De Tweede Wereldoorlog en Lemsterland (1)

Hendrik en Hendrikus de Jong, verzetsstrijders uit Bantega.

Door: Albert Hendriks.

Verzetsstrijder Hendrik de Jong, geboren op 3 januari 1915 in Bantega. Later woonachtig in Elburg.

_ 8 mei 1980 Elburg - In een heel gezellig ingericht huisje aan de Winckelstraat in het voormalige vissersdorpje Elburg, wonen de 65-jarige Hendrik de Jong en zijn 67-jarige vrouw Afke Visser. De heer De Jong schreef ons een brief naar aanleiding van een artikel over de op 13 november 1943 in het Lemster Hop gelande Amerikaanse bommenwerper Liberator B24 42-7650. Dat vliegtuig landde bijna op het hoofd van Hendrik de Jong, toentertijd als arbeider in dienst van de Directie in de Noordoostpolder werkzaam op kavel 17 aan de Hopweg. Toen de bemanning van het toestel zich naar buiten begaf en de Duitsers naderden maakte Hendrik de Jong zich uit de voeten. De grond werd de uit Bantega afkomstige verzetsman te heet onder de voeten. Over wat Hendrik in de oorlog uitspookte, gaat het volgende verhaal.

Soldaat Hendrik de Jong.

Hendrik de Jong is een zoon van Albert de Jong, timmerman, die met zijn vrouw een huisje aan de Bandsloot bewoont. Nadat Hendrik eind 1933 en begin 1934 in militaire dienst is geweest, gaat hij in het losse werk bij verschillende boeren, waar onder Koert Zijlstra aan de Middenweg. Allesbehalve licht werk: hooien, sloten schoonmaken en mesten. Geen gemakkelijke tijd, die jaren voor de oorlog. De landbouw verschaft niet regelmatig werk. Midden 1939 wordt het Nederlandse leger gemobiliseerd. Hendrik moet zich in Leeuwarden melden. Hij is nog nauwelijks in de Friese hoofdstad, of hij wordt met andere gemobiliseerde ex-soldaten per vrachtwagen naar Vleuren, enige kilometers ten westen van Utrecht, gebracht. Vandaar worden de mannen naar Heemstede getransporteerd. Hun onderkomen: een bollenschuur.

In de vroege ochtend van 10 mei 1940 valt een sterke Duitse troepenmacht ons land binnen. Als de mannen in Heemstede van het oorlogsgeweld van Adolf Hitler, vernemen worden ze naar vliegveld Valkenburg gedirigeerd. Het vervoer geschiedt met gevorderde autobussen: Als het legertje Nederlanders in Valkenburg aankomt, ontdekt het dat de Duitsers het vliegveld al in de klauwen hebben. Toch wordt het veld omsingeld en op de Duitsers geschoten.

Hendrik de Jong krijgt de opdracht elke in de lucht hangende parachutist lek te schieten. De Hollanders houden het een paar dagen vol. Hun strijd tegen de moffen blijkt weinig succesvol. Tegen het materieel van de oosterburen valt niet op te boksen. Hendrik en zijn maten worden naar een plaatsje bij Leiden gebracht, nadat zij zich overgegeven hebben. Na een kort verblijf in de plaatselijke Rooms Katholieke kerk gaan ze naar Bennebroek. Na daar een paar weken te hebben gezeten, tekent Hendrik een aantal papieren en wordt verzocht naar zijn geboorte en woonplaats Bantega terug te gaan.

Spitten en ploegen in de polder.

Weer gaat Hendrik aan 't werk bij de boeren. Er is weinig werk in de omgeving van Bantega. Blij is Hendrik als in het laatst van 1941 werk in de in opbouw zijnde Noordoostpolder loskomt. Hij meldt zich bij het administratiekantoor van de Directie Noordoostpolder-werken in Kuinre. Hij wordt in de omgeving van Blankenham aan de schop gezet. Greppels en sloten graven. Loodzwaar werk onder toezicht van zich soms dictatoriaal gedragende ploegbazen.

