Home » Lemmer » Visserij en schepen » Van turfgraver tot visser |1| » Van turfgraver tot visser |2|

Van turfgraver tot visser |2|

De turfbazen en -makers

In 1850 jaar woonden er in Oosterzee en Echten ongeveer 2000 mensen in 385 huishoudens. Hiervan leefden niet minder dan 210 gezinnen van de turfgraverij, d.w.z. meer dan de helft.

De autochtone bevolking van Lemsterland bestond voornamelijk uit boeren, maar er woonden ook ambachtslieden, zoals houtzagers en timmerlieden. Voorts woonden er kooplieden, middenstanders, schippers en binnenvissers.

De omstandigheden waaronder de verveners woonden en leefden waren wel heel verschillend. De veenbazen waren over het algemeen vrij kapitaalkrachtig en zij bezaten dan ook vaak huizen en landerijen. Zij woonden tussen de boeren langs de Hoofdweg, het Krompad en bij de Pier Christiaan Sloot. In het veengebied waren de woonhuizen van de veenbazen niet te vinden, dat vonden ze te min.

De turfmakers en de veenarbeiders woonden wel uitsluitend in het veengebied. De woonomstandigheden van deze mensen waren niet al te best te noemen. De turfmakers woonde in zogenaamde turfmakerstenten. Deze waren zonder funderingen en van hout opgetrokken en hadden twee vertrekken. De (losse) veenarbeiders waren in zogenaamde trekkerstenten ondergebracht, een soort bijgebouwen achter de turfmakerstenten. Deze ruimten, vijf bij vijf meter, waren bestemd voor twaalf (!) mensen. In het midden brandde een vuur, dat zorgde voor ondraaglijk veel rook. Voort krioelde het van ongedierte. Veel arbeiders leden aan ziekten (o.a. reuma) en stierven jong.

Trok men verder het veengebied in, dan werden de “tenten” afgebrand in plaats van ze af te breken of te verkopen.

Er was vaak onrust in de veengebieden, ik schreef daar eerder over. Ook in 1831 was dat weer eens het geval. Eind april van dat jaar waren in Echten ongeveer duizend “vreemdelingen” gearriveerd, om daar in het voorhaar in de veenderijen te werken en daarna bij de boeren gras te maaien. Die “vreemdelingen” konden het echter niet eens worden met de veenbazen over hun loon. De arbeiders begonnen te staken en dagelijks liepen troepen van twee tot driehonderd jaar door het gebied. De ingezetenen van Lemsterland waren hier niet erg blij mee.

Ook de werkwilligen die bedreigd werden moesten op den duur het werk staken. De gouverneur van Friesland riep daarop militaire hulp in en op 3 mei 1831 marcheerde een detachement van drie officieren en 102 soldaten van de Friese mobiele schutterij naar De Lemmer. En of dat nog niet genoeg was kwamen er ook nog eens extra 25 kurassiers uit Arnhem naar Lemsterland om het geboefte mores te leren. De commandant van de schutterij gaf bevel, de zes belangrijkste oproerkraaiers te arresteren, waarbij hij meedeelde dat vooral het “vreemde arbeidersvolk” als de aanstichters van de ongeregeldheden moesten worden gezien. En wanneer deze aanstichters niet snel verdwenen, zouden er nog meer mensen worden opgepakt.

Maar niets hielp en daarop werden nog eens elf “rebelliemakers” gearresteerd. Alle arbeiders van buiten Friesland werden daarna uit Lemsterland verbannen. Op 9 mei 1831 was alles weer rustig. Ook in de andere veengebieden in de streek vonden regelmatig stakingen plaats, meestal om hogere lonen te eisen, zoals in 1838, 1840, 1868 en 1872. Op den duur werd er in de grote veenpolder van Weststellingwerf bijna ieder jaar gestaakt. Daarnaast was er sprake van hongeroproeren en massale bedeltochten, meestal vanuit de kleinere dorpen naar de grotere plaatsen, waar de bestuurscentra waren gevestigd.

