IJzeren visaken uit De Lemmer

Door: Dirk Huizinga

IJzeren schepen werden in 1900 geheel anders gebouwd dan houten. Niet met mallen “op het oog”, maar noodzakelijk vanaf tekening, waarbij vooral de opzet van het spantenplan belangrijk was. Bij houten schepen werden de leggers en krommers achteraf in de huid aangebracht, terwijl bij ijzeren schepen de huidplaten om de reeds gestelde en strokende spanten werden gebogen. Werven die de overstap maakten van hout naar ijzer, moesten dus ook leren schepen te ontwerpen op papier, met lijnenplannen en constructietekeningen die leesbaar waren voor de ijzerwerkers op de werkvloer. De ontwerpen van met name Hendrik de Boer vielen bij de vissers in De Lemmer in de smaak. Hij gaf zijn schepen een karakteristieke mix mee van sierlijkheid, spirit en functionaliteit.

De scheepswerf De Boer in De Lemmer komt daarom de eer toe dat zijn ontwerpen beeldbepalend zijn geworden voor het scheepstype Lemsteraak. Huitema merkte terecht op, dat er op vele werven in Friesland visaakjes werden gebouwd en dat op de werven van Croles, Bos, De Boer, Van der Zee en Zwolsman naast binnenaakjes ook botaken zijn gebouwd voor de Zuiderzee. ‘Maar Pier de Boer en zijn zonen bouwden verreweg de meeste en zij hebben aan dit scheepstype geleidelijk de lijnen en vormen gegeven die we daaraan zo zeer bewonderen.’ (Huitema, 1982, p. 224)

Als we spreken over Lemsteraken, denken we daarom in de eerste plaats aan aken van de Gebroeders de Boer uit De Lemmer. Toch doet die beeldvorming mijns inziens vooral onrecht aan de verdiensten van J.J. Bos uit Echtenerbrug, die immers rond het jaar 1900 fraaie ijzeren aken bouwde, zoals de LE 15, de LE 21, de LE 41, de LE 47, de LE 64. Allemaal aken die ook nu nog in de vaart zijn als originele Lemster visaken en die niet minder fraai ogen dan de visaken van de Gebroeders De Boer. Van de LE 50 is zelfs jaren gedacht dat dit een Bos-aak was. De verschillen tussen de aken van Bos en van De Boer waren niet zo groot. De scheepswerf in De Lemmer ging echter veel langer door met de bouw van ijzeren aken dan de concurrentie.

De Gebroeders de Boer bouwden tot 1914 visaken en daarna bleven ze vrachtschepen bouwen tot 1925. De laatste Lemster visaak gleed in 1913 van de helling. Daarna brak de Eerste Wereldoorlog uit. Nederland bleef weliswaar neutraal, maar de toestand in Europa liet de economie van Nederland niet onberoerd. Halverwege de oorlog, in 1916, was er de Zuiderzeeramp waarbij grote schade werd aangericht in Zuiderzeehavens door de storm en overstromingen. Deze ramp was aanleiding voor het parlement om in 1918 in te stemmen met het plan om de Zuiderzee af te sluiten en in te polderen. Dat perspectief leidde ertoe dat er niet meer geïnvesteerd werd in de Zuiderzeevisserij. Na de Eerste Wereldoorlog was de nieuwbouw van visaken in De Lemmer daarom voorbij.

Wel werd tot 1930 bij de Gebroeders De Boer nog regelmatig een groot Lemsteraakjacht te water gelaten. In Echtenerbrug liep het bij Bos allemaal wat anders. Bos bouwde al na 1902 geen aken meer en hield er als werfbaas in 1910 mee op. De werfbaas leed aan alcoholisme, wat het werk op de werf niet ten goede kwam.
De invloed van de Gebroeders de Boer op de beeldvorming rond de ontwikkeling van de ‘Lemsteraak’ kon mede om die redenen zo groot worden. Daarnaast moeten we vanuit de voorgeschiedenis de invloed niet uitvlakken die Eeltje Holtrop van der Zee uit Joure heeft gehad op de ontwikkeling van het Lemsteraakmodel. Hij bouwde in hout tientallen fraai gelijnde aken tussen de 6 en de 12 meter., waarvan slechts een enkele de tijd heeft doorstaan. De beroemde werfbaas uit Joure was echter het voorbeeld en vaak ook de leermeester voor, resp. van de andere akenbouwers in Friesland. Van Pier de Boer is bekend, dat hij bij zijn vorming als scheepstimmerman direct be nvloed is door Eeltje Holtrop van der Zee.

Een aantal van die visaken van De Boer is nu nog in de vaart als Lemsteraakjacht. Opvallend veel van die aken zijn behouden gebleven (of later teruggebracht) in de originele staat van visserman. Andere visaken zijn verbouwd tot relatief ruime en goed zeilende jachten, waarbij de vorm van het oorspronkelijke casco vrijwel niet aangetast werd. Ook zijn er van oorsprong originele aken die als jacht zo grondig gerestaureerd zijn, dat ze er als nieuw uitzien en die dat natuurlijk ook zijn. Het is eigenlijk niet vanzelfsprekend dat zo’n geheel vernieuwd jacht, dat niet meer geklonken is van staalijzer, maar gelast van moderne staalplaat, waar dus geen klinknagel meer in te vinden is, hetzelfde schip is als waar honderd jaar geleden mee werd gevist..

