Marten Rottiné-Memoires (1)

Ondertussen had ik mijn keus al gemaakt, naar later bleek zou dat de keus van mijn leven wezen, maar daar ging heel wat aan vooraf, want Minke Steegstra woonde op Oostmahorn, en als je de kaart van Friesland bekijkt, dan zie je dat Lemmer en Oostmahorn de uiterste plaatsen in de provincie zijn. We zagen dan ook wel in dat deze afstand te ver was om elkaar nog eens te ontmoeten. We spraken af dat we elkaar een ansichtkaart zouden sturen en dat hebben we gedaan, die kaart heb ik nog steeds. Het jaar daarop gingen we weer naar de toogdag in Sneek. Weer waren de verenigingen in groten getale opgekomen. En wat ik toen beleefde, is voor mij altijd een vingerwijzing geweest voor de bestemming van mijn leven.

We zaten weer net als een jaar tevoren achter de meisjes uit Anjum, zonder dat we er om gezocht hadden. We vonden het allebei een wonder dat het zo liep. Toen we weer afscheid van elkaar namen, spraken we af om zo nu en dan eens een brief te schrijven. En na verloop van een paar maanden spraken we af, dat we elkaar weer eens zouden ontmoeten, maar aangezien het een afstand was van meer dan 80 kilometer, zouden we elkaar tegemoet fietsen, we hadden uitgerekend dat we dan ongeveer bij Leeuwarden bij elkaar kwamen. Maar ik was zeker erg ongedurig want Minke was nog niet zo ver van haar huis of we troffen elkaar al. Ze zei: “We kunnen nu net zo goed naar mijn ouders’ huis gaan”. Dus zo hebben we gedaan. Ik voelde me direct thuis. Minke haar vader was opstapper bij de reddingsboot Insulinde. Verschillende oorkonden vanwege dank voor reddingen zijn nog bewaard gebleven.

Dus was het op die dag dat ik heen en terug ben gefietst van Dokkum naar Oostmahorn. Natuurlijk kon je niet elke week zo’n reis maken, dat werd dus meestal om de drie weken. Maar je was ook niet zo gauw op je meisje uitgekeken, integendeel, het was elke keer weer fijn elkaar te ontmoeten. Minke was de oudste van het gezin. Er waren, en er zijn nu ik dit schrijf, 3 broers en 2 zusters. Ze hielp moeder in het gezin, en enkele dagen bij familie Blauw, die bij de douane op Oostmahorn werkte. ’k Ging ’s zaterdagsmiddags naar Oostmahorn en ’s zondagsavond weer naar huis terug.

In het jaar 1936 was het dat ik voor het eerst naar Oostmahorn ging. Ik wou natuurlijk netjes voor de dag komen, dus ik moest een regenjas hebben, en een hoed hoorde er ook bij, maar mijn verdienste bij de slager was fl. 5.00 boven de kost, dus van sparen kwam niet zoveel terecht, hoewel ik er wel bij moet zeggen, dat de slager mijn witte kielen naar de wasserij deed, en soms ook mijn nieuwe klompen betaalde. Maar hoe dan ook heb ik het benodigde bij kledingmagazijn Schirm gekocht, vader heeft mij het geld voorgeschoten, en ik heb het met kleine beetjes terugbetaald. Het briefje is er nog van de afbetaling, dat ging bij een paar guldens of een rijksdaalder. Een hoed kostte drie gulden negentig, een kostuum fl. 32,- en een regenjas fl. 22,-

Daarna kwam er langzamerhand regel in het reizen naar het hoge Noorden, zodoende was ik bij vrienden en bekenden van Minke al gauw thuis. Er werd ook naar de toekomst gezien, en daarom ook gespaard, of je kreeg iets op je verjaardag en dat kwam dan op de zolder bij Minke. En zo nu en dan als ik weer kwam, gingen we even naar boven om te zien hoe rijk we waren. Toch een hele fijne tijd als je zo bezig bent.

Op 14 december 1938 verloofden we ons. We kochten de ringen bij juwelier Pekelsma in Dokkum. Wie had toen gedacht dat we het grootste gedeelte van ons leven in Dokkum zouden wonen. Onderweg naar Oostmahorn hebben we de ringen om gedaan. Dat was weer een stapje verder naar het doel om samen door het leven te gaan. Maar het verlangen om vaker bij elkaar te zijn werd ook steeds groter natuurlijk. De enige mogelijkheid was dat één van beiden de afstand kon overbruggen door van plaats te veranderen.

Toen ze bij exportslagerij Feenstra in Dokkum personeel vroegen heb ik daar dan ook op gesolliciteerd, maar dat is toen niet gelukt. Thuis veranderde de situatie ook. Mijn oudste zuster deed de huishouding, maar die ging trouwen, en ging bij haar man wonen op een boerderijtje in Gaasterland. Zuster Janke kwam toen in haar plaats thuis, dat zou niet voor lange tijd zijn, want Janke en ik werden ziek. Zelf heb ik toen 3 weken in Heerenveen in het ziekenhuis gelegen voor onderzoek, want ze vertrouwden het niet, omdat moeder aan tbc overleden was, het bleek dat ik de ziekte van Bang had, dat is een ziekte die bij koeien bijvoorbeeld misgeboorte doet ontstaan.

