Polderdijk, Lemmer |1|

|    1    |    2    |    3    |  

Tekening van Carol de Vries, (van Wed. S.J. de Vries & Zn).

Afdruk van Kadastralekaart.com

Een foto van het begin van de polderdijk genomen vanaf de Spuisluis. Op de voorgrond een deel van het remmingswerk dat voor de Spuisluis en de brug in de Benedenschans in de Rien stond. Op rechts houtopslag (it houtstek) en loodsen van de houtzagerij.

In het water tegen de wal bonen, die lagen daar soms heel lang om in te weken voordat het hout werd verwerkt tot masten of ander scheepsgerij werd verwerkt. Daarnaast de zeilmakerij van fa. M.F. de Vries. De slagerij van Rijpkema, en de smederij van den Berg.

In de Rien voor de zeilmakerij begint een rij schepen en zo ver het oog van de camera toen gereikt, zijn de masten van schepen te zien. Een mooi beeld, maar ook in dit hoekje Lemmer is in de sindsdien verstreken 45 jaar heel wat veranderd.

Voorraad hout van houtmolen, huisjes op achtergrond, Polderdijk.

Foto van Hielke Roelevink

Huisje van 'Hadders' aan de Polderdijk.

Bovenstaande twee foto's, zijn afkomstig van Merten en Sjoukje de Vries de Jong. Het is bij het verdeelstation van het vroegere PEB in de buurt van het Pasveer waar nu de gemeente zit.

Jouke Brouwer

In het jaar 1901 werkte de 13-jarige Jouke Brouwer, te Lemmer in een touwslagerij. Evenals wijlen Michiel de Ruyter, draaide ook kleine Jouke urenlang aan het grote wiel, welke bezigheid met zeven stuivers per week werd gehonoreerd. Op de zeilmakerij van de Fa M. F. de Vries, had men destijds een flinke jongen nodig, omdat één van de knechts onder dienst moest. Een broer van Jouke was nogal bevriend met de baas en vooral daardoor kwam hij op de zeilmakerij terecht. Om precies te zijn op de 14de Oktober 1901. Het was net, of hij een Rijksbetrekking kreeg, want bij de nieuwe baas zou hij honderd hele centen per week verdienen.

Werkelijk, zei Brouwer, toen we even bij hem aanliepen en een praatje maakten, voor mij was het destijds een buitenkansje, want als jongen van dertien jaar zou ik een hele gulden per week verdienen en dat was in die tijd geen kleinigheid. Ik was nog geen elf jaar, toen ik al in een touwslagerij moest werken, eerst alleen in de morgenuren en later de hele dag. Zeven stuivers per week verdiende ik toen. Daarom was ik zo blij met mijn nieuwe betrekking. Ja, vijftig jaar heb ik daar straks gewerkt, maar ik vind het niet nodig om er veel drukte van te maken. Elk mens moet aanpakken en wij leerden al jong de handen uit de mouwen te steken. Dat ik nu toevallig vijftig jaar zeilmaker ben is zo'n grote verdienste niet.

Toen we echter over zijn werk begonnen, raakte Brouwer toch op zijn praatstoel. Als duvelstoejager was hij in 1901 óp de zeilmakerij begonnen, maar met het verstrijken der jaren kreeg hij zijn moeilijk werk geheel onder de knie. In het begin van deze eeuw, vertelde onze gastheer, waren onze vissersvloot, de tjalken van de binnenvaart en zeeschepen als schoeners en klippers onze klanten. En wat voor klanten! leder, die wel eens een tekening van zon schoener heeft gezien, zal het grote aantal zeilen zijn opgevallen, dat zo'n schip bezat.

Wat had je toen een prachtige schuiten. Slanke klippers, die tientallen vierkante meters zeildoek voerden en meteen stijve bries, schuin op één boeg liggend door de golven bruisten. En het zee volk, zo lenig als acrobaten, vlóóg op de commando's van de bootslui het want in. Dat heb ik vaak gezien, vertelde Brouwer verder, want destijds moesten we dikwijls naar Hasselt, Amsterdam of Rotterdam, om nieuwe schepen op te tuigen. Zwaar en verantwoordelijk werk was dat, want ook tegen harde wind en stormen moest het zeildoek klippers en schoeners bestand zijn. Toch betekenden die reizen 'n welkome onderbreking in het dagelijks bestaan. Maar zwaar werk was het zeker, net als het tanen van zeildoek.

Toch mocht ik nooit klagen, want werkeloosheid heb ik gelukkig niet gekend. Mijn loon — elf centen per uur, bij werktijden van 's morgens vijf tot 's avonds zeven uur — was voor die tijd niet slecht. En dat je ook Zaterdagsmiddags werkte was heel gewoon. Wat dat betreft, vond onze gastheer, is er heel veel ten goede veranderd.

Werkelijk slechte tijden maakte Brouwer mee, toen hij in de eerste wereldoorlog als landstormer onder de wapens werd geroepen. Zijn vrouw en twee kinderen ontvingen destijds één gulden per week ondersteuning. In de winter kwam daar dan nog tien cent voor de brandstof bij.