Maar we gaan weer verder met onze turffamilies. Van de dertien turfbazen in 1850 in Oosterzee en Echten kwamen negen oorspronkelijk uit de omgeving van Muggenbeet/Nederland/Wetering en Kalenberg. Uit Nederland en Wetering kwamen de families Kooij/Kooi en Pen. De veenbaas Koop Koops Kooij (geboren in 1808) kwam uit Nederland en had eerst gewoond in Weststellingwerf (Spanga). Vóór 1834 kwam hij naar Lemsterland, waar hij zich als veenbaas in Oosterzee aan de Kooijsloot (0165) vestigde. In 1838 kocht hij een perceel weiland bij Oosterzee van de familie Van Andringa de Kempenaer, om er turf te gaan graven. Daarnaast kwamen ook andere leden van de familie Kooij als turfmaker naar Echten, maar deze waren van Kalenberg afkomstig, zoals Bartele Gerrits en Dirk Gerrits.

De familie Pen was met meerdere gezinnen in Echten vertegenwoordigd. De familie werd het eerst in deze omgeving gesignaleerd, toen Geert Jans Pen, geboren in 1750 in Wetering, in 1811 in Oosterzee zijn achternaam aannam. Hij had toen tien kinderen, t.w. Femmigje (28); Geesjen (26); Jan (25); Lammigje (23); Grietje (21); Hendrik (18); Geertjen (14); Niesje (12); Aaltje (10) en Annigje (7). In 1850 woonde nog één dochter van hem in Echten, namelijk Niesje (1799-1858), w.v. haar vóór 1850 overleden man Jacob Bos turfmaker was geweest, o.a. in St. Johannesga.

De Echtener veenbazen in 1850, Lute (of Luite) Folkerts (Volken) Pen (1809-1894) en Harmen Folkerts (Volken) Pen (1806-1890) waren broers en behoorden tot een andere tak van de familie Pen. Hun vader Folkert (Volken) Harmens (1775-1857) was een neef van bovengenoemde Geert Jans. Folkert, (die in 1811 in Spanga (mairie Sonnega) de achternaam “Pen” zou aannemen) en was evenals zijn zonen veenbaas, eerst in Wetering (Overijssel) en later in Spanga, Weststellingwerf, waar hij vóór 1890 naar toe was getrokken.

In 1811 had Folkert vier kinderen: Marrigje (9, Harmen (5), Lute (2) en Grietje, geb. 18 nov. 1811 ) Zijn beide zonen Lute (Luite) en Harmen waren daar geboren. Vóór 1836 woonden zij echter beiden in Echten. Zij trouwden allebei op dezelfde dag in 1833 in Weststellingwerf, Lute met Sytske Lukas de Boer, Harmen met Antje Wybes Dijk. Ook twee zusters woonden in Echten, namelijk Grietje (1811) en Marrigje (1802-1848). Grietje trouwde in 1834 met Jacob Jacobs Doeven (1812) en woonde aan de Zwartedijk (E99). Hij kwam uit Kalenberg. Ook Doeven behoorde tot de groep veenbazen. Beide families werden tot de elite onder de turfgravers gerekend.

Bekende veenbazen waren ook De Haan, Klijnsma en Muurling. Roel Tyses de Haan en zijn zoon Dirk Roelofs de Haan (1801-1889) waren beide veenbaas. Vader Roel nam in 1811 de achternaam De Haan aan in Delfstrahuizen. Dirk woonde tot 1829 in Scherpenzeel, waarna hij naar Oosterzee kwam en daar ging wonen in huis O124. Hij trouwde in 1821 met een meisje uit een autochtone Oosterzeese familie, namelijk met Tettje Jans Koopmans.