Er zijn er slechte bij, constateert Hendrik. De onderduikers uit Amsterdam en Rotterdam hebben het helemaal beroerd. Zij hebben nog nooit een spade in de hand gehad. Blaren branden in hun handen. Na een paar weken Blankenham wordt Hendrik in de buurt van Lemmer tewerkgesteld. Spitten en ploegen moet hij. Weer of geen weer. Het loon bedraagt 35 cent per kub. Werk je te hard dan gaat er 5 cent per kub af.

Onaantrekkelijker kan het niet. Behalve het op de rug aankomende spitwerk is er ook mooi werk, zoals ploegen met ossen als trekdieren. Onmogelijke trekkers. Halfweg de akkers hebben ze geen zin meer de ploeg voort te trekken en gaan er bij liggen, zich aan niets storend. Als Hendrik verder wil, denken de ossen, moet hij zelf dat ijzer maar door de grond trekken. Soms hebben de beesten tijdens het werk honger. Op de kopakkers aangekomen zien de ossen aan de andere kant van de sloot een lekkere pol gras staan. Ze baggeren dwars door de sloot heen, de ploeg achter zich aan slepend. Er is geen houden en keren aan. Als de honger gestild is, moet Hendrik met zijn ossen een hele omweg maken om weer op de te ploegen akker te komen.

Liberator.

Op zaterdagmiddag 13 november is Hendrik de Jong, bezig met het schoonmaken van de infiltratiesloot die tussen de Hopweg en de oude zeedijk loopt. Plotseling hoort hij gebrom van een vliegtuig. Hij ziet op en ziet een Amerikaanse bommenwerper van Slijkenburg richting Lemmer vliegen. Het toestel verliest hoogte. Het vliegtuig maakt een lus boven de polder en vliegt regelrecht op Schoterzijl aan en zet vervolgens weer koers naar Lemmer.

Hendrik ziet het toestel wel, maar hoort 'm haast niet Wat gaat de piloot doen? Landen in die drassige polder of in 't Hop of . . . . boven op mij? Hendrik krijgt het wel even benauwd. Opeens komt het vliegtuig met z'n buik aan de grond. Boem! De bommenwerper glijdt over de grond en komt slechts een tiental meters van Hendrik tot stilstand. Hij slaakt een ongelooflijke zucht van verlichting. Dat was op het kantje af! De schop trilt in zijn handen als de bemanning uit de kist klautert en op één van de vleugels gaan staan.

Hendrik kan onmogelijk iets voor de jongens doen. De polder is kaal. Van verstoppen kan geen sprake zijn. Wat het ergste is: de Duitsers hebben een wachtpost dichtbij het wrak. Aanvankelijk blijven de moffen op hun post. Ze durven kennelijk niet naar het vliegtuig te stappen, bang dat ze neergepaft zullen worden. Er wordt gewacht op versterking vanuit Lemmer. Als er meer Duitsers uit Lemmer komen, neemt Hendrik het besluit 'm als de sodemieter te smeren. Hij, af en toe betrokken bij illegale wapentransporten in de polder, loopt naar de cultuurboerderij van Koopman op kavel 17.

Pas 's avonds keert hij huiswaarts. Het pad, waar hij normaal langs gaat naar Bantega, loopt door het Lemster Hop. De omgeving van het vliegtuigwrak hebben de Duitsers afgezet en daarom moet Hendrik een grote omweg maken. De situatie blijft enige dagen zo. Later ziet hij hoe het vliegtuig wordt gedemonteerd en met een grote auto, die geparkeerd staat voor het houten huisje van Andries Zijlstra (Andries Dubbelt) aan de Middenweg, wordt afgevoerd.

Arrestatie.

Hendrik's broer Riekus de Jong en Jan Visser, van de Gracht bij Scherpenzeel, zitten dik in het verzet. Beide mannen verzamelen 's nachts in de polder gedropte wapens en laden ze in vrachtautootjes. Gevaarlijk werk, waarbij ook Hendrik en vader Albert worden betrokken. Op een avond worden in het oosten van de polder weer wapens op een auto geladen. De chauffeurs zijn Hollanders in Duitse uniformen. Jan Visser is er dit keer niet bij. Het is november 1944. Hendrik, Riekus en hun vader lopen richting Hopweg op weg naar Bantega. Ze komen van Schoterbrug. Als ze op de Hopweg zijn, wordt de te volgen route besproken.

