Akmarijp

AKMARIJP, bij sommigen Ackmarijp of Eckmarijp, d., prov. Friesland, kw. Zevenwolden, in den Z. W. hoek der griet. Utingeradeel, arr. en 3 u. N. W. van Heerenveen, kant. en 2 u. Z. W. van Akkrum, 3 u. Z. O. van Sneek, 4 1/2 u. N. van de Lemmer, was voorheen vrij aanzienlijk, nu echter van kleinen omvang, bevattende slechts 13 h. en 110 inw., die allen van de veeteelt leven en onder welke 80 Herv. 20 R. K. en 10 Doopsg. De Herv. behooren tot de gem. Terkaple-en-Akmarijp, de R. K. tot de statie van Heerenveen, de Doopsg. tot de gem. Terhorne. Van de kerk bestaat hier niets meer, dan de toren. Vroeger stond hier de sterke stins Galama; thans ziet men er nog een oud Kerkhof van St. Jansga.

Bron: vanderaa.tresoar.


Akmarijp.

Akmarijp, komt voor in 1460, dit mede door Agge Donia, Van der Aa schrijft hierover:

DONIA (Agge). Het geslacht Donia was een der oudsten van Friesland. Reeds in 1182 ontmoeten wij eenen Tjaling Donia, als de stichter van het klooster Oudendale bij Lidlum, en in 1248 eenen Tjaerd Donia, die in dat jaar aanvoerder schijnt geweest te zijn van zijne landgenooten, aan wien Graaf Willem II, later Roomsch Koning, het bezit van de stad Aken te danken had, en door wiens bemiddeling bij den vorst, de Friezen, die op pauselijke uitnoodiging in zijn leger dienden, verlof kregen naar hun land terug te trekken.

De hier volgende personen waren evenwel van de eerstgenoemden geene afstammelingen; maar wel van Tjerk of Sierk Harinxma, die, toen hij de stins Donia te Oosterend in bezit kreeg, den naam van Donia voor den zijnen aannam, die dan ook op zijn zeven zonen is overgegaan, welke het geslacht hebben voortgeplant. Zes daarvan hebben zich in de geschiedenis van Friesland bekend gemaakt, door hun aandeel aan de, in de tweede helft der vijftiende eeuw, gevoerde burgertwisten aldaar, en is alzoo het tijdvak van hunne deelneming daaraan met regt de Donia krijg genoemd geworden.

Agge Donia, de oudste zoon van Tjerk Harinxma Donia en van Auck Donia, gaf de voornaamste aanleiding tot dien krijg. Hij was heerschzuchtig van aard en niet kunnende dulden dat zijn neef Watse Harinxma in Slooten meer gezag uitoefende dan hij, verlict hij de zijde der Schieringers, tot welke partij hij met zijn geheel geslacht behoorde, en vereenigde zich met de Vetkoopers.

Op den 10den Julij 1458 werd door hem en de zijnen, aangevoerd door Janke Douwma, de stad Slooten in brand gestoken, en de stins van Harinxma belegerd. Doch door de Schieringers ontzet, was Donia na een hevig gevecht genoodzaakt te vlugten. Zijn eigen huis in Slooten werd in bezit genomen. Hij zelf keerde daar nimmer weder, en toen hij later weder tot de Schieringers overging, erlangde hij slechts eene schadeloosstelling in geld.

Ondanks dezen eersten tegenspoed zette Donia zijne geweldenarijen voort, en veroverde in 1459 de stins van Jouke Galama te Akmarijp in Utingeradeel. Van hieruit beroofde en plunderde hij het omliggende land en werd te vergeefs belegerd. Wat er verder in den zoogenaamden Donia-krijg door hem verrigt is, wordt niet bepaald aangewezen, en behoort ook hier niet vermeld te worden. Genoeg zij het te melden dat Donia zich door wreedheid onderscheidde, en daarom de straf verdiend had die hem later te beurt viel.

Op last van Jarich en Hero Hottinga, werd hij op den 16den Mei 1491 op de voorvaderlijke stins te Oosterend, waar hij toen zijn verblijf hield, door twee in geestelijk gewaad vermomde gezellen verrast; hij zelf zwaar gewond naar Hottinga huis te Wommels gevangen gevoerd, en zijn slot onder den voet gehaald. Wat er verder van hem geworden is wordt niet vermeld. Misschien is hij op Wommels gestorven.