Met het voortschrijden der techniek verdwenen klippers en schoeners van de wereldzeeën en allengs ook de tjalken uit de binnenwateren. Het afzetgebied van de zeilmakerij veranderde, doch ook het werk werd lichter. Rond 1930 deden de zig-zag naaimachines hun intrede. Tegenwoordig maakt men zeilen voor jachten, regenbogen, Valken enz. maar ook dekkleden, markiezen en fietstassen. Ook in het buitenland zitten de klanten.

Of Brouwer nu, na een halve eeuw van arbeid gaat rusten? "De pinsjoenen bin'leech en it libben is djûr. Ik leau, dat ik mar hwat trochpiele moat". De bescheiden Lemster, die men zijn 63 jaren nog niet aanziet en die van zijn jubileum niet veel drukte wil hebben, zal desondanks de 14de Oktober menig gelukwens in ontvangst moeten nemen dunkt ons.

En terecht....

Bron: HEERENVEENSE KOERIER, 13 Oktober 1951.

De taanderij van M. de Vries te Lemmer

Wim Dam: De man links is Willem Dam, mijn heit....rechts is Siebold van de Bijl, hier bezig aan het zeilen-tanen

Christina van der Bijl en haar schoonmoeder (Getsje v.d Bijl-Gaastra) vertelden, dat dit een foto bij de voormalige zeilmakerij M.F. de Vries, aan de Polderdijk is. De namen zijn: v.l.n.r. de 1e onbekend – Siebolt van der Bijl – Willem Dam – Jouke Brouwer.

Foto genomen op dezelfde plek...

De historie van de Lemster zeilmakers familie De Vries, begint in 1823. Voor zover nog is na te gaan aan de hand van oude akten, snij- en bestekboeken is in dat jaar Marten Pieterszn. de Vries (1807-1872) als zeilmakers 'knegt' in dienst getreden bij Cornelis Rienksz. Sleeswijk. Hoewel niet bekend is of de familie Sleeswijk in die jaren een zeilmakerij bezat, blijkt uit snij- en bestekboeken van Marten P. de Vries (gemaakt tussen 1823 en 1839) dat er molenzeilen en zeilen voor bestaande schepen werden gemaakt.

Volgens zijn trouwakte van 24 mei 1829 en de geboorteakten van zijn kinderen is Marten P. zeker tot juli 1859 zeilmakers knecht geweest  Bij het huwelijk van zijn dochter Aaltje op 18 november 1860 wordt als zijn beroep echter zeilmaker opgegeven, evenals in zijn overlijdensakte van 24 september 1872.

Na de dood van Cornelis R. Sleeswijk in 1857 trad Marten P. waarschijnlijk in dienst bij Joh. Sjoerds. Sjoerds was in die dagen een van de drie zeilmakers in de gemeente. Naast hem waren er zeilmaker Jan S. Visser en K.M. Pasveer. het is niet onwaarschijnlijk, dat Marten P. de Vries in 1871 de zeilmakerij van deze Joh. Sjoerds heeft overgenomen. Deze zeilmakerij was naar alle waarschijnlijkheid gevestigd aan het Turfland.

De op 8 maart geboren zoon Folkert M. de Vries is om onbekende reden naar zee gegaan als leerling-zeilmaker, getuige een monsterrol gedateerd 27 april 1854. Hij was toen 17 jaar oud. Volgens overlevering zou Folkert M. de Vries na een ongeluk in 1864 (misschien eind 1867, want toen is het schip gestrand en wrak geslagen) als volleerd zeilmaker aan land zijn gekomen. In een getuigschrift verklaarde kapitein Jan Helmers, uit Lemmer, van het Nederlandse brikschip "Hendrika Roelina" over Folkert de Vries: "Dat toonder bij hem op voorgenoemd schip heeft gevaren ruim twee jaren, hij is best van gedrag, uitmuntend zeilmaker, goed zeeman, daarbij trouw en eerlijk, dus volgens de opgegeven vereisten durf ik hem aan een ieder aan te bevelen en te recommanderen"

Gezien een snij- of bestekboek van 1864 op naam van zowel Marten P. als Folkert M. de Vries, is Folkert daarna bij zijn vader in de zeilmakerij gaan werken. na de dood van zijn vader zette Folkert het bedrijf voort.

De op 28 december 1876 geboren zoon Marten Folkerts, is al op jeugdige leeftijd bij zijn vader aan het werk gegaan. De werkzaamheden bestonden in die tijd voornamelijk uit het vervaardigen van molenzeilen en zeilen voor vissersschepen en tjalken. Daarnaast werden zeilen getaand (in een ontsmettende, bederfwerende bruingele verfstof, een aftreksel van eikenschors, gekookt om ze duurzamer te maken) en touwwerk en teer verkocht.

Door de aanleg van een nieuwe binnenhaven met sluiscomplex en het doorgraven van de Lemster Rien vanaf de Vissersburen naar die binnenhaven en het gelijktijdig dempen van de verbinding Rien - Dok, werd de Rien het belangrijkste grootscheep-vaarwater door Lemmer. Folkert M. de Vries en Marten F. de Vries, hebben waarschijnlijk het belang hiervan ingezien en kochten in 1900 een stuk grond van de familie Sleeswijk, aan de toen zo geheten Visscherburen (later Polderdijk) voor de bouw van een nieuwe zeilmakerij met woning.

