Home » Lemmer » Vervoer Lemmer e.o. » De vroege verbindingen met De Lemmer

De vroege verbindingen met De Lemmer

Door Jaap van der Zwaag. j.s.vanderzwaag@planet.nl


Inleiding

De Lemmer hoorde in de vroege middeleeuwen bij Westergo, één van de delen waarin Friesland in de 15de eeuw was opgedeeld. Westergo was weer onderverdeeld in districten en die weer in decanaten. Lemsterland, gelegen in het uiterste zuiden van Friesland, was vóór het midden van de 18de eeuw een dunbevolkte streek.

De naam "Lemsterland" wordt voor het eerst genoemd in 1602. Het werd als benaming dan in een procedure voor het Hof van Friesland identiek gesteld met de oude naam "Lemster Fiifgea". Die oude naam komen we voor het eerst tegen in het "register van den aanbreng" van 1511. Uit dit register weten we dat de "Lemster Fiifgea", bestaande uit de vijf dorpen Lemmer, Eesterga, Follega, Oosterzee en Echten, toen één ambtsgebied vormde onder George, hertog van Saksen: een "grietenij".

Het nabijgelegen Oosterzee komt overigens al voor in 1132. Vóór 1511 schijnt men alleen het "Lemster Trijegea", gevormd door De Lemmer, Eesterga en Follega, te hebben gekend. Later werd het Trijegea het Fiifgea, met de toevoeging van Oostzingerland met de dorpen Oosterzee en Echten.

Een middeleeuwse grietenij van de omvang van het huidige Lemsterland is er nooit geweest. Tijdens de Franse overheersing werd Lemsterland opgeheven om plaats te maken voor de commune of mairie, omvattende Lemmer, Eesterga en Follega met bijbehorend gebied. Na de Franse tijd werd in 1816 de grietenij Lemsterland in naam en gebiedsomvang hersteld. De gemeentewet van 1851 maakte een einde aan de grietenij èn de grietman. Men kreeg toen in de gemeente Lemsterland het college van burgemeester en wethouders en dat van de gemeenteraad.

nl.wikipedia.org -Ligging van Westergo in het Frankische Rijk

Lemsterland in 1718

Lemsterland in 1718.

In de loop der tijd werd De Lemmer groter en steeds belangrijker en er kwamen steeds meer mensen van buiten wonen. Er kan rustig gesteld worden, dat het grootste deel van de voorouders van de huidige bevolking van buiten afkomstig is. Er zijn verschillende oorzaken voor dat fenomeen te noemen.

Nadat de werkzaamheden in de verveningsgebieden ten zuiden van het Tjeukemeer werden beëindigd trokken veel, van oorsprong Overijsselse veenarbeiders èn hun bazen aan het eind van de 19de eeuw naar De Lemmer om daar een nieuw bestaan te zoeken. Ongeveer tegelijkertijd verkeerde ons land in een landbouwcrisis, als gevolg waarvan veel werkloos geworden boerenarbeiders èn boeren uit de omgeving naar De Lemmer vertrokken met hetzelfde doel als de veenarbeiders: nieuw werk vinden.

Veel van deze mensen probeerden met de visserij op de Zuiderzee een boterham te verdienen, anderen boden zich aan als arbeider bij de aanleg van de nieuwe haven en zeesluis in De Lemmer. En weer anderen vonden werk in de vele nevenbedrijven van de visserij. Een en ander leidde tot een bevolkingsexplosie; in 1881 woonden er in De Lemmer bijna vier maal meer mensen als in 1714 en dat mag wel als zeer opzienbarend worden beschouwd, zeker als men bedenkt dat tegelijkertijd de bevolking van Friesland ongeveer anderhalf maal groter was geworden. Al die mensen probeerden dus op een of andere manier hun brood te verdienen.

Maar al voordat al deze mensen kwamen was De Lemmer in 17de en 18de eeuw al uitgegroeid tot een haven van bijna internationale betekenis. Vanuit deze haven voeren in die jaren vrachtschepen naar Frankrijk, de Oostzeelanden en naar verluidt zelfs naar Noord-Amerika, hoewel ik daarvoor geen bewijzen heb kunnen vinden.

Haven Lemmer.

De verbindingen over water.

Wegen waren eigenlijk vroeger niet nodig voor De Lemmer. Over het water was De Lemmer van alle kanten gemakkelijk bereikbaar. De Zuiderzee is eeuwenlang een behoorlijke barrière geweest tussen Friesland en het westen van ons land. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er altijd mensen waren, die dit obstakel probeerden te overwinnen door middel van het schip, ook vanuit De Lemmer. Met zeilschepen werden tal van beurtdiensten onderhouden tussen het noorden van het land en Amsterdam en Rotterdam.

