Home » Historie-Friesland » Geschiedenis van Friesland |1| EERSTE TIJDVAK (1) » Geschiedenis van Friesland |11| VIERDE TIJDVAK (5)

Geschiedenis van Friesland |11| VIERDE TIJDVAK (5)

Afdruk van Wikipedia: De Universiteit van Franeker of Academie van Friesland (Latijn: Academia Franekerensis) was van 1585 tot 1811 een universiteit in de Friese stad Franeker.

40. FRIESLANDS ROEM IN KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN.

Weinige onderwerpen zijn er, welke zoo belangrijk en tevens zoo bekoorlijk zijn, als de Geschiedenis van de Letterkunde. Hoe gaarne zou ik dus, indien het mij niet aan tijd en krachten faalde, onder bovenstaanden titel, een uitvoerig tafereel willen ophangen van der Friezen aandeel in de pogingen der Nederlanders, om de vruchten van hunnen geest en ijver dienstbaar te maken tot uitbreiding van het rijk van waarheid, kennis en deugd en tot aankweeking van goeden smaak en kunstzin?

Eigenschappen, welke, als kenmerken en vereischen van het streven naar meerdere volmaking, het wezen en het doel eener burgermaatschappij moeten uitmaken. De mensch, half dier, half engel, heeft toch hoogere behoeften en eene edeler bestemming dan brood en vleesch kunnen bevredigen of vervullen.

Gelukkig zij dus, die bij het leven des ligchaams ook het leven van den geest trachten te voeden: want de wetenschappen en kunsten zijn, naast de godsdienst, evenzeer sieraden als onmisbare hulpmiddelen ter opvoeding en beschaving van een volk in deze aardsche oefenschool voor eene betere wereld. Zonder vorming voor die wereld is er hier toch geene vatbaarheid voor geluk, geene kracht om te lijden en te strijden, geen moed om te sterven.

Dat tafereel van de geschiedenis der letterkunde in Friesland zou zeker tevens de blijken leveren, dat deze provincie, naar gelang harer bevolking en krachten, zich wel met andere provinciën des vaderlands heeft kunnen meten in den edelen wedstrijd ter bevordering van het ware, goede en schoone; zelfs met Holland, welks roem in kunsten en wetenschappen ook door den Baron Collot d’Escury zoo eervol is gehandhaafd.

Of heeft niet een van Hollands eigene geschiedschrijvers, de voortreffelijke van kampen, mede erkend: "Het is inderdaad hoogstmerkwaardig, dat Friesland, een zoo middelmatig Gewest van het kleine Nederland, in allerlei takken van menschelijke kennis, zoo vele uitstekende mannen heeft opgeleverd; zoodat men moet bekennen, dat dit Gewest zoo rijk geweest is in beroemde mannen, in zijnen schoot voortgebragt of gekoesterd, als bezwaarlijk eenig Land van gelijke uitgebreidheid in Europa”.

Hoe aangenaam en belangrijk het behandelen van dit onderwerp ook zij, het volbrengen daarvan moet ik echter aan een ander beoefenaar van wetenschap en kunst in deze provincie overlaten. Naar het bestek en plan van dit werk kan ik hier van dit onderwerp in hoofdtrekken slechts datgene aanstippen, wat ik wensch, dat een ander, met gelijken lust, doch meer bekwaamheid, uitvoeriger en vollediger in het licht moge stellen, in verband met de ontwikkeling van beschaving en volksgeluk.

In de eerste plaats verdient dan onze aandacht:

  • Frieslands Hoogeschool te Franeker.

In weerwil de Spaansche benden nog op de grenzen stonden des lands, dat zij herhaaldelijk door hunne invallen verontrustten;—ondanks gebrek aan krijgsvolk en middelen, die de verworvene onafhankelijkheid moesten verzekeren;—niettegenstaande hevige twisten tusschen de leden der regering over de mate en de grenzen des gezags—waren de Staten van Friesland zeer spoedig bedacht, om, als eene eerste vrucht van de zegepraal der hervorming, hier eene kweekschool der wetenschappen te stichten; vooral, om de kerk van geschikte predikanten te voorzien.

Zij meenden tevens aan de goederen der voormalige kloosters, aan den lande vervallen, geene betere bestemming te kunnen geven, dan om ze dienstbaar te maken tot het vrome doel, om de jeugd door onderwijs te vormen voor de dienst van Kerk en Staat, die behoefte hadden aan eene leerschool, tot dusverre steeds buitenlands gezocht. En op den zelfden landsdag van 1584, waarop zij den eed tot afzwering van Koning Filips herhaalden en Graaf Willem Lodewijk van Nassau tot hunnen Stadhouder verkozen, besloten zij tot oprigting van een "Seminarium ofte Collegium tot welstand der Kercke Gods en het Polytische Regiment”.

Het voormalige Kruisebroeders-klooster te Franeker werd daartoe aangewezen, en de voor acht jaren te Leiden gestichte Akademie tot voorbeeld gekozen. In verschillende vakken werden geleerde mannen tot Hoogleeraren benoemd; ja zelfs twee, Tiara en Drusius, van Leiden herwaarts beroepen, waarna de plegtige inwijding den 29 Julij 1585 plaats had.

Door de hoogleeraren geheel en de studenten ten deele van alle belastingen vrij te stellen; door het oprigten van een Akademische Bibliotheek; door het aannemen van een groot getal Alumni, die op lands kosten studeerden, waarvan het getal in 1598 tot 124 bepaald werd; door het instellen van eene Oeconomie en daarna van eene Beurs of algemeene tafel, ook voor minvermogende en vreemde studenten, en door wijze wetten en verordeningen trachtte het landsbestuur alles te bevorderen, wat tot bloei en uitbreiding van de Akademie kon strekken.

De gewenschte vrucht daarvan bleef ook niet achter. Nadat in 1604 vier Curatoren namens de Staten meer bepaald met de zorg voor de belangen der Hoogeschool belast waren, nam het aantal studenten ongemeen toe, en werd ook het getal hoogleeraren vermeerderd; terwijl de roem van hunne geleerdheid en onderwijs mede vele buitenlanders aanspoorde, het kleine, doch voor de beoefening van de wetenschappen zoo geschikte Franeker te bezoeken.

De akademische inrigtingen werden vervolgens in 1632 met een Hortus Botanicus en in 1752 met Laboratorium Chemicum vermeerderd. Vandaar, dat, in weerwil het getal Alumni lands voedsterlingen in 1664 tot op 41 verminderd was, het bij de plegtige viering van het eerste eeuwfeest der Akademie in 1685 bleek, dat het getal der gedurende de eerste honderd jaren ingeschreven studenten niet minder dan 10,643 had bedragen.

Maar welke Hoogleeraren waren het ook, die door hun onderwijs en schriften de inboorlingen tot bekwame mannen vormden en zoo vele vreemdelingen, ook uit ver verwijderde landen, tot zich trokken? In de Godgeleerdheid waren het Lydius, van der Linden en Lubbertus, en op hun voetspoor twee Schotanussen, Cloppenburg en Arnoldus, die den roem der Hoogeschool vestigden, gelijk Witsius, van Marck, twee Vitringa’s, twee van der Waeyens, Roëll, Conradi, Venema en van Voorst, die hem handhaafden en uitbreidden.

In de Regtsgeleerdheid werd te Franeker eene school gevormd, welke uitstekende leerlingen kweekte onder de hoogleeraren van Beijma, twee Schotanussen, van den Sande, Faber en Bouricius, die later nog overtroffen werden door Wissenbach, twee Hubers, Noodt, Schulting, Westenberg en Heineccius, die Europeschen roem verwierven, alsmede door twee Voorda’s, Wieling, Trotz, Cannegieter enz. De Genees-, Wis- en Natuurkundige Wetenschappen vonden ijverige beoefenaars in Auletius, Clingbijl, Metius, M. Winsemius, van der Linden en Holwarda, doch vooral in twee Matthæussen, twee Fulleniussen, Muys, Loré, Ouwens, twee Ypeijs, twee Brugmansen, Camper, van Swinden enz.

Inzonderheid bloeide hier de beoefening van de Oude Talen, Letteren en Geschiedenis onder mannen als: Tiara, Drusius en Amama, die de grondslagen legden, waarop Rhala, Pasor, P. Winsemius, Moll en Terentius voortbouwden, om onder Bos, Schultens, Wesseling en Vriemoet zich uit te breiden en door Hemsterhuis, Burman, D’Arnaud, Valckenaer en Schrader eene schitterende hoogte te bereiken, waarvan onder van Lennep, van Kooten en Wassenbergh nog de stralen blonken.