Dit overzicht van De Boer-aken is niet bedoeld als een overzicht van alle ijzeren aken die ooit door De Boer zijn gebouwd. Het is ook niet het overzicht van alle nog bestaande ijzeren aken van De Boer. In dit overzicht wordt aan de hand van enkele concrete voorbeelden een indruk gegeven van al die aken van weleer. Door nog bestaande aken als uitgangspunt te nemen, wordt tevens ge llustreerd op welke verschillende manieren voormalige visaken uit De Lemmer door latere eigenaren gebruikt zijn als jacht. Hebben zij de oorspronkelijke vorm van hun schip gekoesterd en geprobeerd te behouden, of hebben de nieuwe eigenaren de voormalige visaken verbouwd tot jacht of zelfs geheel aangepast aan de ‘eisen’ van deze tijd?

Opmerkelijk bij de in beeld gebrachte aken is, dat de visaken van weleer niet bijzonder groot waren. De Lemster vissers hadden ook geen behoefte aan heel grote schepen. Die vonden zij niet handzaam genoeg. Vissers gaven de voorkeur aan aken van ongeveer 10 tot 13 meter lengte. De paar visaken van bijna 15 meter vonden ze voor de visserij op de Zuiderzee onpraktisch. Gemiddeld genomen waren de aken net ietsje kleiner dan de meeste Zuiderzeebotters, gemeten over de stevens. Aan binnenruimte deed de kleinere ijzeren aak echter niet onder voor de houten botter, waarin door de dikke, massieve inhouten immers veel ruimte verloren ging.

Van de staalijzeren visaken van De Boer zijn ruim honderd jaren later nog een aantal in de vaart als Lemsteraak (jacht). Van die groep ‘overlevers’ geven we de volgende voorbeelden, in chronologische volgorde.

De Lemmer. Visaken voor onderhoud op de dwarshelling van de Gebroeders De Boer. (Foto: Spanvis)

De Lemmer, de ijzerwerf van de Gebroeders de Boer uit 1901. De schuur is gebouwd in 1902, om en over drie in aanbouw zijnde schepen heen. De families De Boer woonden in de huisjes bij de loods aan de Zeedijk. Aan de oostzijde van de schuur, rechts dus, de plek voor de nieuwbouw aan de rand van het rechter hellinggat. Op dit moment geven de twee hellinggaten in de zuidoever van de Rien aan, waartussen voorheen de scheepswerf stond.

De Lemmer, de houtwerf uit 1876 van Pier Klazes de Boer aan de zuidkant van de Rien, tegen de zeedijk aan. Hier zijn in 1899 tevens de eerste ijzeren Lemsteraken van De Boer gebouwd.

Lemmer, met op de voorgrond het nieuwe postkantoor. Op de achtergrond de bedrijvigheid langs de Rien, tegen de zeedijk aan. Helemaal rechts, op het einde van Vissersburen in de bocht met de Rien de spuisluis. Dan de gebouwen van mastenmaker De Vries en zeilmaker De Vries aan de Polderdijk, in het midden de houthandel (met molen) van Van Sleeswijk en helemaal links de dubbele schuur van de scheepswerf Gebroeders De Boer. Nog verder naar het oosten, maar niet zichtbaar, de houtwerf van Pier de Boer, waar nu jachtwerf Hummel is gevestigd.

Visaak De Eersteling LE 28

Geschiedenis

De eerste ijzeren aak die Pier de Boer bouwde, was voor hem een experiment. Een ijzeren schip bouwen was voor hem heel iets anders dan een houten aak bouwen volgens de traditionele methode. Zijn eerste aak kwam er daarom wat apart uit te zien, met als resultaat dat opdrachtgever Steven Visser het schip niet wilde hebben. De aak had volgens hem te veel kop en te weinig kont. Achter lag het schip daarom te diep. De zwaardklampen raakten het water, wat zou zorgen voor een onderhoudsprobleem en het berghout liep niet helemaal in lijn. Op de hoogte van de kop van het zwaard zat er namelijk een knikje in het berghout.

Bouwen in ijzer was voor Pier de Boer nieuw en moest geleerd worden. Met de klinktechniek kon men geen doosconstructie maken, wat een probleem was bij het maken van de stevens en het berghout . Wel was er met behulp van hoekijzers een Uprofiel te maken, maar die bouwwijze was bewerkelijk en in de vorm van een berghout bovendien niet eenvoudig te maken. De stevens werden bij de werven van Bos en De Boer daarom opgezet als twee platen die met hoekijzers tegen de romp werden geklonken. Daarna werd de ruimte tussen de platen opgevuld met eikenhout. Bij het berghout ging het net eender. Twee parallel lopende stroken ijzer werden met een hoekprofiel aan de romp geklonken en de tussenliggende ruimte werd met een eikenhouten berghout opgevuld.