De Klijnsma’s waren uit Wolvega afkomstig, vanwaar Meine Sints (1756-1826) in 1785 naar Delfstrahuizen en vandaar vóór 1803 naar Echten vertrok. Hij was veenbaas en lid van de grietenijraad van Lemsterland. Van zijn zeven zonen werden er ook drie veenbaas. In 1850 was één hiervan, Albert Meines (1792-1875) nog in leven. Hij woonde toen als weduwnaar in huis E43 aan de Hoofdweg. Hij was een belangrijk man voor Lemsterland. Behalve als lid van de grietenijraad was hij ook mede-oprichter van de Veenpolder van Echten. Ook de naam Klijnsma’s Vaart is van hem afkomstig; hij liet deze meest oostelijk gelegen turfvaart graven. In de latere generaties kwam het beroep van veenbaas of turfmaker in deze familie vrijwel niet meer voor. De turf raakte op en de zonen van Albert Meines werden veehouder en koopman. Alleen een kleinzoon, Anne Meines (1855-1881) werd nog veenbaas.

Van een andere – welgestelde – familie, Muurling, zijn een aantal leden in De Lemmer terechtgekomen. In Lemsterland woonden op een bepaald ogenblik drie geslachten Muurling. Twee behoorden tot turfgraversfamilies, maar een familierelatie tussen deze twee is (zover ik kan nagaan) nog niet aangetoond. Een derde familie Muurling woonde al vanaf 1693 in De Lemmer en kwam uit Heerenveen, waar Pier Jochems (ca. 1640-) politiedienaar was. Zijn zoon Jochem Piers (1666-1709) was chirurgijn en degene die naar De Lemmer vertrok. Zijn nakomelingen werden daar o.a. chirurgijn, grutter en in de 19de eeuw een hoogleraar in Franeker, later Groningen.

Er was nog een Jochem Piers (1719-1809). Hij was een zoon van Pier of Pieter Jochems Muirlinck, die omstreeks 1690 moet zijn geboren. In 1759 vertrok Jochem met zijn tweede vrouw, Marchje Arends Kuiper, en zes kinderen naar Schoterland, waar hij eerst in Rottum en in 1760 in St. Johannesga ging wonen. Hij was behalve vervener ook landbouwer. Aanvankelijk kon hij zijn draai niet vinden in het Friese veengebied. Hij vertrok al in 1761 naar Haskerland, maar een jaar later verhuisde hij naar Rotsterhaule in Schoterland. Tot overmaat van ramp stierf zijn vrouw in februari 1763, hem achterlatende met inmiddels zeven kinderen. Maar in hetzelfde jaar hertrouwde hij, nu met een Giethoorns meise, Lammigje Coops Bunt. In 1766 besloot Jochem naar Oosterzee te gaan, waar toen nog vrijwel geen turfgravers waren. Hij kreeg in totaal zeventien kinderen, maar dat maakte Jochem niets uit, want hij was vrij welgesteld; in 1796 behoorde hij in Lemsterland tot de hoogst aangeslagenen. Hij behoorde in die jaren tot één van de grootste boeren en eigenaren in Oosterzee. In 1809 overleed hij ongeveer 90 jaar oud.

Zijn zoons hebben van deze welstand geprofiteerd. Zijn oudste zoon, Arend (1749-1804), getrouwd met Alyth Ages Hattinga, behoorde tot de middelgrote boeren in de streek. De tweede zoon, Pier, getrouwd met Jantje Jans Kaper uit Giethoorn, had ook een behoorlijk boerenbedrijf. De derde zoon, Albert Jochems (1755-1827) had een zee kleine boerderij. In 1800 verhuisde hij naar De Lemmer. Ook de zonen Willem (1757-1827/1832), Claus (1760-1837) en Coop (1766-1830/1834) hadden boerenbedrijven.

Opmerkelijk is, dat deze eertijds grote en zelfs welgestelde familie, waarvan de meeste leden veehouder werden en waarschijnlijk daarnaast als veenbaas opereerden, in de loop der jaren ineenschrompelende tot een zeer kleine familie. In 1947 werden in Lemsterland nog 42 naamdragers geteld, maar deze waren merendeels nakomelingen van een tweede familie Muurling, waarvan de stamvader Gerrit Jacobs (circa 1755-1815) is. Hij dook voor het eerst op in Echten, maar van zijn voorouders of van een genealogische relatie met Jochem Piers is niets bekend.

