Herdenking van de jaren 40-45 (1)

6-15.jpg

DE 'KRAAK' VAN DE GEVANGENIS.

Hoe het toeging.

De 'Kraak' van de Leeuwarder gevangenis op 8 December 1944, waarbij binnen drie kwartier 50 gevangenen bevrijd werden, en twee man van de S.O., die de knockploeg 'over het mot' kwamen, overrompeld en uitgekleed in de cel gestopt werden, was een zeldzaam meesterstukje, dat toentertijd in het Friesland groote deining verwekte. Tot dusver waren de finesses alleen bekend bij de 'insiders', maar Woensdag is de pers op het Burmaniahuis alles onthuld.

De voorbereiding nam heel wat tijd in beslag, vertelde de heer E. Bultsma (Eppie v.Dijk). Tal van plannen werden bekeken. Zaak was, zonder brokken te maken, binnen te komen en geen enkel spoor na te laten. List was geboden. Er werd een plan ontworpen om via een achterdeur het H. van B. binnen te dringen met een valsche sleutel. Ook van de binnendeuren werden met hulp der bewaarders valsche sleutels gemaakt, maar na een alarm werd de bewuste deur gebarricadeerd met een balk. Dat ging dus niet meer. Dan maar met valsche papieren.

Door het binnenlaten van deze zogenaamde arrestantenploeg wisten de bewakers niet...

Behalve de practisch uitsluitend gebruikte papieren van de S.D. op vertoon waarvan de gevangenispoort openging, bestond er ook nog een officieel politiepapier, dat zelden meer werd gebruikt, maar toch dienst kon doen. Zulk een papier werd nu vervalscht. Daar zou men het dan maar mee wagen. Met medewerking van den heer Harms, gem. ambtenaar, werden plattegronden geteekend van de gevangenis en de cellen.

Na 2 maanden was alles kant en klaar. De toenmalige provinciale commandant van de KP., de heer P.G. Oberman (Piet Kramer), met de leiding der 'kraak' belast, huiverde wel heel even voor de groote verantwoordelijkheid terug. De L.O. echter drong zeer aan op uitvoering. Er zaten op dat moment verscheidene politieke gevangenen in het H. van B. De gew.commandant van de N.B.S. gaf zijn fiat. 'Dit moet doorgaan'. De kraak werd nu bepaald op 8 December.

In den middag van 8 December kreeg het H. van B. een telefoontje van de 'politie', dat om half zes 3 'arrestanten' zouden worden gebracht. Tegelijkertijd werd het politiebureau opgebeld, dat een paar C.C.D.-ambtenaren uit Bolsward op weg waren naar Leeuwarden, met 3 arrestanten die ze maar regelrecht naar het H. van B. zouden brengen. 't Was wel wat vreemd en even onderwerp van bespreking, maar werd toch geaccepteerd. Zoo werd de kraak gecamoufleerd. Om 4 uur vereenigden zich de K.P.-mannen en één ondergedoken Leeuwarder politieagent, die om zijn 'baas' te redden meedeed, in het pand van bakker v.d. Veen. Alleen de leiders wisten, voor de anderen was het nog de vraag, wat er gebeuren ging. Nu werd alles uit de doekjes gedaan. Plattegronden werden uitgedeeld, ieder kreeg welomlijnde instructies.

Daarop werd gemeenschappelijk gebeden. Om 5 uur bezetten tot consternatie der bewoners, 6 KP.-ers het pand met bovenhuis tegenover de gevangenis, waarin het woningbureau v. d. Schoot is gevestigd. Ze nestelden zich hier met een machinegeweer en pistolen. Het was de dekkingsploeg, een ordonnans meldde, dat operatie 1 was geslaagd. Prompt half zes verlieten 2 ploegen, om de Grachtswal hun 'operatiebasis' voor operatie 2. De 2 politiemannen in uniform met hun 2 'arrestanten' belden aan de gevangenis. De 2de ploeg, bestaande uit 12 KP.-ers stelde zich verdekt op tegen de muur, in afwachting en zoo goed dat de bewaarder met de controle der verduistering belast, hen rakelings voorbijliep, zonder ze te bemerken. Boven de hoofden der politiemannen en der arrestanten knipte het electrisch licht op. Het luikje in de poort ging open, en reikten den portier het valsche papier toe, dat hen de toegang ontsluiten moest. Dan bleven zij wachten in het felle licht.

De portier verdween naar de administratie. 'Binnen laten?'. 'Ja, dat klopt, er is over gebeld'. Dan kwamen ze binnen een tweede deur door, die direct achter hen in het slot klikt en staan ze in de gang. Nu is het hun tijd. Binnen een minimum staan ze in het bureau: 'Handen omhoog!'. Niemand van de 4 à 5 daar aanwezige bewaarders dacht er aan zich te verzetten. Ze verkeerden in volslagen verwarring en konden door het snelle verrassende optreden niets beginnen. Jelle bezette de telefooncentrale, de portiers werden ontwapend en door de poort werden de 12 man tegen de muur, één voor één binnengeloodst. Er waren nu 17 man in de gang. Ze hadden het voorportaal in hun macht.

Oogenblikkelijk werd overgegaan tot de 3de operatie: de bezetting van het heel huis van Bewaring en het bevrijden van de gevangenen uit hun cellen. In een looppasje ging het de gang door tot achter de deur, die toegang gaf tot het wachtlokaal, waar het gros der bewakers vertoefde. De 17 man stelden zich vlug op achter de deur en toen ging het voorwaarts. De wacht werd overrompeld. Het telefoontoestel bezet. De brigadier met de ring, werd van de sleutels der cellen ontlast. Een bleef posten, de bewaarders gelastend, heel gewoon te doen, ook als soms iemand eens een informatie mocht doen door het luikje, dat weer verbinding gaf met de bijzondere strafgevangenis, en dat terdege in het oog gehouden werd de anderen verdeelden zich snel in kleine groepjes, ze hadden een papier in de zak, met de nummers der cellen en de namen van hen, die er uitgehaald moesten worden. Zoo gingen ze de beide vleugels in, aan weerszijden van de wacht, en naar de eerste en tweede verdieping.