De opdrachtgever, Grutte Steven, keurde het eerste ijzeren schip van Pier de Boer echter af. Hij had zich een andere voorstelling van zijn nieuwe aak gemaakt. De aak was ook veel te zwaar, met huidplaten van 7 mm. Staal. Het was vervolgens Willem van der Bijl uit De Lemmer die de aak kocht en ermee ging vissen met visserijteken LE 28. “Bleke Willem” was van afkomst binnenvisser uit Idskenhuizen. In De Lemmer woonde hij met zijn gezin in het Achterom, zoals zo vele vissers, tussen de Vissersburen en de Schans in, ten oosten van de Binnenhaven

In 1933 hield Wim v.d. Bijl de visserij voor gezien. Zijn zoon Abe nam de aak over en ging ermee vissen vanuit Makkum, samen met G. Mulder en J. Poepjes. Het schip kreeg visserijnummer WON 10. Twee jaren later namen de broers Rein en Iege Blom uit Hindeloopen de aak over. Ze visten ermee op het IJsselmeer onder nummer HI 8. In 1948 stapten de gebroeders Blom over op een motorkotter. De aak werd verkocht aan Klaas van der Meulen en Hans van Dijk in Stavoren. Die visten onder nummer ST 10. Nog hetzelfde jaar verwisselden de schepen van Schilder (VD 8) en Van Dijk (ST 10) van eigenaar. Van Dijk ging vissen met de Marker rondbouw van Schilder en deze met de aak van Van Dijk. Jaap Schilder moest fl. 2100,- bijbetalen. Opmerkelijk, want de aak was zeker veertig jaren ouder dan de rondbouw. In 1955 moest Jaap Schilder stoppen met de visserij vanwege zijn slechte gezondheid. Hij verkocht de aak aan Jan Kroon, die ermee viste onder nummer VD 4.
Twee jaren later werd het schip verkocht aan C. Kaars, een scheepsmakelaar in Monnickendam, die de aak te koop zette voor de recreatievaart. Het was het jaar dat er veel geschreven werd over het Lemsteraakjacht ‘De Groene Draeck’, dat gebouwd werd voor HKH Prinses Beatrix. Kaars laat daarom een advertentie plaatsen in de Telegraaf: ‘Te koop aangeboden: een Lemsteraak, gebouwd door De Boer in Lemmer als ‘Groene Draeck’. Het resultaat was een enorme belangstelling van potentiële kopers.

Fred Spaulding, een scheepsarchitect uit Dunbar, had ‘De Groene Draeck’ tijdens de bouw mogen bezichtigen. Hij verwachtte niet veel goeds van de zeileigenschappen van een dergelijk schip, maar toen hij er een proeftocht mee mocht maken, werd hij zo enthousiast, dat hij zich meteen een Lemsteraak aanschafte. Dat werd de Catharina (VD 4) die in Monnickendam te koop lag. Hij liet de aak in Amsterdam op de werf ‘Westhaven’ wel wat moderniseren. Het schip werd voorzien van een midzwaard, een torentuig, een preekstoel en een roer met ophaalbaar roerblad. Zaken waar mensen vertrouwd mee waren die op scherpe jachten voeren.

Uiteindelijk werden alle aanpassingen aan het schip de eigenaar financieel wat te veel. Spaulding ging failliet en de aak werd verkocht in 1962 aan de werf Westhaven, die de aak doorverkocht aan Driessen uit Veghel. De aak heette nu ‘Dorien’ en werd door de nieuwe eigenaar voorzien van een normaal grootzeil voor een Lemsteraak. Vijf jaren later kwam het jacht in bezit van H. Snijder uit Ede, die de aak onder leiding van de scheepsarchitect H. Lunstroo terug liet brengen in de originele staat. (Bron: Huitema, 1982, p. 241)

Hindeloopen, winter 1941/1942. Rechts vooraan de HI 8 van Blom, ontdaan van zeiltuig vanwege de winter. (Foto: Museum Hindeloopen).

Stavoren,1948. De ST 10 van Van Dijk in de pas gerenoveerde vissershaven. Nog hetzelfde jaar verruilt Van Dijk de aak met de Marker rondbouw VD 4 van Schilder uit Volendam. (Foto: collectie Jan van Dijk) In 1948 is de aak een motorschip geworden met steunzeil. Door het ontbreken van het zwaard is de knik in het berghout goed te zien. De zwaardklampen, die ook verwijderd zijn, lagen bij deze eerste ijzeren aak van De Boer in het water. Het schip was te zwaar. Vanwege de iets mislukte vormgeving met die te hoge kop en de te smalle kont wilde de opdrachtgever Steven Visser het schip in 1900 niet aanvaarden. Het was Willem van der Bijl die de aak vervolgens overnam en er meer dan 30 jaren mee bleef vissen onder visserijteken LE 28.

De Eersteling uit 1900. Lijnenplan, gereconstrueerd door H. Lunstroo. Opvallend zijn de hoge kop, de diepe zeeg en de smalle kont. Het lijkt wel een botter met een ronde kop. (Bron: Huitema, 1982, p. 240)

Dit eerste schip van Pier de Boer was bijzonder zwaar gebouwd. De aak werd door vissers niet mooi gevonden, maar wel gewaardeerd vanwege het onverwoestbare casco. Ook meende men dat de aak met z’n hoge kop zeer zeewaardig was. De LE 28 werd daarom meer dan eens ingezet bij pogingen in nood verkerende schepen op de Zuiderzee voor de Lemmer veilig te helpen de haven te bereiken. Dat was ook na de afsluiting van de zee soms nodig. Toen de gebroeders Blom vanuit Hindeloopen met de aak visten, was het in 1938 raak. ‘In 1938 werd nog eens een reddingsactie ondernomen vanuit Hindeloopen en de bemanning van de tjalk ‘Morgenstond’ (man, vrouw, 6 kinderen en een hond) in veiligheid gebracht. In 1940 (werd het schip) door de Duitsers gevorderd, maar na 19 dagen teruggegeven. Tijdens de bezettingsjaren ging het kuilvissen door, meestal ’s nachts en daardoor vaak met onderduikers aan boord, die overdag weg moesten wezen.’ (Huitema, 1982, p. 241)

Lemmer, 1932. De LE 28: overhalen van de vis van de vlet naar de aak. Vlnr.: Abe van der Bijl (zoon van Willem) Siebolt van de Tuin (kleinzoon van Arend, een broer van Willem), Siebolt van der Bijl (zoon van Arend) en geheel rechts Willem van der Bijl. (Foto: collectie D.v.Dijk, info: spanvis).