Inderdaad, eene rij van geëerbiedigde namen, meest Friezen van geboorte, door de wijsheid van Frieslands staatsleden aan deze Hoogeschool verbonden, om het licht van geleerdheid en wetenschap te verspreiden; mannen, die voor Kerk, Staat en andere hoogescholen uitmuntende leerlingen vormden, en die hun roem aan de eer van Franeker hebben verbonden. ’t Was dáárom, dat de geschiedschrijver van Neêrlands letterkunde deze stad bij herhaling hulde bragt, als eene bron van kennis voor ons vaderland, daar hij "Franeker eens de eerste en voornaamste Hoogeschool van Nederland en de kweekhof van groote mannen voor Leyden” noemde.

"Zoo heeft God dese Academie steeds seer gesegent, met vermaerde Mannen, die tot alle tyden hier geweest zijn, en die, naest vele vryheden ende groote privilegien, de gunst, vriendschap en de beleeftheyt genoten van de Regenten en Principaelen des Landts, welke dese Academie beminden en voorstonden als de croon en cieraedt der Provincie”.

De eenmaal ingestelde heilzame verordeningen moesten echter bij herhaling vernieuwd, uitgebreid en aangedrongen worden, wegens veelvuldige ingeslopen misbruiken; terwijl zoovele, uit verschillende natiën herwaarts gevloeide, studenten te dikwijls aanleiding gaven tot klagten over drinkgelagen en baldadigheden, waartegen soms strenge maatregelen werden genomen.

Van den aanvang af werd toch als het doel der studiën voorgesteld, om zoowel uit te munten "in geleertheyt als seden ende eerbaerheyt, opdat de jeugd, die opgequeeckt wordt tot Predick ende Richtstoelen, den roem van eenen goeden wandel en een reyn gemoet met haer brengen”.

Bij den tijdelijk ongunstigen toestand der provinciale financiën konden de Staten, die tot dusverre de belangen der Akademie zoo onbekrompen hadden bevorderd, goedvinden, in 1774 eenige "poincten van menage” in te voeren. Deze hadden noodlottige gevolgen, zoodat, ook wegens het verminderen van het getal vreemde studenten, haar bloei blijkbaar gedaald was, toen in 1785 het tweede eeuwfeest der Hoogeschool schijnbaar met luister werd gevierd.

Doch toen ook kwijnden de studiën mede onder het geklank der opgevatte wapenen bij den opgewekten vrijheidszin onder de staatkundige verdeeldheden en beroerten, waarvan Franeker vooral de zetel was, en ten gevolge waarvan in 1787 vier hoogleeraren en een aantal studenten deze stad verlieten.

Te vergeefs trachtte men voor en na 1795 de hieruit voortgevloeide nadeelen te herstellen. Hoewel het getal studenten vervolgens weder tot 80 klom, sleepte de Hoogeschool, in vergelijking van haar vroeger aanzien, in het tijdvak der overheersching een kwijnend bestaan voort; totdat het Keizer Napoléon behaagde, haar in 1812 op te heffen, en dezen eens zoo roemrijken zetel van geleerdheid en wetenschap, die het vaderland zoo lang tot sieraad had verstrekt, te vernietigen.

  • Godgeleerden.

Ook behalve de vroeger genoemde hoogleeraren te Franeker heeft Friesland een groot getal Godgeleerden voortgebragt of gekweekt, die òf als Hoogleeraren op de andere vaderlandsche leerscholen, òf als Predikanten, door geleerdheid en uitgegevene geschriften hebben bijgedragen, om het licht van godsdienst-kennis te verspreiden en de leer der Kerk te handhaven. Gellius Snecanus, Sibrandus Wommelius, Festus Hommius en Gellius de Bouma waren in de eerste tijden even werkzaam om de Kerk te vestigen, als later Franciscus Elgersma, Domicus Goltzius, Arnoldus Landreben, Theodorus Scheltinga, Henricus Siccama en Hero Sibersma, om haar op te bouwen en te stichten.

De schriften van Theodorus en Wilhelmus à Brakel waren vooral lang algemeen geacht; zelfs werd de Redelijke Godsdienst des laatsten van 1700 tot 1767 17 malen herdrukt. David Flud van Giffen en Balthazar Bekker poogden echter meer heldere begrippen omtrent de godsdienst te verspreiden en vooroordeelen te bestrijden, welke pogingen eerst later vruchten droegen. Joh. Wesselius, Theodorus van Thuynen, Nicolaas Schiere, Ibertus Fennema, Martinus Swartte en Johannes Plantinus waren in de 18e eeuw door leer en schriften zeer in achting. Aggæus Haitsma, Gavius Nauta, Joannes Stinstra, Benjamin Frieswijk, Johannes Habbema en Hero Oosterbaan muntten te gelijk door geleerdheid uit.

Toen eindelijk de voortgang der verlichting vrijmoedigheid schonk, om vrijzinnige evangelische denkbeelden voor te dragen en een beter licht voor de Kerk te ontsteken, waren het de Friesche predikanten Fokko Liefsting, Jacobus Engelsma Mebius, Petrus en Jan Brouwer, Petrus en Gerbrand Bruining en Johannes Henricus Nieuwold, die, even als vervolgens de hoogleeraren Jodocus Heringa ez., Eelke Tinga, Annæus Ypeij, Lucas Suringar en Elias Annes Borger, ijverig hebben medegewerkt, om in ons vaderland de kluisters der verouderde kerkleer te verbreken en het evangelische Christendom in eere te herstellen.

  • Regtsgeleerden.

Aanzienlijk is het getal Friezen, dat gedurende dit tijdvak in de Regtsgeleerdheid grooten naam mogt verwerven. Hebben wij die, welke aan de Franeker Akademie uitblonken, genoemd, ook andere Hoogescholen des vaderlands hebben zij tot eer verstrekt, als: te Leiden Jucke van Beijma, Bernardus Schotanus, Gerlach Scheltinga, Bavius Voorda en Jan Valckenaer; te Utrecht, behalve de zelfde Schotanus en Valckenaer, Cyprianus Regnerus van Oosterga en Jacobus en Johannes Henricus Voorda; terwijl mede op buitenlandsche Hoogescholen mannen als Meinardus van Aitzema te Rochelle, Franciscus Meinardus te Poitiers en Dominicus van Arum te Jena de leerstoelen van het regt met roem hebben bekleed.

Hoe vele namen van uitstekende regtsgeleerden bevat ook niet de Naamrol der Raden van het Hof van Friesland, welker roem van bekwaamheid en strenge regtvaardigheid den luister van deze geëerbiedigde regtbank verhoogde; personen, meest uit de eerste standen, die voortdurend bewezen, hoe zeer de beoefening van dégelijke studiën bij den adel en de aanzienlijken van Friesland in achting stond.

Nog talrijker is de Naamrol der Advokaten voor dit Hof, waarvan vele in deze en andere betrekkingen sieraden geworden zijn van hun vaderland. Ook de Naamlijst van de Grietmannen bevat eene menigte personen, die als regtsgeleerden en staatsmannen hebben uitgeblonken. Velen hunner mogten toch als leden van de Staten of van de Gedeputeerde en Generale Staten, of in andere lands betrekkingen mede nuttig zijn en aanzien verwerven.

Moeijelijk valt het uit zoo groot getal personen namen te noemen van hen, die zich het meest onderscheidden. Evenwel zullen de geschiedboeken des vaderlands altijd met eere vermelden de verrigtingen van mannen als: Rombertus Ulenburg, Eco Ysbrandi, Keimpe en Frans van Donia, de Ambassadeur Willem van Haren, Allard Pieter van Jongestal, Sicco van Goslinga, Ulbe Aylva van Burmania, Tjaard en Hessel Douwe Ernst van Aylva; gelijk mede van Willem en Onno Zwier van Haren, Wybrand van Itsma, Nicolaas Arnoldi, Epo Sjuck van Burmania, Philip Frederik en Johan Vegilin van Claerbergen, Georg Frederik Baron thoe Schwartzenberg enz.; terwijl de geslachten Saeckma, Grovestins, van Sminia, van Aylva, van Eijsinga, Lycklama, van Wyckel, Bouricius, Beucker, Rengers, van Scheltinga, Huber, van Vierssen, Aitzema, Andringa, de Blau enz. onderscheidene leden telden, die bij opvolging als regtsgeleerden en staatsmannen hebben uitgemunt.

Buitendien waren er nog vele personen, die de vruchten hunner wetenschappelijke beoefening van de Regtsgeleerdheid door de uitgave van werken hebben bekend gemaakt. Van deze mogen wij de namen niet verzwijgen van Sibrandus Siccama, Jacobus Bouricius, Tjalling van Eijsinga, Thomas Herbajus, Hero à Schingen, Johan van den Sande, Antonius Kann, Dominicus Hamerster, Gajus Nauta, Simon Binckes, Saco Harmen van Idsinga, Petrus Wierdsma, Petrus Brandsma, Ennius Harmen Bergsma en anderen.