Op de vrouwenafdeling werd de bewaakster handig verschalkt, haar telefoontoestel door Anton bezet. Ze moest opgeven in welke cellen de te bevrijden vrouwelijke gevangenen zaten, alles verliep zeer snel, binnen 8 minuten stonden de bevrijde dames op de benedengang, waar ook reeds de mannelijke gevangenen waren verzameld. Op deze gang speelden zich ontroerende toneeltjes af. De heer en mevrouw Schootstra zagen elkaar terug na een wreede en lange scheiding. Sommigen der bevrijden wilden de KP.-mannen om de hals vallen. Er was een druk geroezemoes en gepraat. Commandant Piet Kramer hield appèl.

Zelfs hierbij ontbrak ondanks de spanning de humor niet. Hij vroeg een der gevangenen zijn naam. 'Tijl', was het antwoord. 'Uw achternaam? 'Tijl'. De commandant: 'Dan bent u zeker Tijl Uilenspiegel'. Inmiddels verstreken de minuten in groote spanning. Want 2 gevangenen moesten uit de Bijzondere Strafgevangenis komen, het waren de heeren Dreeuws en Leyenaar, met de revolver was één der bewakers in het wachtlokaal gedwongen in het Duitsch bevel door te geven naar de Bijzondere Strafgevangenis, dat beiden dadelijk voor een verhoor naar het H. v. B. moesten worden overgebracht. De heer Dreeuws, die erg was toegetakeld, lag reeds te bed, hij moest opstaan en zich kleeden. Hij dacht: 'Dit is mijn laatste gang'. Tien à vijftien minuten verliepen. In die tijd werd het bevel 2 maal herhaald. Eindelijk kwamen ze vergezeld van 2 bewakers in het H.v.B. Toen ging de bel bij de poort.....

Buiten stond een auto, waarin 2 man van de S.D. met 3 nieuwe arrestanten. Ze wenschten binnengelaten te worden. Nu was snel en koelbloedig optreden vereischt. De gevangenen verlieten in allerijl de gang. De knockploeg stelde zich op achter de 2de deur. Dan werd in allerijl gezocht naar het knopje van het electrisch licht buiten, want alles moest 'heel gewoon' schijnen. Men kon het eerst niet vinden. De S.D. vloekten, het duurde hen te lang, dan draaide de sleutel in het slot, de deur vloog open en Wim Stegenga schoot de beide verstuiverde moffen voorbij. Dan hoorden zij zich achter hun rug toevoegen: 'Handen omhoog': Ze waren finaal overbluft. Hadden hun automatische wapens bij de hand, maar schoten niet, Wim greep de een in zijn kraag en sleurde hem binnen de poort. De beide moffen werden uitgekleed en stonden in de onderbroek in hun laarzen. Het was een potsierlijk gezicht. Ze werden in de strafcel gegooid.

Hier zaten 4 arrestanten, die in de loop van den dag waren binnengebracht. Zij boften. want zij gingen er uit. Daarmede was dit adembenemend incident gesloten en kon worden doorgegaan met de groepering der bevrijde gevangenen, die weer in de benedengang kwamen. Bij kleine groepjes gingen ze nu de poort uit, voorzien van een wachtwoord en instructies. Sommigen als de heer en mevr. Schootstra werden per fiets vervoerd om speurhonden geen kans te geven, terwijl anderen, nadat de laatste K.P-ers vergezeld van een der bewaarders, de heer Tiemersma, die als zondebok fungeerde om de andere bewakers te ontlasten, de gevangenispoort verlieten, de brug dik onder de peper strooiden.

De 'kraak' was binnen 3 kwartier grandioos geslaagd. In totaal waren 51 gevangen bevrijd, t.w. 31 mannelijke en 11 vrouwelijke die op de lijst stonden en 8 meer dan volgens plan, o.a. was er een koerierster die met alle geweld haar verloofde mee wou hebben. Al deze gevangenen werden dank zij de voortreffelijk georganiseerde afvoergroepen waarvoor de heer E. Wiersma gezorgd had, binnen de stad bij hun gastheeren ondergebracht, die niet beter wisten of ze kregen spoorweglui. Koeriersters vertrokken direct met een brief aan de familie. De K.P.-ers kwamen na de 'kraak' op hun operatiebasis terug, waar een hunner voorging in dankgebed. De volgende morgen hielden de moffen razzia, maar niemand der bevrijden werd gevonden. Van de 25 man, die aan den overval deelnamen is later alleen de mil.pol. Joh. Kolff uit Oud-Beijerland te Leeuwarden op straat doodgeschoten.

De foto is van na de oorlog, in het midden Piet Oberman. Pieter Gerk Oberman (schuilnaam was 'Piet Kramer') was van beroep houthandelaar in Dokkum, geboren in de gemeente Dantumadeel op 31 juli 1908 en is te Dokkum overleden op 14 november 1972.