Schotanus zegt van hem: gelijk hij menig een had arm gemaakt en mishandeld, alzoo leed hij dat in zijn uitersten ouderdom wederom. Hij was gehuwd met Tieth Albada en had bij haar zes kinderen. Zijn zoon, Doetze Donia, maakte zich later beroemd door zijne dappere verdediging van de stins te Tjerkwerd en door zijn verder aandeel aan den gevoerden burgeroorlog.

  • Het oude kerkhof staat ook ingetekend op zowel de grietenijkaart in de atlas van Schotanus (1718) als die in de atlas van Eekhoff (1849), op de laatste net ten noorden van de boerenzathen Molla en Unia... zo was er ook eene state of oud-adellike hofstede de Bavema-state.

AKMARIJP en SINT-JANSGA

Akmarijp levert een mooi voorbeeld van de initiële rijkdom van de veenontginningen en de ontvolking en extensivering van de landbouw ten gevolge van de maaiveld-verlaging in de Late Middeleeuwen en vroege Nieuwe Tijd. Aan de oude welvaart herinnerde in de 16de eeuw nog het feit dat het huidige dorpsgebied toen uit twee parochies bestond: die van Sint-Gertrudis in Akmarijp en die van de capelle van Sinte Johannes in Sint-Jansga. Ook wist men toen nog dat beide dorpen in de Middeleeuwen in totaal zeven "edele staten" telde: van noord naar zuid achtereenvolgens Abbema, Donia, Galama, Bavema, Bangma, Molla en Unia; in 1664 waren ze echter reeds vernietigd. Het op het eerste gezicht onwaarschijnlijk hoge aantal stinzen wordt door oudere bronnen echter bevestigd. Van vier à vijf is inderdaad adellijke bewoning of verdedigbaarheid, dan wel beide, bekend.

Abbema.

Abbema ontleende zijn naam aan de eigenaar in het midden van de 16de eeuw; in 1664 aangegeven als "vernietigde edele state". In 1511 en 1700 was Abbema met 100 pondemaat het grootste bedrijf van Akmarijp en Sint-Jansga. Ede Romckes, bierbrouwer en burgemeester van Sneek was toen de eigenaar. Hij is bekend omdat hij in 1520 met enkele anderen een bedevaart naar Jeruzalem maakte, waarvan een verslag bewaard is. In 1523 was Eede Romkis die in Sneeck vaeck borghemeyster hadde gheweest in de oorlog tussen de Geldersen en de Bourgondiërs in ballingschap gegaan. In 1598 behoorde het goed, inmiddels Abbema geheten, aan Sypcke van Abbema, een kleinzoon van Ede Romckes' kleindochter Rinck Jelmersdr. In 1700, 1832 en 1850 was Abbema een boerderij. Of er ooit een verdedigbaar of representatief huis heeft gestaan, is niet bekend.

Eigenaars - Ede Romckes, bierbrouwer en burgemeester van Sneek, in 1511 eigenaar van de sate Akmarijp, gehuwd met Jut Florisdr, dochter van Floris Jacobsz, houtkoopman, 1493 schepen en 1494 burgemeester van Sneek. Ook zijn broer Yga Romckes had land in Akmarijp.

  • Zoon: - Jelmer Edes, 1540-1545 grietman van Utingeradeel, gehuwd met Wyb Sinnedr.
  • Dochter: - Rinck Jelmerdr, gehuwd met Sipcke Abbema, 1543 eigenaar van Abbema state te Kollum, 1538 schepen, 1544 olderman van Sneek.
  • Zoon: - Ede Abbema, 1559 gegoed te Wommels en Sneek, 1562-1566 schepen en burgemeester van Sneek, gehuwd met Edewer Popma.
  • Zoon: - Sipcke van Abbema, 1578 hoogstaangeslagene te Akmarijp, 1598 eigenaar van Abbema state te Akmarijp.