1957 - C. Kaars - Monnickendam

1957 - F. Spaulding - Dunbar, USA  

1962 - Dorien J.M. Driessen - Veghel

1967 - Almere H.S. Snijder - Ede

1978 - Vrouwe Jacobine T. Kruis - Zevenbergen

1987 - Eersteling LE 28 K. Stilleboer - Lemmer

1991 - Eersteling LE 28 I. Jansen - Leer (Dld)  

1997 - Eersteling LE 28 - E.J. de Knecht Jonker - Giessen-Oudekerk

2000 - Eersteling LE 28 - G.Th. Coers-Schl mann - Hoornaar

Hindeloopen, jaren dertig, met de HI 8 van Blom. (Foto: Museum Hindeloopen)

De Lemmer, 2016. De aak is in 1990 geheel opgeknapt bij Blom in Hindeloopen. Het berghout is omhoog gebracht, zodat de lijn vloeiender loopt en de zwaardklamp niet meer in het water hangt. (Foto: Dirk Huizinga)

Visaak LE 74 ’t Kan Verkeren

Bouwjaar: 1900
Werf: Pier de Boer te Lemmer
Ontwerper: Dirk de Boer
Opdrachtgever: Steven Visser
Afmetingen: Lengte 11.40 meter - Breedte 4.20 meter

Geschiedenis van de aak:

Steven Visser wilde de eerste aak van Pier de Boer niet aanvaarden en werd daarmee de opdrachtgever voor de tweede ijzeren aak die De Boer bouwde. Dat schip viel wel in de smaak van Grutte Steven. Deze visser verdiende z’n bijnaam aan z’n postuur en z’n kracht. Er werd gezegd dat hij als enige Zuiderzeevisser in staat was in zijn aak beide zwaarden tegelijk in z’n eentje op te halen. Ondanks die kwaliteiten stond hij bekend als een wat zwaarmoedig mens. Helaas gleed de aak bij de tewaterlating in 1900 van de hellingwagen. Er was enige schade en de vingerlingen van het roer braken af. Vanwege de reparatie die nodig was, werd het schip pas in 1901 voor de Zuiderzeevisserij ingeschreven bij de gemeente Lemsterland onder visserijteken LE 74. Steven Visser bleef ermee vissen tot 1947. Zijn zoons Frans en Steven namen de visserij in 1947 over en gingen met de LE 74 door tot 1959. Dat jaar werd de aak verkocht aan een particulier voor de recreatie.

Ook met de LE 74 werden reddingen verricht tijdens stormweer op de Zuiderzee. Frans Visser, de zoon van Steven, wist zich zo’n actie te herinneren: “In 1906 heeft mijn vader met nog zes vissersknechten vijf mensen gered met de schuit, bij een zware septemberstorm. Vader was vroeg in ’t donker op de haven, toen hij vuurpijlen zag afschieten. Hij ging andere vissers kloppen en zorgvuldig de schuit voorbereiden. Gereefd en onder halve fok gingen ze met de grote haringvlet erachter aan, zeewaarts. Na anderhalf uur zeilen vonden ze van het wrak van de stoomboot Leeuwarden II nog het topje van de mast, drie meter boven water, met vijf mensen erin. Er stond toen nog geen motor in de aak. Ze zijn boven het wrak ten anker gegaan en hebben toen de vlet boven het schip laten vieren en zodoende mochten ze het genoegen beleven de vijf mensen te redden.” (Bron: Huitema, 1982, p. 243)

Foto: collectie Dick van Dijk, Lemmer

Recreatie

1959 – 2022 - ’t Kan Verkeren’ LE 74  - Frans Schreuder,  Bloemendaal - Frans Schreuder, Eelderwolde

2022 – heden - De vijf Gebroeders LE 74 - Steven Visser,  De Lemmer

In 1959 ging werd de aak verkocht. Het schip ging over naar de recreatie. De nieuwe eigenaar, Frans Schreuder uit Bloemendaal, was ingenomen met dit aakje, dat er na bijna 60 jaar visserij nog perfect uitzag. Zo fraai, dat besloten werd het scheepje niet aan te passen voor de recreatieve bestemming, maar het in originele staat te behouden. Na een halve eeuw van zorgvuldig behoud heeft deze aak een cultuurhistorische waarde gekregen en wordt ze door velen bewonderd als exemplarisch monumentje van een originele Lemster visaak. Toen het zeilen met de aak ook voor Frans Schreuder jr. te zwaar werd, kwam het schip in de verkoop en… werd in 2022 gekocht door de achterkleinzoon van Steven Visser: de vierde ‘Steven Visser’ op rij uit De Lemmer.

De LE 74 (’t kan verkeren’) van Frans Schreuder is regelmatig aanwezig bij maritieme evenementen en visserijdagen waar originele vissersschepen van de Zuiderzee bewonderd kunnen worden.

Visaak LE 50 Presto

Bouw: Sjoerdje Visser 1901
Ontwerp: Dirk de Boer
Opdrachtgever: Johannes Sterk (naam van de aak: Dolphijn, LE 17)
Huurder van de visaak: Sake Visser (1901-1913)
Afmetingen: Lengte: 11.20 m. Breedte: 4.06 m. Diepgang: 0.80 m.