Doch reeds meer dan genoeg, om slechts aan te wijzen, dat Friesland ook in dit tijdvak rijk is geweest aan mannen, die als regtsgeleerden en staatkundigen het belang en de eer des vaderlands op eene waardige wijze hebben bevorderd.

  • Genees-, Heel- en Verloskundigen.

Ook in deze vakken kunnen wij mannen van naam vermelden. Henricus van Bra, S. Eugalenus, Isbrand Hieronymus Frank, Siboldus en Johannes Hemsterhuis, G. Follin en Hendrik van Deventer mogten in de 17e eeuw door hunne uitgegevene geschriften de kennis en den vooruitgang van die vakken evenzeer bevorderen, als in de 18e eeuw Roelof Roukema, Bernardus Idema, Murk van Phelsum, Tiberius Lambergen, Simon Stinstra, Jan de Reus en Folkert Snip; gelijk vervolgens Wynoldus Munniks, Georgius en Gadso Coopmans, Johannes de Vries, Johannes Mulder, Adolphus Ypeij, Sebald Justinus Brugmans en anderen. Grooter was echter het getal

  • Wis- en Natuurkundigen.

Reeds voor lang toch is opgemerkt, dat in der Friezen aard en karakter zich steeds een bijzonderen aanleg en neiging heeft geopenbaard voor de beoefening van de Mathematische wetenschappen in het algemeen en voor die der Sterre-, Meet- en Werktuigkunde in het bijzonder.

Hebben wij vroeger reeds de namen van onderscheidene beoefenaars dier vakken in de 16e eeuw genoemd, ook de 17e eeuw gaf daarvan bewijzen in Johan Sems, Jan Hendrik Jarichs van der Leij, Sibrand Hansen Kardinaal, Lieuwe Willems Graaf, Theodorus Hoen, Hippolytus Beyem van Aerssen, Riemer Sijbes, Christoffel Middagten, Bernardus Schotanus à Steringa en anderen, die meest allen door geschriften bewijzen gaven van hunne bekwaamheden.

Nog rijker was de 18e eeuw in het voortbrengen van dergelijke vernuften, die veelal uit den eenvoudigen burgerstand of uit landbouwers voortkwamen, en grootendeels zonder onderwijs van anderen door eigen aanleg en inspanning zich vormden en soms eene verbazende hoogte mogten bereiken.

Zoo waren te Leeuwarden Johann Hermann Knoop, Haijke Haanstra, Wijtse Foppes Dongjuma, Luitjen F. Wiersma en Tjeerd Ringneerij ijverig werkzaam, om door onderwijs en schriften den bloei te bevorderen van vakken, waarin ook Rienk Jelgerhuis, Lucas Oling; Mattheus Siderius en Jan Willem Karsten bewijzen gaven van groote bekwaamheden. Te Harlingen onderscheidden Matthijs Adolf van Isdinga en Abe Jans Hingst zich evenzeer in de zeevaartkunde, als de uurwerkmaker Tjeerd Radsma in de werktuigkunde.

Doch vooral te Franeker en omstreken bloeiden deze vakken. Waren David en Christoffel Meese als kruidkundigen hoog geacht—Jan Pieters van der Bildt en zijn kleinzoon Bauke Eisma van der Bildt, mogten roem behalen door hunne teleskopen en andere optische werktuigen.

Nevens verscheidene stille beoefenaren van wis- en sterrekunde onderscheidden zich daar verder Wouter Martens van der Werf, Hendrik Anjema en Pibo Steenstra; terwijl de scheikundige Boudewijn Tieboel en de beroemde wijsgeer Frans Hemsterhuis ook uit deze stad voortkwamen.

In den omtrek van Franeker waren het de broeders Rients en Klaas Piers Salverda te Salwerd, Klaas Gerrits Wieringa te Achlum en Obbe Sikkes Bangma te Arum, doch vooral Jelte Eisinga met zijne beide zonen, Eise en Stephanus, te Dronrijp, die ongemeene vorderingen maakten in de wis-, sterre- en werktuigkunde. Eise Eisinga mogt het door eigene oefening zelfs zóó verre brengen, dat hij van 1773 tot 1780 te Franeker dát voortreffelijk Planetarium of beweegbaar hemelstelsel vervaardigde, hetwelk, na door Prof. van Swinden te zijn beschreven, een voorwerp geworden is der bewondering van duizenden, die het kwamen beschouwen, gelijk het nog een sieraad is dier stad.

Wij zouden meerdere namen kunnen noemen, als: van Nikolaas Epkema, Henricus Aeneae, de gebroeders Roelofs en anderen; doch het aangevoerde zal wel genoeg zijn, om te bewijzen, dat Friesland steeds vruchtbaar is geweest in het voortbrengen ook van mathematische vernuften.

Der Friezen aanleg voor de beoefening van dégelijke studiën, waartoe, behalve gezond oordeel, geschiktheid tot afgetrokken nadenken met de zucht om naauwkeurig te toetsen en te overwegen en niet minder volharding vereischt worden, gaf mede aanleiding, dat velen hunner voedsel voor den geest zochten in het nasporen van de geschiedenis.—Vandaar het groot getal der door deze provincie gekweekte

  • Geschiedschrijvers.

Terwijl Reinico Fresinga en Frederik van Vervou van Franeker, Everhard van Reyd te Leeuwarden en vooral Lieuwe van Aitzema van Dokkum de belangrijke voorvallen van hunnen leeftijd voor het nageslacht te boek stelden, waren Andreas Cornelius, Martinus Hamconius, Bernardus Furmerius, Pierius Winsemius en daarna Christianus Schotanus en Simon Abbes Gabbema ijverig werkzaam, om de oudste geschiedenissen der Friezen op te delven uit de verspreide bronnen, welke het voorgeslacht hen had achtergelaten.

Ook in de volgende eeuw ontbrak het niet aan vlijtige beoefenaars van de historie, waarvan de groote werken getuigen van Jaques George de Chaufepié, François Halma, Sigebertus Haverkamp, Saco Harmen van Idsinga en Foeke Sjoerds, die echter zijne Beschrijving en Geschiedenis van Friesland naauwelijks ter helft mogt voltooijen. En terwijl Simon stijl eene schitterende proeve gaf eener wijsgeerige beschouwing van de vaderlandsche geschiedenis, mogten Eduard Marius en Ulbo van Burmania, Wybrand van Itsma, Abraham Ferwerda en anderen gewigtige bronnen en bijdragen in het licht geven; doch mogt het vooral den edelen Georg Frederik Baron thoe Schwartzenberg gebeuren, met hulp van Dr. Nicolaas Tholen en Johan Frederik Maurits Herbell, door de gunst van ’s lands Staten, Friesland een Groot Plakkaat- en Charterboek te bezorgen, van uitstekende waarde en duurzaam belang.

  • Letterkundigen.

Door de beoefening van de oude talen, bijzonder der Grieken en Romeinen, met oogmerk, om de voortreffelijke werken hunner klassieke schrijvers en dichters uit te leggen, op te helderen en tot veredeling van den smaak en verhooging van den kunstzin te kennen, heeft ons vaderland in de beide vorige eeuwen grooten roem verworven.

Talrijke vreemdelingen kwamen soms herwaarts, alléén om de uitstekende mannen te hooren, welke in dit vak onze hoogescholen luister bijzetten. In hoe verre Franeker daartoe heeft bijgedragen, hebben wij reeds vermeld. Bovendien waren er hier nog andere letterkundigen, die òf in de scholen òf door uitgegevene geschriften het hunne hebben bijgebragt, om dezen grondslag der toenmalige geleerdheid te vestigen en dien roem te schragen.

Dit deden Joh. Fungerus, E. E. L. Mellema, Edo Neuhusius en zijne zonen Reinier en Hendrik, alsmede Tobias, Wernerus en Henricus Gutberleth, Joh. Hilarides en anderen in de 17e eeuw; terwijl de 18e eeuw, waarin de scholen van Valckenaer en Schrader bloeiden, mannen kweekte, als: Sigebertus Haverkamp, Thomas Wopkens, Olpherdus Belida, Petrus en Gerhardus Horreus, Joh. Balck, Joh. Pierson, Gijsbert Koen, H. van der Sloot en Ernst Willem Higt; gelijk later Richeus van Ommeren, Joh. Adam Nodell, Theodorus van Kooten, Adrianus Heringa, Frans Hemsterhuis en Joannes Verweij; alsmede Joh. Ruardi, Jacobus Terpstra, Joh. Daniel van Lennep, Herman Bosscha, Henr. Waardenburg, Everwinus Wassenbergh, H. Frieseman, Valentinus Slothouwer, Ecco Epkema en anderen, die tot op onzen leeftijd de kweekscholen van geleerdheid versierden en de vruchten van kennis en smaak aan velen hebben medegedeeld.