Kijk voor het volledige verhaal van de (De Kraak) de overval op de Leeuwarder strafgevangenis


DRONRIJP. 26 april 1945

Woensdag 25 April, 3 uur. Met ds. Klapwijk sta ik bij de hooge brug te Dronrijp. Precies 14 dagen geleden heeft zich hier het verschrikkelijke drama afgespeeld, heeft de vijand zijn haat tegen ons volk gekoeld door den laffen moord op 13 jonge mannen. In 5 wagens werden ze hierheen gevoerd, sommigen geboeid, als schapen ter slachtbank. De bedoeling was zeer waarschijnlijk om ze nog verder te vervoeren, naar de plaats, waar een aanslag op den spoorlijn was gepleegd. De geopende brug verhinderde dit en daarom maar hier, bovendien was er haast bij, want Engelsche vliegtuigen cirkelden rond en konden de auto's beschieten.

De moordenaars kropen zelfs nog even weg in een steegje. Maar dat bracht geen redding voor de gevangenen. Even later klonken de commando's. De burgers mochten geen getuige zijn van het drama, en werden onder bedreiging de huizen ingejaagd. Misschien is een meisje, met wie we spraken en die alles door een stalvenster kon zien, de eenige getuige geweest. Bij vieren werden ze tegelijk van de brug af naar beneden geleid, waar even zooveel moordenaars gereed stonden, om de doodelijke schoten te lossen.

Wat moet er in die jonge mannen zijn omgegaan; hier en nu en zoo hun leven te moeten beëindigen. Geen afscheid geen geestelijke bijstand, geen brief zelfs. We weten echter, dat er door een der groepen gebeden is en dat de afspraak was gemaakt, dat ze als mannen zouden sterven. En zoo zijn ze ook volgens de ooggetuige naar de plaats van den moord gegaan. Er waren er geen 13, maar 14, doch door de haast, die gemaakt werd, bemerkten de moordenaars niet, dat één slachtoffer slechts gewond was en toen zij vertrokken waren hebben toegeschoten burgers hem weggebracht. Hij is tot na de bevrijding in Dronrijp verborgen gehouden en verzorgd en maakt het goed.

De overigen bleven een dag tegen den hoogen walkant liggen en zijn den volgende dag (Donderdagmiddag) om 1 uur begraven in een massagraf. De beide predikanten en de pastoor waren daarbij tegenwoordig. Ds. van Wijmen bad het 'Onze Vader'. Het publiek werd niet toegelaten, ook al mee, omdat nog verborgen moest blijven dat er geen 14, maar 13 lijken werden ter aarde besteld. Een week later was de vrijheid gekomen. Toen zijn de gevallenen opgegraven en onder zeer veel belangstelling in Leeuwarden, waar allen hun domicilie hebben gehad, opnieuw begraven. Zij vielen, enkele dagen vóór de bevrijding. Zij gaven hun leven voor de bevrijding.

Nog eens, wat er in hun omging, we weten het niet. De beide jongste Wierda's gingen verheugd het Burmaniahuis, plaats van zooveel foltering en ongerechtigheid, uit in de vaste overtuiging dat zij naar het Huis van Bewaring werden overgebracht, waar ze weer eten zouden krijgen, een plaats om te slapen, waar de dreiging van foltering niet zoo voortdurend om hen was. Zij gingen naar Dronrijp. Daar wachtte hun ook de rust, maar een andere rust, de eeuwige ..... De jongste zou in vrijheid worden gesteld hadden de Duitschers gezegd. hij werd in vrijheid gesteld, voorgoed .....

Maar thuis bleven de ouders, broer en de verloofde van deze drie wachten, tot het noodlottige bericht kwam en de vader de zwaren gang naar Dronrijp maakte om de geschonden lijken van zijn jongens te identificeren. Daar waren vaders bij, naar wie de jonge kinderen zullen vragen zonder te begrijpen. Daar wordt heel binnenkort een kindje geboren, dat reeds geen vader meer heeft als het ter wereld komt. Maar hoe zou men kunnen rekenen op medegevoel bij 'Grünen' en Rexisten, die een vermaak scheppen in martelen en moorden?

Van een der dertien Mark Wierda, is een brief bewaard die hij op zondagavond heeft geschreven met geboeide handen. 'Het schrijft lastig met die dingen op'. Des morgens was hij met zijn beide broers gearresteerd, heel in de vroegte. En nog maar nauwelijks in het Burmaniahuis aangekomen werd hij voorgeroepen en begon het 'verhoor', beter gezegd de foltering. Eerst was de behandeling niet onwelwillend, maar toen de heeren hoorden, dat hij Gereformeerd was, brak het oordeel los. 'Ze trokken mijn das aan, zoodat ik bijna stikte en toen ik niets kon (wilde) zeggen, moest ik me heelemaal uitkleeden en ben zóó in een ijskoud bad gestopt, nadat mijn handen op den rug met boeien waren vastgemaakt. Toen deden ze mijn beenen omhoog, zoodat mijn hoofd onder water kwam. Telkens vroegen ze weer hetzelfde en telkens moest ik het weer ontkennen. Ze gooiden al maar water over mijn hoofd en deden tot slot het deksel van de kist dicht, zoodat mijn hoofd wel onder water moest blijven'.

Hij beschrijft dan verder, hoe hij dan de verdrinkingsdood telkens nabij was, maar dan werd het deksel weer even opgelicht, zoodat hij adem kon halen en de vraag werd hernieuwd, hij bleef ontkennen. Dat duurde van 7 tot 9 uur des morgens. 'Ik moest erg aan onzen Heiland denken', schrijft hij, en het was mij rijk, dat Kruis mijn Jezus te mogen nadragen'. En aan het slot van den brief getuigt hij: 'Ik ga vol vertrouwen de toekomst tegen. Er zal geen haar van ons hoofd vallen zonder den wil van onzen Hemelschen Vader, want Hij regeert. Onze hope is alleen op Hem. de Heer zij ons tol hulp en sterkte. Hij is nu zelfs nog ons lied, ons psalmgezang. Hij zal hel maken, dal g'u verwonderen moed'.