Er zijn twee mogelijkheden om thuis te komen. Op de fiets naar de cultuurboerderij van Koopman op kavel 17 en vervolgens door het Lemster Hop naar Bantega, of lopend richting Schoterzijl. Juist als ze een besluit willen nemen, buldert iemand in de donkere nacht: "HALT !?? Hendrik, Riekus en Albert de Jong staan stijf van de schrik. De moffen schijnen de sterke zaklantaarns recht in hun gezicht. Ze willen wapens zien. Hendrik legt uit dat ze nog laat aan het werk voor de Directie zijn geweest en daarom in het donker huiswaarts keren.

De Duitsers geloven er geen barst van, Ze drijven de drie Bantegasters voor zich uit naar Lemmer. In de barak aan de Sluisweg worden ze intensief verhoord. Het gaat er niet zo zuinig toe. De mannen moeten antwoorden met een revolver op de borst. Hendrik en Riekus laten merken er geen om te geven. Ze zeggen niets met van wapentransporten te weten. Dat pikken de moffen niet. Riekus wordt bij armen en benen gepakt en op een harde stoel gesmeten. De soldaten schoppen hem en meppen met de revolvers.

Ook Hendrik krijgt een paar enorme dreunen met een pistool. De gezichten van de broers raken bebloed. De moffen zijn tevreden. Vader Albert behandelen ze vanwege zijn hoge leeftijd wat menselijker, maar ook hij vertikt het de juiste antwoorden op Duitse vragen te geven. In het huisje van de familie De Jong aan de Bandsloot is men ongerust. Zijn de mannen opgepakt? Als dat het geval is, laten we dan als de gesmeerde de jachtgeweren in de tuin begraven, denken moeder en twee zusters. Zo gezegd, zo gedaan.

Geluk in gevangenschap.

Hendrik, Riekus en hun vader blijven één nacht in Lemmer. De Volgende morgen wordt het drietal op fietsen gezet en met de handen aan het stuur gebonden. Ze moeten naar Heerenveen fietsen. Voor twee Duitsers en achter twee. In Heerenveen worden ze opgesloten in de gevangenis van Crackstate in het centrum. Vader Albert is bang dat de moffen hem van kant willen maken. Hij vraagt zijn zoons of het niet beter is om te zeggen, wat ze gedaan hebben. De oude man wil zo snel mogelijk uit het gevang. De jongens praten als Brugman om hun vader gerust te stellen. Ze zijn dolblij als de bewakers hun vader na een week de vrijheid geven. Probleem nummer één is aan de kant, Hendrik wordt redelijk verzorgd in Crackstate. Hij krijgt eten en drinken en meer hoeft hij niet van de vijanden. Riekus wordt regelmatig geslagen, opdat hij, de saboteur van de Wehrmacht, zijn mond open doet.

Drie weken zitten ze in de Heerenveense gevangenis, als ze naar het Leeuwarder huis van bewaring worden overgebracht. Dit keer gaan ze per trein. Ze zitten daar nauwelijks een week, als ze wederom op transport worden gesteld. Dit keer gaan ze met de trein van Leeuwarden via Groningen naar Port Natal, waar op het station een selectie volgt. Een deel van de gevangenen, waaronder de broers de Jong, moet naar Duitsland, een ander deel moet naar een werkkamp in het plaatsje Loon bij Assen.

In Port Natal roept een Duitse officier de gevangenen voor Duitsland op. Opeens horen Hendrik en Riekus hun naam. "Bek houden !?? zegt Riekus tot Hendrik. En Hendrik doet dat. Nog een keer en dan behoorlijk woest, schreeuwt de officier: "Gebroeders de Jong uittreden". Weer geen reaktie. Een geluk voor Hendrik en Riekus dat er geen controle volgt. De Duitser gaat verder met het noemen van namen. De Bantegasters belanden in de groep gevangenen die naar Loon gebracht zullen worden. Ze glunderen. Hebben ze dat even mooi geflikt!