De dokter vertelde dat ik vermoedelijk besmet was doordat ik bij de slager was, en een klein wondje de oorzaak kon wezen. Met een reeks injecties kwam het weer klaar. Met mijn zuster Janke liep het minder goed af. Het bleek dat ze vlekken op haar longen had. Tegenwoordig zou het misschien met medicijnen weer beter kunnen worden, maar toen moest je liggen. Daarom waren er ook Groene Kruis-tentjes, en dan lag je dag en nacht in de buitenlucht.

Maar door de omstandigheden thuis werd besloten dat ze naar het sanatorium in Hellendoorn ging. Dat was niet zo mooi. Het was in het begin van de oorlog, dus je kon ook nooit iemand van de familie verwachten. En daar kwam ook nog bij dat haar verloofde de verhouding uitmaakte. Het heeft haar veel verdriet gedaan. Later is ze nog gelukkig getrouwd. Ze is op het laatst in Deventer geopereerd.

Minke en ik zijn nog een keer op de tandem naar haar toe geweest in Hellendoorn, we sliepen toen bij een familie Jansen Klomp, die bezochten haar zo nu en dan vanwege de kerk. Dat het een kostbare zaak was is te begrijpen, dit werd dan ook betaald gedeeltelijk door de Gemeente Lemsterland, de Hervormde Gemeente en een Bondsbijdrage.

Voor ons gezin kwam daardoor ook weer een verandering, want nu was het de beurt aan Renske om de huishouding te doen. Renske was in dienst bij Laurens de Rook, muziekleraar en dirigent van verscheidene koren. Daardoor kwam haar plaats vrij, en dat was net een betrekking die voor Minke geschikt was, en dat leek de heer de Rook ook goed toe. Zo gebeurde het dat Minke in de zomer van 1941 bij de Rook kwam voor de huishouding.

We zagen wel om ons heen of er ook eens een huis leeg kwam, maar toen waren de huizen ook schaars. Hoe verder de oorlog kwam, hoe moeilijk het werd met alle zaken. Naar Oostmahorn konden we haast al niet meer komen, het was allemaal per brief. We hebben alle brieven van die tijd bewaard, en gesorteerd en in mappen gedaan, zodat alle broers en zusters van Minke een exemplaar hebben gekregen en onze kinderen ook.

In 1942 was er heel veel of bijna alles op de bon. Zo gebeurde het dat het vlees schaars werd en de slager mij wel missen kon. Ik zat in de leeftijd dat als je zonder werk was je moest melden bij het arbeidsbureau, en dan was de kans groot dat je voor de Duitsers moest werken. De heer Medendorp zat ook op dat bureau, en hij kende de situatie bij ons thuis, dat vader ziekelijk was en het bij ons een zorgelijke boel was. Toen ik op het kantoor bij hem kwam en vertelde dat ik zonder werk was, was het eerste wat hij zei: “Jij kunt niet weg onder deze omstandigheden, ik zal zien of ik er wat op kan vinden”. En hij kreeg het voor elkaar dat ik bij de distributiedienst in dienst kon komen, dat was in 1942. Daar ben ik dan ook zolang geweest totdat de oorlog over was. Op mijn 28e verjaardag kreeg ik van het personeel van de distributiedienst een boek waarin ze allemaal hun handtekening hebben gezet. De titel is: Buiten bij de vogels. Dus dat is 56 jaar geleden, ik wil ze hieronder nog even vermelden.

  • C. de Vries
  • J. van der Pal
  • Joh. Coehoorn
  • A. van der Hoff
  • L. Ferdinands
  • L. Dam
  • E. Medendorp
  • G. Kok
  • T. Klijnsma
  • H. Stroband
  • R. Visser
  • W. Schurer
  • M. Fleer
  • A. Gaasbeek
  • R. Hogeterp
  • P. Rottiné (mijn neef)

Wie zullen hiervan nog in leven zijn?

Het was een angstige tijd. Mensen die bij de ondergrondse waren werden verraden, en soms zo van de straat opgepikt, en kwamen nooit levend terug, zoals Jac. de Rook en kommies van der Wal, mensen die je goed kende. Op een morgen toen we goed en wel in het kantoor waren, kwamen een paar Duitsers voor het loket, ze moesten Jelke van der Pal hebben, die was altijd in de buitendienst om aanvragen voor schoenen enzovoort te controleren en hij hoorde ook bij de mensen die dicht bij het vuur zaten, en nog wel eens wisten wat ze moesten doen om aan bonnen te komen voor de onderduikers.

Toen we elkaar eens aanzagen en deden alsof, was het Jelke die, toen ze het nog eens vroegen, zei: “Dat ben ik”. Hij werd meegenomen en later hoorden we dat hij in Krackstate in Heerenveen zat, daar hadden de Duitsers hun onderkomen, en dat was een berucht gebouw. Gelukkig heeft hij de oorlog overleefd.

