Home » Lemmer » Visserij en schepen » Visserij algemeen, te Lemmer |1| » Visserij algemeen, te Lemmer |4|

Visserij algemeen, te Lemmer |4|

Ansjovisvangst in Lemmer: Volwassenen en kinderen, iedereen hielp mee. Het meisje met haar breipennen moest haar vaste brei rijen zeker klaar hebben voor die dag. Zo ging dat toen, eerst het breien klaar voordat je wat anders mocht doen. Achter is de nettenbaan te zien

Op deze foto zien we de oude binnenhaven omstreeks 1930. De ansjovis wordt binnengehaald. Op de voorgrond worden de netten van de Lemmer 20 geleegd, het schip van Rienk Coehoorn. Links op de hoek staat het woonhuis van de familie de Rook. Achter dit pand lag een visrokerij. Achteraan op het havenhoofd zijn de palen voor het drogen van de netten zichtbaar. Iedere visser had hier zijn eigen baan. Dit terrein was verboden gebied voor kinderen: zij zouden tijdens het spelen de kostbare netten kunnen beschadigen.

Poppe Bootsma, uit Lemmer, was tegen de aanleg van de Afsluitdijk, een van de tientallen vissers voor wie de ansjovisvangst bitter nodig was om het bestaan dragelijk te houden, Ansjovis, dat was destijds niet de slechtste visserij "Ik barde doe soms wol in daalder deis. Dat wie hiel wat better as hjerring. Ha, foar twahûnderd hjerringen betellen se ûs net mear as ien kwartsje" herinnert de oud visserman zich. Het zilverachtige visje, dat zo'n 25 centimeter lang kan worden, kwam in grote scholen voor in de Zuiderzee. Op zijn twaalfde voer Poppe mee met zijn vader op diens Lemster aak Frou Antje, de LE 66. Haring, spiering en ansjovis. Met name in de jaren twintig waren er seizoenen dat de ansjovis zo'n beetje zelf de boot in vloog. "Myn dikste fangst, jonge, dat wie wat. Fjouwertûzen pûn yn ien nacht! En doe waard 56, 57 sinten de kilo betelle." Op zulke momenten waande Bootsma zich 'in ryk man'. Maar het geld was bitter nodig om de eindjes in slechte tijden aan elkaar te kunnen knopen: "De sosjale tsjinst bestie doe noch net, no." Toen de Afsluitdijk in 1932 werd voltooid, was het gedaan met de ansjovis. In Lemmer leverde de ansjovisvisserij tot die tijd een flinke werkgelegenheid op. Vooral vrouwen verdienden een centje bij met 'ansjofiskkopjen' het afsnijden van de kop. Je had de 'hangbazen', eigenaars van grote loodsen waar de vis gedroogd of gerookt kon worden. "de Feiling wie der doetiids net. Dy hangbazen stelden de priis fêst. Mei ansjofisk siet dat wol goed, dy koest ynsâltsje en bewarje. Hjerring net".

Van links naar rechts Heiko Visser, Wiep Coehoorn en Wiep Visser, staande is Jaap (Jacob) Poepjes, de man met de sigaret in de mond is Wiebren (Wieb) Visser van de LE 64. De mannen zijn neven van Wiebren.

Aan den arbeid met de inmaakharing, Dit zeebanket is nog altijd voor duizenden 'n delicatesse.

Op Goeden Vrijdag van 1938 gingen in Lemmer de vlaggen in top. Wat was er aan de hand? De beslissing inzake den waterweg Groningen-IJsselmeer was gevallen. 's Morgens om half twaalf ontving de burgemeester van Lemsterland, Mr M. Krijger, officieel bericht, dat Lemmer het eindpunt zou zijn van den grooten scheepvaartweg naar het IJsselmeer.

De jarenlange strijd over de vraag: 'Lemmer of Stavoren'? was geëindigd. In de laatste maanden begonnen zich steeds meer stemmen te verheffen ten gunste van Lemmer, vooral uit de kop van Overijssel. Dat in Sneek het besluit van den Minister groote teleurstelling heeft gewekt, is begrijpelijk en ook voor Stavoren was het een zwarte dag geworden. Dit eeuwenoude Zuiderzee stadje zag zijn laatste hoop, zich uit zijn verval op te heffen, in rook opgaan.

