Zo herinner ik mij ook karakteristieke figuur die werd aangeduid als 'Pieter de Lieger', woonde achter aan op de Langestreek.
Pieter liep altijd met een lege kruiwagen, waarom hij dit deed is een mysterie gebleven......Als wij als snotapen tegen hem zeiden "Pieter denk er om de waarheid en niets dan de waarheid", dan moest je heel gauw weg zijn om een trap onder je achterste te ontlopen. Zijn bijnaam werd hoogst waarschijnlijk ontleed aan de fantastische verhalen die hij ons regelmatig op diste. Ook leefde er destijds een arme Jood in de Schans die vodden en van alles ophaalde en verhandelde. Hij had enorme grote schoenen aan, een rijzige figuur met een onafscheidelijke zwarte hoed en een lange donkere jas. Regelmatig zwierf hij langs 's heren wegen om wat te verdienen. Daar riep een boer vanaf zijn erf: "Hé Hijmans, kom eens hier, ik heb een handeltje voor je. Wil je deze koeien huid voor mij verkopen, kun je hem hebben"? Hijmans repliceerde: "Ik kan alles hebben, geef maar op". Toen hij veel later dezelfde route maakte, stond die boer weer bij zijn hek op het erf en riep al vanuit de verte "Hoe komt het met de opbrengst van die huid"? Nu moet men weten dat het slachten in die tijd streng verboden was, wat Hijmans natuurlijk heel goed wist. De boer kreeg dan ook het laconieke veel betekende antwoord: "Kun je zwijgen"? Waarop de boer gretig ja op antwoordde, met als reactie van Hijmans "Dan moet je er nooit meer over praten".
Zo is er veel meer te verhalen, maar dit zou dit stukje veels te lang en eentonig maken. Alleen nog iets over de voetbalclub L.V.V. Als de dag van gisteren weet ik nog dat het voetbalveld op het Lemsterhop in gebruik werd genomen. Hiervoor had zich de Heer Koole extra ingespannen, destijds opzichter van het waterschap, die helaas in de tweede wereldoorlog door een ongeluk om leven is gekomen. Hij was het niet alleen, want zo herinner ik mij ook heel goed dat huisarts dokter Snijder en andere enthousiaste mensen, niet te vergeten mijn goede vriend Piet Zwart. Deze mensen werden later geassisteerd door Uilke de Jong, ook wel scheidsrechter, en Jan Coehoorn, die in het begin ook ballen-bewaarder was. Als wij midden in de week wilde voetballen, dan konden we slechts met de meeste moeite een bal van hem los krijgen, oefenen werd blijkbaar in die tijd niet zo noodzakelijk geacht.
Het elftal is destijds aangevangen in de Friese voetbalbond om tenslotte op te klimmen naar de derde klas van de K.N.V.B. en naar ik meen ook nog in mijn tijd Tweede klasse K.N.V.B. Vooral de begintijd zit vol met aardige dingen. Zeer merkwaardige herinneringen, zo was de toen onze toenmalige Back die in de volksmond "Witte Jelle" werd genoemd, Andries Bootsma, de links half, had de vreemde naam 'Mauke'. Dan was er Joffre, de spil die enorm kon koppen, met in het doel lange Geert, die zelfs in de goal altijd correct gekleed was met een prachtige witte trui en zich manifesteerde als een doel verdediger van grote klasse. Genoemde Jelle was een mannetjesputter met een heel woest gezicht maar een man met een hart van goud.
Als spelers van het elftal konden wij heel best met hem opschieten. Mauke was een grote sterke kerel die tijdens de wedstrijden altijd schreeuwde 'IK' indien wij samen op de bal afrenden. Hij speelde eerst de man en dan de bal. Degene die het ongeluk had tegen hem aan te botsen, ging onvoorwaardelijk tegen de vlakte, zulks tot groot genoegen van de publieke tribune die hem aanmoedigden. Daar bevond zich altijd zonder missen de bekende Lemster Willem Blauw, uit de Schans. Nog hoor ik in mijn dromen zijn boven alles uitstralende krijsende stem tegen mij, wanneer ik volgens hem iets niet goed deed: "Schop hem er uit, maak hem liever cornervlag".