Mijn jongste broer Piet zat ook in die leeftijd dat je moest zorgen dat je uit handen bleef van de Duitsers. Hij was al een keer op het matje geroepen vanwege het dragen van een speldje op zijn jas. Een dubbeltje op een speld, omdat dat een stil protest was vanwege de beeltenis van de koningin op het dubbeltje. Hij had toen verkering met Lamkje Samplonius, wier ouders in het Achterom woonden. Soms was hij daar ondergedoken, en dan weer bij mijn oudste zuster en zwager in Gaasterland.

Wij hebben gelukkig altijd voldoende te eten gehad. Van Minke haar ouders kregen we de bonnen die ze over hadden, en soms als de gelegenheid zich voordeed een kistje met aardappelen. Tarwe werd gemalen in de koffiemolen, zodat je meel had. Veel mensen haalden melk bij de boer, en dat werd in een glazen pot geschud net zolang tot de boter boven kwam drijven. Maar er was ook een tijd dat je niet aan groenten kon komen, dan stonden de mensen bij Meine Gaastra in de rij voor een krop sla. Soms maakten ze een hele reis naar Gaasterland naar de groenteman Boukes die had een groentetuin, dan had je kans dat er bij de sla nog een bosje worteltjes te krijgen was.

Er kwamen ook heel veel mensen uit Holland naar Friesland, want in Holland was hongersnood, daar stierven er mensen van de honger. De eerste tijd ging het nog wel, maar hoe langer de oorlog duurde hoe moeilijker werd het om hier en daar wat los te krijgen en in het laatst namen de Duitsers het soms ook nog in beslag. Toen kon je aan de haven ook nog wel eens wat ondermaatse paling kopen. Maar in het laatst stonden de Duitsers bij de boot Jan Nieveen, en werden de mensen gecontroleerd of ze ook iets zoals paling en dergelijke bij zich hadden, en zo ja, dan werd het in beslag genomen.

Wat ik ook erg vond, was dat er geen tabak meer te krijgen was, of je moest het in de zwarte handel kopen. Mijn tante, Jantje Jaalsma, was weduwvrouw, ze had een klein winkeltje in de 4e Parkstraat. Als er vier mensen boodschappen kwamen halen, dan was de winkel vol. ’t Was echt een buurtwinkeltje. Er woonden nog al wat vissersgezinnen bij haar in de buurt, die haalden in de week de boodschappen, en kwamen in het laatst van de week om af te rekenen. Ik zie haar nog met het boek en een klein stompje potlood zitten de bedragen op te tellen.

Ze had niet een gemakkelijk leven, want ze moest alle uren van de dag klaar staan voor de mensen. ’s Avonds laat kwamen ze soms nog om een liter petroleum, maar ze had een bestaan. Op zo’n manier moesten de weduwen meestal aan de kost komen. Zo nu en dan had ze een pakje tabak voor me bewaard, maar ja ik was niet alleen op de wereld. Ze zal het vast wel vervelend gevonden hebben dat ik telkens weer kwam. Als ik dit schrijf dan is het al meer dan 30 jaren geleden dat ik met roken gestopt ben, en heb er nooit spijt van gehad, nu kan ik nog goed meedoen op het koor, en dat was anders vast niet het geval geweest.

De oorlog duurde lang. Zo nu en dan kwamen er berichten binnen dat de geallieerden aan de winnende hand waren, maar dat hield ook in dat de Duitsers doorgingen met het houden van razzia’s en dan werden er nog veel mensen die ondergronds bezig waren voor de vrijheid van ons land, opgepakt en afgevoerd naar een kamp. Of ze moesten het met de dood bekopen. Jozef en Sara Blok waren nog de enige joden in Lemmer, zij moesten zich ook melden, en werden vermoedelijk overgebracht naar Westerbork, naar later bleek een voorportaal naar de gaskamer.

Maar het gewone leven ging door, zo hadden wij bij de distributiedienst een formulier ingevuld voor een vergunning voor het kopen van meubels, zodat als we ergens een huis konden huren, we alvast een begin hadden. Je kon eigenlijk nergens anders terecht dan in Joure, ik meen dat het de meubelzaak ‘De Vrij’ was.

Toen wij op een goeie dag op de fiets naar Joure gingen, en bij de Follegabrug waren en van plan waren om de kortste weg te nemen over Doniaga, naar Joure, hield de brugwachter ons staande en raadde ons aan om over Spannenburg te gaan, want er waren net tevoren mensen van de ondergrondse geëxecuteerd door de Duitsers, zij lagen voor een boerderij. Dat was een represaille in verband met de dood van een Duitser. Toch zijn we verder gegaan, we hebben toen de andere kant op gekeken. Na de oorlog konden we toen de meubels krijgen, maar zover was het nog niet.

Een enkele keer gingen we nog per fiets naar Minke haar ouders op Oostmahorn. Maar geregeld kregen we aardappelbonnen enzovoort toegestuurd. Bij de Rook kregen ze ook evacués, dat was de familie Kentson, hij was chef van het poldergemaal, hun huis werd door de Duitsers gevorderd. Na de oorlog kwamen ze elk jaar een paar weken bij ons logeren, tot ze kwamen te overlijden. Het waren bijzondere mensen.