Lemmer, met zijn groote achterland was echter bij het besluit ten zeerste gebaat. De bevolking verkeerde dan ook in feeststemming. Op dien Goeden Vrijdag van 1938 hadden wij op het raadhuis te Lemmer een onderhoud met Mr. Krijger en we herinneren ons, als de dag van gisteren, de woorden, welke hij toen sprak:

"Toen ik vanmorgen het bericht ontving, was dit voor mij een gelukkig oogenblik. Eindelijk zal nu de plaats, die zo ontzagelijk veel schade door de afsluiting der Zuiderzee heeft ondervonden, aan haar toekomst kunnen beginnen te werken. De uitbreiding van het dorp heb ik mij tot heden uitsluitend gedacht in Oostelijke richting. Thans kunnen wij onze oogen echter verder richten. De belangen van Lemmer en die van de toekomstigen Noord-Oost-Polderdijk zijn thans onafscheidelijk aan elkaar verbonden."

Een dezer dagen bevonden we ons weer in het Raadhuis te Lemmer en het was weer Mr. Krijger, met wien we een onderhoud hadden. Ditmaal was het echter een heel ander geluid, dat we uit diens mond te hooren kregen:

"In 1938 staken we de vlaggen uit. Thans ben ik van meening dat het nieuwe kanaal voor Lemmer een strop wordt inplaats van een voordeel."

,,Oorspronkelijk," vertelde de burgemeester ons "bestonden er twee plannen. Het eerste was, dat het nieuwe kanaal naar de Lemsterhaven mond zou loopen. Het tweede wilde de uitmonding tusschen Lemmer en het Stroomkanaal naar Tacozijl, op 1― km westelijk van het dorp. Beide plannen waren voor ons aanvaardbaar en we wachtten dan ook met veertrouwen de beslissing van Waterstaat af.

Evenals in zooveel andere dingen, trad de oorlog als spelbreker op. Toch had men niet stilgezeten. Men kwam tot overeenstemming over een misschien technisch beter plan, ten Westen van het Stroomkanaal.

Na de bevrijding heb ik nog eens lang en ernstig over de zaak nagedacht en ik ben tot de overtuiging gekomen, dat dit nieuwe plan voor Lemmer buitengewoon ongunstig is, speciaal in verband met onze nieuwe uitbreidings plannen. Sedert de 12e eeuw is er in Lemmer altijd scheepvaart geweest en aan die scheepvaart had de plaats haar opkomst en bloei te danken. We hebben hier een vrij groote middenstand en tal van kleine bedrijfjes gekregen: scheepswerven, victualiebedrijven, touwslagerijen, enz. Zonder scheepvaart zou dit aantal veel te groot zijn. Al deze aanverwante bedrijven zouden werd het nieuwe plan werkelijkheid, op 2― km afstand van het nieuwe kanaal komen te liggen en bovendien nog daarvan gescheiden zijn door het breede Stroomkanaal.

,,Verwacht U niet," vroegen we ,,dat ze zich naar de nieuwe kanaalmonding zullen verplaatsen?",,Neen. Zij zullen dat wel doen, wanneer die monding tusschen het Stroomkanaal en het dorp komt te liggen. Daarmee is in ons uitbreidingsplan rekening gehouden. Blijft Waterstaat bij het nieuwe plan volharden, dan kunnen we de uitbreiding naar het Westen wel afschrijven. Voor de tweede maal zou Lemmer dan ernstig getroffen worden.

De eerste ramp kwam na de afsluiting van de Zuiderzee, toen de visscherij tot meer dan de helft verminderde, met het gevolg, dat jaarlijks aan kapitaal drie tot vier ton minder werd ingebracht. Voor het verlies van die visscherij moet een compensatie worden gezocht, welke voor een deel moet worden in den Noord-Oost-Polder, voor een ander deel in de vestiging van nieuwe industrieën, waarvoor reeds vóór den oorlog veel animo bestond, vooral van kleine en middelgroote bedrijven. Deze nieuwe bedrijven moeten zich kunnen vestigen bij de nieuwe kanaalmonding en dit zal alleen mogelijk zijn, wanneer het kanaal ten Oosten van het Stroomkanaal in het IJsselmeer uitmondt,"