Dit pand werd gebouwd door de oudste van Folkert M., Pieter Martens de Vries (1832-1913) Het gebouw werd opgeleverd in de loop van 1901. Het was in die dagen het tweede bouwwerk aan de Polderdijk. Het eerste pand wat daar werd gezet, was dat van mast-, blok- en pompmakerij fa S.J. de Vries. Laatstgenoemd bedrijf werd in 1927 overgenomen door fa. D. van der Neut.

Ook werd in 1901 grond aangekocht van de familie Van der Hoff (toenmalig logementhouder aan de Nieuwburen), dit voor aanleg van een taanderij. Hierop verrezen dan ook vlot een taanschuur met taanketel en taanmasten. De taanderij lag vlak achter het perceel van fa. Sj. de Vries.

De zeilen werden vanaf de zolder van de taanschuur in de taanketel getakeld en daarna in de masten gehesen boven de 'uitdrupbakken' waarna ze op de taanderij werden gedroogd en gekeerd om geen kleurverschil te krijgen. Elke zichzelf respecterende zeilmaker taande een zeil dat voor het eerst behandeld werd vijf maal, waarna het nog tweemaal nagetaand werd met aluin (een zeer samentrekkend middel)

Het Nieuwgebouwde pand, toen Visscherburen G 88, bestond uit een zeilmakerij met zeilenzolder en een dubbele woning. De ene werd bewoond door Folkert M. de Vries tot zijn dood in 1902 (daarna door zijn weduwe tot 1921). In de andere woning trok Marten F. de Vries na zijn huwelijk (1901) Per 1 januari 1902 nam laatstgenoemde de zaak van zijn vader over. Marten F. de Vries heeft zich naast zijn zeilmakerij ook terdege ingezet voor de gemeente politiek (hij was o.a. burgemeester), kerkenraad en schoolbestuur. Hij werd hiervoor benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau.

De oudste zoon van Marten F. de Vries, Folkert M, die werd geboren op 13 augustus 1902 en waarschijnlijk voorbestemd was zijn vader op te volgen, was van jongs af ziekelijk en stierf in april 1927. Omdat de vooruitzichten voor een zeilmakerij in die jaren niet zo rooskleurig leken en het voortbestaan onzeker werd, ging de jongste zoon Bouwe M. de Vries, geboren 30 april 1916 studeren voor apothekersassistent, waarvoor hij zijn diploma haalde in 1934. Twee jaar later is Bouwe echter toch bij zijn vader in dienst getreden en hij heeft de zeilmakerij per 29 april 1939 overgenomen

Een jaar later brak de Tweede Wereldoorlog uit, in die jaren werden vrijwel geen nieuwe zeilen gemaakt, de voorraden doek waren snel uitgeput. Met 3 á 4 personen werden visserszeilen gerepareerd en getaand. Daarnaast wedren dekkleedjes en honderden pantoffels van zeildoek gemaakt, de uit gebruikt zeildoek gesneden 'sloffen' vonden gretig aftrek.

Na de bevrijding van Lemmer op 16 en 17 april 1945 werd Bouwe M. de Vries dusdanig gewond, dat hij op 18 april overleed. Na de bevrijding heeft Marten F. de dagelijkse leiding weer op zich genomen. Na het overlijden van Marten F. op 10 november 1953 heeft de weduwe van Bouwe M. samen met eerder genoemde medewerkers de zeilmakerij voortgezet. In september 1955 kwam de oudste zoon van Bouwe M. de Vries, Marten Folkert, geboren 7 september 1939, als leerling-zeilmaker in het bedrijf.
Na een geweldige expansie in de watersport, met nieuwe ideeën en methoden het bedrijf langzaam uitgebreid. Zo rond 1960 bedroeg het aantal medewerkers ongeveer 8, waaronder twee vrouwen.

Inmiddels was in 1958 ook de jongste zoon van Bouwe M, Folkert, als leerling in de zeilmakerij opgenomen. Per 1 januari 1966 gingen de weduwe van Bouwe M. en haar zoons Marten Folkert en Bouwe M. een vennootschap onder firma aan. Eind zestiger jaren waren de activiteiten dermate toegenomen, dat ondanks de verbouwingen en diverse uitbreidingen het pand aan de Polderdijk te klein werd. Op het industrieterrein 'Buitengaats' in Lemmer werd een geschikte plaats gevonden, gelegen aan een haven met open verbinding met het IJsselmeer.

Op 25 september 1970 werd de nieuwe zeilmakerij met bovenwoning geopend door burgemeester Feite Faber van Lemsterland.

In 1975 werd de weduwe van Bouwe M. de Vries, door Marten F. en Folkert uit het bedrijf gekocht. Met de 22-jarige Bouwe Gert, zoon van Marten F. de Vries werd de vijfde generatie opgeleid en ingezet.