Onderscheidene dezer en vroeger genoemde personen beoefenden tevens de Latijnsche poëzij, waarvan zij vele proeven hebben nagelaten, even als Hero en Frederik van Inthiema, Joannes Bouricius, Ernestus Baders, Paulus van Ghemmenich, Christiaan Brink, Vop. Hor. Acker en onderscheidene Friesche edelen, die er steeds een roem in stelden, smaak voor de oude letteren aan de beoefening van de wetenschappen te paren.

Vop. Hor Acker, 1789

  • Dichters.

’t Zou echter geenszins vreemd zijn, wanneer de vermelde karaktertrek der Friezen en hunne meer bepaalde neiging voor de studie van dégelijke wetenschappen aanleiding hadden gegeven tot mindere geschiktheid voor de beoefening van de Dichtkunst, welke, zwevende in het rijk der idealen, meer het denkbeeldige en bespiegelende dan de wezenlijkheid tot voorwerp heeft. Het is zoo; wanneer wij het groot getal verzenmakers, als: Wijbrand Michiels, Petrus Baardt, T. Sonnema, Hendrik Rintjes, Vitus Ringers, Hero Galama, Foppe Foppeszoon Junior, Gabbema enz. uit de 17e eeuw, gelijk François Halma, Roelof Roukema, Wijbrandus de Geest, Magdalena Pollius, Jetske Reinou van der Malen, Eelke Meinderts, Clara Feijoena van Sijtzama, Joan Sande, Jan Aukes Bakker, Symen en Jan Althuysen enz. uit de 18e eeuw, wier verzen om de onderwerpen of hunne zedelijke of godsdienstige strekking den bijval verwierven van hunne tijdgenooten, niet gelijk willen stellen met hen, wier verheffing, smaak en gevoel hun aanspraak geeft op den naam van Dichter, in den hoogeren zin van dat woord,—dan bepaalt dit getal zich tot weinige personen.

Doch die weinige kunnen dan ook tegen eene groote menigte opwegen. Of zouden wij dien eernaam niet mogen toekennen aan Jan Janszoon Starter, die in 1614 op twintigjarigen leeftijd te Leeuwarden kwam en deze stad in 1620 weder verliet, doch gedurende die zes voorspoedige jaren van het bestand hier, èn door de oprigting van eene Rederijkerskamer: Och, mogt het rijzen! welke 80 aanzienlijke personen tot leden telde, èn door het opvoeren van treur- en blijspelen, èn door zijne onuitputtelijke en geestige dichtader, hier een lust en liefde voor de nieuwe Nederduitsche poëzij opwekte, welke verwonderlijk was.

Hij liet aan zijne talrijke vereerders de Friesche Lusthof, vol aardige minneliederen en trouwdichten, na, welke dien bijval vond, dat dezelve in dertien jaren 6 of 7 malen gedrukt werd. Hoe groot de invloed ook was, dien starter tijdelijk uitoefende, deze was echter niet van duur of van dat gunstig gevolg, hetwelk men zich daarvan voor de toekomst had mogen beloven.

Bovendien was hij de eerste, die verzen in de Landfriesche taal uitgaf. Eerlang vond hij daarin een navolger in Gysbert Jacobsz., schooldienaar te Bolsward, die, na eerst in het Nederduitsch zwakke proeven, nog in den trant van spieghel, te hebben gegeven, zich in het Friesch tot eene hoogte verhief, welke hem tot een voorwerp der bewondering zijner nakomelingen heeft gemaakt.

In hem toch zien wij scheppend vernuft en kieschen smaak vereenigd met eene groote mate van gezond verstand, dat zijne dichterlijke verrukking leidde en ten teugel diende. In elk zijner meesterstukken schittert zijn talent en verlicht oordeel, als hij met bevallige losheid tafereelen uit het Friesche volksleven schildert, en, altoos wisselende naar den eisch des onderwerps, tusschen allerlei onderwerpen heerlijke lessen van levenswijsheid strooit; terwijl hij in alles een meesterschap over de taal betoont, zoo als nog niemand hare kracht en schoonheid had aan den dag gebragt. Dáárom vereeren de Friezen hunnen gysbert, als hun dichter bij uitnemendheid.

Meer algemeen was de roem, welken de broeders Willem en Onno Zwier van Haren, niet enkel in hooge staatsbetrekkingen, maar inzonderheid als Dichters mogten verwerven. Terwijl in het midden der 18e eeuw de dichtkunst in ons vaderland ontaard was in de kunst om nette, rollende verzen te maken, zonder oorspronkelijkheid, dichterlijke vlugt of gevoel, toonden zij het vaderland door hunne mingepolijste poëzij, dat die vereischten der ware kunst nog niet geheel verloren waren. Willem mogt door zijn grootsch heldendicht: Gevallen van Friso en zijne stoute Lierzangen even grooten roem behalen als Onno later door zijne Geuzen, Treurspelen, Lierzangen enz.

In vaderlandsch gevoel, in stoute beelden en vergelijkingen, in treffende grepen, in dichterlijke uitdrukking, in rijkdom van vinding en belangrijkheid van zaken dongen beide om den prijs. Die meesterstukken van waarachtige poëzij doordringen toch, waar men ze opsla, ieders hart met warm gevoel voor vaderland, vrijheid, menschenwaarde, godsvrucht en deugd. Vandaar, dat zij, die de hooge roeping des dichters vervulden, de dankbare bewondering van het nageslacht en de lofspraak van een bilderdijk verdienden:

Van Harens, Broedrental dat zelden weerga vond,
O Waarom zweeft uw naam geen wareldgordels rond!.

In dit zelfde tijdvak mogten mede Ernst Willem Higt, Boelardus Augustinus van Boelens, Cynthia Lenige en Simon stijl door voortreffelijke dichtvruchten eer en onderscheiding verwerven.

  • Schilders, Teekenaars en Graveurs.

Dat smaak en gevoel voor beeldende Kunst, ook om boven vermelde reden, in Friesland minder algemeen geheerscht zouden hebben, en dat dit afgelegene gewest (in vergelijking van het rijke en voor de gemeenschap met andere landen zoo gunstig gelegene Holland) weinige kunstbeoefenaren zou hebben voortgebragt,—ook dit zou zeer natuurlijk geweest zijn. En toch noemt de geschiedenis onzer vaderlandsche Schilder-, Teeken- en Graveerkunst een aantal Friezen, die het hunne hebben toegebragt om den Nederlandschen kunstroem te vestigen.

Als Schilders hebben toch Pieter de Valk, Jacob Bakker, Frans Carré, Jelle Reiniers, Jakob Potma, Wijbrand de Geest, Simon en Dirk de Vries, Gerard Edema, Matthijs Haarings en Wigerus Vitringa zich in de 17e eeuw verdienstelijk gemaakt. En zouden wij daarbij ook niet mogen noemen Meindert Hobbema, wiens meesterstukken thans bijna tegen goud worden opgewogen? Ook in de volgende eeuw waren Tako Hajo Jelgersma, Bernardus en Matthijs Accama, Hermanus Busch, Rienk Jelgerhuis en Gerard Wigmana, even als J. de Wilde, Taco Scheltema, Hermanus Wouter Beekkerk, Dirk Ploegsma, Allert van der Poort, Nicolaas Baur, Willem Bartel van der Kooi enz. in verschillende vakken zeer geacht.

Als Teekenaars mogten Margaretha de Heer, J. Stellingwerf, Pieter Idserds Portier, Petrus Camper, Joh. Jelgerhuis rz. en anderen zich mede onderscheiden.

Hoewel het niet bekend is, dat er in Friesland ooit eene Plaatdrukkerij heeft bestaan, hebben toch als Graveurs uitgemunt: Boethius of Bote en Schelte van Bolswerd, Petrus Feddes van Harlingen, Jan Jaapix, J. van Munnickhuizen, Jan de Vos, Jacobus en Anna Folkema, Pieter Tanjé, Michiel Elgersma en Kleis Lanting, waarvan sommigen uitstekende kunstwerken hebben voortgebragt.

Ziedaar enkel de namen genoemd van de voornaamste personen, welke, in verschillende vakken van kennis en kunst, uit Friesland zijn voortgekomen en die hebben bijgedragen, om in ons vaderland vooruitgang in wetenschap, smaak en beschaving te bevorderen. Gewis, dit gewest heeft naar vermogen zijne offers aan het rijk van het goede en schoone toegebragt, en roemvol is de rij van verdienstelijke personen, die onze vaderlandsliefde zich herinnert, en aan welke wij de hulde onzer vereering toebrengen als dankbare nakomelingen, die tevens een prikkel tot navolging vinden in de overtuiging:

Der Vadren glorie strekt het Nageslacht tot eer.