,,En wat denkt U nu te doen?"was onze begrijpelijke vraag. ,,Ziet u nog een kans?" ,,Dat hoop ik. In een conferentie met den Directeur generaal van Waterstaat, het Hoofd van den kanalendienst en een lid van Gedeputeerde Staten zal ik de bezwaren, of beter gezegd, het gevaar, dat Lemmer bedreigt, naar voren brengen. het gaat immers om niets meer of minder dan de toekomst van Frieslands tweede haven en die ligt mij zeer aan het hart. Ons plan verzekert ons een goed kanaal; dat van Waterstaat misschien een iets beter kanaal, dat echter de economische positie van Lemmer een tweede gevoelige slag zal toebrengen. Van harte hoop ik dan ook, dat van Lemmer geen tweede Vreeswijk zal worden gemaakt.

"Met belangstelling hebben we naar het betoog van burgemeester krijger zitten luisteren. Tijdens onzen tocht langs de haven kwamen we tot de overtuiging dat hij, wat betreft de visscherij, niet had overdreven. Als visschersplaatsje beteekent Lemmer weinig meer. Een enkel bottertje zagen we zee kiezen. De eens zoo beroemde "Lemster bokking" wordt thans aangevoerd uit... IJmuiden. Dit verklapte ons de man, die U met zijn vischjes op onderstaande foto ziet.

De heer Coehoorn

Steven Visser, van de LE 15 staat hier afgebeeld met een vangst uit februari 1958. Deze oudvader was 128 centimeter lang en woog 41 pond. De firma Klaas Sterk, werd koper van dit gevaarte. De opbrengst zal wel de moeite waard geweest zijn voor een visser.

Wietze Postma, gehuwd met Anne Deinum?

Foto van Willem v.d. Bijl, uit Breda.

Omschrijving van Evert de Vries: Een opname van de LE 3, 'De Hoop', van Johannes Visser. De aak ligt hier in de oude haven met de noodwoningen op de achtergrond. Vlak voor de hang van De Rook, is men druk aan het pluizen met een vracht ansjovis. Helemaal rechts van de aak zit Johannes Visser, zelf. Aan de andere kant van het roer staat zijn zoon Heiko (met hoed) zijn dochter Hielkje (getrouwd met Klaas Zijlstra, Klaas werkte op de houtmolen) en daartussen zijn zoon Wiep. Hielkje heeft zeker net het eten voor de mannen gebracht, want achterop staat een mandje met brood en een paar kopjes en bekers.

Mijn oom Evert was altijd als vaste pluizer bij de LE 12 in actie, later heb ik dat ook wel gedaan. Mijn beloning bestond dan meestal uit wat kleine palinkjes. Ik herinner mij ook dat Heiko, mij bij een gelegenheid eens vijf pond paling mee gaf. "Dan hast ek ris hwat bússinten". Visser had aan de Vissersburen ook nog een viswinkeltje.

De netten worden overtrokken uit het schip de wal op. Iedereen, mannen, vrouwen en kinderen, werden opgetrommeld om de vis uit de netten te halen en te koppen. Als er een kleinere vangst was, bleven de schepen in de Vluchthaven in plaats van door te varen naar de Binnenhaven. De man rechts in het midden is Hendrik Anne Visser, ook wel "Hendrik Wildschut" genoemd. De tweede vrouw van links achteraan is Sibbeltje Bootsma.

Direct na aankomst in Lemmer, wordt de vis gewogen. 4e van rechts is Willem Toering. De 6e volwassene van links is Andries Koornstra.

1933 : Links is Andries de Jong (Esje), met op de achtergrond de woningen van de sluiswachters. Rechts is Reinder Verf, met op de achtergrond de noodwoningen aan de binnenhaven.

Een foto van het personeel van Johannes Sterk. Boven zien we v.l.n.r: Petrus de Lange, Iemkje en Akke Jongsma, Jeltje van der Veen, Janna de Vries en Klaas Jongsma. De laatste met dissel voor het dichtmaken van de vaten. Op de tweede rij Antoon Huisman, Steven Sterk, Ferdinand de Vries, Jolt de Hei, Anne de Lange, en Johannes Sterk. Op de voorste rij zitten Andries Bergsma (met speet bokking) en Berend ?. Tussen hun ligt een pak stokvis. Op de linkerkant pakken met plankjes die gebruikt werden voor het dichttimmeren van de kistjes. Ook werden hier in slappe tijden wel hele kistjes van getimmerd.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.