Kentson spaarde het hele jaar kleingeld, en als ze dan bij ons kwamen te logeren, kwam op onverwachts moment, bijvoorbeeld na het eten, de hand in de broekzak, en dan was het net Sinterklaas, het waren dan geen pepernoten, maar kleingeld waarmee hij ging strooien, en de kinderen maar grabbelen. En als ze dan weer naar hun huis in Dordrecht gingen, kon je op de meest vreemde plaatsen bij ons in huis nog geld verstopt vinden.

Mijn vader kwam weer in een Groene Kruis-tentje te liggen. Elke dag kwam de verpleegster voor een blaasspoeling, hij heeft toen veel moeten lijden, want dat was een pijnlijke zaak. En de omstandigheden vanwege de oorlog kwamen er nog bij. Mijn zuster Janke heeft in het Sanatorium in Hellendoorn de hele oorlog meegemaakt. Broer Jouke was bakker in Zwaagwesteinde, hij werd met een razzia zo achter de oven weggehaald en naar Duitsland getransporteerd, broer Piet van het ene naar het andere onderduikersadres. Wat zal er veel in vader omgegaan zijn. Hij was voor al zijn kinderen zo zorgzaam. Als ik terug kwam van Oostmahorn, dan ging hij pas slapen als ik de deur binnenkwam.

De oorlog liep naar het einde, dat kon je aan alles merken. De bommenwerpers vanuit Engeland waren heer en meester en vlogen nacht en dag. De route van Engeland naar het Ruhrgebied in Duitsland, lag over het IJsselmeer en over de Lemmer. Zodoende had je in die omgeving nog wel gauw eens luchtgevechten. Daarom kom je in veel Friese plaatsen op de kerkhoven graven van de geallieerden tegen. Een keer was het zo erg dat we vader uit het tentje naar binnen hebben gebracht. Toen is er naar ik meen in Eesterga ook een vliegtuig van de Engelse luchtmacht neergeschoten. Grote delen van Nederland waren al bevrijd, maar wij moesten nog geduld hebben.

Mijn vader was erg ziek en we wisten dat het niet goed zou komen. Hij werd nog opgenomen in het Sint Antonius ziekenhuis in Sneek. Maar het was maar voor een paar dagen, want op een morgen werd ik op het distributiekantoor opgebeld, of ik naar Sneek wou komen. Dus direct op de fiets gestapt en naar Sneek gereden. Toen ik daar kwam was vader de nacht daarvoor gestorven, en dus al van de zaal afgevoerd. Het was 14 februari 1945.

Later hoorde ik dat juffrouw Smit nog bij vader was geweest. Juffrouw Smit gaf les aan de Rooms Katholieke school in Lemmer. Ze was erg gehandicapt, en kon moeilijk lopen, maar ze had in de klas de wind er goed onder. Ze woonde bij ons op de buurt, en als ze dan achterom bij ons langs liep, dan ging ze steevast een praatje maken bij mijn vader in het Groene Kruis-tentje. Ze vertelde dat vader heel vredig gestorven was. Het wondere was dat hij zo rustig bij ons weg is gegaan. Vader die altijd zo zorgzaam was voor de kinderen. Koenraad van der Wal, de timmerman, was een vriend van hem, en die vertelde ons dat hij tegen hem gezegd had dat hij ons los kon laten, dat het zo goed was.

Nu kwam er weer een probleem bij, want vader moest weer naar Lemmer en je kon nergens meer autovervoer krijgen. Gelukkig was Frits Lousma, een boer aan de Straatweg, bereid om met paard en wagen naar Sneek te gaan om vader op te halen. Dat was een hele opgave, want als hij door de Duitsers was aangehouden, dan hadden ze hem vast de kist open laten maken.

’k Weet nog dat we samen om de kist stonden en vader er zo vredig bij lag dat ik zei: “Vader is daar, waar Englen in hun blank gewaad God prijzen ongestoord”. Soms zou je die momenten vast willen houden. Maar dan hoor je het rumoer weer in de straat, en dan kom je weer tot het besef dat het leven gewoon doorgaat.

Het was 14 februari 1945. Renske en ik waren toen alleen nog thuis. Inmiddels had Renske ook verkering met Jacobus Lucas Terwal, die was met zijn broer Henk schipper van beroep. Zo nu en dan ging ze mee varen en verzorgde de mannen aan boord.

Toen hebben we besloten dat we gingen trouwen.

Jammer dat het op deze manier ging. Je kon niks meer krijgen. De oorlog was nog niet afgelopen. ’t Was een erg zorgelijke tijd. Maar toch waren we blij dat onze wens eindelijk in vervulling ging. We leerden elkander in 1936 kennen, 14 december 1938 verloofden we ons, en pas 7 jaar, op 5 april 1945, later trouwden we. Het was geen tijd om bruiloft te vieren. Van Minke haar familie waren vader, zus Dirkje en broer Dirk mee naar Lemmer gekomen. We hadden een sobere maaltijd, maar de stamppot met bonen uit het vat smaakte verrukkelijk. We trouwden in de Hervormde Kerk in Lemmer.