41. VREDE EN VOORSPOED VERHEFFEN—ZORGELOOSHEID EN PARTIJSCHAPPEN ONTBINDEN DEN STAAT.

Van den Utrechtschen vrede tot de Staatsomwenteling.

1713-1795.

Niets is meer algemeen onder de menschen, dan dat zij, dagelijks door hoop en vrees geslingerd, aan vrede en voorspoed het denkbeeld van geluk—en aan nood en tegenspoed, dat van ongeluk verbinden. En echter leert de geschiedenis, ook van ons vaderland, dat—terwijl nood en tegenspoed de levenskrachten der natie opwekken en moed en inspanning ten algemeenen nutte ontwikkelen—ons geslacht veelal zwak genoeg was, om vrede en voorspoed meer te doen strekken tot gemak en genot, die verslapping nalaten, dan tot herstelling, verbetering en vooruitgang in velerlei betrekkingen van den staat en der maatschappij.

Zóó misleiden de volken zich zelve, door van de beste der gaven geen verstandig gebruik te maken! Dán hoopen de smetstoffen in den staatkundigen dampkring zich op, totdat er eene geruchtmakende uitbarsting komt, welke allen uit den slaap opwekt en naar hulp en redding doet uitzien.

Bij het licht des geloofs, dat God de natiën bestemd heeft, om steeds te vorderen in volmaking en beschaving, zien wij echter te midden van dit alles: dat alle pogingen om het ware en goede te bevorderen duurzaam tot heil strekken; dat de raadslagen der boozen verijdeld worden, en dat de dwalingen en verkeerdheden der menschen, onder Zijne liefdevolle leiding, middelen worden tot hunne leering en verheffing voor de toekomst.

De loop der gebeurtenissen in ons vaderland gedurende de 18e eeuw heeft dit alles bewezen.—In de oorzaken, middelen en gevolgen daarvan had Friesland rijkelijk zijn aandeel. Wij willen den afgebroken draad hervatten, en ook het voorgevallene in het laatste gedeelte van dit tijdvak in hoofdtrekken mededeelen.

Had ons land ná den Munsterschen vrede van 1648 langer dan eene halve eeuw moeten oorlogvoeren met andere mogendheden,—op den vrede, in 1713 te Utrecht gesloten, volgde inderdaad eene veeljarige rust. Zelfs deden de Algemeene Staten al het mogelijke om den vrede te bewaren en den oorlog te schuwen, hetgeen ook na de aanzienlijke vermindering van de landmagt en de verwaarloozing van het zeewezen wel noodzakelijk was, ofschoon zij de eer en waardigheid des lands daarbij dikwijls in de waagschaal stelden.

Onder het genot van die rust, bij welke de vroegere wakkerheid vervangen werd door zucht naar gemak en weelde, bleven koophandel en nijverheid bloeijen, ook in weerwil der rampen, welke nu en dan aanzienlijke offers eischten.

Immers, nog was de veepest, in 1712 begonnen, aan het woeden, toen Friesland eerst in 1715, doch vooral bij den Kersvloed van 1717, verschrikkelijk werd geteisterd door dijkbreuken en overstroomingen, die groote schade te weeg bragten. Naauwelijks waren de hierop gevolgde herstellingen en verbeteringen van onze zeeweringen voltooid, en pas had eene heerschende ziekte en ongemeene sterfte in 1728 opgehouden, toen eene nieuwe volksramp, de paalworm, in 1730 en volgende jaren het land met een groot gevaar bedreigde en aanzienlijke sommen eischte tot beveiliging onzer havens en kusten; terwijl weinige jaren later, in 1744 en vervolgens, de veepest nog grootere verliezen veroorzaakte.

Intusschen had Prins Willem Carel Hendrik Friso, door eene voortreffelijke moeder opgevoed, door de beste leermeesters gevormd en van nature met de edelste vermogens van verstand en hart begaafd, in 1731 den twintigjarigen ouderdom bereikt en het Erfstadhouderschap over Friesland aanvaard. Bij die gelegenheid had Prinses Maria Louisa het bewind nedergelegd, en nevens den dank der Staten voor de uitnemende diensten, welke hare wijsheid den Staat en deze Provincie had bewezen, eene gift van 5,000 Gld. en een lijfpensioen tot een gelijk bedrag, uit achting voor haar persoon en verdiensten, ontvangen.

Reeds in 1718 was de Prins door Groningen en in 1722 door Drenthe en Gelderland tot Stadhouder benoemd, welke waardigheden hij in 1729 had aanvaard, in weerwil der tegenkantingen van Holland en andere provinciën, die deze uitbreiding van ’s Prinsen magt met leede oogen aanzagen. In spijt der tegenbedenkingen van Holland steeg het aanzien van den Prins nog meer door zijne echtverbindtenis met Anna, Kroonprinses van Groot-Brittanje, oudste dochter van Koning George II, welke den 25 Maart 1734 werd voltrokken.

Luisterrijk was het onthaal, dat het vorstelijk paar, te Harlingen aangekomen, den 11 Mei op zijn togt naar en in Leeuwarden mogt ondervinden, waarbij de regering en de ingezetenen hunne hooge ingenomenheid met dit huwelijk aan den dag legden; terwijl ’s lands Staten der Prinses eene tonne gouds tot eene huwelijksgift aanboden. In de liefde zijner Friezen vond de Prins dan ook bestendig de meeste voldoening, bij al de geestkracht, welke hij bezat, om zich boven de bestendige vernedering, uitsluiting en tegenwerking der Staten van Holland en andere gewesten fier te verheffen.

Hoe duurzaam het genot van vrede en voorspoed ook schenen te zijn, ten jare 1740 ontbrandde op eens de Oostenrijksche successie-oorlog, waaraan de meeste staten van Europa deel namen. Karel VI, Keizer van Oostenrijk, stierf, en liet den troon na aan zijne jeugdige dochter Maria Theresia, Koningin van Hongarije en Bohemen. Zes mogendheden, Beijeren, Pruissen, Polen, Spanje, Sardinië en Frankrijk zochten deze troonsopvolging te verhinderen, en zonden schielijk ontzaggelijke legers in Duitschland.

In ons vaderland weifelden de staatkundige partijen in de keus, of men, uit kracht der pragmatieke Sanctie of het Weener verdrag van 1732, der Koningin hulp zou bieden, dan of men zich onzijdig en buiten den oorlog zou houden. De Algemeene Staten, alleen bedacht op zelfverdediging, versterkten hunne landmagt in 1741 wel, eerst met 21,000 en daarna met nog 20,000 man; doch in plaats van hulpbenden aan Maria Theresia te zenden, besloten zij, haar een onderstand van 8 tonnen gouds aan te bieden.

Toen er echter in het volgende jaar eene nieuwe aanvraag en wel om troepen kwam, waren de gevoelens zeer verdeeld. Sommigen, die den vrede tot elken prijs wilden bewaren, of die Frankrijk vreesden, besloten tot onzijdigheid; maar anderen meenden, dat de goede trouw den Staat verpligtte, aan de traktaten gevolg te geven en hulptroepen te zenden.

De wakkere Willem van Haren koos met jeugdig vuur de zijde der laatsten, en nadat hij, als afgevaardigde van Friesland, in de vergadering der Algemeene Staten zijne welsprekendheid had uitgeput, om de vertegenwoordigers der provinciën tot zijne beginselen over te halen, nam hij zijn dichterlijk talent te baat, om ook het volk zelf met die beginselen van regtvaardigheid en goede trouw te bezielen.

Hij gaf de Leonidas en drie Lierzangen in het licht, en—behaalde met deze gloeijende verzen eene staatkundige zegepraal op de harten des volks, die der dichtkunst wel bij de Grieken, maar nog nooit in ons land was te beurt gevallen. Men wil, dat er binnen drie dagen honderdduizend afdrukken van deze gedichten verkocht zijn. Het regende lofverzen op van haren.

De opgewonden geest des volks werkte op dien der Staten, die daarom in 1743 besloten, de Koningin met 20,000 man hulptroepen bij te slaan, welk getal in den volgenden jare werd verdubbeld. "Eere zij onzen Vaderen, die door eerlijkheid vergoed hebben, wat hun aan veerkracht ontbrak. Eere vooral den Staatsman en Dichter, die, in zijnen Leonidas, door het voorbeeld van den held van Sparta, de natie uit hare slaapziekte pogende op te wekken, hun, die niet schroomden het trouwblijven aan verbonden eene koppigheid te noemen, met verontwaardiging toevoerde, hoe zij thans zelven door eed- en bond-breuk zich tot de diepte verlaagden der Barbaren, die hunnen val beoogden”.