Nog meer turfgraversfamilies in Lemsterland

Harmen Slump en Pietje Koenen

Een belangrijke turfgraversfamilie was Slump. Pieter Roelofs Slump, geboren circa 1715, vestigde zich in 1766 in Oosterzee en liet zich op 17 september 1766 van de kerk in Giethoorn overschrijven naar de kerk in Oosterzee. Hoewel hij niet onbemiddeld was besloot hij toch te emigreren, in dit geval naar Oosterzee. Toe hij daar arriveerde was hij rond de vijftig jaar oud. Zijn voornaam werd verfriesd tot Pytter en zijn achternaam gebruikte hij niet meer. Hij volstond met het gebruiken van zijn patroniem, zoals dat in Friesland toen nog gewoon was.

Hij heeft heel lang in Oosterzee gewoond; in 1796 verhuisde hij van huisnummer 7 naar het huis ernaast, nummer 7b, afkomstig van Jan Westerhof. Zijn zoon Jan Pieters ging toen op het eerste adres wonen. Hij had veel kinderen en kleinkinderen. Zijn zonen Roelof, Hendrik, Harmen, Wouter en Jan vestigden zich, toen ze volwassen werden, ook in Oosterzee en Echten. Zijn oudste zoon, Roelof Pytters (1743-1814) trouwde vóór 1775 met een Fries meisje, Eelkje Hanses. Roelof was naast vervener ook veehouder. In 1802 trouwde hij voor de tweede maal, nu met een meisje uit Overijssel.

In 1811 liet hij evenals zijn broers Hendrik en Harmen de reeds in Giethoorn bestaande achternaam Slump vastleggen. De herkomst en betekenis van de naam is onduidelijk. Ook zijn broer Hendrik trouwde twee maal. Hij was veehouder en tamelijk welvarend. En ook de derde zoon, Harmen, was veehouder en, het wordt vervelend, trouwde tweemaal. Hij zorgde voor een uitgebreid nageslacht. Harmen is dan ook de stamvader van de grootste Lemsterlandse tak. Eén van zijn kinderen, Jan Harmens Slump, in 1880 in Echten geboren, werd vervener en was vanaf 1907 lid van de gemeenteraad voor de CHU.

Vanaf 1919 was hij wethouder en van 1931 tot zijn plotselinge door als gevolg van een auto-ongeluk in 1934 burgemeester van Lemsterland. Hij was tevens lid en voorzitter van de Veenpolder van Echten. Hij was met zijn zoon Harmen (1904-1960) één van de weinigen die in de 20ste eeuw nog vervener waren.

Roelofje Slump

In Oosterzee en Echten woonden ruim zestig turfgraversfamilies. Op enkele van deze families volgt hieronder wat informatie, t.w. de families Huisman, Oord, Schippers, Vaartjes, Wever en Wind.

In 1850 woonden van de familie Huisman vier gezinnen in Echten. . Eén gezinshoofd was turfmaker, een ander koemelker, later vervener, een derde was boer en een vierde arbeider. Zij kwamen uit Wetering, Nederland en Kalenberg. De eerste families die zich in Echten vestigden, waren die van Kleis Alberts (geboren in 1778 in Nederland) en Albert Alberts Huisman (Nederland 1780). De oudste zoon van Kleis Alberts, Albert Kleises (Echten 1805) was in 1850 koemelker en woonde aan de Bandsloot (E170), maar verhuisde later naar Oosterzee en werd toen vervener. Hij was twee keer getrouwd, beide keren met een dochten van Folkert Pen.