De vlucht.

In Loon worden Hendrik en Riekus, bij boeren ingekwartierd. Maar een boer zien ze niet, ze moeten in een schuur in het hooi slapen. De mannen moeten in Drente loopgraven en tankvallen graven, onder toezicht van Duitse bewakers. Er heerst een hard regiem. Wie niet werkt krijgt een opsodemieter van heb ik jou daar. Het is buiten koud. De winter van 1944 lijkt een echte te worden. Koning Winter zal regeren en niet Adolf Hitler.

Op een nacht in december regent het en sneeuwt het tegelijkertijd. Verschrikkelijk beroerd weer. Riekus maakt Hendrik wakker. "Jongen, we gaan er vandoor". "Wat? Dat kan niet man. Overal bewakers". Hendrik ziet het niet zitten. Riekus wel. "Kom op. Kleren aan en schep mee. Wegwezen". De mannen verlaten de boerenschuur en proberen zo snel mogelijk ver van het kamp te komen. Bewakers zien ze niet. Prachtig! Oh, daar loopt een landwacht. Uitkijken. "Als hij ons ziet lopen we regelrecht op hem af en slaan hem met de schep de hersens in", fluistert Riekus.

De verzetstrijders zien kans uit het gezichtsveld van de landwacht te komen. Ze lopen en lopen. Over sloten, door bossen. Riekus weet ongeveer de goede richting. Ze willen terug naar Bantega. Na een dag zwerven zijn ze in de buurt van Appelscha gekomen. Het is laat in de avond als ze bij een boer aankloppen. "Vluchtelingen? Kom maar binnen!" Van de boer krijgen ze eten en melk. Uitstekende kost in de oorlog. De jongens vragen of ze mogen blijven slapen. Dat mag, maar alleen op het hooi. In het voorhuis vindt hij te gevaarlijk. Hij belooft Hendrik en Riekus 's morgens om 5 uur te wekken. Dat gebeurt de volgende morgen ook. Weer krijgen ze goed eten. De landbouwer is onvoorstelbaar gastvrij.

Riekus vraagt naar het begin van de Tjonger, want als hij dat weet, dan komen zij vanzelf in de buurt van Bantega uit. De boer wijst de mannen de weg. Hendrik en Riekus nemen afscheid en vervolgen hun weg in de ijskoude buitenlucht. Ze ploeteren door ondergelopen landerijen. Bij momenten staan ze tot hun middel in het water. Ze verrekken van de kou. Het vriest behoorlijk. Ze gaan in een behoorlijk tempo. Het moet wel. Het is een zaak van leven of dood.

Plots staan ze voor de Helomavaart. Voor hun neuzen ligt een roeibootje, alsof het daar voor hen klaargelegd was. Ze steken de vaart over en lopen richting Langelille, waar ze doodmoe en steenkoud onderdak vragen en krijgen bij een veehouder. De volgende nacht zetten ze koers naar het ouderlijke huis in Bantega. De ouders hebben al via via vernomen dat hun jongens onderweg zijn. Grote vreugde als Hendrik en Riekus' s morgens thuis komen. Maar lang kan de vreugde niet duren, want ze worden gezocht en daarom moeten ze onmiddellijk weer weg.

Onderduiken.

Het eerste onderduikadres is dat van oom Hessel Luik, die een boerderij aan de Ringvaart heeft. Weken zitten Hendrik en Riekus daar, tot ze een seintje van de ondergrondse krijgen, dat de Duitsers hen op het spoor zijn. IJlings wordt de boerderij verlaten. Een nieuw onderkomen vinden ze bij de ouders van de verzetstrijder Jan Visser, boer Willem Visser op de Gracht te Scherpenzeel. Jan brengt de Bantegaster vandaar naar familie in Zevenbuurt. Ze verblijven onder de vloer van de huiskamer. Stro moet hen enigszins beschermen tegen de strenge kou.

