Brieven van de Grietman Lemmer 10
1892
3 mei 1892: Aan de Min. van Handel en Nijverheid wordt op dienstverzoek bericht, dat in Lemsterland bestaan: een spaarbank; een hulpbank en een Bank van Leening. Er zijn geen levensverzekeringmaatschappijen, begrafenisfondsen en ziekenbussen gevestigd.
8 oktober 1892: B. en W. verzoeken aan het dijksbestuur van het waterschap de Zeven Grietenijen en Stad Sloten om de sloot nevens de oude Zeedijk, vanaf het bebouwde gedeelte van den Nieuwendijk tot aan de Engwirder kolk, zomede de sloot tussen de Nieuwendijk en het Leeg in het belang der openbare Volksgezondheid op te schonen, dit mede in verband met het voorkomen van cholera B. en W. geven in ernstige overweging om met het oog op besmetting deze vervuilde sloten te dempen. Eenzelfde verzoek wordt gericht tot F.W. Wegener Sleeswijk.
10 oktober 1892: Aan de Comm. der Koningin, wordt bericht dat één der veerboten van Pieter Bruinsma, met groot gevaar de haven is ingekomen en daar als gevolg van het vollopen van het water aan den grond is geraakt en gezonken. In de boot die geladen was met rundvee, zijn een veertigtal verdronken. Een tweetal slagers uit St. Nicolaasga hebben een aantal van de verdronken koeien opgekocht, waarschijnlijk met het doel het vlees van de beesten te verkopen. Aangezien deze koeien een viertal dagen in de boot onder water hebben gezeten, waarschuwt de burgemeester zijn collega van Doniawerstal voor het nemen van maatregelen.
1895
18 november 1895: Een zekere H. Sappee te Echten, heeft zich aan H.H. de Koningin-Regentes gelden voor de aankoop van een nieuwe harmonica gevraagd, de burgemeester geeft over deze persoon inlichtingen en uit diens schrijven blijkt dat adressant met zijn moeder in zeer behoeftige omstandigheden verkeerd. Hij is een zeer oppassend jongeman, die heel goed bekend staat, doch die het meeste werk niet kan verrichten, omdat hij één van zijn handen mist. Hij weet enig muziek te maken en tracht daardoor zijn kost te verdienen voor zijn moeder en hem, door langs de dorpen te gaan. Het verschaffen van de gevraagde gelden wordt aanbevolen.
1896
17 augustus 1896: Uit een brief aan het Dijksbestuur van de Zeven Grietenijen en Stad Sloten, blijkt dat zij in 1888 voor de tijd van 50 jaar een plekje grond in erfpacht hebben afgestaan aan het buitenbeloop van den Zeedijk ten westen van Lemmer, voor plaatsing van een ijzeren lichtopstand. Uit de verdere brief blijkt dan dat door het Rijk een nieuwe lichtopstand op de Westhavendam is geplaatst, waardoor de door het waterschap en erfpacht afgestane grond weer beschikbaar komt.
1897
7 mei 1897: Aan de minister van Waterstaat Handel en Nijverheid, wordt bericht, dat de Bank van Lening in deze gemeente bij raasbesluit van 7 oktober 1896 is opgeheven.
20 september 1897: Bij de raad is het verzoek ingekomen van de heren J Martens en L. van der Hoff tot het oprichten van de bewaarschool. Gevraagd wordt of de gemeente een lokaal of een terrein wil aanwijzen waar een dergelijk gebouw kan worden gesticht. Bij schrijven van 17 december d.a.v. wordt de heer wordt aan de heer Martens bericht dat de raad om zo spoedig mogelijk over te gaan tot het oprichten van een bewaarschool heeft afgewezen. De raad zou een particulier initiatief toejuichen en is bereid een verzoek om een gemeentelijke subsidie in welwillende overweging te nemen.
1898:
12 januari 1898: Aan Hendrik H. Visser wordt bericht, dat hem de verbouw van het gemeentehuis is gegund voor de som van f 4147,-. (Dit betreft waarschijnlijk het aanbrengen van het bordes voor het gemeentehuis, dat volgens het voorfront in 1898 is geschied).
1900
31 december 1900: Aan de heer F.W. Wegener Sleeswijk wordt toestemming verleend tot het aanleggen en maken van een straat, op het aan u toebehoren perceel-tuingrond aan de Pottebakkerssteeg alhier, mits zulks geschiede overeenkomstig de overgelegde tekening.