De oudste zoon van Albert Alberts heette ook Albert Alberts (1810-1864) en was in 1850 “opgeklommen” tot boer en had zijn boerenbedrijf ook aan de Bandsloot (E137). De overige leden van de familie Huisman waren van een andere tak. De eerste was Hendrik Jans Huisman, geboren in Wetering in 1780 en getrouwd met Margje Luiten Jetten, een dochter van een bekende turfmaker. Hij was turfmaker en woonde tot 1854 in Echten (E139) en daarna in Oosterzee (O137). Tenslotte was er nog Hendrik Cornelis Huisman (Scheerwolde, 1823), die arbeider was en een “vaartuig” bewoonde.

Jacobus Huisman, een nazaat

De turfgraversfamilie Oord in Lemsterland was grotendeels afkomstig uit St. Johannesga en Rotsterhaule. De eerste die zich in Lemsterland vestigde was Jacob Jans, die in 1805 in Rotsterhaule woonde, terwijl hij vanaf 1807 in Lemsterland werd gesignaleerd. Hij trouwde met Marchje Piers Muurling, een dochter van Pier Jochems Muurling. De familie Oord kwam uit Giethoorn, vanwaar Jan Wolters Oord zich vanaf 1781 in St. Johannesga en Rotsterhaule vestigde. Van hieruit kwamen nazaten nà 1807 naar Lemsterland, eerst in Eesterga en vanaf 1811 in Echten.

In 1850 woonden zes gezinnen Oord in Oosterzee en Echten. Twee gezinshoofden waren turfmakers, de rest arbeiders. De weduwe van Andries Jans Oord die in 1785 werd geboren stond te boek als turfmaker en woonde aan de Zwartedijk (E119), terwijl haar zoon Jan, die in 1810 in St. Johannesga werd geboren in Oosterzee als arbeider zijn brood verdiende. De andere turfmaker in deze familie was Gerrit Oord, die vanaf 1852 aan de Kooijsloot (E183) kwam te wonen en die in 1813 in Echten was geboren. De familie Oord is altijd in Lemsterland (én in De Lemmer) blijven wonen.

De familie Schipper(s) telde vier turfgraversgezinnen in Lemsterland in 1850; drie gezinshoofden, namelijk Roelof (1801), Jacob (1800) en Albert (1814) waren turfmaker en één was arbeider. De vader, Klaas Roelofs Schipper, was de eerste die in Lemsterland verscheen, namelijk op 20 december 1801 toen hij met Jantje Geerts Jonker in De Lemmer trouwde. Zij vestigden zich eerst in Follega en kwamen vanaf 1806 in Echten wonen. In 1801 woonde er trouwens nog een Schippers in Follega, namelijk Roelof Jans, die getrouwd was met Frije Jans van der Meer. De familie Schipper(s) vermenigvuldigde zich aanzienlijk in Lemsterland.

De familie Vaartjes, ook wel Vaatjes genoemd, was in 1850 de meest omvangrijke turfgraversfamilie in Lemsterland; tenminste acht gezinnen droegen deze naam. Hiervan woonde het merendeel in Echten; twee gezinnen hadden hun domicilie in Oosterzee. Zes gezinshoofden waren turfmaker. De familie had een bepaald aanzien in de vervenerswereld, want drie meisjes waren met veenbazen getrouwd, waarvan er zelfs één met een opzichter van de veenderijen (Kluwer). De eerste Vaartjes die zijn geluk ging beproeven in Oosterzee was Evert Harms die omstreeks 1805 in deze plaats kwam wonen. De meeste Vaartjes woonden aan de Bandsloot en de Kooijsloot. Ook deze familie kende een aanzienlijke uitbreiding.