Ds. Keuzenkamp had de leiding. Minke had de tekst opgegeven Psalm 39:8. “En nu wat verwacht ik o Heer? Mijn hoop is op U”. De cadeautjes bestonden voornamelijk uit geld want er was bij wijze van spreken geen spijker meer te koop. Ik weet nog dat ik de eerste morgen na ons trouwen een pakje tabak kocht, en dat was niet goedkoop. We waren bijna twee weken getrouwd toen we door de Canadezen bevrijd werden. De nacht van 16 op 17 april werd een angstige nacht voor ons.

Veel plaatsen in Friesland waren al bevrijd. De Duitsers die er nog waren probeerden via de Lemmer naar Holland te komen. In de haven van Lemmer lagen twee boten naar Holland voor hen klaar, want dat werd toen nog door de Duitsers bezet. Ze probeerden van alles nog mee te nemen. Zelfs een klein boertje, Nijholt, moest nog met 3 koetjes naar de haven, zuster Anna’s man Bouke moest met paard en wagen nog van Sondel naar Lemmer met spullen voor de Duitsers.

Ze zeiden later: we hadden al afscheid van elkaar genomen. ’t Was ook levensgevaarlijk, want in de vooravond begonnen de Canadezen het vuur op de vluchtende Duitsers te openen. Vanaf Heerenveen werden granaten afgeschoten in de richting van de haven van Lemmer. Je hoorde de projectielen al van verre aankomen. Het was een gemene fluittoon, die barstte boven Lemmer in 3 knallen uiteen.

Eerst zat er maar een paar minuten tussen de keren dat zo’n projectiel overkwam, maar hoe later het werd hoe groter de tussenpozen werden, totdat het na middernacht stil werd. Ik herinner me nog hoe doodstil het werd, angstig stil. Je durfde ook niet naar buiten want we wisten niet wat die stilte betekende, maar toen waren er toch weer mensen die het waagden en even later kwamen ze overal op straat, en zag je mensen van de ondergrondse op verschillende hoeken van straten in gevechtstenue een positie innemen, omdat men eerst moest weten of er ergens niet een paar Duitsers achtergebleven waren.

De oorlog was voor ons over, maar in Holland zou dat nog even duren voordat de vijand capituleerde. De eerste dagen leefden we in een roes. De N.S.B-ers werden opgepakt, en de meiden die met de Duitsers op stap waren geweest werden kaal geschoren. Ze werden naar het Nutsgebouw gebracht. En elke keer als ze iemand opbrachten ging er een gejuich op. De haat was groot, en dat was ook wel te begrijpen omdat je vijf jaar lang onder het juk van de vijand had gezeten. Toen men tot bezinning kwam, was de vraag van veel mensen of hun familieleden het overleefd hadden, er waren zoveel die van huis en haard verdreven waren en waarvan men in geen tijden iets gehoord had. Gelukkig hoorden we al gauw dat broer Jouke onderweg was vanuit Duitsland naar Nederland.

Langzaamaan begon er weer een beetje orde in de samenleving te komen, hoewel het lang duurde voordat alles van de bon was. Op 4 februari 1946 werd onze dochter Reinouw geboren, dat was natuurlijk een blijde gebeurtenis. Toen kwam ook de tijd dat ik naar ander werk moest uitzien want bij de distributiedienst was het afgelopen. Broer Piet zat bij Dirk van Looy de groentegrossier op het kantoor, maar de oorlog was hem niet in de koude kleren blijven zitten, hij kon beslist niet tussen vier muren zitten, zodat hij het bij van Looy niet uithield.

Onderwijl was ik bij de heer Blessinga op cursus boekhouden gegaan. Boekhouden lag mij wel, dus kon ik in zijn plaats komen. Maar ik moest plaatsmaken voor Douwe Gaasbeek, die was vóór broer Piet bij van Looy, maar moest als soldaat naar Indië. Toen de militairen uit Indië terugkwamen, hadden ze recht om hun laatste betrekking weer in te nemen, dus dat betekende dat ik plaats moest maken. 21 maart 1947 werd zoon Marten geboren, de winter van 1946/1947 was zeer streng, toen Marten geboren werd begon het pas te dooien. Een paar dagen daarvoor reden ze nog op het IJsselmeer. Slager de Jong kwam vragen of ik weer bij hem in dienst wou komen, maar ik wou beslist niet weer bij de deuren langs om bestellingen op te nemen.

Het vak op zichzelf, uitbenen, worst maken enzovoort dat zou ik wel willen, maar toen moesten ze het hebben van opvragen van bestellingen. Maar toen het een paar maanden duurde dat ik geen werk had, zei ik tegen Minke, als slager de Jong weer komt vragen of ik bij hem wil komen, zeg dan maar dat ik het doe. Maar gelukkig dat hoefde niet meer, want toen ik even de Lemmer in was, en terug kwam, zat er een man bij ons thuis, die mij kwam vragen of ik bij hem in dienst wou komen. Ik had geen idee wat het kon wezen, maar het was de bedoeling dat ik de opzichter van dienst zou worden.

Men was bezig met het graven van het Prinses Margrietkanaal van Lemmer naar Groningen. Bij Tacozijl kwamen de nieuwe sluizen, en er moest een doorvaart gemaakt worden naar het IJsselmeer. Daar moest een strekdam gemaakt worden. De eerste opdracht was het controleren van een schip met bossen teenwilgen hout voor het vlechten van zinkstukken dat door Werkendammers gedaan werd.