Als ik hem de volgende dag tegenkwam, keek hij me aan met een grijnslach en een knipoogje, zo was Willem de Blauw in werkelijkheid. Ik zal het er ook wel naar gemaakt hebben. Deze voetbalclub zorgde er o.a. voor, dat er in die tijd heersende gevoelens, -van dat zijn zij- en dat --zijn wij- dit waanidee van af gescheidenheid tussen bepaalde maatschappelijke groepen, werd doorbroken, wat ik altijd als een groot winstpunt van de sport in Lemmer beschouwd. Tot slot wil ik nog memoreren dat de uitwedstrijden naar de voetbalclub "De Kooi" in Joure een hoogtepunt waren, vooral als het ging om het kampioenschap. De hele Lemmer stroomde zowat leeg. En zeker met 7 bussen ging men naar Joure, om deze aartsvijand met behulp van de supporters te verslaan. Het waren hevige duels, tijdens welke ik als licht gebouwde jongen geradbraakt van het veld kwam. Je moest niet tegen Rinze Slof oplopen, de spil van de Kooi, want dan kon je net zo goed vechten tegen een betonnen muur. Deze wist ook heel goed eerst de man dan de bal. Ik ga nu ophouden anders blijf ik praten.
ROERIGE DAGEN
Door Willem Rinsma.
Het zal omstreeks 1913 zijn geweest, dat het er heet aan toeging in Lemmer. Het was zo, dat de vissers voor de knechts moesten betalen ingevolge de ongevallenwet. Maar de vissers wilden dat niet, want ze zeiden: de knechts varen op deel, en zijn daardoor geen knechts maar deelgenoot. Dat was al een jaren lange strijd en daar moest maar eens een eind aankomen en een voorbeeld werd gesteld.
Dat voorbeeld trof oude Liekele Poepjes van de LE 69. Er werd door een deurwaarder beslag gelegd op de inboedel, en die zou per executie in het openbaar worden verkocht, zoals de wet voor schreef. Oude Liekele woonde aan het End, niet ver van de trambrug. Ik meende dat het op een middag zou plaats vinden, naar schatting in augustus. Het was in de tijd van botslepen, het was windstil, zodat bijna de hele vloot in de haven lag. Het was om twee uur zwart van de mensen. Het raam in de voorkamer werd omhoog geschoven en wat er verkocht zou worden werd daar vertoond.
Er moest natuurlijk niemand het lef hebben te bieden. Een broer van Johannes Poepjes, zou alles kopen en mijnde alles af voor één of twee centen. Er stonden twee marechaussees in de gang bij de voordeur en daar dichtbij Andries Blaauw, dat was zo'n beetje de geestelijke leider. Toen kwam er een fiets voor het raam in de kamer, dus binnen, en dat was niet in het openbaar. Het bevel van Andries de Blaauw luide: "Dat mag niet.. Mannen er in"!
Voor het huis was een bleekveldje met een hek er omheen, en in minder dan geen tijd was iedereen bewapend met lat of paal, en dat ging de gang in. De Marechaussees zouden de sabels trekken, maar daar kwamen ze niet aan toe. Toen de sabels half uit de schede waren werden ze hun afgenomen en op de knieën in tweeën gebroken. De marechaussees werden naar buiten getrokken en geduwd en hun uniformen in stukken van hun lichaam gescheurd. Eén was er bij met een rooie hangsnor, er zei iemand tegen hem: "Toen en toen heb je me te pakken gehad", nu gaan we jouw verzuipen!.
Een paar man hadden zijn benen vast, een andere de armen en zo waren ze hem aan het heen en weer slingeren om hem in de Zijlroede te gooien. Toen kwam Andries Blaauw er aan hollen en riep jongens dit gaat te ver! en gelukkig lieten ze de man vallen. Ik heb er later niks meer van gehoord. De verkoping was gelijk afgelopen.
Een paar jaar later was er weer een roerige dag. Een ploegje Skûtsje schippers P. Br. (De Kruik) (De Flappert) en anderen hadden zeker een dolle dag en zetten de boel op stelten. De politiemannen rooie Doede en Venema, die ze de schieter noemden, en dan had je een Rijksveldwachter, eerst was dat Bijkerk, maar later was dat Visser, zo'n strenge magere man met de bijnaam 'Bonkerak'. Rijksveldwachters droegen toen nog helmen met in het midden zo'n blank stalen verhoging, het deed wat Duits aan.
De politie probeerde 's middags wat van die knapen in de cel onder het gemeentehuis te krijgen, maar dat ging niet zo gemakkelijk. Maar toen gingen ze er met de blanke sabel op af en Visser met getrokken revolver. Toen er een stuk of wat opgeborgen waren, dreigde er een stormaanval van een stel heethoofden op het gemeentehuis en ik hoor Jan Scheffer nog zeggen met een paar wilde ogen "De politie hoeft p.v.d. niet altijd te winnen" Toen kwam de kantonrechter van Baelen op de proppen. Dat was een grote man en hij schreeuwde op bevelende toon: "Ik duld geen samenscholingen", even later kwam de bereden Marechaussees, uit Sloten en de rust keerde weer.