Wolter Beernts Wever, van Wanneperveense afkomst, vestigde zich in 1769 eerst in Oudehaske en in 1785 in Schoterland. Vanaf 1817 kwamen de eerste Wevers naar Lemsterland en in 1850 leefden in dit gebied vier turfgraversgezinnen Wever, waarvan drie gezinshoofden, Gerrit Wolters (1780), zijn zoon Harmen (1811) en nog een Harmen (ook 1811), turfmaker waren. Vader en zoon woonden in Echten, respectievelijk op de Kommissiepolle (E113) en aan de Kooijsloot (E 180). Laatstgenoemde Harmen Wever woonde aan de Oosterzeese Veld (O152). De in 1850 70-jarige Gerrit Wolters was het vijfde kind van het omstreeks 1771 naar Haskerland geëmigreerde echtpaar Wouter Beernts Weever en Aaltje Roelofs Krol. Ook deze familie heeft zich goed gehandhaafd in Lemsterland.

De familie Wind kwam zowel uit Nederland als uit Giethoorn. In 1818 liet de uit Nederland afkomstige Abraham Jans Wind zich kerkelijk overschrijven van Blokzijl naar Oosterzee en Echten. Daarnaast vestigde in 1821 Geert Jans Wind uit Giethoorn zich in deze gemeente. Hij vertrok echter na vijf jaar naar Munnikeburen. In 1850 woonde vooral nakomelingen van Abraham in Echten. Zowel Hendrik Abrahams Wind (1798) als de weduwe Wind-De Groot (1792) behoorden tot de groep van arbeiders. Ze hadden beiden een huis aan de Zwartedijk, (E76) en E78). Deze familie is zeer omvangrijk geworden in Lemsterland.

De families Poepjes zijn waarschijnlijk vanuit Duitsland via Overijssel in Lemsterland terechtgekomen. De achternaam Poepjes duidt op die Duitse afkomst (“poep”=duitser).In 1774 worden ze (althans Jacob Jans) in Oudehaske (Haskerland) gesignaleerd en in 1805 in Lemsterland. Ze werkten in het veen, maar leden van die families waren ook boer en binnenvissers. Omstreeks 1900 gingen ze meer en meer op de Zuiderzee vissen. Als stamvader wordt beschouwd Hans Poepjes, die met zijn vrouw Geertje tien kinderen kreeg: acht zonen en twee dochters.Hans was boer.

De zonen waren Arend, Jacob, Lykele, Douwe, Klaas, Pieter, Jan en Johannes, de dochters Klaasje en Renske. Zeven zonen werden actief in de Zuiderzeevisserij, één (Jacob Poepjes) volgde zijn vader op als boer, en van de zeven werd één (Douwe Poepjes) later actief in de vishandel. Verder verwijs ik naar hetgeen over de Poepjes is geschreven in het boek van Peter Dorleijn (Van gaand en staand want – Vollenhove en De Lemmer) en naar hetgeen elders op deze website is geschreven over deze familie)

  • De familie Poepjes uit Lemmer, in 1909. Bovenste rij: Lijkele, (de vader van Siebe) Douwe, (Douwe is viskoopman geworden) Klaas, (Klaas had de botter LE 18) Pieter, (Pieter had de LE 39) Jan (Jan had de LE 119) en Johannes Poepjes, (Johannes had de LE 57). Vooraan: Arend (Arend viste met een grote aak), Klaasje, pake Hans, beppe Geertje, Renskje, Jacob Poepjes (Jacob is de enige die boer geworden is). Lijkele, Arend en Jacob waren bekende schaatsenrijders.

De Toering-familie komt uit Giethoorn en de leden werden vanaf 1758 gesignaleerd in Haskerland, toen Hendrik Harmens Toering naar Oudehaske trok. In 1760 was hij arbeider bij Foppe Jans. Van 1777 tot 1778 en vanaf 1799 komen we Toerings tegen in St. Johannesga en Rotsterhaule (Schoterland). In 1811 nam Harmen Jans in St. Johannesga de achternaam Toering aan. Harmen had toen 7 kinderen: Jan (9), Wieger (5), Hendrikje (18), Aaltje (12), Geertje (7), Berentje (2) en Jouke (2). Leden van de familie waren vooral actief in de binnenvisserij, niet alleen in de omgeving van Eernewoude, maar in heel Friesland. Naast binnenvissers waren ze soms ook rietsnijders. Rond 1890 trokken de Toerings vanuit Eernewoude naar De Lemmer om daar de Zuiderzeevisserij te gaan beoefenen. Ook in dit geval verwijs ik naar het boek van Peter Dorleijn en naar het verhaal over de Toerings op deze site.