Galama (ten zuiden van de kerk van Akmarijp) Donia (ten noorden van de kerk van Akmarijp)

Galama wordt als Joucke Galama steenhuis in Ackmeryp in 1459 genoemd. In verband met deze stins worden eveneens leden van de familie Donia genoemd. Volgens de kaart van Schotanus van 1664 waren Galama en Donia echter aparte voormalige stinzen. In de "Donia-oorlog" werd in 1459 de stins van Joucke Galama te Akmarijp door Agge Donia uit Sloten, die daarbij werd geholpen door Jancke Douwama van Langweer, ingenomen, daer Agge veel quaets aff dede.

Een poging van het "gemene landt" om Agge en zijn broer Haring Donia van Nijland uit de Galama-stins in Akmarijp te verdrijven, mislukte in 1461. Toen in 1462 de Donia's tot de Schieringer partij waren toegetreden, keerden in 1463 de Vetkopers Jancke Douwama en Gale Galama van Koudum zich tegen Agge op de stins. Na 14 dagen beleg vluchtte Agge op een nacht heimelijk. Zijn knechten gaven het huis over. Jancke en Gale verwoestten het daarop.

Volgens het Oudfriese rechtshandschrift Unia, waarin rechtsregels met concrete jurisprudentie wordt geïllustreerd, werd in het midden van de 15de eeuw bij Wiba Jelkama (op Meskewier), grietman in Utingeradeel, door Jouka Gela sin in Aeckmaryp geklaagd dat Tiepka Ona sin ter Capla (op Oenema in Terkaple) zich meester had gemaakt van rechten op jonga Renkis god. Jouka zou er, vanwege zijn vrouw, het meeste recht op hebben. Hij vroeg daarom het grietenijgerecht dat ze zouden helpen Bawke, zijn vrouw, te herstellen in haar aandeel van het goed dat afkomstig was van Ana, haar vader. Of Joucke Galama en Gale Galama verwant waren, staat niet vast.

Joucke lijkt Schieringer geweest te zijn, Gale was Vetkoper. Traditioneel worden ze wel als broers beschouwd. Evenmin is de relatie van de genoemde Donia's met de in 1664 ten noorden van de kerk aangegeven Donia state te Akmarijp zeker; wèl blijkt uit het bovenstaande dat zij vier jaar op Galama ten zuiden van de kerk woonden. De exacte locatie van beide staten is niet bekend. Daardoor is identificatie met een van de floreennummers van 1700 niet mogelijk. Afbeeldingen zijn evenmin bekend; de kaart van 1664 lijkt de enige visuele weergave te zijn.

Eigenaars 

  • Jouka Gelaz (Galama), tr. met Bawke Anadr. Vóór 1459 te Akmarijp.
  • Agge Donia uit Sloten. Door geweld van 1459 tot 1463 op Joucke Galamahuis te Akmarijp.
  • Jancke Douwama en Gale Galama verwoesten het huis in 1463.

Bavema (ten zuiden van het kerkeweer van de kerk van Sint-Jansga) Bangma (ten zuiden van Bavema)

Direct ten zuiden van de kerk van Sint-Jansga beeldt de kaart van 1664 de vernietigde state Bavema af, en ten zuiden daarvan Bangma. De namen wordt eerder niet vermeld. In 1999 werd onderzoek gedaan op het perceel waarop ooit de kerk van Sint-Jansga stond. Daarbij kwamen de fundering van de kerk en de kerkhofgracht voor de dag. Op hetzelfde perceel, dat in 1821 nog uit meerdere percelen bestond, werden de fundamenten van een stins vastgesteld. Deze zijn echter niet nader onderzocht. Blijkens de kaart van 1664 moet het om de "vernietigde edele state" Bavema gaan. Afbeeldingen zijn niet bekend; de kaart van 1664 lijkt de enige visuele weergave te zijn.

Molla (Akmarijp)

De in 1664 aangegeven "vernietigde edele state" Molla te Sint-Jansga dankte zijn naam hoogstwaarschijnlijk aan de zeldzame voornaam Molla in de familie Rypkema. De Rypkema's waren een familie van rijke eigenerfden, of juister nog van kleine hoofdelingen te Aalsum bij Akkrum; zij hadden tevens bezit in Akmarijp. In 1449 had een boedelscheiding binnen de familie Rypkema plaats. Stennert Rypkema ontving daarbij goederen te Birstum bij Nes, zijn zusters en broers, onder wie Molla Rypkema, te Akmarijp.