Geschiedenis van de aak:

Aanvankelijk was het onduidelijk bij wie deze aak was gebouwd, bij Bos of De Boer. In de werfboeken van De Gebroeders de Boer wordt bij het bestek van de LE 6 echter verwezen naar dat van de LE 17 van Sake Visser. De LE 17 was dus een De Boer-aak die eerder dan de LE 6, dus in 1901, gebouwd was. Bij Sjoerdje Visser, want de twee aken van Pier zijn bekend. De hangbaas Johannes Sterk liet in 1901 bij haar een visaak bouwen, die de naam ‘Dolphijn’ kreeg. Johannes Sterk verhuurde de aak aan Sake Visser (1857-1944), een wat opvliegende man met ogen die vuur konden spuwen. Het schip werd bij de gemeente Lemsterland geregistreerd onder visserijnummer LE 17. Sake viste met de Dolphijn van 1901 tot 1913. Dat jaar kocht Lubbert Coehoorn de aak, die nu geregistreerd werd onder nummer LE 3. Sake kocht een spekbak, de LE 13, met de naam ‘De vrije Rus’. Vrij, omdat er geen schuld op rustte. Sake kreeg daarna de bijnaam ‘Sake de Rus’.

Lubbert gaf zijn aak de naam ‘Presto’. Hij viste ermee van 1913 tot 1946. Lubbert was muzikaal en zat in de muziek. Hij speelde trompet bij ‘Excelsior’. Er waren in De Lemmer overigens veel muzikale vissers. Coehoorn gebruikte een Italiaanse tempoaanduiding voor muziek, ‘presto’ (= snel), als naam voor z’n schip. Jilling Coehoorn, de zoon van Lubbert, heeft met de ‘Presto’ diverse wedstrijden gezeild. Uiteraard zo ‘snel’ mogelijk. Voor de wedstrijd werd de aak daartoe eerst gehellingd, onder water schoon geschrobd, glad gemaakt met potlood (grafiet) en optimaal voor de wedstrijd klaar gemaakt.

In 1946 werd de aak overgenomen door de gebroeders Pieter en Jan Poorting. Oorspronkelijk was hun familienaam Poepjes, maar in de loop der jaren hebben veel Poepjesen hun achternaam laten veranderen. Voor Jan en Pieter werd het Poorting. Maar er zijn ook Ploegma’s, Palmers en Lemsma’s die oorspronkelijk Poepjes heetten. Deze twee broers lieten het schip registreren als LE 50. Dat eerste jaar wonnen ze met de LE 50 meteen de jaarlijkse wedstrijd voor visaken bij De Lemmer. Hun broer Lolle werkte mee aan boord. De gebroeders Pieter, Jan en Lolle bleven ermee vissen tot 1974. Zij waren in 1937 vanuit Sloten naar De Lemmer gegaan om aal te vangen. In Sloten was hun vader Poepjes aalvisser op het binnenwater. Toen deze in 1950 overleed, ging Lolle Poepjes terug naar Sloten om het bedrijf van z’n vader voort te zetten. Hij woonde naast de Lemsterpoort. Door zijn visschuit, de Marker rondbouw SLO 3, en de vele fuiken die langs het water te drogen hingen, kon zijn aanwezigheid niemand ontgaan. Pieter en Jan visten daarna met z’n tweeën op aal op het IJsselmeer.

De LE 50 met de SLO 3 zij aan zij op het IJsselmeer. (Foto: collectie Dick van Dijk, Lemmer)

(Foto’s: collectie Dick van Dijk, Lemmer)

Toen de gebroeders Poorting in 1974 met pensioen gingen, kwam de LE 50 te koop. Het schip ging over naar de pleziervaart. Voor de visserij was het te klein en qua inrichting ongeschikt geworden. Fred Kroon uit Hillegom, een jonge violist uit het Noord-Hollands Philharmonisch Orkest, kocht de aak en hield het schip tot 1996. Dat was vrij bijzonder, want veel vissersschepen die overgingen naar de recreatie kregen in korte tijd vele verschillende eigenaren, wat meestal niet gunstig was voor het behoud van een klassieke aak.

In 1996 nam de Stichting De Lemster Vuurtoren de aak over van de familie Kroon en knapte de aak op. Op dit moment, in 2012, zal de ‘Presto’ nogmaals een grote opknapbeurt ondergaan. De tijd dat Fred Kroon en Annette Kroon-Brekelmans de nog origineel gebleven visaak hadden voor de recreatie, van 1974 tot 1996, is exemplarisch voor een periode dat jonge mensen zich met veel enthousiasme een oud vissersschip aanschaften en dit schip opknapten om ermee te zeilen op een manier die leek op die van de vroegere visserijtijd. Exemplarisch, omdat het erop lijkt dat die activiteiten kenmerkend zijn voor één naoorlogse generatie van jonge mensen.