Nu slaan we wat jaren over en stappen, naar ik denk 1919 binnen. Er was in de eerste wereldoorlog 1914/1918 flink verdiend. Het was voor Holland wel geen oorlog, maar mobilisatie. Doch door blokkering was het voedsel krap en daardoor de vis prijzig. Het was net als in 1946 dat in 1919 de vissers een aanslagbiljet van achterstallige belasting in huis kregen, die er niet om loog. Die aanslagen liepen in de vele honderden. Het was toen niet anders als nu. De mensen hadden een hekel aan belasting betalen.
De meesten hadden een huisje gekocht en dat viel nu bitter tegen. De meeste vissers moesten bij de belasting inspecteur komen in Heerenveen, maar ze hadden geen poot om op te staan, want welke visserman hield er nu een boekhouding op na?. De meeste waren al blij als ze gebrekkig konden lezen. 't Gaf hen weinig als ze zeiden dat ze alle visbenodigdheden zwart moesten kopen, wat inderdaad het geval was, alles was op de bon. De vissers visten 20 van de 24 uur en gingen naar zee met speculaas in plaats van brood en kilo's zwart vlees, want dat was genoeg te krijgen, als je maar geld had en dat was er wel.
Dikke Jan Poepjes, woonde in die tijd aan de Tjonger en bracht alle dagen vlees rond in een schelvismand. De arbeiders met weinig geld kregen een klein stukje eenheids worst op de bon. We hebben in die jaren veel zootjes bot weggegeven aan knechts van de blokmakers, smeden en mensen van de Helling. Als je ook wist wat die mensen verdienden!. Rein Kool was knecht op de Lemmer nachtboot en werd plm. 1916 havenmeester met het vorstelijk salaris van, schrik niet zes gulden per week. Wij betaalde voor een liter lijnolie 15 gulden.
Maar om op de belastingen terug te komen, het regende aanmaningen en de vissers maar reclameren en hopen dat de aanslagen zouden verminderen, maar daar was geen kwestie van. En zo werd er een begin gemaakt aan de inbeslagneming van de inboedel van Ome Gauke Bootsma uit de Tuinstraat, waar nu nog Sake Bootsma woont. Maar ze hadden met de verkoping van de inboedel van Liekele Poepjes indertijd leergeld gehad en zouden nu de inboedel in Sneek gaan verkopen. Maar er werd niet gerekend op de solidariteit van de visserslui. Mijn vader ging met de aak en een groep vissers aan boord naar Sneek. Bij het verkooplokaal werden eventuele kopers bewerkt, zodat geen het lef had om te bieden op de goederen. Mijn vader kocht alles weer op voor één en twee centen. Net als eertijds als bij Poepjes. Alles werd weer ingeladen en het ging weer in triomf op Lemmer aan. Wij hadden gewonnen, maar dat was maar tijdelijk.
De andere vissers hadden hun huisboedels opgeborgen in schuren en pakhuizen. Er lag zelfs geen linoleum meer op de vloeren (vast tapijt was nog niet uitgevonden) alleen een bed, tafels en stoelen mochten, zoals de mensen zeiden, niet in beslag worden genomen. Maar dat hoefde allemaal niet meer, ondanks de revolutietoestand. Het badhuis op de Dam brandde af, toch ging de belasting inspecteur door. De toestand was gespannen en de marechaussees patrouilleerden door de Lemmer.
Nu moest mijn vader, die z'n zwager zo had geholpen er maar aan geloven. Hij werd failliet verklaart en moest bij de inspecteur in Heerenveen komen. Hij kon praten als brugman, maar had geen succes. Toen naar een advocaat en die kon met moeite het faillissement opgeheven krijgen. Het koste hem een hoop geld zoals U wel kunt begrijpen.
De andere vissers begonnen hem te knijpen en vele moesten een hypotheek op hun pas verworven huisje nemen, om de belasting te betalen. Zo ging het toen ook al, dus er is geen nieuws onder de zon Tegen de bierkaai valt niet te vechten.
SPIEGELBEELD
Het had die hele herfstachtige dag echt vies geregend. Lemmer had dan in die tijd een troosteloze aanblik, zoals dit trouwens overal het geval is. Stilte hing als een waas over het dorp en werd nu en dan verbroken door de toeter van een schipper, die de brug wenste te passeren en daarvoor brugwachter Zijlstra, nodig had. In het Dok lagen een paar schepen en voor de deur van smederij van Putten de sleepboot van Duiker. Pa Duiker was meestal met zijn boot onderweg. Het was tenslotte zijn broodwinning, bijgestaan door zijn actieve jongens, Gerrit en Atte. Ze zwierven door het hele land en naar ik meen ook door de kop van België. Dat was toen héél ver van huis. Het waren uitstekende vakmensen met een bekende naam. Pa Duiker, een kleine bedrijvige man, moest je niet met praatjes aankomen; je werd dan gauw op je plaats gezet en zijn jongens wisten dit.