Als het lichaam van de dam opgespoten was, dan werd het met bitumen afgedekt, en tegen de voet van de dijk kwamen de zinkstukken te liggen en die werden met zware keien afgestort. Ik moest er dan op letten dat ze goed op diepte kwamen te liggen, en ook het aantal bossen teenwilgen dat aangevoerd werd, moest ongeveer kloppen. Het was wel gezellig, soms ging je met een directiebootje mee het IJsselmeer op, zo bij de werkzaamheden langs.

Maar ook daar kwam weer eind aan. Ondertussen werd in Dokkum bij de Kweekschool een conciërge gevraagd, en een amanuensisconciërge bij de Landbouw winterschool die nog in aanbouw was en waar tevens een conciërgewoning bij gebouwd werd. Ik solliciteerde naar beide betrekkingen. Ik kreeg een oproep van de Kweekschool, maar daar kreeg ik een bedankje van. De betrekking bij de Landbouw winterschool was ik al vergeten, want die school moest nog afgebouwd worden, dus was het niet urgent. De school werd gebouwd in opdracht van de Christelijke Boeren en Tuindersbond (C.B.T.B.) te Leeuwarden.

Maar op een zekere dag kreeg ik een uitnodiging om in het oude Weeshuis in Dokkum te komen. ’k Wist helemaal niet meer wat er in die advertentie gevraagd werd. Toen ik daar kwam bleek dat er van de vele sollicitanten 15 waren overgebleven, die voor die baan in aanmerking kwamen. Toen we zo bij elkaar op onze beurt zaten te wachten, hoorde ik dat ze vroegen wat amanuensis inhield. Ik hoorde ze zeggen, als je maar een beetje kunt knutselen. Maar goed dat ik toen niet wist dat amanuensis een vak apart is, en dat je dan wel een beetje meer moet hebben dan alleen lager onderwijs. Toen het mijn beurt was vroeg men wel zoiets of je een beetje handig was en wat klussen kon.

Toen ik thuis kwam zei ik tegen Minke nou dat zal ik wel niet krijgen, want er was ook een beheerder van het Gebouw van Christelijke Belangen uit Dokkum bij. Er was weer een hele tijd voorbijgegaan, en op een dag kregen we bezoek van leden van het Bestuur van de school, die een kijkje kwamen nemen. En later hoorde ik ook van de dominee dat ze bij hem informatie hadden ingewonnen.

Maar het geduld werd weer op de proef gesteld want het duurde weer een tijd totdat ik op een zaterdag een telegram kreeg, met het verzoek om de maandag daarop in het gebouw van de C.B.T.B. aan de Willemskade in Leeuwarden te komen. Ik zei ik tegen Minke nou heb ik de betrekking of er zijn nog een paar. Toen ik daar kwam waren we nog met z’n drieën. Toen ze me vroegen of ik zelf ook nog iets te vragen had, zei ik ’k hoop wel dat het niet lang meer duurt wat de uitslag is. Ze zeiden dat we heel binnenkort bericht konden verwachten. Dezelfde week kwam het bericht dat ik was aangenomen.

Dit was in het najaar 1950, het liep ook tegen het einde van het werk bij Rijkswaterstaat. De strekdam was klaar, het stuk dijk tussen het binnen- en buitenwater voor de doorvaart moest nog weggebaggerd worden, maar dat werd door een andere aannemer uitgevoerd. Wat waren we blij met mijn benoeming aan de Landbouw winterschool in Dokkum.

Maar het duurde nog een paar maanden voordat we konden verhuizen naar Dokkum, want het afwerken van de bouw aan de school en het huis viel erg tegen ook vanwege het natte voorjaar. Begin maart 1951 was het dan zover. 16 mei 1949 was ons gezin ook weer uitgebreid met de geboorte van dochter Oetske. Aukema heeft ons met de verhuiswagen naar Dokkum gebracht. Ina Kentson, een hele goeie kennis van ons, hielp ons met de verhuizing. Omdat Oetske, de baby, niet al te goed was, gingen die beiden met een personenwagen.

In huis was het nog een behelpen want het elektrisch moest nog aangesloten worden, er was geen deur die helemaal dicht kon, maar toen het huis bewoond werd was dat leed gauw geleden. Het was eerst een hele ommekeer. We waren de eerste dagen onwennig van wat we achter hadden gelaten. We gingen de eerste avonden ook vroeg naar bed. De school was nog niet klaar, veel moest nog afgewerkt worden en er tussendoor moest er ook nog het een en ander aan het huis gebeuren. Om huis en de school moest nog veel opgeruimd worden. De school werd in oktober 1951 geopend, dus in die paar maanden daarvoor kon ik beginnen met schoonmaken.

Langzaamaan werd het om de school ook veel vriendelijker toen het opgeruimd en ingezaaid werd. We moesten eerst ook wennen aan de Dokkumers. Voor ons gevoel waren ze in het hoge Noorden stugger dan in de Zuidwesthoek, maar daar wen je ook wel weer aan. De naam zegt het ook al, het was een Landbouw winterschool. Dat betekende dat de jongens alleen ’s winters naar school gingen tot het voorjaar, en dan bij de vader of een andere boer in de praktijk gingen. De leraren gingen dan bij de jongens langs om te zien hoe ze het op het bedrijf bezig waren. Op 2 oktober 1951 werd de school officieel geopend.