De Lemmer, ca. 1950. In de aak de gebroeders Pieter en Jan Poorting in de LE 50. (Foto: Spanvis)

Toen de zeilende Zuiderzeevisserij voorbij was en de markante vissersschepen in de haventjes stil lagen te wachten op hun einde, waren er ‘plotseling’ jonge mensen die jarenlang met veel idealisme al hun pas verdiende geld besteedden aan de aankoop en het opknappen van deze schepen. Dankzij die initiatieven zijn er nog houten botters bewaard gebleven, is de Vereniging Botterbehoud opgericht, werden de eerste tjalken en klippers omgebouwd voor de chartervaart en waren er vele liefhebbers die op eigen initiatief kleinere of grotere ijzeren en houten werkscheepjes van de ondergang wisten te redden. Vrijwel steeds waren het jonge mensen die jarenlang al hun geld en vrijetijd stopten in werk aan het schip. Op dit moment lijkt dat praktisch idealisme bij de jongere generatie om veel geld en energie te stoppen in de restauratie van een oud werkschip of een klassiek jacht om er vervolgens zelf mee te kunnen zeilen, niet langer gemeengoed te zijn. Des te meer reden om stil te staan bij die naoorlogse decennia dat jonge lieden vanuit achtergronden die vaak niet verbonden waren met de visserij of de scheepvaart, ervoor zorgden dat we op dit moment de voormalige vissersschepen van de Zuiderzee nog kunnen zien varen.

Het feit dat Fred Kroon professioneel violist was, maakt alles nog extra opmerkelijk. Een violist moet immers voorzichtig zijn ‘met zijn handen’. Wat zwaarder lichamelijk werk dat schouders, armen en handen belast, belemmert de fijne motoriek die nodig is voor vioolspel. Het is kenmerkend voor de jaren zeventig, dat deze mensen desondanks de klus klaarden. Zijn echtgenote Annette Brekelmans vertelt: “Mijn man, Fred Kroon, kwam al jaren bij de familie Poepjes en had zijn zinnen gezet op de aak. Toen het bericht kwam dat ze met de visserij stopten en de aak gingen verkopen, werd het nog lastig om de aak in handen te krijgen, want ook het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen was geïnteresseerd. Maar het is gelukt en zo werd ons huwelijksreisje in april 1974 een koude vaartocht van Lemmer naar Hoorn. In Hoorn zijn de eerste Werkzaamheden uitgevoerd: nieuwe strijkklampen, zwaarden en luiken. De eerste jaren heeft Fred wel eens met handen waar de teer niet meer af te krijgen was, op het podium gezeten. In het tweede jaar, toen de aak op de helling ging in Monnikendam, was Fred nog niet zo op de hoogte van de gevolgen van teren bij warm weer. Een brilletje op en goed insmeren bleek toch echt niet voldoende. ’s Avonds zat hij met rode ogen waar de tranen uitstroomden in het Haarlems Concertgebouw te spelen. Onvergetelijke gebeurtenissen.” (Bron: Spanvis)

Belangrijk is, dat Fred en Annette Kroon, die de aak 22 jaar in bezit hadden, steeds geprobeerd hebben het schip in originele staat te behouden. Dat betekende in de praktijk veel werk, want steeds was het zoeken naar passende materialen en passende oplossingen. Het gebeurde in een periode dat oud-vissers hen nog met raad en daad ter zijde stonden, wat het werk aan het schip vaak extra interessant maakte. Het resultaat mocht er uiteindelijk ook wezen, maar niet vergeten moet worden, dat het opknappen van zo’n aak niet louter een middel was om dat resultaat te bereiken.

Zeker achteraf was het een werkproces, een bezigheid, dat behalve zorgen ook veel plezier opleverde en al doende een inzicht en kennis in de constructie en het gebruik van dergelijke vissersschepen deed ontstaan die nooit met een boekenstudie gerealiseerd konden worden. Na afloop kende de schipper alle hoeken en gaten van zijn schip op een wijze die onvergelijkbaar was met de manier waarop een ‘gewone’ zeiler zijn schip kende.

Stavoren, 1974. De LE 50 in de vissershaven, zoals Fred Kroon het schip had gekocht van de familie Poorting.

De Lemmer. Auke Coehoorn is bezig met de finishing touch. Het schip is klaar voor haar representatieve functie voor de Stichting De Lemster Vuurtoren. (Foto’s: Spanvis)

Rechts: De LE 50 heeft nog steeds in het vooronder het gietijzeren vuurduiveltje, waar de vissers op kookten.

Lemmer, 2001. Het honderdjarig bestaan van de LE 50 werd gevierd in de binnenhaven, bij de firma Sterk. Johannes Sterk was in 1901 de opdrachtgever voor de bouw van de aak. (Foto: Spanvis)

In 1996 nam de Stichting Lemster Vuurtoren de aak over en zij liet het schip restaureren. De Stichting exploiteert deze originele aak door er rondvaarten mee te houden. In 2012 is de aak opnieuw gerestaureerd bij de werf van Iege Blom in Hindeloopen. (Foto: Hielke Roelevink)

Foto’s collectie Spanvis/Hielke Roelevink

Visaak LE 12

Naam: De Hoop
Opdrachtgever: Johannes H. Visser, Lemmer
Bouw: Gebroeders De Boer, 1902
Afmetingen: Lengte: 12.85 meter. Breedte: 4.40 meter. Diepgang: 1.05 meter.

Geschiedenis van de aak

In het voorjaar van 1902 werd de visaak ‘De Hoop’ geleverd aan Johannes Visser uit Lemmer (‘Johannes van Antje’), die in 1874 in Balk was geboren. Toen hij 18 jaren oud was, trok hij zonder een cent op zak naar Lemmer, waar hij een bootje leende om mee te kunnen vissen op de Zuiderzee. Johannes was een bekwaam visser, die zijn winsten opspaarde, zodat hij in 1902 een staalijzeren aak kon laten bouwen. Het schip werd gebouwd bij de Gebroeders De Boer, die nog maar een jaar zelfstandig waren. Nog bij de oude houtwerf van Pier de Boer. In het najaar van 1902 werd naast de oude werf de grote schuur gebouwd voor de nieuwe ijzerwerf van de Gebroeders De Boer. Om en over de schepen die toen op het werfterrein in aanbouw waren. Over de visaak ‘De Eersteling’ (de eerste uit de nieuwe werfschuur), het tjalkje ‘De Vrouw Imkje’ en de visaak ‘Drie Gebroeders’ van A. Bakker.