Hun woonark lag vlakbij de Waaigat-brug tegenover de smederij van de Gebr. Hollander, waar het altijd gonsde van de activiteiten. Buiten de jongens woonde mevrouw Duiker en de dochter Gesina in de woonboot. Zij had altijd voor iedereen een gulle lach. Vaak ben ik in hun Ark geweest. Met zijn kleine kamertjes had een dergelijke bewoning een aparte bekoring en hier kon je nu letterlijk vanuit het venster vissen. Op de wal stond een grote tank waarin water werd bewaard. Ik herinner mij levendig dat Gerrit op een dag enthousiast luidkeels riep: "Wij krijgen pudding, wij krijgen pudding, hoera"! Moeder Duiker hield deze traktatie, dat was in die tijd kool in de water tank en tegen 12 uur bracht zij de lekkernij (in een grote kom in visvorm) naar binnen, gevolgd door ons als een sleep jonge eendjes. Ik mocht zowaar een hap meeproeven Het was vanille pudding. Ik sta zelf verbaast het nog te weten.
Aan de andere kant van de brug parkeerde in die dagen het "Vlaggenschip" van de Gemeente Lemsterland, de alom bekende tonnetjes praam die een vaste lijndienst tussen Lemmer en Syberië (een stortplaats enige honderden meters voorbij de Gasfabriek en de Roggemolen) onderhield. In de twintiger jaren was een dergelijk vervoer heel normaal. Wie op de luchtjes lette hoorde er niet bij. Een echte WC was een verre luxedroom.
De dingen omtrent Lemmer flitsen uit mijn herinneringsbank toen ik onlangs door het dorp dwaalde. Later zag ik in deze krant een afbeelding van een oude sleepboot waarvan de heer van Duuren mede eigenaar is. Diens vader Frits van Duuren, heb ik heel goed gekend. Frits zelf en weer zijn vader waren destijds bekende stoomketelbouwers met een bedrijf aan het Vliet te Leeuwarden.
Ook nu was het Dok alweer bijna geheel gestoffeerd met luxe boten van heinde en verre. De gezellige bedrijvigheid was weer bezig op gang te komen. Als de bewoners rond de streken van de twintiger jaren en daarvoor dit konden zien, zouden ze hun ogen niet geloven. Want alles is nu in flagrante tegenstelling met de oude (goede?) tijd met zijn paar beroepsschepen. Op de wal gasverlichting naast o.a. met de hand gedraaide bruggen. Bij lange koude winteravonden werd dan een goud geel schijnsel weerkaatst door de met sneeuw bedekte straat.
Het zo aansprekende, haast geheimzinnige effect ervan is heden haast niet terug te vinden. Wel de ronde bollen van melkglas op de lantaarns, want die zie je steeds meer terug keren. Wat gelijk bleef en altijd zal blijven, is de deinende weerspiegeling van de gevels in het water langs de streken. Ook het ruizen van de wind door de bladeren van de stoere bomen voor het fraaie "Herenhuis" van de heer Bakker, destijds zolang bewoond door de familie Luiking. Ik denk dat deze trotse bomen op enige generaties hebben neer gezien en veel zouden kunnen vertellen. Want lief en leed gaan altijd hand in hand.
Vlak naast ons woonde timmerman aannemer Sietse van der Wal en bakker van der Meer. Aan de andere kant de familie Visscher, hij was machinist op de vrachtboot naar Groningen. Er waren twee dochters ook een Clara?. Misschien kennen ze mij nog. Verderop was het huis van Jozef en Sara Blok, broer en zuster waar ik zo vaak ben geweest. Weer verder het huis met de blauwe stoep van burgermeester Pollema. Later zijn opvolger de Heer Slump, die in de buurt van Eesterga, door een noodlottig ongeluk om het leven kwam. In Lemmer heerste diepe verslagenheid, deze burgemeester was zeer populair door zijn eenvoud en zijn vriendelijkheid jegens iedereen.
Siemen van der Wal, is de zoon van genoemde aannemer. Hij is altijd in Lemmer gebleven en staat bekend om zijn uitzonderlijke teken en schilderwerk, wat ik reeds bewonderde o.a. een grootdoek wat enige tijd in de etalage van mijn vriend Henk Molenberg, heeft gestaan. Het onlangs door Siemen getekende 'Molentje' bij het stoomgemaal trok mijn speciale aandacht het opende van binnen een register. Ja dat Molentje. Het stond daar maar te staan trotseerde weer en wind, als een silhouet tekende het zich af tegen de westelijke hemel, wanneer in de vallende avond wanneer hemel en aarde geruisloos tezamen vloeien.