Na een paar dagen wordt hen verzocht naar boer Elzinga in Oldelamer te gaan. Dat doen ze. Ze volgen in het nachtelijke donker een pad langs de Helomavaart, passeren een draaibrug. Er is niks fout gegaan als ze bij de Elzinga's zijn. Ze zullen daar geruime tijd blijven, Er moet gewacht worden op de Canadezen, die naar het Noorden oprukken. Hendrik en Riekus gaan 's nachts ongewapend op verkenning. Weken en weken trekken ze er op uit. Geen vlieg doet hen kwaad. Als de Canadezen Steenwijk voorbij zijn, worden Hendrik en Riekus naar de Driewegsluis gedirigeerd. Ze worden daar in de grote boerderij van Doede Boersma, waar inmiddels 80 verzetstrijders zijn aangekomen, ondergebracht. Daar zal de grote strijd tegen de Duitsers beginnen.

De Blesbrug.

In de boerderij zit veel geallieerd wapentuig: Stenguns en Bazooka's. Voorlopig zal er niet geschoten worden. Eerst moet de omgeving goed worden verkend. Als Duitse colonnes, op de vlucht voor de Canadezen naderen, worden explosieven op de wegen gelegd. De eerste militaire wagen is de sigaar, in één klap vliegen de banden van de auto. De moffen zijn des duivels en schieten hun mitrailleurs in de omgeving leeg. Het heeft geen enkel nut, want de ondergrondse is allang en ver weg.

De jongens trekken ' s nachts van de ene plaats naar de andere. Ze naderen zelfs een Duits munitiedepot op het landgoed "De Eese" van dichtbij. Ze ondernemen echter niets met hun kostbare wapens. Alleen verkennen, luidt de opdracht. Van "De Eese" worden de verzetstrijders naar barakken in Wolvega gestuurd. Als ze daar een paar weken hebben gezeten, moeten 21 mannen zich goed bewapenen. Onder de 21 mannen bevinden zich Hendrik en Riekus de Jong. Hen wordt opgedragen de Blesbrug, die over het riviertje De Linde tussen Wolvega en De Blesse ligt, in takt te houden voor de Canadezen. De bezetters zijn namelijk van plan de betonnen brug op te blazen. Zou dat gebeuren, dan lopen de Canadezen, die vanuit Steenwijk naderen ernstige vertraging op.

Op een nacht, begin april 1945, sluipen 21 mannen van de ondergrondse zwaar bewapend langs de spoorlijn richting Steenwijk. Bij de Blesbrug, die een paar honderd meter van de spoorbaan afligt, zien ze Duitsers bezig met het treffen van voorbereidingen voor het opblazen van de brug. Commandant Bosscha, laat zijn mannen de Duitsers omsingelen. Twee mannen met een bazooka en een zware mitrailleur blijven achter de spoorbaan zitten. De overige 19 mannen worden het veld in gestuurd.

Dan moet er een spervuur van de stenguns en brenguns volgen. Hendrik en Riekus hebben hun stengun gevuld met een houder van 32 patronen. Ieder heeft nog een reservehouder met 32 patronen, klokslag één uur wordt er aanhoudend op de brug geschoten. Na een kort spervuur is het doodstil. Er is geen Duitser in het donker te bekennen. De commandant besluit te wachten tot het licht is. Het duurt lang tot er wat zicht op de situatie komt. Als het goed licht is, sluipen de mannen naar de brug. De moffen zijn als sneeuw voor de zon verdwenen! De brug is heel gebleven. De Canadezen naderen met een tank. Later komen er meer aanrollen, Boscha en zijn mannen hebben een groot succes geboekt.

Bevrijding.