Hoewel de Nederlanders in de vijf hierop gevolgde veldtogten van Lodewijk XV in de Oostenrijksche Nederlanden weinig eere mogten behalen, hebben toch onder de Friesche krijgsbevelhebbers zich onderscheiden: de Luitenant-Generaal Johan Sicco Baron thoe Schwartzenberg, de Brigadier Gemme Onuphrius van Burmania, de Luitenant-Kolonel Klaas Ulbe van Burmania, benevens nog vier andere leden van dit geslacht; alsmede de Majoor Daniel de Blocq van Bouricius, Kommandant van het Regiment Oranje-Friesland; doch bovenal de dappere Luitenant-Generaal Hobbe Esaïas van Aylva, Gouverneur van Maastricht, die van zijne uitstekende verdediging van deze sterke, doch hevig aangevallene vesting in 1748 zoo veel eere mogt behalen, dat zijn aanvaller, de Maarschalk van Saksen, als blijk van achting voor zijn moed en bekwaamheid, hem, nadat de vesting bij vredesverdrag was overgegaan, toestond, bij zijn eervollen uittogt vier kanonnen en twee mortieren uit de vesting mede te voeren.

Nadat Frankrijk verpligt werd, Maastricht weder aan ons af te staan, werd dit geschut, op voorstel des Stadhouders, hem door den Raad van State vereerd, na voorzien te zijn van het opschrift: donum virtutis aylvæ, of Eeregift voor Aylva’s dapperheid.

Vóór echter deze oorlog door den vrede van Aken (1748) geëindigd werd, hadden er in ons vaderland zelf merkwaardige gebeurtenissen plaats. Reeds lang hadden de bekwaamste staatslieden, zelfs Hollands voortreffelijke Raadpensionaris Simon van Slingelandt, erkend: "dat het missen van eenen Stadhouder de gebreken in de Constitutie thans meer bespeuren, en nadeeliger uitwerkselen deed hebben, dan voordezen”.

Doch de heerschzucht der bewindslieden, de trots der aristokratische aanmatiging en de willekeur der stedelijke regenten, door wie op vele plaatsen eene familie-regering was ingevoerd, hadden zich van het gezag meester gemaakt ter onderdrukking van het volk. En zoolang Hollands Staten halsstarrig weigerden, ook "uit vrees voor Frieschen invloed,” de noodzakelijkheid van het Stadhouderschap te erkennen, bleven alle pogingen der vrienden van den Prins van Oranje, om zijn gezag uit te breiden, vruchteloos.

Sedert het uitbreken van den oorlog werd het gemis van een éénhoofdig bestuur, het gebrek van een middelpunt van gezag, waardoor de kracht des bewinds verslapt was, meer gevoeld, en stegen de klagten over veelvuldige misbruiken in den staat, bijzonder over de knevelarijen der pachters van de gemeene lands middelen, met den dag. Had het tooneel des oorlogs zich tot dusverre tot België bepaald en was Vlaanderen reeds voor twee jaren door Lodewijk XV veroverd—daar verbreidt zich op ééns het gerucht door het vaderland, dat de Franschen ook in Staats-Vlaanderen zijn gevallen, zoodat Zeeland in het grootste gevaar verkeert. Van waar nu hulp, van waar redding in dien nood?

Even als in 1672, stak het volk de handen uit naar den nu, even als toen, door de staatsleden zoo lang verdrukten en miskenden Prins van Oranje. Op den 25 April 1747, op den zelfden dag, dat de Prins uit Leeuwarden een brief afzond, waarbij hij den Staten van Zeeland zijne hulp en dienst aanbood, ging weder uit het kleine Vere het eerst de kreet op, die, ijlings verspreid, dadelijk weerklank vond in geheel Zeeland, Holland en de overige gewesten, zoodat binnen weinig tijds de volksstem Prins Willem Carel Hendrik Friso, als Willem den Vierde, als door een wonder, tot Erfstadhouder en Kapitein-Generaal en Admiraal over al de Vereenigde Nederlandsche gewesten verhief, en met zoo vele eerambten en waardigheden overlaadde, als nog geen zijner voorgangers had bezeten.

Afdruk van Wikipedia: Willem IV van Oranje-Nassau

De beminnelijke Vorst, die kon betuigen: "de hoogste eerzucht, die het hart eens stervelings kan streelen, is, zich als het voorwerp der liefde en hoogachting van een vrij volk te mogen beschouwen,” aanvaardde met ware grootheid van ziel de hem aangebodene waardigheden, waarop zijn naam, afkomst en hoedanigheden hem regt gaven. Ja, hoe benard de toestand des lands ook ware, hij verheugde zich in de gelegenheid gesteld te worden, om met Gods hulp al zijne krachten aan te wenden ter bevordering van het welzijn des volks.

Den 9 Mei vertrok de Prins van Leeuwarden over Harlingen met een jagt naar Amsterdam. Eene opgetogene menigte verbeidde hem, "den Verlosser van Nederland,” daar, zoowel als bij zijn luisterrijken intogt in ’s Gravenhage, als op aller handen gelijk in aller harten gedragen. De blijdschap des volks kende geene palen, en had het moed bekomen in het dreigende gevaar en hoop voor de toekomst. "Nooit moge de nakomelingschap die dagen van geestdrift vergeten!"

Door die geestdrift en eenswillendheid bezield, mogt de natie zware offers brengen, om, tot afwering van den vijand, het leger te versterken en het land van binnen door gewapende magt te beschermen, waartoe overal eene liberale gift met blijdschap werd opgebragt. Dan, nu ook begon het volk, dat zich tegenover de regenten versterkt gevoelde door het gezag van den Prins, overal zijne regten te doen gelden, en verbetering te eischen van de veelvuldige, zoo ware als vermeende, misbruiken en ongeregeldheden in het staatsbestuur.

Tot herstelling daarvan scheen nu eene gunstige gelegenheid te zijn geboren. Geweldige opschuddingen en hevige beroerten, die het gemeen gelegenheid gaven om uit te spatten, hadden bijna overal plaats. In Mei 1748 begonnen deze in Groningen en daarna in Friesland. Die onlusten openbaarden zich het eerst door het gewelddadig vernielen van de opzigtershuisjes der pachters van het gemaal bij al de korenmolens in deze provincie.

De gemeene landsmiddelen werden destijds bij wijze van verpachting geheven; doch de knevelarijen dier pachters, waaraan de ingezetenen bloot stonden, de zwaarte der belastingen op de noodwendigste levensbehoeften, de hinderlijke last van de havenpachten en het passagie-geld en daarbij de zware schuldenlast der provincie bij te vele zwaar-bezoldigde ambtenaren—ziedaar eenige der voornaamste grieven, waarvan velen onder Frieslands ingezetenen herstelling en verbetering wenschten.

Om dit doel, zoo mogelijk, te bereiken, verschenen den 1 Junij 1748 negen-en-vijftig der voornaamste burgers van Harlingen, als Gecommitteerden uit de ingezetenen dier stad, te Leeuwarden, die van Gedeputeerde Staten de opheffing van deze bezwaren verzochten. Tevens verlangden zij, dat het Erfstadhouderschap zoowel in de vrouwelijke als mannelijke lijn erfelijk verklaard mogt worden.

De Staten, die de verpachting van de belastingen dadelijk hadden opgeheven, stonden dit laatste verzoek gereedelijk toe, en noodigden zelfs alle ingezetenen uit, om hunne bezwaren tegen den 5 Junij in te brengen. Tot dit einde werden er in alle steden en dorpen Gecommitteerden benoemd en naar Leeuwarden afgevaardigd, om bezwaren in te leveren.

De Magistraat dier stad had tot ontvangst van zoo vele personen, wier getal ruim 200 beliep, de Groote of Jakobijner-kerk ingerigt, waar dit staatkundig Congres, onder sterke spanning des volks, werd gehouden. Veertien punten van redres onderling opgemaakt, werden aan de vergaderde Staten ingezonden en nog dien zelfden dag aangenomen en goedgekeurd.

Op deze wijze werd de onrustige gemeente, die zich somtijds zeer dreigend en oproerig gedroeg, bevredigd. De Gecommitteerden achtten hunne taak echter nog niet afgedaan; maar, om de uitvoering van de toegezegde verbeteringen te bevorderen, benoemden zij twee personen uit iedere stad en elke grietenij, waarvan 24 vereenigd bleven, om voortaan op den Stads-Schutters-Doelen hunne werkzaamheden in het belang des volks voort te zetten, en met de Staten verder te onderhandelen.

Na onderscheidene voorstellen, droegen zij den 5 Julij 73 Punten-reformatoir voor, welke hoofdzakelijk met de vroegere bezwaren van 1627 en 1672 overeenkwamen, waarbij zij den 25 dier maand nog 47 Punten voegden, welke, als de wenschen des volks, alle door de Staten werden aangenomen en uitgevaardigd.