Hier was ook het operatiegebied van rode Meine, die ergens op 'Het Eind' woonde. Hij was binnenschipper en we zagen hem ook wel met een jachtgeweer. Meine is naar ik meen jong gestorven. Ik herinner mij hem als een kleine gedrongen man die wel eens plaagde. Toen wij hem eens in de buurt van de vroegere boerderij, 'De Musterd' zagen varen riepen we: "Meine, bistou jager?" Meine: "ja wis". Wij "Maar dou kinst ommers net ienris sjitte".Meine: "O, nee? Sjogge jim dêr dy âld roek wol op 'e hikke sitten?" Meine allang geïrriteerd door onze treiterende praatjes legde lang en nauwkeurig aan en Bang de roek vloog verschrikt weg en om het nog erger te maken, vloog hij langzaam terug. Meine dik de pest in.
Voor het vroegere ouderlijk huis, hoek Langestreek/Pottebakkerssteeg, waar zich nu een kapperszaak bevind en waar Max Koole ook een paar jaar in het benedengedeelte heeft gewoond. Te midden van deze overpeinzingen hoor ik ineens, voor mijn gevoel uit een schemerige verten iemand roepen, "Dat koe Deurtje wol wéze ja wrachtig it is Willem". De aanroepende kennis wordt de hand geschud. Hij informeert of Willem misschien in de plomp wil springen. Geen sprake van! Wel als jongen, wanneer tijdens de kermis zwemwedstrijden werden gehouden, met aan beide kanten van het Dok een stimulerende groep belangstellenden, maar nog méér critici.
Op weg naar zijn boot ontmoet ik Harm van der Wolf, ex smid en drogist. Ondanks al zijn niet geringe belevenissen door ernstige verwondingen in de oorlog, bleef zijn optimisme recht overeind en dat redde hem ook in zijn donkere uren. Vertellen kon hij nog net als vroeger. Ik wenste hem het allerbeste. Rond de Streken werd het al stiller. Groentehandel Lemstra, was al aan het sluiten door zijn spullen naar binnen te halen. Een jacht eigenaar zat wat verveeld achterop zijn boot. De manier waarop hij echter handig iets in een glaasje als "aards genot" achterover sloeg, verraadde jarenlange oefening van een vakman.
Voor de bezoeker werd het tijd om op te stappen. Bij goede oude vrienden bleken de deuren goed op slot te zitten. Op de stoep voel je eigenlijk al dat er niemand thuis is...zeker op reis, de hemel mag weten waarheen. Want zo zie je ze en morgen komt er in onze tijd een kaart uit Bangkok of een ander werelddeel. In de twintiger jaren was voor sommigen het tweede Brugje bij Eesterga al aardig over de streep, laat staan naar Heerenveen of Oranjewoud, tijdens een schoolreisje met de aloude hijgende Bokketram, maar wat een plezier.
SPOEKERIJ OP 'E LEMMER.
Door Andries Visser.
Op een avond heel lang geleden zaten 4, nog jonge kerels in de Herberg van Boukje, te kaartspelen. Het waren Wietse 'De Ottervanger' een kleine maar lenige vent, die jager en visser van beroep was. Tegenover hem zat Gerben Blei, een breedgeschouderde visserman met een beetje dom gezicht. Aan de zijkanten van de tafel zaten dikke Gauke ook een visser en grote Jildert 'De Biggenvanger' een boomlange kerel met hele grote handen, die boerenknecht in Eesterga was. Nu zou men zeggen hoe komt die boerenknecht zo tussen die vissers terecht, maar Jildert was stamgast en al jaren met de drie anderen bevriend. Hij was meestal goed bij kas, want in zijn weinige vrije tijd maakte hij ook nog klompen en als het winter was verdiende hij veel met hardrijden, want hij was een snelle schaatser die heel wat prijzen won. Een paar tafeltjes verder zaten 3 mannen te praten die ook nog een rol in dit verhaal spelen. Om te beginnen 'Linke Lowie' een Amsterdammer die altijd een geruite pet op had.
Hij was getrouwd met ene Margje die hij in Amsterdam had leren kennen toen die daar diende. Zij waren in Amsterdam getrouwd en toen kort daarna Margje's ouders vlak na elkaar overleden en Margje het huisje in het Achterom erfde, waren ze daar ingetrokken. Lowie ging elke zondagavond met de nachtboot naar de stad en kwam dinsdags terug, met 2 grote zakken vol tweedehands kleren, die hij in Lemmer en omgeving aan de man en vrouw bracht. Verder had hij altijd een zwart koffertje bij zich, maar wat daar in zat wist niemand, zelfs Margje niet.