Moethoen.

Hier volgen de namen de slachtoffers. Eén persoon is niet geïdentificeerd, omdat hij waarschijnlijk een valsch persoonsbewijs gebruikte. Hij was van elders afkomstig en slechts tijdelijk in Leeuwarden.

Dirk de Jong. Geb: 27-07-1918. 

Egbert Mark Wierda. Geb: 26-04-1918.

Klaas Jan Wypcke Wierda. Geb: 21-05-1921. 


Hyltje Wierda. Geb: 03-01-1925.

Ruurd Kooistra

Geb: 04-11-1920

www.wo2slachtoffers.nl

en

www.online-begraafplaatsen.nl

Douwe Tuinstra. Geb: 09-03-1919. 


22-22.jpg

Hendrik de Jong. Geb: 07-04-1904

Hendrik Spoelstra. Geb: 19-02-1916

Heinrich Harder. Geb: 13-04-1913.


Johannes Nieuwland. Geb: 01-06-1906

Sybrandus van Dam. Geb: 18-02-1915


De Leeuwarder Courant meld op 11 april 2010.

De veertien mannen zijn: Johannes Nieuwland, Hendrik Jozef Spoelstra, Douwe Tuinstra, de broers Egbert Mark Wierda, Klaas Jan Wypcke Wierda en Hyltje Wierda, Sijbrandus van Dam, Heinrich Harder, Dirk de Jong, Hendrik Jan de Jong, Ruurd Kooistra, Johannes Marinus Ducaneaux en Oudger van Dijk.

Een man overleeft: Gerard de Jong uit Huizum. Hij hield zich dood en dat redde zijn leven. Bij Dronrijp herinnert een monument aan deze groepsexecutie. Er staan elf namen op. Ducaneaux is niet vermeld, omdat hij verdacht wordt van spionage voor de Duitsers en Van Dijk evenmin, omdat hij een uit Duitse dienst gedeserteerde Waffen-SS'er is.


H.A. - Hendrik Algra -hoofdrecteur Friesch Dagblad.

Door drs. S. Wiersma.

In memoriam dr. Hendrik Algra.

Laat, maar niet te laat. Zo typeerde één der medewerkers aan het „liberamicorum" de verlening van een eredoctoraat aan H. Algra, oud-lid van de Eerste Kamer en oud hoofdredacteur
van het Friesch Dagblad.

Laat inderdaad, want Hendrik Algra werd geboren 5 januari 1896 te Hardegarijp en was dus bij de uitreiking van de erebul op 20 oktober 1980 bijna 85 jaar oud. Het eredoctoraat werd verleend door de faculteit der sociale wetenschappen van de Vrije Universiteit, die op de datum van de uitreiking haar honderdste verjaardag vierde. Wij hadden eerder verwacht, dat de heer Algra een eredoctoraat in de geschiedenis zou hebben ontvangen, want op dat gebied heeft hij met name zijn sporen verdiend. Waarmee we niet willen beweren, dat hij voor zijn werk als journalist geen eredoctoraat verdiende. Dat was zeker terecht, maar wij vinden de geschiedschrijver Algra belangrijker.

Hendrik Algra werd geboren als oudste zoon in een arbeidersgezin.
In 1901 verhuisde het gezin naar Swichum en daardoor bezocht hij de christelijke lagere school te Wirdum, want Swichum had zon school niet. Dezelfde school werd ook bezocht door de bekende Hangelbroek van het schoolverzet (jaren '40-45), Roolvink, de latere minister van sociale zaken, en L. Algra, hoogleraar aan de VU. Na de lagere school werd Hendrik boerenknecht te Rien en pas enkele jaren later begon hij aan de studie voor onderwijzer.

Na de onderwijzersopleiding behaalde hij de akte Geschiedenis m.o. en werd leraar geschiedenis aan de christelijke kweekschool te Leeuwarden en aan het gereformeerd gymnasium te Kampen. Later aan het gereformeerd gymnasium te Leeuwarden en daar is hij tot zijn pensioen gebleven.

Dispereert niet.

In de dertiger jaren schreef hij voor de Gereformeerde Jongelingsbond een Handboek der Vaderlandse Geschiedenis, dat als bron voor het verenigingswerk moest dienen. Het kreeg de titel „Het Erfdeel der Vaderen" en verscheen in drie delen.

Samen met zijn broer A. Algra, die geschiedenisleraar in het toenmalige Ned. Indië was, schreef hij „Dispereert Niet", twintig eeuwen historie van de Nederlanden. Het laatste werk verscheen eerst in 14 kleine deeltjes, is bij een latere herdruk in 5 kloeke delen op de boekenmarkt gekomen en beleefde talloze herdrukken.

Naast zijn leraarschap werd Algra in 1935, na het vroegtijdig overlijden van Uddo, hoofdredacteur van het Friesch Dagblad en dat is hij 44 jaar lang gebleven met een onderbreking in de bezettingstijd. Al die jaren schreef hij hoofdartikelen voor zijn krant en heeft daardoor met name in Friesland grote invloed op het christelijk volksdeel uitgeoefend.

In het begin van de bezettingstijd trokken zijn hoofdartikelen al gauw de aandacht van de bezettingsautoriteiten. In zijn artikelen haalde hij voorbeelden uit de geschiedenis aan met de bedoeling de lezers te bemoedigen.

Was ons land niet vaker uit zware druk bevrijd? Waren machthebbers in Europa al niet vaker vastgelopen? Een Duits officier, die controle op de pers uitoefende, drukte zich zo uit: Algra tamboereert steeds op hetzelfde in zijn artikelen, elke dag een ander voorbeeld uit de geschiedenis, elke dag krijgt de ezel een ander dekje en dan timmert hij er lustig op los, maar die ezel, dat zijn wij, de Duitsers.