De LE 12 als visaak voor de haveningang van Lemmer.

De 45-voets aak LE 12 van Visser werd wat breder gebouwd dan de eerdere visaken van De Boer. De relatief stompe kop heeft daardoor iets ‘boeierachtigs’. Het schip stond bekend als een snelle zeiler die veel wind kon hebben. De aak werd daarom ook gebruikt als jager, om gevangen vis snel thuis te brengen. De ingang van de haven van De Lemmer stond bij vissers bekend als lastig om in te laveren. Joh. Visser liep een keer vast op de dam en verloor daarbij zijn roer. In 1940 namen de Duitsers de aak in beslag, maar in 1945, na de oorlog kreeg de familie Visser het schip weer terug. Datzelfde jaar won Visser met de LE 12 de eerste prijs bij de eerste hardzeilerij voor De Lemmer na de oorlog. Johannes Visser overleed in 1951, op 77 jarige leeftijd. Hij viste tot 1947, ondanks zijn slechte gezichtsvermogen. ‘Half blind’ zeiden z’n collega’s. Tot 1932 werd met de LE 12 vooral met kuilnetten gevist op haring en ansjovis. Na de afsluiting van de Zuiderzee werd met de kuil op aal gevist.

In 1955 werd de aak verkocht ‘voor de recreatie’. De verbouwing tot jacht vond plaats op het werfje De Haukes bij Wieringen. Het schip kreeg de naam Rosshouck en werd eigendom van Gorter uit Enkhuizen. In 1957 werd het jacht dat bij Broekerhaven lag, verkocht aan T. Koopman uit Wassenaar. Koopman was echter niet erg te spreken over de wijze waarop de LE 12 verbouwd was tot jacht. Als ballast was op het vlak na het verwijderen van de bun beton met ponsdoppen gestort. De kajuit was volgens Koopman veel te groot geworden en liep te ver naar achteren door. De betimmering leek wel van sloophout en bestond verder uit hardboard. In IJsselmonde werd de Rosshouck daarom grondig opgeknapt. De kuip werd vergroot, de inrichting gemoderniseerd en netjes betimmerd en de oude scheepsdiesel werd vervangen door een nieuwe, die onder de kuipvloer werd ingebouwd, in plaats van in de kajuit.

Zeilmaker Kersken tekende een nieuw zeilplan en na afloop van de opknapbeurt was de aak vijf keer zo duur geworden als de koopprijs van f. 13.000,- Het roer was reeds in 1955 vernieuwd en was voorzien van een flinke roerhak (in afwijking van het vissermansroer). Het roer bleef daarom in 1957 gehandhaafd, maar verstandig was dit niet. Bij de inbouw van de oude scheepsdiesel bij de visaak LE 12 werd rekening gehouden met de wijze waarop de aak gebruikt werd tijdens de visserij. Bij een visaak lopen de achterkant van de achtersteven en de voorkant van het roer taps toe. Niet om de stroomlijn, maar om op zee stil te kunnen liggen bij de netten. Het roer kan zo meer dan 180 graden uitslaan, verder dan dwars. Bij de LE 12 is de schroef ver naar achteren in de scheg aangebracht. Om te voorkomen dat het roerblad bij een grote roeruitslag tegen de draaiende schroef komt, is een halfrond uit het roerblad gezaagd. Later werd door jachteigenaren geklaagd over de slechte manoeuvreerbaarheid van de aak bij het varen op de motor. Dat is geen wonder met zo’n roerblad. Als de schipper flink roer geeft, vaart de aak gewoon rechtdoor.

Pas in 2004 lieten Rob en Ivon van Leijenhorst deze ondeugdelijke constructie veranderen. De schroef wat naar voren, het roerblad dicht. Daarbij is tevens een anticavitatieplaat, een halve tunnel, boven de schroef aangebracht, die niet alleen de cavitatie beperkt, maar ook de roeruitslag. Een extreme roeruitslag werd overigens ook onmogelijk door de overloop op het achterhuisje en het gebruik van een stuurrad in plaats van een helmhout.

Schroefraam bij de visaak LE 12, met een halfronde uitsparing in het roer om te voorkomen dat bij een sterke roeruitslag het roerblad de zeer achterlijk geplaatste schroef raakt. Deze constructie maakt het manoeuvreren op de motor moeilijk. De kielbalk is verlengd om te voorkomen dat netten blijven haken achter het roerblad, dat vrij hangt buiten de lijn van de vingerlingen op de achtersteven. (Foto: collectie L. Elzinga)

Ruim tien jaren later, in 1968, verkocht Koopman de aak aan W. Croon uit Rotterdam. Door Croon werd de aak onder water wat aangepast. In 1975 werd de loefbieter en de kiel vergroot. De kiel kreeg een diepte van 23 cm. onder het vlak en ook de kleine, nauwelijks naar voren stekende loefbieter die De Gebroeders De Boer toepasten bij de visaken, werd vergroot. In de jaren dat de familie Croon met de Rosshouck zeilde, werd het aakjacht regelmatig aangepast en technisch verbeterd. Zo tekende André Hoek in 1987 een nieuw zeilplan met een langere mast voor de Rosshouck. De aak was bovendien sterk loefgierig, wat volgens Hoek Design veroorzaakt werd doordat het zeilpunt ruim een halve meter te ver naar achteren lag. De Rosshouck werd daarom eind jaren tachtig voorzien van een nieuw tuig in een nieuwe opzet.