Een man, die veel voor De Lemmer heeft gedaan om het dorp uit haar isolement te verlossen is de grietman Regnerus van Andringa (1674-1744) geweest. Regnerus trok ondernemende lieden aan voor "het oprigten van fabrijken en trafijken" en door zijn initiatieven werden enkele rederijen opgericht. Hij was eveneens verantwoordelijk voor het tot stand komen van geregelde veerdiensten met "welingerigte" schepen op Amsterdam, Zwolle en Kampen, alsook een verbinding per postwagen met Groningen en Leeuwarden. Op 15 maart 1703 bijvoorbeeld kreeg Regnerus octrooi om een veerdienst te openen tussen De Lemmer en Zwolle.

Lemster Beurtschip.

Friesland kende overigens al beurtschippers in het laatste van de middeleeuwen, dus vóór 1500. Ook De Lemmer heeft ongetwijfeld al heel vroeg beurtschippers gekend. Veel is daarover niet bekend. Wel weten we dat De Lemmer in het begin van de 18de eeuw een belangrijk begin- en eindpunt was van beurt- en veerdiensten op o.a. Groningen, Zwolle, Woudsend, Sneek en Joure.

De schepen die de binnenvaart op De Lemmer verzorgden kwamen voornamelijk via de Zijlroede bij de Oude Zeesluis (ook Lemstersluis of de Lemster-Zijl genoemd), die ze moesten passeren om de zeehaven te bereiken. Op deze plek moesten de schippers tol betalen. De kerkvoogden van de drie dorpen beschouwden de Lemstersluis na de Hervorming (1580) als hun eigendom. En dat betekende, dat ze niet alleen de visvangst in de sluis verhuurden, maar ook de tol op de doorvaart inden. Die inkomsten waren bestemd voor het bestuur en het onderhoud van de sluis.

Later is, waarschijnlijk als gevolg van scheiding tussen kerk en staat, de sluis toegewezen aan de floreenplichtigen. Die benoemden een administrateur voor het leven: Wilco van Andringa de Kempenaer. We kennen die merkwaardige constructie als het Waterschap De Lemstersluis. Overigens zijn de sluiswerken te De Lemmer op 1 juli 1959 overgegaan aan de gemeente Lemsterland.

De verbinding met Groningen dateert al uit het begin van de 17de eeuw, toen octrooi werd verleend voor een veer Groningen-Lemmer-Amsterdam. Van Groningen ging dagelijks een zeilschip, de zogeheten Binnen-Lemmer-Beurtman naar De Lemmer, waar men kon overstappen op een ander, groter, zeilschip, de Buiten-Lemmer-Beurtman, dat vervolgens naar Amsterdam zeilde.

Op 13 december 1710 kreeg Albert Hanzes octrooi van de Staten van Friesland om een veerdienst met zeilschepen te onderhouden tussen De Lemmer en Amsterdam.. De schepen deden er in die jaren tussen de 12 en 14 uur over om de Zuiderzee over te steken en dat werd als snel beschouwd. Hoewel er in sinds 1828 al met het stoomschip (het raderschip "IJssel") een veel snellere dienst zou worden gevaren, bleven de meeste schepen tussen De Lemmer en Amsterdam nog onder zeil varen.

Het duurde 36 jaar voordat er een tweede stoomschip op deze lijn in gebruik werd genomen Werd er aanvankelijk alleen vracht vervoerd, de veel snellere stoomschepen namen voortaan ook passagiers mee, voor het eerst met de "Lemmer" en "Amsterdam" van de Lemster ondernemers Adrianus de Jong en Jochem de Haan. De Lemster Stoomboot Reederij onderhield met het stoomraderschip "Stad Sneek" een dienst voor het "vervoer van reizigers en goederen". Erg comfortabel moeten die reizen niet zijn geweest, want tijdens de overtocht verbleven verreweg de meeste passagiers voortdurend aan dek omdat in de passagiers accommodatie nauwelijks ruimte was.

Naast de zeilende beurtdienst bestonden er verschillende stoombootdiensten over de binnenwateren. Op 23 november 1868 begon J.S. Lemstra uit De Lemmer met de exploitatie van een stoombootdienst tussen De Lemmer en Joure. Elf jaar later, op 7 juli 1879, startte W. Tieleman een dienst tussen dezelfde plaatsen met de stoomboot "Burgemeester I.J. Rinkes"er In 1864 was een concessie verleend voor een stoombootdienst tussen Groningen en De Lemmer aan Jan Nieveen te Groningen en W. & M. Geveke te De Lemmer.