Als gevolg van Duits ingrijpen werd Algra als hoofdredacteur een schrijfverbod opgelegd. Later werd hij gearresteerd als gijzelaar en kwam hij met vele andere prominente Nederlanders terecht in het gijzelaarskamp te Sint Michielsgestel. In dit kamp hield Algra, voor een zeer gemengd gehoor een serie geschiedenis voordrachten over de eigen weg van het Nederlandse volk. Na de oorlog werden die voordrachten in boekvorm uitgegeven onder de titel „De eigen weg".

Eerste Kamerlid.

Na ontslag uit de gijzeling werkte de heer Algra mee aan het toen illegale Trouw. Vreemd dat over dit verzetswerk niet gerept wordt in het „liber amicorum". In 1946 werd hij lid van de Eerste Kamer en bleef dit tot 1968. Hij had daar een zware „portefeuille" met onderwijs, defensie en overzeese gebiedsdelen, en verwierf er als AR-senator de naam van een geharnast strijder voor recht en gerechtigheid.

Inmiddels stond zijn geschiedkundige arbeid niet stil, want in 1966 verscheen van zijn hand: „Het wonder van de 19e eeuw" met als ondertitel: Van vrije kerken en kleine luyden. In dit boek beschreef de auteur op gevoelige wijze het leven in en van de vrije kerken, waarbij de mensen in hun kenmerkend bestaan getekend worden.

Veel van die mensen had de schrijver gekend en gesproken en door zijn onderzoek groeide de verwondering en sprak hij het ook uit, dat in de 19e eeuw in ons land een wonder van Gods genade was op te merken, tot zegen voor ons volk. Er zou nog meer van zijn geschiedenisarbeid te noemen zijn, maar we laten het hierbij.

Na zijn aftreden als hoofdredacteur bleef hij vaste medewerker aan de krant en stuurde hij bijdragen in over staatsrecht en theologie. De laatste in de rubriek "Na de Zondag", waarin een zekere dominee van Hakvoorde met instemming werd geciteerd. En veel mensen zich maar het hoofd breken over de vraag welke dominee dat toch was.

Als mens was Algra niet gemakkelijk in de omgang. Hij kon stug en kortaangebonden over komen,
maar wie hem van nabij meemaakte wist, dat hij een gevoelig mens was.
Wie in rouw of andere moeiten door hem vertroost werden, stonden steeds versteld van zijn hartelijk meeleven.

We hebben in het voorgaande een deel van de werkzaamheden van de heer Algra geschetst, want hij was ook nog 9 jaar voorzitter van de Jongelingsbond, 7 jaar voorzitter van de Wereldomroep en kroonlid van het bestuur van de NOS. We aarzelen niet Hendrik Algra een bijzonder begaafd mens te noemen, die zich geroepen wist zijn talenten te gebruiken in dienst van Zijn Zender.


Drama te Echten kostte 6 mensen het leven.

Op een dag in October 1943 werd er een telefoongesprek gevoerd tussen de S.D.-man C. J. Kaptein uit Den Haag en burgemeester M. Krijger te Lemmer. Tijdens dit gesprek werd de burgemeester verteld, dat er in Echten bij de schoonmoeder van Ds. Fokkema(Zat tijdens de bezetting enige tijd ondergedoken. Zijn naam werd na de bezetting tijdens een proces tegen burgemeester M. Krijger van Lemsterland in verband gebracht met de arrestatie van zes joden die bij zijn schoonmoeder (mevr. De Vries-Frankema) ondergedoken zaten. Van enige betrokkenheid van hem daarbij bleek echter niets.) 6 Joden waren ondergedoken en dat die mensen moesten worden gearresteerd. De burgemeester werd persoonlijk verantwoordelijk gesteld voor dit geval. Burgemeester Krijger heeft de zaak daarop doorgegeven aan de politiecommandant Hafma, die er later met 6 man op af is getrokken, met het noodlottig gevolg, dat de 6 onderduikers allen werden gearresteerd. Ze zijn overgebracht naar Den Haag en nooit weer teruggekeerd.

Thans stond als eerste terecht Marinus Krijger, burgemeester van Lemsterland, terzake van het opzettelijk blootstellen aan opsporing en vrijheidsberoving van de 6 ondergedoken Joden, zonder hen van tevoren te hebben gewaarschuwd of zonder hen te doen waarschuwen.

Afgeluisterd telefoongesprek.

Mej. Z. Smeding verklaarde het gesprek tot stand te hebben gebracht en te hebben afgeluisterd. De Burgemeester maakte eerst wel bezwaar, door te zeggen, dat hij geen hoofd van de politie was. Als plaats waar de Joden waren ondergedoken, werd genoemd de schoonmoeder van Ds. Fokkema. De burgemeester was steeds erg voorkomend tegenover de Duitser, meer vriendelijk dan normaal Mej. P. v. Brug, heeft even later een gesprek tot stand gebracht met de burgemeester. Ook toen was er sprake van arrestatie van Joden bij de schoonmoeder van Ds. Fokkema. De burgemeester protesteerde niet en hij was erg voorkomend. Zij wilde de Joden wel graag waarschuwen, maar zij wist niet waar zij zijn moest. Ook Aagje Molenwerf en haar chef wisten er geen raad mee.

De opdracht.