Een kleinzoon van deze Molla bewoonde in 1511 een sate onder Akmarijp/Sint-Jansga, waarschijnlijk Molla state. In de 16de eeuw droegen verschillende personen in Akmarijp/St.-Jansga de voornaam Molla. Ook de naam Rypkema behield een bekende klank: de grenssloot met Snikzwaag heette Rypkemasloot en verschillende sates in Akmarijp waren in 1640 en 1700 eigendom van een eigenerfdenfamilie Rypkema. Eekhoff identificeerde in 1850 Molla met floreennummer FC19. Deze localisatie is mogelijk indien we aannemen dat in de floreenadministratie ten gevolge van de extensivering van het grondgebruik in deze omgeving tussen 1700 en 1850 verschuivingen zijn opgetreden. Het kerkeweer (de pastorie) is FC16; ten zuiden daarvan zouden Bavema en Bangma oorspronkelijk de nummers FC17 en FC18 gehad kunnen hebben. Direct ten zuiden daar weer van lag dan Molla, FC19. Afbeeldingen zijn niet bekend; de kaart van 1664 lijkt de enige visuele weergave te zijn.

Eigenaars

  • Sywrd Rypkama te Aalsum, 1427; hij had ook land in Birstum en Akmarijp.
  • Molla Rypkama verkrijgt bij boedelscheiding in 1449 land te Akmarijp.
  • Molla Mollaz Sivrd Riipkama berns beern deed in 1474 afstand van rechten op familiegoed te Birstum ten gunste het klooster Aalsum. Een zoon van hem was hoogstwaarschijnlijk:
  • Rencka Mollis, eigenaar van een sate te Akmarijp/Sint-Jansga in 1511.

P.N. Noome: De stinzen in middeleeuws Friesland en hun bewoners


De Nederlands Hervormde kerk is in 1722 gesloopt. In 1844 is de resterende toren gesloopt en vervangen door een klokkenstoel. In de klokkenstoel een klok uit (1545) van J. ter Stege.

Naamlijst Predikanten: Terkaple en Akmarijp.

Terhorne was hier eerst mede gecombineerd tot 1615.