Wanneer Lowie terug kwam zette hij de zakken met kleren in de gang neer, maar het koffertje ging achter slot en grendel en de volgende ging hij er mee weg en kwam dan pas de volgende dag terug. Wat er in zat wist niet één, maar Lowie zat nooit zonder geld. Eén keer had Margje gevraagd wat er toch wel in dat koffertje zat, maar Lowie zei "Niet Zeure". Wat niet weet wat niet deert en daar bleef het bij.
Naast Lowie zat Johannes 'De Parelduiker' een schriel kereltje die, als hij geld had, veel te veel dronk. Zijn bijnaam had hij gekregen toen hij eens, toen hij uit de "pisbak" die bij de brug stond kwam en de verkeerde kant uitging en in de binnenhaven liep.
Daarna had hij de naam parelduiker, maar de oorzaak was drank. Als derde zat bij hen Berend 'De Zalmsnijder' die ooit in slechte tijden een poosje bij een riviervisser was geweest, vandaar misschien de naam. Op zijn vaste plekje in de hoek bij de tap stond Jotje 'De Oostganger' met zijn diepliggende zwarte ogen. Verder waren er nog drie Groninger schippers, en dat waren zo'n beetje allen die op die avond bij Boukje zaten...
Toen het spelletje kaarten uit was bestelde Jildert 4 borrels en zei tegen zijn drie maten: "Ik zal jullie eens een vreemd verhaal vertellen"....
"Jullie kennen allemaal grote Siebren de schapenkoopman wel en je weet wel dat die om de bliksem niet bang is. Nu moetje maar eens horen wat die verleden week is overkomen. Hij moest een stekwagen met 6 schapen naar een boer ergens bij Schoterzijl brengen. De grote jongen van onze buren ging mee voor gezelschap en die kon dan ook mooi, de vele hekken open doen. Op de heenweg ging alles goed, ze leverden de schapen af en dronken nog koffie bij die boer. Maar omdat ze wat laat vertrokken waren, was het al bijna donker toen de terugweg werd aanvaard. Alles ging prima en het paard had er zin in toen het weer op de stal aanging. Zo naderden ze de "spoekershikke"....en Siebren zei nog tegen de jongen: "Dit hek hoef je niet open te doen, dat doet het spook wel voor je". Er was een stukje maan opgekomen en het was dus niet zo heel donker meer en wat gebeurde er, toen ze het hek op vijf meter genaderd waren, ging deze vanzelf open. De jongen zat te beven van angst, maar Siebren reed gewoon door. Toen ze door het hek waren, viel het met een harde klap weer dicht... Siebren hield het paard in en zei tegen de jongen: "Ik ga kijken, er zal wel een touw aanzitten waar ze het mee open trekken". Hij pakte een dikke knuppel die hij altijd bij zich had en stapte op het hek af. Hij bekeek alles, maar er was geen touw, er was niks. Toen ging hij bij de dijk op, maar er was niks te bekennen, alles was stil, ook achter de dijk. Hij ging terug op het hek aan en toen gebeurde het, hij hoorde een zacht gekreun. Hij ging erop af en ineens blies een ijzige wind hem recht in het gezicht en dat terwijl het overal bladstil was; Siebren maakte rechtsomkeert en ging als een haas op de wagen af.
Hij sprong erop en haalde de zweep over het paard, iets wat hij anders nooit deed. Onderweg vertelde hij de jongen wat er gebeurd was en de jongen heeft het weer aan mij verteld. Toen het verhaal van Jildert uit was... bleef het even heel stil en toen zei Gerben: "Allemaal onzin, er bestaan geen spoken dat weet jezelf ook wel". "Dat kun je nu wel zeggen", zei Jildert. "Maar ik zal blij zijn als ik vanavond het kerkhof en het eerste brugje voorbij ben". "Wat ben jij toch bang", zei Gerben. "Ik durf wel tien keer voorbij het kerkhof en over het brugje te lopen want er gebeurt toch niks".
Toen Jildert hem ongelovig aankeek, werd hij kwaad en zei: "Of wil je misschien wedden om een gulden!" "Dat is goed",.zei Jildert. "Maar jullie weten dat ik zaterdags altijd wat vroeger weg moet, omdat ik zondags weer vroeg melken moet". Wij geven elk een gulden aan Wietse en hij en Gauke, controleren dan wel even of alles goed gaat. Wij kunnen voor die gulden van de verliezer elk vijf borrels krijgen want ze kosten vijf cent per stuk". Toen het half tien was zei Jildert : "Jongens, het wordt mijn tijd", betaalde zijn rekening en stapte op. Na een halfuurtje zei Wietse tegen Gerben "Als je nu die gulden nog verdienen wilt mogen we wel op weg, want ik wil morgen nog even met het geweer bij de zeewal langs, zien of ik nog een paar eenden te pakken krijg". Zij stapten op, betaalden en gingen op weg naar het eerste brugje. Toen ze de laatste huizen voorbij waren zei Gauke "Ga jij maar voorop, wij komen wel een dertig meter achter je aan".