Toen begon dus het eigenlijke werk. De eerste paar jaar heb ik het wel moeilijk gehad, niet de werkzaamheden want dat lag me best, maar het omgaan met jongens van de leeftijd van 16 jaar en ouder. Later leerde ik wel dat je niet altijd zo precies kon zijn, maar ja, een spiksplinternieuwe school, en als je dan zelf alles op alles zet om het mooi te houden, dan heb je het eerst moeilijk.

Maar directeur en leraren stonden altijd achter me en daar had ik alle steun van. Op het laatst raak je helemaal ingeburgerd, en we hebben nooit geen spijt gehad dat we daar kwamen te wonen, terwijl de directeur zei, als jullie liever wat onder de mensen willen wonen, is die mogelijkheid er wel. Men was jaloers op ons dat we zo’n betrekking kregen en dan ook nog een nieuwe woning erbij.

Ons gezin breidde zich de opvolgende jaren regelmatig uit. Achtereenvolgens werden in Dokkum geboren: zoon Anne op 7-4-’52, zoon Piet op 25-3-’54, zoon Dirk op 11-3-’55, dochter Anneke op 15-3-’56, dochter Tineke op 2-9-’59. Het huisje was maar klein, maar dat zie je pas later als de kinderen de deur uit zijn, dan vraag je je af hoe is het mogelijk dat we met tien mensen daarin hebben kunnen verkeren.

We hadden er heel veel plezier van dat de kinderen zich konden uitleven om en bij huis en school. En dat hebben ze ook gedaan, we hadden dan soms ook van alle soorten vee, zoals duiven, konijnen, geiten, een Vlaamse Gaai, 2 ganzen waar de jongens heel veel plezier mee hebben gehad, jonge eendjes die van moedereend verdwaald waren enzovoort Ze hadden een klein paradijsje.

En bij moeder Minke waren vrienden en vriendinnen altijd welkom, en wat dieren om huis dat was ook wel gezellig, maar op een dag kwamen de jongens thuis met een heel lief klein hondje, dat hadden ze onderweg van iemand gekregen, die wou hem natuurlijk graag kwijt, maar toen ging het moeder wel aan het hart, maar dat ging niet door. Gelukkig kwamen ze onderweg weer iemand tegen en die bood hun een kwartje aan, toen was de koop gauw gesloten. De verdienste van een conciërge was maar matig, gelukkig wist moeder heel veel te besparen wat kleren betrof, want ze naaide alle kleren voor de kinderen.

Oom Pieter, de post, bracht de afgedankte jassen bij moeder en die maakte er weer mooie warme kleren van. De kinderen hebben heel veel kunnen genieten van alles in en om huis, misschien dat ze later hun memories ook schrijven, dus dat laat ik nu aan hen over. De vrienden en vriendinnen geven soms ook nog eens een blijk van herkenning. Eén van hen verwoordde dit in een geborduurde tekst die we op de dag van ons 50- jarig huwelijk van haar kregen met de volgende woorden:

Daar alleen kan liefde wonen,
daar alleen is het leven goed
waar men stil en ongedwongen
alles voor elkander doet.

Dit was één van de mooiste cadeaus. Ze had het zelf geborduurd, de laatste steekjes moesten op de morgen van de feestdag nog gedaan worden, en een ijlbode moest het nog bezorgen.

We waren geen heiligen en de kinderen waren ook altijd geen lieverdjes, maar we hebben dunkt me geprobeerd om blij te zijn en blij te maken. We hadden een wijze vrouw en moeder gelukkig, want er kwam heel wat te kijken in zo’n gezin. De school was inmiddels ook van naam veranderd in Chr. Middelbare Landbouwschool. Dat betekende ook dat niet alleen ’s winters maar net als op andere scholen de lessen tot de grote vakantie gegeven werden.

In de vakantie werd de school grondig gereinigd, de tuin onderhouden, en het grasveld voor de school gemaaid. Maar zo bleef voor mij de vakantie erbij, dat kwam ook dat de kinderen nog klein waren, en om en bij huis zich best konden vermaken. Maar moeder wou ook wel eens uit de gewone omgeving weg. Zo kwam het dat we voor het eerst een week met het gezin op vakantie gingen naar Gaasterland. We gingen op de fietsen, de oudsten zelf, en de jongsten bij vader en moeder voor- en achterop. Dat was een hele uittocht, en soms hoorde je de mensen zeggen: “Die hebben ook wat”.

We fietsten van Dokkum voorbij Leeuwarden richting Sneek. Halverwege had je de blauwe tent, een geheelonthouderscafé, waar veel chauffeurs die onderweg waren, een kopje koffie dronken. Dat werd voor ons voortaan ook de onderbreking van de reis. De tweede stop was even vóór Sneek daar gingen we van de grote weg af op een zijweg die uitkwam bij een bosje, daar hielden we een echte pauze. De boterhammen werden uitgedeeld, en we kregen er een ei bij. Ze weten het nu nog wel te vertellen. Maar de laatste loodjes wogen het zwaarst. We kwamen bij de familie Eissen, ze waren net uit Canada gekomen en haar moeder was ook bij hen. De weg naar hen toe was door de vele regen vrij modderig. De Beukenlaan was nog niet geasfalteerd.