Getuige G. Hafma, groepscommandant der Rijkspolitie te Murmerwoude, vertelde, dat hij een boodschap had gekregen even bij de burgemeester te komen. Deze vertelde hem toen, dat hij een telefonische opdracht had gekregen om Joden te laten arresteren. Het was het eerste huis links van de kerk en de bewoonster moest ook gearresteerd worden. De S.D. had medegedeeld, dat zij inlichtingen had gekregen van Ds. Fokkema, schoonzoon van de bewoonster. Deze behoefde niet gearresteerd te worden, maar kon en passant worden meegenomen.

Ik kreeg de indruk, dat de verrader ter plaatse aanwezig zou zijn. De burgemeester heeft toen nog gezegd: "van je familie moet je het maar hebben". Toen de burgemeester mij de order gaf, heeft hij mij gevraagd: "wat ga je nu doen?" Ik heb gezegd, dat ik er wel heen moest en er werd mij niet te kennen gegeven, dat ik het niet moest doen. Getuige vertelt, dat hij een uur heeft gewacht, voordat hij er op afging met zijn mannen. De onderduikers zijn gevonden en na in Lemmer te hebben gezeten, overgegeven aan de politie te Wolvega. Daarna zijn ze naar Den Haag vervoerd, tezamen met mevrouw Frankema.

Arrogante S.D.-manieren.

De vroegere wachtmeester L. J. Kaptein, die bij de S.D. werkte en het gesprek met burgemeester Krijger heeft gevoerd, blies nog hoog van de toren. Hij wenste de eed niet af te leggen en evenmin de belofte. Hij wenste zijn hoofd niet te pijnigen met deze zaak, die men nu toch heel anders beoordeelt dan toen. Volgens hem was het gesprek in het Nederlands gevoerd. Alleen als er een Duitse telefoniste tussen kwam, sprak hij Duits. Men had zuivere inlichtingen en alles stond precies op papier. Van wie men het wist wenste hij niet te zeggen.

Verhoor verdachte.

De burgemeester voerde aan te hebben geprobeerd er voor weg te komen, doch dit gelukte niet. Ik werd persoonlijk verantwoordelijk gesteld voor het overbrengen van de boodschap. Er werd gezegd, dat men inlichtingen had van de schoonzoon der bewoonster. Dat vond ik zeer verdacht. Ik wilde de zaak ook met Hafma bespreken. Ik heb tegen hem gezegd, dat naar alle waarschijnlijkheid de verrader in het huis was, zodat er niet gewaarschuwd kon worden.

- President: Uit de stukken blijkt, dat u dat wel aan uw vrouw heeft gezegd, maar niet aan Hafma.
-Verdachte beweerde nu, dat hij het ook aan Hafma heeft gezegd.
-President: Maar u had toch kunnen waarschuwen.
-Verdachte: Ik kon niet waarschuwen, omdat het voor mij vast stond, dat de schoonzoon-verrader in huls was.
-Procureur-Fiscaal: U had twee mogelijkheden en daaruit koos u die, waardoor u zelf het minste gevaar liep.
-Getuige Hafma: Ik had de hoop, dat er vanwege de burgemeester gewaarschuwd was.

Requisitoir.

Mr. Lazender begon met te verklaren, dat hij lang heeft geaarzeld de heer Krijger te dagvaarden, omdat hij weet, dat deze een goede Nederlander was, zonder sympathie voor N.S.B. en Duitsers. Ik ben er van overtuigd, dat als verdachte een strafbaar feit heeft gepleegd, dit is gebeurd in een moment van onnadenkendheid of bij wijze van vergissing.

Toch heb ik hem gedagvaard, omdat ik meen, dat men ook voor deze daden verantwoordelijk is. Ook acht ik het billijk, dat wanneer de politiemannen worden vervolgd, de opdrachtgever eveneens terecht staat. Verdachte heeft opdracht gegeven, zonder dat hij zelf of Hafma de Joden heeft gewaarschuwd. Is verdachte deswege strafbaar?

De vraag is dan, of hetgeen hij deed, opzettelijk gebeurde. Spreker meende, dat dit inderdaad het geval was. Hij had twee dingen kunnen doen. Wanneer hij overtuigd was, dat er niet gewaarschuwd kon worden, dan kon hij de opdracht hebben achtergehouden. Hij had zichzelf dan in veiligheid kunnen stellen door onder te duiken. Hij heeft het leven van de Joden opgeofferd voor zijn eigen.

Verdediging verdachte.

Verdachte verdedigde daarop zichzelf en ontkende de opzet. Mijn wil was het niet, wat er gebeurd is. Ik heb iets aan het beleid van Hafma overgelaten. Zijn bevindingen ter plaatse, moesten voor hem richtsnoer zijn. Ik heb toch tegen Hafma gezegd, dat hij maar met zijn mannen moest praten, maar dat die er even weinig voor zouden voelen als hij zelf. Dat moest voor hem duidelijk zijn. Tegen mij zijn tot dusver, ook bij de burgemeesterszuivering, geen maatregelen genomen. Dit is dan ook de zwartste dag van mijn leven. Ik heb fouten gemaakt, maar dat ik schuldig zou zijn aan dit misdrijf, ik kan mij dit niet voorstellen.
Uitspraak over 14 dagen.

Wij zijn alle zes laf geweest.

In de middagzitting kwamen voor de groene tafel 2 van de 6 politiemannen die naar Echten zijn geweest, n.l. Marten v. d. Kamp uit Oudega en Lodewijk Eskens uit Heerenveen. Zij worden er van beschuldigd, Daan van IJsel en 5 andere Joden aan opsporing en vrijheidsberoving te hebben blootgesteld, door nadat hen door of vanwege de burgemeester van Lemsterland of de onder luitenant der Marechaussee Gerrit Hafma was meegedeeld, dat er in opdracht van de S.D.