Het was stil weer en hun klompen klotsten op de stenen. Toen Gerben dichter bij het brugje kwam... ging het steeds langzamer, maar de twee anderen bleven op gelijke afstand. Toen Gerben op een meter na genaderd was, hoorde hij plotseling een zware holle stem die riep "Gerben Blei, Gerben Blei, gij zult wederkeren". Als aan de grond genageld bleef hij staan, hij rilde over zijn hele lichaam. En weer kwam die stem "Gerben Blei, keert weder", toen draaide hij zich om en liep voor zijn leven om bij de anderen te komen.
Toen ze weer in het dorp waren zei Wietse: "Het deugt daar niet, maar ik snap nog niet hoe die geest jouw naam zo goed wist". Toen ze de volgende zaterdag weer bij elkaar zaten en Jildert vroeg hoe het gegaan was, zei Wietse "Jij hebt gewonnen" en vertelde wat er gebeurd was. "Zo kun je maar zien", zei Jildert "Dat er vreemde dingen gebeuren tussen hemel en aarde, maar het heeft ook een goede kant, want wij kunnen vanavond goedkoop drinken, behalve Gerben dan!" Lowie had zo zijn eigen gedachten over het voorval dat niet geheim gebleven was en toen hij weer in Amsterdam was, kocht hij voor een prikje drie oude witte lakens en toen hij weer thuis kwam, zei hij tegen Margje dat ze die aan elkaar moest naaien. Margje vroeg: "Wat moet je er dan mee", maar Lowie zei "Niet zeure, maar doen". Hij had al met Berend en Johannes gepraat en toen ze de volgende zaterdag weer in de herberg zaten had Lowie een pakje bij zich, maar niemand vroeg wat, want hij had wel vaker handel bij zich. Om negen uur ging Lowie weg en vijf minuten later Berend en Johannes ook.
Lowie stond hen op te wachten en vertelde wat hij van plan was. Hij zei: "We wachten tot Jildert eraan komt bij het hoge hek van het kerkhof, dan gaat de sterkste, dat is Berend tegen het hek staan, ik ga op zijn schouders zitten en Johannes gaat weer op mijn schouders zitten en we doen het laken om ons heen, dan wil ik wel eens zien of hij ook bang is". Het duurde nog een poosje en toen hoorden ze Jildert op zijn klompen aankomen. Ze betrokken hun post en Johannes hield zich met één arm aan de ijzeren spijlen van het hek vast en deed het laken zoals het moest. Toen Jildert vlakbij was hoorde hij een vreselijk gesteun en gekreun en zag in het maanlicht een grote witte gestalte tegen het hek staan. Hij liep eerst rechtdoor, maar draaide ineens bij en liep recht op het spook aan en toen werd het stil. Hij ging vlak voor het spook staan en zei: "Eén hoog is menslijk, twee hoog dat gaat nog, maar drie hoog is onnatuurlijk", en hij schopte hard tegen de benen van het spook. Er volgde een schreeuw en een vloek en het hele spook stortte in elkaar onder het laken. Jildert deelde nog een paar rake klappen uit en vervolgde toen zijn weg. Hij heeft later geen last weer van spoken gehad. Dit alles gebeurde in een tijd dat er nog geen radio en televisie was en praktisch geen straatverlichting.
STORM EN NOG WAT OVER LEMMER.
Het zat de hele dag al in de lucht en die avond in de late herfst, lang geleden wakkerde de naar het Zuidwesten draaiende wind krachtig aan. De stormbal werd door de sluismeester Sander Coehoorn, gehesen... zware storm op komst.
Het aakje van Durk Mop, vlak voor de trambrug, had nog enige beschutting van de Hogendijk, maar Durk achtte het raadzaam het luik wat extra vast te zetten en een touwtje meer te plaatsen. Scheef tegenover hem lag het oude woonscheepje van de Jong, die toen als machinist werkte op het "Tieleman-bootje" dat tussen Lemmer en Sneek dagelijks vracht en passagiers een dienst onderhield. Het arkje was voor het grote gezin veel te klein en bovendien een weerloze speelbal voor harde wind.
Verderop naar het dorp, ongeveer waar later de topslager met o.a. de beroemde droge worst was gevestigd van onze vriend en L.V.V. voetballer Sake van der Bijl, lag het snikje van Friso voor de wal, die er met zijn zoon Martinus woonde. Onderwijl had de storm zich uitgediept tot minstens windkracht 12 en daverde over de enorme watermassa's van de Zuiderzee, steeds woester golven opwerpende, in het bijzonder door de grondzeeën in de val van Urk, om tenslotte met donderend geraas en geweld tegen de Lemster zeedijken te slaan, ofschoon het Hop wel eens onderliep.