Als de Canadezen Wolvega binnenrijden gaat het legertje verzetsstrijders weer terug naar de barakken in de hoofdplaats van Weststellingwerf: Hendrik en Riekus nemen deel aan het oppakken van NSB' ers. Na een paar weken trekken ze naar het café van Tjeerd en Jikke in het bevrijde Oldelamer, om vandaar uit NSB'ers in het westen van de gemeente Weststellingwerf op te pakken. De Canadezen hebben stelling genomen in de buurt van Rohel en Scharsterbrug, om vandaar op de Lemster haven te schieten, Hendrik, Riekus en hun maten proberen te verhinderen dat de Duitsers de brug over de Tjonger bij Langelille in de lucht laten vliegen. Ze slagen er niet in om de Duitsers te verjagen en vragen daarom versterking van de Lemster ondergrondse, die om onduidelijke reden niet komt opdagen. De Duitsers hebben zich aan de Lemsterland-kant van de Tjonger ingegraven en kunnen zich goed verdedigen. Uiteindelijk moet de Tjongerbrug er aan geloven, Hendrik en Riekus zijn woest na het mooie succes van de Blesbrug.

Teleurgesteld keren ze terug naar het café van Tjeerd en Jikke in Oldelamer en vandaar gaan ze naar Wolvega, waar ze de wapens inleveren. Ze krijgen een briefje mee, dat hun werk is gedaan. Ze mogen terug naar het inmiddels bevrijde Lemsterland. Ze zitten nog maar een goede week thuis of daar verschijnt een grote auto vol leden van de ondergrondse uit Lemsterland. Het huis aan de Bandsloot wordt omsingeld en Hendrik en Riekus worden zonder pardon opgepakt. De broers kunnen kletsen wat ze willen, ze moeten toch mee.

De mannen uit Lemmer zijn er van overtuigd met NSB" ers te maken te hebben, Hendrik en Riekus maken zich verschrikkelijk kwaad. Wat mankeert die stomme Lemsters? Als er werk voor hen is bij de Tjongerbrug, dan zijn ze er niet. Maar als anderen het vuile werk in de oorlog hebben geklaard, dan komen zij met veel bravoure. Onderweg naar Lemmer krijgen Hendrik en Riekus te horen dat ze moeten werken. Ze worden in de centrale bakkerij gedrukt. Die Lemster verzetsstrijders zijn knettergek, denken Hendrik en Riekus. Ze verzoeken de Lemster commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten in Wolvega op te bellen en hem te vragen of zij nu goed of fout zijn. De commandant doet dat en hoort tot zijn stomme verbazing dat hij twee mensen van het verzet opgepakt heeft.

Fatsoen om zijn excuses aan te bieden heeft hij niet. Hendrik en Riekus zitten opgesloten in de centrale bakkerij, maar ontdekken op een gegeven moment dat er geen wacht meer wordt gehouden. "We lopen naar huis" zegt Riekus. Hen wordt geen strobreed in de weg gelegd. Als ze in Bantega aankomen, pakt Riekus de fiets en jakkert naar Wolvega, om bij commandant Kooistra te klagen over het gedrag van de Lemster commandant. Laatstgenoemde krijgt dan ook de wind van voren. Blunders kunnen ook verzetslieden begaan.

Na de oorlog.

Zeven augustus 1950 is Hendrik de Jong getrouwd met Afke Visser. Hij is weer aan het werk gegaan op kavel 17 in de polder. Het echtpaar heeft tot 1957 in Lemmer gewoond en is toen verhuisd naar Elburg, om vandaar uit mee te werken aan de opbouw van de volgende polder, Oostelijk Flevoland. In 1973 werd Hendrik de Jong afgekeurd, nadat hij een tweetal zware rug operaties had ondergaan. De verzetsstrijder zegt nu 35 jaar na de oorlog - te hopen dat er nooit weer zo'n oorlog komt.

Op de vraag, of hij als er weer een oorlog zou uitbreken - weer in de ondergrondse zou gaan, antwoordt hij niet vlot met ja. Hij zegt mensen in de ondergrondse meegemaakt te hebben, die spullen van anderen in beslag namen om er zelf rijker van te worden. Onaanvaardbaar vindt hij het dat vooraanstaande dorpelingen die bij de NSB waren en onderduikers aan Duitsers hebben verraden, na de oorlog nauwelijks werden gestraft, dit door toedoen van zogenaamde verzetsmensen. Naar de mening van Hendrik de Jong zijn sommige oneigenlijke verzetsstrijders met de eer van de ware verzetsstrijders gaan strijken.