De Prins, verhinderd om door eene spoedige overkomst aan aller verlangen te voldoen, zond intusschen eenig krijgsvolk tot herstel van de rust in Friesland, benevens eene Commissie, om de zaken des lands te onderzoeken, en te handelen met de Gecommitteerden des volks en de Staten, die den Prins volkomene magt hadden verleend, "om de Constitutie des lands op vaste gronden te stellen, de ingeslopen abuizen in de regering, financiën als anderzins te redresseren, de provincie in rust en bloei te brengen enz.” Welk een gebruik de brave Vorst van deze, nooit te voren dus afgestane, Oppermagt maakte, bleek eerlang, toen de Stadhouder den 18 December 1748 tot aller vreugde te Leeuwarden kwam, en zijne voorstellen tot verbetering aan de plegtig vergaderde Staten mededeelde.

Den 23 December werd alzoo zijn "Reglement, om te dienen tot eene fundamenteele en onverbreekelyke wet, waar naa alle Saaken, zoo van Politie als Justitie, daar in vervat, voortaan zullen werden beleid en behandelt,” uitmakende 61 artikelen, uitgevaardigd. Hiermede, gelijk door het uitschrijven van eene algemeene Amnestie en van een nieuw stelsel van belastingen (dat echter spoedig onuitvoerbaar werd bevonden), werden alzoo de rust hersteld, vele aanleidingen tot misnoegen weggenomen en onderscheidene takken van beheer en gezag op een beteren voet geregeld.

Nooit bleek voorzeker aan Friesland het gewigt en nut van het Stadhouderschap duidelijker, dan in dit merkwaardige jaar 1748. De Prins betreurde het echter met alle welgezinden, dat het opgewondene gemeen de goede zaak door oproerige bedreigingen, plunderingen en verwoestingen (te Wier, St. Anna-Parochie, Hallum en elders) bezoedelde.

Zeker bragten de persoonlijke hoedanigheden en gedragingen van den Prins, die de grootheid van zijn Huis enkel zocht in de grootheid van den Staat, veel toe, om hem dien invloed en die magt te bezorgen en aller harten aan zich verbonden te houden. Veel is er vervolgens door hem verrigt, om orde, regt, geldmiddelen en krijgstucht te herstellen en om koophandel en zeevaart te doen bloeijen.

Wat mogt men nu verder niet voor het welzijn des lands verwachten van een Vorst, met zooveel magt bekleed, met zoo vele gaven versierd, en als een toonbeeld van christelijke deugden vereerd? Terwijl men zich over zulk eene gelukkige toekomst verheugde, behaagde het God, ’s Prinsen levensdraad onverwachts af te snijden. Hij stierf reeds den 22 October 1751, diep betreurd door het gansche vaderland, dat zijne bewonderenswaardige grootmoedigheid had leeren kennen, en dat zijn ijver voor het belang des lands en liefde voor zijn volk met wederliefde en trouw had vergolden.

Hoe kort de regering van Prins Willem den vierde ook ware, zij was lang en eervol genoeg, om hem eene roemrijke plaats te bezorgen onder de edele Vorsten des vaderlands.

Inzonderheid was Friesland wegens het voorgevallene in 1748 aan dien Stadhouder verpligt, vooral in vergelijking met andere provinciën, waar, even als in de zaken der Generaliteit, zoo vele misbruiken en verkeerdheden nog onverbeterd waren gebleven. Prinses Anna, die na zijn dood, als Gouvernante van den minderjarigen Prins Willem V, het bewind had aanvaard, vermogt te weinig en bezat ook niet genoeg vertrouwen na het uitbreken van den oorlog tusschen Engeland en Frankrijk, om veel goeds tot stand te kunnen brengen.

Omdat de Staten de vermeerdering van de krijgsmagt niet wilden toestaan, wist zij tegen te gaan, dat onze zwakke zeemagt versterkt werd. En toch was dit laatste zoo noodzakelijk, dewijl de handel en scheepvaart, waarin ook Friesland toen een belangrijk aandeel had, groote schade leden van de Engelschen, die zoo vele onzer koopvaardijschepen prijsverklaarden of hinder toebragten. De dood van Prinses Anna, op den 12 Januarij 1759, maakte een einde aan dien staat van spanning, en bevorderde dadelijk de versterking van onze zeemagt, tot beveiliging onzer vlooten tegen de roofzucht van de Engelsche zoowel als Fransche kapers.

Terwijl Holland en de vijf andere provinciën nu gedurende de minderjarigheid van Prins Willem V hoofdzakelijk bestuurd werden door zijn voogd en ook lateren leidsman Lodewijk ernst, Hertog van Brunswijk-Wolfenbuttel, Veldmaarschalk van den staat, hadden de Staten van Friesland zoo veel eerbied voor ’s Prinsen grootmoeder, Prinses Maria Louisa, dat zij haar, hoewel reeds 70 jaren oud, als Gouvernante op nieuw het bewind toevertrouwden.

Met die waardigheid en kracht, welke de edele Prinses, sterk door haar christelijk geloof, immer had betoond onder zoo vele smartelijke verliezen, welke haar troffen, volbragt zij gedurende zes jaren deze taak. Zij deed dit zóódanig tot genoegen der Staten, dat deze bij haren algemeen betreurden dood, op den 9 April 1765, konden betuigen: "dat zij een allergezegendst middel in Gods hand was geweest, om de welvaart dezer provincie met den uitersten ijver te bevorderen op eene zoo vreedzame en vriendelijke wijze, dat zij de liefde en hoogachting van Regenten en ingezetenen van allerlei staat voor lange jaren verkregen en tot den einde toe volkomen behouden had”.

Een gelukkig tijdperk van rust en ongemeene welvaart was er voor het vaderland aangebroken, toen Prins Willem V in 1766 in alle provinciën als Erfstadhouder werd gehuldigd. Die voorspoed, welke ook Friesland bestraalde, werd in de eerstvolgende veertien jaren alleen door de veepest van 1769 en den watervloed van 1776 afgebroken. Wel trachtten de staatsleden de deerlijk vervallen geldmiddelen dezer provincie te verbeteren, doch er kwam veel minder goeds gedurende dit bloeijende en rustige tijdvak tot stand dan men had mogen verwachten.

De vroegere wakkerheid was in vele opzigten door laauwheid en zorgeloosheid vervangen; terwijl zoo vele kleine twisten blijken gaven van de kregelheid, eerzucht en twistgierigheid, welke vele republikeinen dier dagen bezielden. Lang bleef ook de goede, doch dikwijls zwakke Prins in de volksgunst deelen, en ontving hij daarvan streelende bewijzen, toen hij Friesland in 1773 en 1777 bij herhaling bezocht, omgeven van den glans der weelde, welke de voorspoed der ingezetenen overal ten toon spreidde.

Doch hoe zeer veranderde die stemming des volks en de toestand des lands met den jare 1780!

De vrijheids-oorlog der Noord-Amerikaansche volkplantingen tegen Engeland verwekte allereerst eene ongemeene belangstelling en geestdrift. Bijzonder was dit het geval bij de vrijheidlievende Friezen, wier Staten zoo veel lof verwierven, doordien zij in 1782 de eerste van al de provinciën waren, die vóór de vrijverklaring van Amerika stemden.

Vermits de Hollandsche kooplieden de Amerikanen, in weerwil van Engelands verbod, bleven ondersteunen, moest dit natuurlijk een oorlog van ons land met Engeland ten gevolge hebben. Bij de zwakheid van onze zeemagt bragt die vredebreuk onzen handel aanzienlijke schade toe. Groot verschil van staatkundige inzigten en daarbij een toenemend misnoegen over het gedrag van den Prins en meer nog over de handelingen van zijnen raadsman, den Hertog van Brunswijk-Wolfenbuttel, dien men, nadat hij in den haat des volks was gevallen, verwijderd wilde hebben,—dit alles verwekte meer en meer verwijdering, verbittering, scheuring en partijschap.

Het volk, dat de staatsleden beschuldigde van afgeweken te zijn van het Regerings-reglement van 1748, en zich beklaagde over de aanmatigingen der rijken, de voorregten der aristocratie en de misbruiken der familie-regering, verlangde meerdere regten uit te oefenen, en eischte grondwettige herstelling van het, in zoovele opzigten verbasterde, staatsbestuur.

Het woord vrijheid, hetwelk in de zaak der Amerikanen zulk eene heilige beteekenis had, kwam hier in de mode, en werd, vermengd met de zonderlingste denkbeelden van Fransche wijsgeeren over godsdienst en volkenregt, getroeteld en in politieke klubs of fraterniteiten aangekweekt, tot ondermijning van het gezag der regenten. Zelfs benamen de Friesche Steden den Prins in 1782 het aan zijn vader en hem afgestane regt van Raadsbestelling en het begeven van de in haar kwartier rondgaande ambten.