Rond 1750 trokken leden van de familie Vleer vanuit Noord-West Overijssel naar Friesland om daar actief te worden in de turfwinning. Het is niet uitgesloten dat de familie een Duitse oorsprong heeft. Oudst bekende Vleer is Hendrik Jans Vleer, geboren circa 1720 en overleden in Rotsterhaule in 1811 (hij werd toen Fleer genoemd) en getrouwd met Pyttje Reins. Zijn zoon Andries Hendriks Vleer, geboren in juni 1769 in De Polle (Schoterland) (ged. in St. Johannesga/Delfstrahuizen op 18 juni 1769 en overl. in De Lemmer 15 maart 1821 was op 13 jan. 1793 in Lemmer getrouwd met Elizabeth Klazes de Vries, geb. circa. 1770. Kinderen werden allemaal in Lemmer geboren. Hun zoon Klaas Andries Fleer (zie ook Hendrik Vleer) was geboren op 15 dec. 1801 in De Lemmer en op 8 juni 1828 daar getrouwd met Antje Andries Riemersma. Hun zoon Andries Klazes Fleer was geboren op 11 augustus.1830 en op 10 juli 1859 getrouwd met Grietje Jans Stuurman. Hun zoon Jan Fleer, geb. op 27 april 1864 tr. op 20 aug. 1886 met Grietje van der Goot. Hun zoon Andries Fleer werd geboren op 11 febr. 1888. Voer met de LE 21.

Voorts kwamen de volgende families uit Overijssel in Lemsterland terecht: Dragt, Drent(h), Euverman, (De) Hey/Hei, Helfferich (van oorsprong uit Duitsland), Ten Hoeve, Hollander, Jonker, Koning, Krol, Loek (Luik), Meester, Meyer, Mink, Noppert, Prins, Schokker, Scholte(n), Sloothaak, Smink, Van der Wal, Wever, De Wilde. Ook de familie Blaau(w) komt waarschijnlijk uit Overijssel (Giethoorn).

De voorouders van mijn moeder (Visser) kwamen eveneens uit Oosterzee. De stamvader, Johannes Kleizes, een boer, woonde omstreeks 1700 in dit dorp. Hij trouwde tweemaal, de eerste keer in 1716 met Bottje Eises en in 1728 met Froukje Andries uit Nijehaske. Zijn zoon, Kleis Johannes, geboren in 1727 in Oosterzee, werd schipper en trouwde in 1750 met Geertjen Jans uit Delfstrahuizen. Ook zijn zoon, Jan Kleizes, geboren in 1752 in Delfstrahuizen, was schipper. Hij trouwde in 1774 in Echten met Lammigje Jans Lammerts.

Jan Kleizes nam, net als zijn zoon Kleis Jans, in 1811 de achternaam “Visser” aan. Het is mogelijk dat Jan ook binnenvisser is geweest, want anders is geen verklaring voor deze achternaam te geven. Kleis Jans Visser, geboren in 1779 in Echten, was wederom schipper, maar ook winkelier. Hij trouwde in 1811 met Grietje Taekes de Boer. In 1852 verhuisde zijn zoon, Lammert Kleizes Visser naar De Lemmer, toen hij in dat jaar trouwde met Albertje Nolkes Hoekstra. Lammert was zeeman. Zijn zoon, mijn overgrootvader, Kleis Lammerts Visser, geboren in De Lemmer in 1852 zou de eerste Zuiderzeevisser in de familie worden.