  • 1600. Mr. Douwe Rinses, zie klassis Zevenwouden
  • 1619. Abraham Spillerii, welligt de opvolger van bovengenoemde, stond hier bij de onderteekening der formulieren in 1619, overleed den 6 Februarij 1621, en is in de kerk te Terkaple begraven.
  • 1622. Poppius Bootsma. Uit de onderteekening der formulieren, waar hij onmiddelijk volgt op bovengenoemden , besluit men dat hij hier omstreeks 1622 beroepen is, hij is afgezet in 1639, weder verkiesbaar verklaard in 1655, overleden 19 November 1672, en te Terkaple begraven.
  • 1640. Adolphus Klinkhamer, beroepen van St. Jansga, geapprobeerd en gedemitteerd den 10 April, overleed den 29 October 1657.
  • 1659. Nicolaus Wielstra, kandidaat, geapprobeerd den 13 April, lid der klassis den 4 Mei, is hier overleden den 5 Januarij 1665.
  • 1666. Johannes Steenhovius, kandidaat, geapprobeerd den 10 Maart, lid der klassis den 16 Mei, is verroepen tot conrector te Sneek, gedimitteerd den 5 Mei
  • 1676. Rombartus Tos, geboren te Harlingen, kandidaat, geapprobeerd den 4 October, lid der klassis den 29 Maart 1677, is vertrokken naar Oost-Indië, gedimitteerd den 21 Maart 1681.
  • 1682. Michaël van Doem, afgezet predikant van Augsbuurt, is weder hier beroepen, en zulks op attest van de klassis Dokkum en den kerkeraad van Damwoude, waar hij zich welligt, buiten bediening zijnde, opgehouden heeft; zijne beroeping is geapprobeerd den 14 October, en hij daarna bevestigd door Ph. Koëller en Abr. Poutsma, predikanten te Akkrum en Haskerhorne; hij werd lid der kl. den 3 Maart 1683, en emeritus den 31 Mei 1718 bij het collegie.
  • 1718. Allardus Fennema, geboren te Sijbrandaburen en daar gedoopt den 17 Junij 1688, Nic zoon, broeder van Boëtius, te Sijbrandaburen en Ibertus, te Leeuwarden, is kandidaat geworden bij de klassis Sneek in 1712, geapprobeerd den 5 October, lid der kl. den 4 Mei 1719, en overleden den 22 Januarij 1742.
  • 1742. Rombertus Edema, Joh. zoon, kandidaat, bevestigd den 2 December, deed, emeritus geworden, zijn afscheidsrede den 8 October 1797. Het verzoek, om het stipendium emeriti aan de commissie van Gedeputeerden uit het Provinciaal Bestuur , werd geweigerd. Hij overleed te Wolvega den 9 October 1808, oud bijna 91 jaren.
  • 1798. Geert Jan van den Broek, geboren te Leeuwarden, Gijsbert. broeder te Jelsum, kandidaat, deed, na bevestiging, zijn intreerede den 4 November, en nam, verroepen naar Wapserveen, (Drenthe), afscheid den 4 November 1804, ging naar Opwierda in 1810, en overleed daar den 18 Mei 1814, oud ruim 39 jaren.
  • 1805. H. Breijl, afgezet te Ursem?, is hier beroepen, door de klassis geapprobeerd den 4 December 1805, maar door de deputaten Synodi gedisapprobeerd den 8 Jannarij 1806; de uitspraak der deputaten is door de Synode den 23 Julij 1807 vernietigd, en Breijl verklaard niet bezwaard te zijn bij de dispositie van de klassis van Zevenwouden; haar verzoek aan den koning o in de sententie der Synode te vernietigen was gewezen van de hand.
    Synode 1808. Bij dispositie van den Min. v. Eeredienst 13 Februari 1809 No. 9 werd aan deze Gemeente vergund om voor ditmaal, zonder consequentie voor het vervolg, eenen pr.ed. te mogen beroepen.
  • 1809. Horatius Arents Ferf, geboren te Leeuwarden den 16 Maart 1790, kandidaat, bevestigd en intreerede den 4 November, nam, verroepen naar Wommels c. a., afscheid den 26 October 1810.
  • 1811. Murk Hotzes Ringnalda, geboren te IJlst den 28 September 1785, als kandidaat te Aduard in November 1809, deed, van daar hier beroepen, zijn intreerede den 9 Junij, en nam, verroepen naar Harlingen , afscheid den 19 Junij 1815.
  • 1816. Hans IJnsonides, geboren te Oldeboorn den 14 October 1791, kandidaat, bevestigd en intreerede den 28 Jannarij, overleed den 9 Junij 1820.
  • 1822. Cornelius Broersma, beroepen van Molkwerum, deed zijn intreerecle den 13 Januarij, en nam, verroepen naar Zunderdorp, afscheid den 25 Maart 1827.
  • 1828. Jan Hingst, geboren te Oosterend in October 1804, Alb. zoon, kandidaat, bevestigd en intreerede den 21 October, nam, verroepen naar Goënga ca., afscheid den 25 September 1831.
  • 1832. Roelof Witzenborgh Vinckers, geboren te Winschoten, kandidaat, bevestigd en intreerede den 10 Mei.

Er ontbreken: G. van Roggen 1874 — 75. M. B. Kim 1876-78. H. W. A. van Ake 1880-1887.

Bron: Tresoar.nl/wumkes/pdf

Foto van: wikipedia.org Chr. school Terkaple-Akmarijp.

Onderwijs en schoolmeesters te Akmarijp.

Oudtijds hebben deze beide dorpjes ieder hun eigen schooltje en hun eigen schoolmeester gehad. Alleen maar, men moet zich zoiets in kleine dorpjes niet al te officieel voorstellen in die oude tijd.

's Zomers was er aan geen school of schoolmeester behoefte en "meester" ging bij de ouders van zijn leerlingen in 't hooi of in deze waterrijke streken misschien ter visvangst.

's Winters was er dan wel een of andere boer of ambachtsman, die tegen een karige beloning "winterschool hield". Natuurlijk staan die mannen dan niet als "schoolmeester" te boek in de diverse akten, zodat van zulke dorpen nimmer een aaneensluitende lijst van schoolmeesters is op te maken, als tenminste de kerkvoogdij-rekeningen niet bewaard gebleven zijn. Zijn die er nog, dan weten we het, want de kerk betaalde ze.