In Echten 6 Joden moesten worden gearresteerd, een onderzoek in het aangewezen huis te hebben verricht en toen ze aanvankelijk niets hadden gevonden, dat onderzoek toch voort te zetten. Nadat verdachte v. d, Kamp een schot had gelost onder een ledikant en daaronder een Jood vandaan gehaald; zijn zij toch met het onderzoek doorgegaan, hoewel Hafma en anderen hadden gezegd dat het genoeg was en men maar naar huis moest gaan. Hierna werden echter nog 5 Joden op zolder gevonden en gearresteerd.

De getuigen vertellen.

Wachtmeester Strampel vertelde, dat hij 30 meter van mevr. Frankema verwijderd woont, maar dat hij niet heeft geweten dat er Joden zaten. Hafma kwam mij halen en ik moest mee. Verdachten zijn toen naar binnen gegaan en de anderen stonden rond het huis. Ik stond achter. Even later hoorde ik een knal. Nadat een Jood was gevonden zijn we bij elkaar geweest en toen is besproken om weg te gaan.

-President: Waarom deed men dat niet?
-Getuige: Ik weet het niet. De verdachten waren zenuwachtig en erg bang. Wij zijn toen allemaal naar binnen gegaan en toen is er weer gezocht.
-President: Heeft U gehoord dat Hafma gezegd heeft om weg te gaan?
-Getuige: Neen. Ik heb wel in het algemeen gezegd: "laten we weggaan". De verdachten waren de mensen, die niet weg wilden.
-President: Zaten er meer Joden in Echten?
-Getuige: Echten stond er voor bekend. Het zat er vol.
-Verdachte Eskens: Wij zijn alle 8 laf geweest, daar wil ik wel voor boeten, maar niet voor iets, wat ik niet gedaan heb.
-Mr. Vis: Welke rol heeft Hafma gespeeld?
-Getuige Strampel: Mijn indruk is, dat Hafma de leiding uit handen heeft gegeven.

Reprimande getuige Hafma.

Vervolgens wordt getuige Hafma gehoord, die steeds, evenals in de zitting van burgemeester Krijger ontwijkende antwoorden geeft, waarop de president hem een ongezouten reprimande geeft over zijn ter terechtzitting aangenomen houding. Hafma verklaart daarop, dat hij niet heeft gezegd, maar naar huis te gaan. Nadat er 1 Jood was gevonden, heeft Hafma van de bewoonster gehoord, waar de andere 5 verborgen waren en die zijn daarop uit hun schuilplaats gehaald; door wie dit is gebeurd wordt echter niet duidelijk. De verdachten ontkenden dat zij dit hebben gedaan, doch zeggen dat Hafma er op afliep.

-Getuige wed. Frankema vertelde daarop, dat ze 3 Joodse echtparen in huis had. Ze waren er al 1½ jaar. Daarop schilderde ze met zachte stem hoe de huiszoeking heeft plaats gehad, welke volgens haar zeer nauwkeurig was geweest en ook ruw. Verdachte Eskens had haar met de revolver gedreigd. Verdachte v. d. Kamp had gezegd: "we hebben er nu 1 en er moeten er 6 zijn, die zullen gevonden worden, al moeten we het huis ook afbreken". Hij heeft boven veel stuk gemaakt.

Verraad in het spel.

Als getuige wordt dan gehoord op eigen verzoek het Tweede Kamerlid Ds. Fokkema, de schoonzoon van wed. Frankema, die zegt dat hij toen was ondergedoken, omdat zijn leven gevaar liep. Zijn vrouw, zoon en dochter waren wel gearresteerd, maar die kunnen het niet gezegd hebben. Ik weet, aldus Ds. Fokkema, dat er verraad is geweest, maar dat is niet meer te achterhalen.

Verhoor verdachten.

Verdachte v.d. Kamp zegt dat hij mee moest, doch dat men meende niets te zullen vinden. Tenslotte vond ik onder een bed een man liggen en toen was mijn illusie, dat er niets was, kapot.

-President: Waarom heeft U toen geschoten?
-Verdachte: Dat deed ik in mijn verbijstering. Ik vind het raar, dat Hafma nu niet wil vertellen, dat hij het niet verantwoord achtte om weg te gaan, nadat er 1 man was gevonden. Ik heb alleen maar mijn best gedaan, meer niet.
-President: Uw streven was, om de Joden te vinden.
-Verdachte: Later is geprobeerd, de Joden te ontzetten. Toen dit gebeurd was, is het gevolg geweest dat het escorte is versterkt.
-Verdachte Eskens: Halma heeft ons gezegd, dat wij ieder persoonlijk aansprakelijk werden gesteld voor een juiste uitvoering van de opdracht. Toen het schot viel dacht ik als het op mij gericht is, is het mis. Ik heb boven in de kast gekeken, waaruit de Joden later kwamen, maar ik vond niets en toen later een paar van de getuigen boven kwamen met Halma voorop toen kwamen er ineens Joden uit. Ik heb ze niet gevonden, maar zij vonden ze wel. Hier wordt door de getuigen niet de waarheid gesproken.

Raadsheer Mr. Okma: U heeft gelijk, er wordt hier geen waarheid gesproken door de heren van de politie!

Requisitoir.

Mr. Lazonder begint met te vragen: Waarom alleen deze beide verdachten en waarom ook niet getuige Hafma? Dat is, doordat ik nog niet voldoende inzicht in de gang van zaken had en niet de vraag kon beantwoorden of Halma ook schuldig was. Ik wilde het van de loop van deze zitting laten afhangen wat er meer zal gebeuren. Ik heb nu wel een bepaalde mening en zal dat wel nader uitdrukken. Uw collega zal ook wel een bepaalde mening hebben gekregen en daar zeker gevolgen van verwachten. Wat de feitelijke gang van zaken betreft, die is wel duidelijk. Ook wanneer verdachten zenuwachtig en angstig geweest zijn, dan moeten ze toch verantwoordelijk worden geacht.
Eis tegen leder hunner: 6 jaar gevangenisstraf.