Deze dienst voldeed zó goed, dat de broers Jan, Geert en Reint Nieveen besloten om met stoomschepen op Amsterdam te gaan varen. Daartoe werd op 9 juli 1870 de Groninger/Lemmer Stoomboot Maatschappij opgericht, die een tweetal trajecten ging exploiteren: één tussen Groningen en De Lemmer, de zogenaamde Binnenmaatschappij en één tussen De Lemmer en Amsterdam. de zogenaamde Buitenmaatschappij.

Van Groningen vertrok men ´s morgens om 5 uur, van De Lemmer een half uur na aankomst van de zeeboot uit Amsterdam. Van Amsterdam vertrok iedere avond om 9 uur een boot naar De Lemmer. De reisroute tussen Groningen en De Lemmer zag er als volgt uit: langs het Hoendiep, Stroobos, Kootstertil, Schuilenburg, Bergumerdam, Grouw, Irnsum, Oude Schouw, Sneek, IJlst, Woudsend, Sloten, De Lemmer.

Voor beide trajecten waren afzonderlijke schepen nodig. De uit 1865 daterende "Groningen I" werd ingezet en in 1871 werden de nieuwgebouwde "Groningen II" en "Groningen IV" in de vaart gebracht. De dienst bleek zó lonend, dat in 1887 de "Groningen II" werd verbouwd en ingericht voor het vervoer van passagiers over de Zuiderzee. Maar een luxe reis kon de passagier met dit schip niet verwachten, omdat het dek grotendeels door deklast of door vee in beslag werd genomen. De reis Groningen-Lemmer kostte 2½ gulden eerste en 1¾ gulden tweede kajuit, terwijl voor de hele reis Groningen-Amsterdam respectievelijk 4 en 3 gulden moest worden betaald.

De binnenhaven van Lemmer.

Adrianus de Jong en Jochem de Haan hadden zich inmiddels mèt hun schepen aangesloten bij de GLSM; ze hebben nog jarenlang als gezagvoerder met hun voormalige eigendommen kunnen varen.

De GLSM legde zich vooral toe op vrachtvervoer. In De Lemmer waren er doorverbindingen naar onder andere Sneek, Bolsward, Joure, Wolvega, Blokzijl, Winschoten en Groningen. Geduchte concurrentie ondervond de rederij vanaf 1901 toen de Nederlandsche Tramweg Maatschappij een stoomtramlijn tussen De Lemmer en Heerenveen was gaan exploiteren (waarover hieronder meer). Deze tramlijn sloot in De Lemmer aan op de dienst van de grote concurrent van de GLSM, de Holland-Friesland Lijn, welke enkele tramboten liet varen tussen De Lemmer en Amsterdam. Wie meer wil weten over de tramboten verwijs ik naar mijn verhaal op deze site.

In de jaren ’20 ging de GLSM over tot het vernieuwen van haar vloot. Achtereenvolgens werden in dienst gesteld het passagiersschip "Jan Nieveen" en de vrachtschepen "Harm Nieveen", "Groningen VI" en "Groningen VII" en de "Sneek VII".

In 1933 breidde de GLSM haar activiteiten uit met een vrachtautodienst tussen Groningen en De Lemmer in aansluiting op de nachtboot, die om 4 uur in de ochtend arriveerde. En in 1939 werd de dienst uitgebreid met een dagelijkse beurtdienst van Groningen via De Lemmer en Amsterdam naar Zaandam en een dienst van Groningen via De Lemmer naar Rotterdam.

De Tweede Wereldoorlog kwam de maatschappij niet zonder kleerscheuren door. Er waren schepen beschadigd, de Groningen IV was gezonken en vijf andere schepen lagen ergens in het buitenland. In 1946 werd het wrak van de Groningen IV gelicht, dat onherstelbaar beschadigd bleek. In 1948 werd de GLSM samen met de Rederij Van Swieten en de Groninger-Rotterdammer Stoombootmaatschappij ondergebracht in een combinatie: de Groninger Beurtvaart. Op 5 oktober 153 werd deze maatschappij omgezet in een naamloze vennootschap, die in 1955 achttien schepen in de vaart had.

De verbinding over wegen.

In de eerste eeuwen van haar bestaan is De Lemmer nooit meer dan een "vlek" geweest. Die onbelangrijkheid was zonder meer de oorzaak dat er maar weinig wegen naar het dorp liepen. Eén weg liep over de zeedijk en verbond Tacozijl met de grens van Overijssel (bij Slijkenburg). Voorts was er nog een weg, de "rijd wech", die van De Lemmer via Oosterzee en Delfstrahuizen naar Heerenveen liep en langs welke men geheel Schoterland door moest rijden (of lopen) om in Joure te kunnen komen.