Noch het vertrek van den Hertog van Brunswijk-Wolfenbuttel, noch de vrede met Engeland (1784), noch een verdedigend verbond met Frankrijk (1785), konden de opgewondene gemoederen tot rust brengen. Integendeel, nadat eene bedreiging van oorlog met Keizer Jozef II het volk algemeen de wapenen in handen had gegeven, versterkten de alom opgerigte Vrij-korpsen of Exercitie-genootschappen de krijgshaftige houding der natie, waarvan een deel weldra met die zelfde wapenen hare overheden bedreigde en zich tegen het gezag verzette.

De brave Prins, te zwak om in tijden van beweging het roer van staat met vaste hand te sturen, sloot zich nu bij de aristocratie aan, in plaats van eene poging te doen, om de verlorene vriendschap der patriotten te herwinnen, door hunne voornaamste wenschen in te willigen.

In dien onrustigen stand van zaken waagden de Staten van Friesland het, den publieken geest, welke zich dagelijks krachtiger openbaarde en op de verbetering van talrijke misbruiken aandrong, te trotseren, door op den 25 September 1786 twee merkwaardige plakkaten uit te vaardigen. Bij het eerste werd het op strenge straf verboden, beleedigende geschriften uit te geven, of requesten en adressen over zaken der regering te teekenen.

Bij het tweede werden de nu gevaarlijk geachte Exercitie-genootschappen opgeheven en verboden, en de burgers bevolen hunne wapenen af te leggen. Dan, de stroom vloeide reeds te lang en te sterk, om, door zulke middelen gestuit, niet buiten zijne oevers te treden. De tegenstand des volks werd meer algemeen, de breuke tusschen de Prins-gezinden en Patriotten grooter, de verbittering sterker.

De stad Franeker werd in Mei 1787 het middelpunt, waar de gewapende misnoegden en tegenstanders van het Stadhouderlijk gezag zich vereenigden; waar een Defensiewezen zich tegen gevreesde aanvallen versterkte, door de stad met schansen en elf batterijen te omgeven en krijgsvoorraad bijeen te brengen, en waar in Augustus tien leden der Staten zich van die van Leeuwarden afscheidden en, even als in 1672 te Sneek, eene tegenregering vormden, die, met versmading van de wettige meerderheid, hare bevelen, als de eenige en hoogste magt des lands, overal wilde doen eerbiedigen.

Zulk een verwarde toestand des lands, welke voor de rust, de veiligheid en welvaart der ingezetenen hoogst verderfelijk was, kon niet duurzaam zijn bij al de blijken, welke het volk gaf van nog niet rijp te zijn voor het genot van eene vrijheid, waarvan alléén de klank veler hoofden had bedwelmd; terwijl de band van ontzag, eerbied en liefde tusschen overheid, vorst en volk was verbroken.

Welk persoon, wat stout bedrijf of welke merkwaardige gebeurtenis zou den veegen Staat redden? Helaas! den benarden Stadhouder, dien men in Holland zoo veel leed had aangedaan, dat hij naar Nijmegen was geweken, scheen geen ander middel tot zelfbehoud over te schieten, dan de hulp in te roepen van zijnen schoonbroeder, den Koning van Pruissen, die in September 1787 een leger van 20,000 man naar Holland zond, om den Prins in zijn gezag te herstellen.

Achtten velen deze inroeping van vreemde hulp eene grievende beleediging,—zij had voor het oogenblik dit gunstig gevolg, dat alom, na hevige uitspattingen, de volksberoeringen ophielden, en dat de Staten van Holland, met intrekking van al hunne besluiten, tegen den Prins genomen, den Stadhouder verzochten weder in ’s Gravenhage te komen. Zegepralende op zijne vijanden, die het vaderland ontvloden, hernam hij zijne waardigheden, en werd alom de bestaande regeringsvorm met kracht gehandhaafd.

Maar welk gebruik maakten de Staten van Friesland van deze overwinning van het gezag? Verdienden zij door edele grootmoedigheid en vergevensgezindheid den eerbied, waarop zij op nieuw aanspraak maakten? Neen, strenge vervolgingen bragten hen in verdenking, dat niet het welzijn des volks, maar het zegevieren hunner partij en zucht om het beleedigde gezag te wreken het roersel hunner daden was.

Nadat allen, die zich verdedigers der grondwettige regten en vrijheden des volks noemden, met de talrijke te Franeker zamengevloeide gewapende burgers die stad hadden verlaten, werd zij op den 24 September door de Staten bezet, en daarna gestraft met het uitligten van de deuren der poorten, welke in de kerk werden vastgelegd. Honderden Friesche patriotten vlugtten, waarvan de meesten te St. Omer in Frankrijk eene schuilplaats vonden. Vele leden van het defensiewezen en andere deelgenooten van den opstand tegen den bestaanden regeringsvorm werden gevat en door het Hof gevonnisd met gevangenzetting, geldboeten, verbeurdverklaring van goederen en andere straffen.

Eene algemeene ontwapening des volks werd bevolen; de Fraterniteiten en andere dergelijke staatkundige bijeenkomsten werden streng verboden. Wel lieten de Staten den 16 October eene Amnestie afkondigen; doch deze bevatte, na eene opsomming van al het misdrevene zóó vele uitzonderingen, dat de meeste deelgenooten daar buitengesloten bleven, en zich liever den last der ballingschap buiten hun vaderland getroostten. Hard viel deze straf vooral vele rustige en brave burgers, die, met de beste bedoelingen, door den tijdgeest onwillekeurig waren medegevoerd geworden.

Nog harder viel die vervolging, toen de Staten, ook nadat er reeds eenige jaren verloopen waren, doof bleven voor alle verzoeken tot matiging, zoodat zelfs nog in 1792 de zedige en verdienstelijke Eise Eisinga, die zich, na jaren omzwervens, te Visvliet nedergezet had en daar gevat was, na een proces van een vol jaar, voor vijf jaren uit deze provincie gebannen werd, enkel omdat hij in 1787 lid was geweest van het defensiewezen te Franeker.

Te onverklaarbaarder was dit streng volhouden der Staten, omdat zij, bekend met de wenschen des volks, waardoor de onlusten waren ontstaan, sedert 1787 bijna niets deden ter verbetering van het door zoovelen aangevallene staatsbestuur en tot wegneming van de algemeen erkende misbruiken;—doch vooral, omdat de staats-omwenteling van 1789 in Frankrijk hun tot ontzetting deed zien, welk eene magt het volk tegenover den troon, den adel en de geestelijkheid kon ontwikkelen; welke de eischen waren van den onwederstaanbaren geest des tijds, en welke gevolgen het onverstandig vasthouden aan verouderde vormen en begrippen na zich moest slepen.

Bekend was het bovendien, hoe zeer de Nederlandsche vlugtelingen blaakten van wraakzucht, om hunne overheden het inroepen der Pruissische hulp betaald te zetten; hoe zij zich met de Franschen verbroederden, en, door briefwisseling met hunne vrienden, in ons land de hoop levendig hielden op eene door hen voorbereide verlossing, ter bekoming van eene gelijke vrijheid en volkssouvereiniteit, als de Fransche republiek reeds had verworven.

In weerwil de onmenschelijke tooneelen van het schrikbewind, na den val van Koning Lodewijk xvi, alle mogendheden deden sidderen voor de woede van een bandeloos volk—bleven de Staten van Friesland zorgeloos en gerust op het oude pad voortgaan. Ja, nog den 28 Januarij 1795, toen het water reeds tot aan de lippen was gestegen, ontveinsden zij het klimmende gevaar, daar zij, bij openlijk plakkaat, zich durfden "vleien, dat de Unie zal blyven bewaard, in het vertrouwen op het vooruitzigt van den gelukkigen en wenschelyken voortgang der aangevangene Vreedes Negotiatien; uit welken hoofde ’er zig gegronde hoope opdoet tot het zien eindigen van deezen bloedigen Oorlog.”.

Zóó blind, zóó onverzettelijk bleven ’s lands Regenten, die echter reeds den volgenden dag al onthutst waren over "de verandering der gedaante van zaaken door de rampen des Oorlogs,” waarom ze den predikanten bevolen te bidden, "dat God den bloedigen Oorlog mogt doen eindigen.”

Doch die oorlog was toen eerst aangevangen en zou nog twintig jaren lang, geweldiger dan ooit te voren, woeden, ten einde, onder Gods wijze en liefdevolle leiding, het middel te worden, om de natiën, die in vrede en voorspoed doof waren geweest voor de stem van godsdienst en rede, en blind voor hun duurzaam belang, door lijden en strijd te louteren, en, eerst na verloop van vele jaren van rampspoed, te verheffen tot eene betere maatschappelijke orde en meerdere vatbaarheid voor volksgeluk.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.