Dit nu is van bovengenoemde dorpen niet het geval. Dat we niettemin van Akmarijp en Terkaple toch nog enkele schoolmeesters kunnen noemen, is te danken aan het feit dat hier de oude doop-,
trouw- en lidmatenregisters vanaf 1641 à 1660 bewaard gebleven zijn.

Dat van Terkaple meer bekend is dan van Akmarijp, komt hiervandaan, dat van de kerkelijke
combinatie Terkaple de zetel van de predikant was; daar was dus een vaste schoolmeester, die
tevens bij de godsdienstoefening in beide dorpen voorzong en kostersdiensten verrichtte, terwijl in Akmarijp occasioneel schoolgehouden werd door wie daar lust voor gevoelde en door de kerkvoogdij daarvoor werd aangesteld.

Akmarijp.

  • Op 14 aug. 1642 was Johannes Obbesz "schoeldiener Tecumarijp" (= te Akmarijp); zijn vrouw was Iebel Feyckedr. Hij komt in jan. 1663 nog onder de lidmaten voor, doch er staat dan niet bij "schoolmeester", wat niet zeggen wil, dat hij misschien niet nog steeds 's winters het schooltje waarnam.
  • In juni 1674 wordt Sicke Oeges "schooldienaer in Ackmarijp en Imck Jellis, zijn wijf, het H. Avondmaal ontzegd, omdat ze de E[dele] Opsienders van onse gemeente [= predikant en
    ouderlingen] gelastert ende belogen hadden, en haar absenteerden van de predicatie des woords". Op 18 nov. 1695 is overleden "Sicke Oeges, voormaals geweest schoolmeester tot Eckmarijp, oud sijnde in sijn 83e jaar en is op de Jouwer begraven". Reeds in mei 1654 was hij hier met Imck, zijn vrouw, tot lidmaat aangenomen, maar er staat dan niet bij "schoolmeester".

We zien dus duidelijk dat een der inwoners af en toe als schoolmeester optrad. Verder worden er geen speciale schoolmeesters van Akmarijp meer vermeld. Wel kunnen we enige noemen, die hier dorprechter en ontvanger geweest zijn, baantjes welke dikwijls door de schooldienaar werden bekleed, maar of ze inderdaad ook schoolmeester geweest zijn, weten we niet.

Op 27 jan. 1684 zijn te Akmarijp, getrouwd: Claas Gerrijts, ontvanger en dorprechter te "Egmarijp", en Attie Pieters, aldaar. Hij was in 1690 nog ontvanger. Op 26 juni 1697 overleed
Claas Gerrijts, dorprechter en ontvanger van "Eckmarijp".

Op 14 jan. 1700 zijn te Akmarijp getrouwd: Riemer Clasen, dorprechter en ontvanger te "Eckmarijp", en Lutske Dirks, van Oudeboorn. In 1705 was hij diaken. Hij vertrok in jan. 1715 met attestatie naar Terhorne.

In 1713 was Marten Gerckes, ontvanger en dorprechter te Akmarijp.

Bron: www.fryske-akademy.nl

Wipmolen met vijzel, onderkant watermolen.

De zuivelfabriek "de Lege Wâlden" 1896 tot 1988.

De zuivelfabriek "de Lege Wâlden"

De ophaalbrug tussen Terkapele en Akmarijp.

Boven en onder foto's van: Gerben D. Wijnja

11-11-1932: Hoog water, boven en onder; In de omstreken van de „Lege Walden" is het water buitengewoon hoog. Er zijn polderdijken, die al lang zwak zijn, zoodat de eene vracht plankhout na de andere per auto wordt aangevoerd, om het dan op de dijken te Zetten door middel van paaltjes in den grond. Zoodoende kan met het water nog meester blijven, zoolang het weer kalm blijft. Mocht evenwel de wind naar het Noorden gaan. dan zijn er verscheidene polders, die niet meer zijn te houden.

Gister sloeg een groot gat in den dijk van den polder van den heer F. Veldstra. Men is er in geslaagd met vereende krachten het water te stuiten.

2 juni 1933

9 januari1927: Schaatsen van J. van Dijk.


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.