En er was nog een voetpad annex paardenpad, welke vanaf de Gereformeerde Kerk in Nieuwburen over de Follegaster Brug naar Sneek liep en door de Lemsters ’t Paad werd genoemd. Dit pad deed denken aan een prachtige laan door de bomen aan weerszijden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het voor de Lemsters een geliefde wandelweg was. En er werden zelfs harddraverijen gehouden met paarden van de draverijvereniging "Het Vosje". Die draverijen gebeurden tussen het eerste en tweede brugje. Later zou ’t Paad een rijweg en weer later (omstreeks 1845) een Rijksstraatweg worden.

De wegen, die De Lemmer met andere plaatsen verbonden, waren heel vaak onbegaanbaar, vooral als het veel geregend had. Ze waren smal en hadden geen berm, waardoor de postwagen en diligences die er over reden elkaar moeilijk konden passeren. Langs de ’t Paad en de weg naar Oosterzee woonden maar weinig mensen, voornamelijk boeren. Het land erachter was vroeger leeg en woest.

Naast de veerdiensten per schip bestonden er ook veerdiensten over de weg, ook wel "wagendiensten" genoemd. Zo werd bijvoorbeeld op 2 april 1740 octrooi verleend aan de eerder genoemde kerkvoogden voor het exploiteren van een "wagenveer" tussen De Lemmer en Heerenveen, Leeuwarden en Groningen. En op 30 mei 1761 begon Hendrik Meijer met de exploitatie van een postwagendienst. Tweemaal per week vertrok een postwagen vanaf de herberg "De Wildeman" naar Leeuwarden op dinsdag en zondag nadat de Lemmer-beurtman uit Amsterdam was gearriveerd.

En vanuit Leeuwarden vertrok van de herberg ’t Wagentje een postwagen op woensdag en op zaterdag naar De Lemmer. Later kwamen er nog meer postwagen- en diligencediensten. Op 6 april 1804 werd een postwagen in dienst gesteld tussen De Lemmer en Joure. Reizigers die uit Amsterdam kwamen konden toen vanaf "De Wildeman" met een diligence van P.H. Hielkema naar bijvoorbeeld Heerenveen via Joure rijden of met een diligence van Andries Tjallings Teitsma (afkomstig uit De Lemmer) en Gerrit de Ruiter (afkomstig uit Sneek) naar Leeuwarden via Sneek vanaf de aanlegplaats van de boot. Teitsma c.s. kwamen op 10 juni 1862 met een nieuwe diligence met 12 plaatsen op de weg. Andries Teitsma was ook eigenaar van Het Heeren Logement in De Lemmer. Dat logement liet hij in 1837 veilen. De postwagen naar Zwolle vertrok vanaf de Korte Streek.

Tijdens het bewind van koning Willem I (1814-1840) kreeg het wegennet in Nederland grote aandacht. De spaarzame hoofdwegen, al vele jaren door postwagens en diligences bereden, waren onvoldoende om het binnenland te ontsluiten, iets wat volgens de koning hoogst noodzakelijk was om Nederland er weer economisch bovenop te helpen. Een net van straatwegen was als aanvulling nodig. De financiering was een probleem, maar dit werd opgelost door leningen aan te gaan en het onderhoud te bekostigen met tolgelden. En weldra reden de diligences langs routes die nooit openbaar vervoer hadden gekend.

Op 24 februari 1843 werd begonnen met de bestrating van de weg vanuit De Lemmer (’t Paad) naar Leeuwarden via Sneek, zodat ook De Lemmer beter bereikbaar zou worden. Deze weg werd als zeer belangrijk beschouwd omdat De Lemmer inmiddels de belangrijkste haven aan de Zuiderzee was geworden voor het verkeer met Amsterdam. Tussen De Lemmer en de Friese hoofdstad bestond al een geregelde diligencedienst. Een half uur na aankomst van de Beurtman uit Amsterdam vertrok vóór "De Wildeman" (bij H. Le Heux volgens de Friesche Volks Almanak) elke dag een diligence naar Leeuwarden.

En na aankomst van de postwagen in De Lemmer vertrok het beurtschip elke avond om acht uur naar Amsterdam. Uit de Friesche Volks Almanak van 1839 weten we ook dat er elke dinsdag en zaterdag om acht uur een schip uit De Lemmer vertrok naar Enkhuizen en Kampen en elke zondag, dinsdag, donderdag en zaterdag, "terstond na de aankomst van den Beurtman van Amsterdam, doch van den 12 November tot den 15 Februarij des zondags niet" een schip naar Groningen.

Reiskoets bij Hotel 'De Wildeman' te Lemmer.

Postwagen

Diligence.

TOP