Het water zette in no time de pier naar het eindje van de Dam blank en rolde soms zelfs over 't Schapendijkje o.a. het scharreldijkje voor paartjes. En verderop over de dijk in de richting van het Witte Huisje en zo vervolgens naar de trots van Lemmer, het Stoomgemaal. Vroeger was de heer Bos hier de baas en nu is de leiding bij de vriendelijke heer Krekt, (Herman M. Krekt) die ons met zijn vrouw vorige maand gastvrij ontving, zodat wij in staat waren het Skûtsjesilen goed te volgen, vooral mijn vrouw is hiervoor zeer enthousiast.
1975: Chef-machinist Krekt in de machinekamer van 't gemaal.
De vuurtoren bleef als altijd door het natuurgeweld onbewogen en straalde een beschermend licht over de wilde zee, als een roepende baken voor alles wat in zijn nacht zijn tocht vervolgde naar de Lemster haven, voor zover men niet genoodzaakt was beschutting te zoeken aan de lei-kant van Urk of Schokland.
Durk en zijn jongens kwamen deze nacht goed door. Zelf was hij min of meer een schilderachtige figuur, die altijd getooid liep met een grote zwarte hoed. Hij was hier mee zijn tijd ver vooruit want dit model is nu 'in'. Een vreemdeling had hem kunnen aanzien voor één of andere kunstenaar, zeker als je hem met zijn eindeloze woordenvloed hoorde praten over de dingen van de dag.
De familie de Jong, beleefde het noodweer op tragische wijze. Toen tegen de ochtend het vale licht door de wolken drong, bleek het armzalige aakje.. een drijvende kist geworden en scheef te liggen en lek geslagen. Het huisraad en het beddengoed dreef in het water, ze konden er wel eenden houden. Het geheel was een bedroevende en hopeloze toestand. De stumpers rilden van de koude en vocht en zijn later op de dag overgebracht naar het pakhuis op het Turfland, ongeveer gevestigd tegenover 't kerkje van de Gerf. Gemeente. Het was weinig wat ze kregen en heden zou het als een schandaal worden aangemerkt. Maar wat wisten die mensen van die tijd van sociale voorzieningen en zorg voor de ander, zoals dit nu het geval is.. ondanks het moet met nadruk worden gezegd, de goede en oprechte pogingen van de armmeester, die eenvoudig geen riemen had om te roeien. Eén van de jongens van de Jong, Jan de oudste vertelde mij later dat ze nog nooit zo goed en droog hadden gewoond.
De snik van Friso had niet veel van de storm te lijden gehad, want de wind had hier veel minder vrijspel door de hoge huizen, van hem herinner ik mij het volgende. Als jongetje ging ik naar de openbare school "Het Bargehok" zeiden we aan de Kortestreek. Op een morgen zag ik Friso handenwringend en luid jammerend op zijn boot heen en weer lopen. Het bleek dat die nacht zijn zoon Martinus was overleden. Friso opende onverwacht een paar luiken en we zagen regelrecht in het dode gelaat van zijn zoon. Ik stond als versteend en rende ontredderd naar huis, omdat ik niet begreep wat "Dood" wilde zeggen. Mijn moeder kalmeerde mij en als je zo jong bent vergeet je spoedig.
Later was Friso een bekend figuur met zijn ijskarretje een kleintje voor 2 cent, iets groter 3 cent, en een joekel voor 5 cent. Je moest echter goed opletten want Friso was lijdend aan een chronische drupneus. Als we dachten dat het mis ging riepen we in koor: "Oppassen Friso je neus aan de kant man, want we willen ijs zonder neusdruppels", hij accepteerde het gemoedelijk en rinkelde weer met zijn Bel om klanten te trekken. In mijn herinnering had hij wel wat van 'Rode Siemen' uit de Benedenschans, die je immer met zijn tranende melancholieke ogen aanzag, alsof hij het op deze wereld wel gezien had. Hij liep dag in dag uit met een oude handkar voor vodden enz. om een paar centen te verdienen. Zijn rode baard was roestig gekleurd door tabakssap wat er onophoudelijk doorsijpelde. Ook deze types zijn er allang niet meer, en ondertussen bouwde Lemmer aan zijn toekomst, nadat de inzinking door het droogleggen van de Zuiderzee langzaam en energiek werd overwonnen.
Tekening van Siemen van der Wal naar een foto uit 1920, toen het stoomgemaal werd geopend. Dit aardige spinnenkopmolentje heeft gestaan tegenover de kop van de Zijlroede aan het weggetje, dat naar veehouder Eizema liep. Rechts het dubbele woonhuis destijds bewoond door de families Krekt en Kok.
Reactie plaatsen
Reacties