Verdediging.

Mr. Stoop voerde aan, dat hij een andere appreciatie van de feiten en omstandigheden heeft dan de Procureur-Fiscaal. De opdracht was van zeer pertinente aard en de S.D. schijnt over exacte gegevens te hebben beschikt. Een schijnvertoning was hier uitgesloten. De jongsten hadden hier de steun moeten hebben van de "oude rotten". Pleiter viel hierna de dagvaarding aan, die tegenstrijdigheden bevat en deswege nietig is. Mocht wel een veroordeling volgen, dan zal men een veel lichtere straf moeten geven. Mr. Vis viel eveneens de dagvaarding op juridische gronden aan. Na re- en dupliek werd de uitspraak bepaald op 15 Juli.

In dit huis naast de Geref. kerk, woonde de wed. B. Frankema-Slump. De kerk is afgebrand in 1954.

Om Lemsterlands burgemeester.

Burgemeester Krijger.

Een allen bevredigende oplossing was bij voorbaat uitgesloten. In het voorlopig verslag der Eerste Kamer betreffende de begroting van Binnenlandse Zaken is de vraag gesteld of het juist is dat de burgemeester van Lemsterland tot een voorwaardelijke gevangenisstraf werd veroordeeld omdat hij medewerking heeft verleend aan het arresteren van enige Joden.

In de Memorie van Antwoord beantwoordt de minister deze vraag bevestigend. Hij voegt daaraan toe dat de houding van de betreffende burgemeester in de bezettingstijd in het algemeen goed is geweest. (door het in functie blijven van Burgermeester Krijger tijdens de oorlog werd voorkomen dat het dorp een NSB-er aan het hoofd kreeg. Bovendien zou hij geweten hebben dat in het gemeentekantoor Joden waren ondergebracht. Hij bracht namelijk zelf de nacht ook wel door in het kantoor als hij vreesde dat de Duitsers een appeltje met hem te schillen hadden. Deze mensen heeft hij nooit aangegeven, zo was destijds het verweer tegen het feit dat Krijger een dubieuze rol zou hebben gespeeld tijdens de periode 1940-1945. Ook regelde hij voor mensen binnen de gemeente die tewerk gesteld zouden worden in Duitsland, passen, zodat zij niet weg hoefden. Hij deed dit zo zorgvuldig dat ook hun gegevens in het gemeentelijk archief werden veranderd. De Duitsers konden daarmee checken wat ze wilden, maar vingen altijd bot).

Weliswaar is gebleken dat hij een van de Duitse Sicherheitsdienst te ’s Gravenhage ontvangen telefonische opdracht bestemd voor het plaatselijk hoofd van politie om enige Joden die te Echtenerbrug waren ondergedoken te arresteren, aan bedoeld hoofd heeft doorgegeven zonder die Joden te (doen) waarschuwen een feit waarover ’s ministers ambtsvoorganger de burgemeester reeds zijn afkeuring had kenbaar gemaakt, doch hiertegenover stond dat deze burgemeester tegen de bezetter een principieel afwijzende houding heeft aangenomen en ook naar het oordeel van de adviserende zuiveringsinstanties vele daden heeft verricht die getuigden van een goedvaderlandse gezindheid.

Het Centraal Orgaan voor de zuivering van het overheidspersoneel en de commissie van advies inzake het Zuiveringsbesluit 1945 waren van mening dat tegen deze functionaris geen zuiveringsmaatregel maatregel diende te worden genomen en dat hij als burgemeester van Lemsterland behoorde te worden gehandhaafd. Nadat de minister uit met de Commissaris der Koningin in Friesland gepleegd overleg was gebleken dat er ook overigens geen redenen waren die zich tegen die handhaving van deze burgemeester verzetten heeft hij diens herbenoeming bevorderd Dat dit bij sommigen in Friesland pijnlijke verbazing zou hebben gewekt is niet uitgesloten aan een tegenovergestelde beslissing zouden anderen zich echter zonder twijfel evenzeer zeer hebben gestoten Een allen bevredigende beslissing was in deze bij voorbaat uitgesloten.

4 december 1957: _Burgemeester Krijger door auto-ongeluk gedood.

Vannacht omstreeks kwart over twaalf is burgemeester mr. M. Krijger, van Lemsterland op de rijksweg Sneek-Lemmer onder Follega ter hoogte van de weg naar Oosterzee met zijn auto tegen een boom gereden. De burgemeester die alleen in de auto zat en terugkeerde van een vergadering in Leeuwarden kwam daarbij om het leven. Mr. Krijger was 53 jaar oud hij was gehuwd en had geen kinderen. De juiste toedracht van het ongeluk is tot nu toe niet bekend er waren namelijk geen getuigen. De politie heeft vast kunnen stellen, dat op de plaats waar het ongeluk is gebeurd het wegdek niet glad was door bevriezing. Dat was wel het geval vijftig meter vóór de plaats waar burgemeester Krijger, tegen een boom is gebotst. Het ongeluk in Follega wekt herinneringen op aan het ongeluk dat de voorganger van mr. Krijger, burgemeester J. H. Slump, in december 1934 het leven kostte. Deze reed eveneens door slippen in Scharnegoutum tegen een boom.

4e van links is Jan Harms Slump, geboren op 17 maart 1880, overleden op 10 december 1934, 54 jaar oud. Beroepen: vervener, riethandelaar en burgemeester van Lemmer.