De kamer waar wij in kwamen moest nog afgeverfd worden, daar was Eissen mee bezig. Maar toen wij het erf op kwamen werden wij zo hartelijk ontvangen, dat we direct wisten: hier zijn we thuis. We hebben verscheidene jaren de vakantie bij hen doorgebracht. De vriendschapsband is er nog steeds, op de begrafenis van moeder was Eissen ook nog aanwezig. Maar toch kwam er weer een tijd dat we wat anders moesten zoeken.

De kinderen waren zo’n beetje uitgekeken in Gaasterland, en dat fietsen daar begonnen ze hoe langer hoe meer tegenop te zien. Toen een vriendin van de kinderen bij ons was en we er over praatten, wist ze een adres op Terschelling waar we misschien terecht konden, en dat gelukte. Vanaf die tijd zijn we jaren achtereen met vakantie naar Terschelling geweest. Een eiland waar je van alles kunt genieten. Het Wad, de Noordzee, de duinen, de bossen. Vissen en fietsen of een wandeling, daar is nou voor elk wat wils. Maar dat heeft ook weer z’n tijd gehad. De kinderen kregen vrienden en vriendinnen, en dan word het tijd dat ze hun eigen wegen gaan. Ze zullen nog wel vaak eens terugzien naar die tijd.

We zijn later samen nog wel naar Terschelling geweest. We hebben nog prachtige busreizen gemaakt naar Oostenrijk, Limburg, Luxemburg. Ook zijn we twee keer naar Canada geweest naar broer Piet en Lamkje. Zelf heb ik toen ik met pensioen ging, nog een reis met de school meegemaakt naar Londen, dat was een mooi afscheid na 30 jaren dienst. Het afscheid op school was op 29 september 1980.

Het afscheid van de school betekende ook dat we moesten verhuizen uit de dienstwoning. Zoon Piet, die mij opvolgde, trok er met zijn gezin in en woont hier nu nog steeds. Wij vonden een huis in de directe omgeving zodat we kerkelijk bij de gemeente Aalsum/Wetsens bleven behoren. Moeder en ik zijn op kerkelijk gebied jaren actief geweest. Moeder was voorzitster van de vrouwenvereniging en bezocht gemeenteleden in een bepaalde wijk. Zelf heb ik 25 jaar lang de boekhouding van de begraafplaats Aalsum gedaan en ben 12 jaar lang ouderling geweest.

Moeder had ook nog het rijbewijs gehaald, daar konden we ook nog van genieten, we waren niet zo aangewezen meer op openbaar vervoer. Eerst hadden we een Dafje, en later een Ford Escort, een hele mooie auto. We gingen niet ver van huis, maar toch nog wel zo nu en dan naar Emmeloord daar woonden mijn zuster en haar man, en naar Delfzijl waar onze dochter en man woonden, en Gaasterland waren we ook niet vergeten.

En toen kwam de tijd die in ons beider leven een hele ommekeer bracht. De gezondheid van moeder ging achteruit, ze had hartklachten en moest worden geopereerd. Na de hartoperatie leek alles weer goed te gaan. Toen kreeg ze een hersenbloeding en moest daarna opnieuw leren spreken, lezen en schrijven. Ze had het daar erg moeilijk mee. In februari 1996 kreeg ze weer een hersenbloeding en raakte aan de rechterzijde verlamd. Toen we dachten dat het wat beter ging, kregen we bericht van het ziekenhuis dat ze opnieuw een bloeding had gekregen. Een blik van herkenning, een glimlach naar ons, meer kon ze niet. In de vroege ochtend van 13 maart 1996 is moeder op 77-jarige leeftijd overleden.

Lieve vrouw dit was dan mijn verhaal. Als ik het over vroeger had, dan zei jij: “Schrijf het eens op”. Dat heb ik dan nu gedaan. Onbewust ben ik voor een tijd terug begonnen met mijn verhaal, en nu ben ik blij dat ik het heb gedaan. Elke dag kom je tegenwoordig de herinneringen tegen aan wat deze eeuw gebracht heeft. Als ik terug zie, dan verwonder ik mij erover hoe het mij vergaan is. Zo had ik het zelf nooit uit kunnen denken. Dat wij op deze manier elkaar leerden kennen, de oorlog goed doorkwamen, de betrekking bij de school kregen met een huis erbij, dat we bijna 51 jaar bij elkaar mochten blijven. Dat is waar ik heel dankbaar voor ben. ’k Hoop dat ik het komende jaar weer moed en kracht mag ontvangen om door te gaan. En de herinneringen zullen altijd met ons mee gaan. En dat is goed. We hebben heel veel foto’s en brieven vanaf de eerste tijd dat we bij elkaar kwamen tot dat we afscheid van elkaar moesten nemen. Een kostbaar bezit dunkt me, ook voor de kinderen, en die na hen komen.

Dokkum, 31 december 1999

M. Rottiné.


TOP