In 2004 namen Rob en Ivon van Leijenhorst de Rosshouck over van W. Croon uit Rotterdam. Zij hadden de teakhouten Lemsteraak de Pijlstaart die zij hadden gerestaureerd, verkocht en namen met de Rosshouck een stalen schip over dat minder onderhoud nodig zou hebben. Voor hen was het bovendien van belang te varen in een schip met historie, met een verhaal. In 2011 werden Luuc en Carlijn Elzinga uit Jirnsum eigenaar van de Rosshouck en ook zij kozen bewust voor een karaktervol schip, dat een geschiedenis met zich meedraagt.

De LE 12 als vissersschip. (Foto: collectie Dick van Dijk, Lemmer) Onder: als jacht in Hindeloopen

Irnsum, 2012. De Rosshouck met z’n brede kop voor de kant bij de woning van Elzinga. (Foto: Luuc Elzinga)

De Rosshouck in 2012 op het Sneekermeer (Foto: Luuc Elzinga)

Visaak LE 2

Naam: ‘It is mei sizzen net ta dwaen’
Bouw: Gebroeders de Boer, 1902
Opdrachtgever: Teade Wouda
Ontwerp: Dirk de Boer
Afmetingen: Lengte: 11.60 meter. Breedte: 4.0 meter. Diepgang: 0..75 meter
Zeiloppervlak: 75 m2, Grootzeil: ca. 40 m2, Fok: ca. 35 m2

Geschiedenis van de aak visserij

1902 T. Wouda, De Lemmer visserij LE 2
1930 Johannes Wouda, De Lemmer, LE 2
1937 Steven Bootsma, Lemmer, LE 38
1943 Steven, Gerben en Fimme Bootsma, Lemmer, LE 38 recreatie
1961 J. van Stuivenberg, ‘Bukh 38’ Krimpen a/d Lek (motorboot van een Bukh-dealer)
1969 L. de Held, ‘Bertha 38’
2000 Simon van der Meulen, Wartena. LE 2
2013 Reinhard Riemann, Kamp-Lintfort. LE 2

De Lemster visser Teade Wouda bestelde in 1902 een nieuwe ijzeren aak bij de Gebroeders De Boer, die hij de wat uitgebreide, maar veelzeggende naam ‘It is mei sizzen net ta dwaen’ gaf. Met alleen maar praten wordt het niets. Een opvallende uitspraak voor een man die zelf jarenlang actief was als ‘prater’. Hij vertegenwoordigde bijvoorbeeld de Lemster vissers bij gesprekken met de overheid om in De Lemmer een gemeentelijke visafslag te krijgen. In 1911 werd hij benoemd als lid van de Zuiderzeevisscherijraad, een gewichtige praatclub die de regering adviseerde. In 1930 nam zijn zoon Johannes het helmhout op de visaak over en in 1937 werd de aak voor f. 900,- verkocht aan Steven Bootsma (LE 38). Die viste er vanaf 1943 mee met zijn zonen Germ en Fimme.

Achttien jaren later, in 1961, ging de aak over naar de recreatie. J. van Stuivenberg verbouwde het zeilschip tot een motorboot. Hij was dealer van Bukh en het zeilschip veranderde in een motoraak met de naam Bukh 38 (van LE 38). Ook dat schip kwam weer te koop. In 1969 kocht L. de Held de aak en noemde haar Bertha 38. Simon van der Meulen uit Wartena ontdekte de aak die te koop werd aangeboden in 1999. Hij herkende de fraaie lijnen van de romp, zag aan de afwerking van achtersteven en roer dat het een visserman was geweest. Bij veel Lemsteraken die voor de visserij werden gebruikt,waren de achterzijde van de achtersteven en de voorkant van het roer iets puntig. Niet voor de stroomlijn, maar om het roer ruim 180 graden te kunnen uitslaan, wat handig was als de aak op zee onder zeil stil werd gelegd en wat opzij moest driften tijdens de visvangst. Van der Meulen kocht de aak om deze terug te brengen in de oorspronkelijke vorm van visserman. In 2013 werd de aak verkocht aan Reinhard Riemann, een liefhebber van Lemster visaken uit Duitsland.

De LE 2 als ‘Buck 38’ in de jaren zeventig, eigenaar J. van Stuivenberg liet de aak verbouwen tot motorboot.

Wartena 2002. De motoraak werd gestript en ontdaan van de kajuit. Klaar om gerestaureerd te worden ligt de LE 2 achter de woning van Van der Meulen. (Foto: Simon van der Meulen)

Leeuwarden, 2003. De LE 2 tijdens de restauratie. (Foto: Simon van der Meulen).

Workum, oktober 2010. De LE 2 op weg naar de visgronden tijdens de Visserijdagen van Workum. De pas gerestaureerde botter EB 17 wordt aan de lage kant (!) voorbij gelopen. (Foto: Hajo Olij)

De gerestaureerde LE 2 op het IJsselmeer tijdens Visserijdagen van Workum in 2010. (Foto: Hajo Olij)