Links: Jacob Kleis Visser - "Japie van Kleis"

Leden van turfgraversfamilies trouwden heel veel met leden van andere turfgraversfamilies. Wat voorbeelden. Grietje Abrahams Wind trouwde met Klaas Wiegers Mink, Wieger Klazes Mink met Trijntje Harmens Drent, Grietje Mink met Hendrik Strampel, Jan Harmens Akkerman met Marrigjen Wychers Slump, Grietje Pen met Jacob Jacobs Doeven, Dirk de Haan met Tettje Jans Koopmans, Kleis Alberts Huisman twee keer met een dochter van Folkert Pen, Hendrik Huisman met Marchje Jetten, Jacob Jans Oord met Marchje Piers Muurling, Annigje Geerts Pen met Jochem Willems Mast, Klaas Roelofs Schippers met Jantje Geerts Jonker, Harmen Egberts Kluwer met Margjen Everts Vaartjes, en zo zou ik nog héél lang kunnen doorgaan!

Maar ook leden van Lemster families trouwden met turfgraversfamilies. Zo trouwde in 1855 Hendrikjen Postma (dochter van Peke Herres Postma en Tjitske Stevens Visser, dus familie van Roelie) met Willem Jannes Strampel, turfmaker en lid van een bekende turfmakersfamilie in Oosterzee/Echten. Willem was in 1832 in Echten geboren. Jurjen Bootsma (weer familie van Roelie) trouwde in 1879 met Zwaantje Helfferich. De familie Helfferich is afkomstig uit Duitsland en kwam via Leeuwarden omstreeks 1811 naar Sint Johannesga (Schoterland) en tussen 1830 en 1835 naar Lemsterland en later ook in Delfstrahuizen. Via Zwaantje ben ik ook familie van Helfferich.

De volgende families met een Overijsselse achtergrond woonden in 1928 (een willekeurig jaar) in De Lemmer. (Bron: Adresboek 1928. Adressen en beroepen van alle gezinshoofden in Friesland 1928)

Akkerman 3 x   
Bakker 9 x, w.o. 3 vissers 
Dragt 1x
Drent 1 x
Euverman 1 x
Fleer 3 x, w.o. 2 vissers
De Haan 1 x
Hei 3 x
Hoekstra 8 x, w.o. 6 vissers
Hoeve, Ten 1 x
Hollander 2 x
Huisman 3 x
Jong, De 36 x, w.o. 4 vissers
Jonker 1 x 
Wind 1 x

Klijnsma 2 x   
Knol 5 x
Kok 9 x
Koning 2 x 
Kooi 1 x
Koopmans 9 x
Krol 1 x
Kuipers 8 x, w.o. 2 vissers
Loek 1 x
Meester 1 x
Meyer 5 x
Mink 1 x
Muurling 2 x, w.o. 1 visser
Noppert 1 x

Oord 1 x
Pen 3 x
Poepjes 8 x, (vissers)
Prins 2 x
Schokker 1 x
Scholte(n) 1 x
Sloothaak 1 x
Slump 1 x
Smink 2 x
Toering 2 x (vissers)
Vaartjes 1 x
Wal, van der 5 x
Wever 1 x
Wilde, de 1 x

Samenvattend kan worden vastgesteld, dat veel Overijsselse migrantenfamilies zich in de loop der tijden een permanente positie in Lemsterland en vooral ook in De Lemmer hebben verworven. Bovenstaand, uiteraard niet volledig, lijstje is daarvan een voorbeeld. Veel families zijn verdwenen door verhuizing of door gebrek aan mannelijke nakomelingen, maar andere zijn voorgoed in De Lemmer gebleven. Veel van die families zijn zich niet bewust van hun Overijsselse afkomst. In ieder geval hebben alle migrantenfamilies een levendig aandeel gehad in de geschiedenis van en mede vorm gegeven aan het Lemsterland, zoals we dat thans kennen.

Graag krijg ik reacties op mijn verhaal, vooral ook wanneer ik fouten heb gemaakt, want ik ben ook maar een mens!

Jaap van der Zwaag   

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.