Home » Historie-Friesland » Adelskerk

Adelskerk

Over de kerk.

In 1890 hadden twee adellijke orthodoxe families, Van Lynden en Lycklama à Nijeholt, uit Beetsterzwaag, de vrije hand om een kerk te bouwen en kreeg architect Luitje de Goed, eveneens uit Beetsterzwaag, de opdracht en werd in Oud-Beets nu Beetsterzwaag hun eigen kerk neergezet, naar aanleiding van een richtingenstrijd die er had geheerst.

Geheel in neorenaissancestijl schreef R. J. Wielinga, van de stichting 'Moderne Architectuur Friesland' dat het gaat om een eenbeukige kerk met een driezijdige sluiting transepten en een toren. De transepten bezitten rijk gedetailleerde trapgevels met op de trappen gebeeldhouwd rolwerk op de schouders obelisken en op de top een fronton, alle in de trant van Hendrick de Keyser en Hans Vredeman de Vries.

De gevels bezitten rondboogvensters gevuld met glas in lood. Op het dak is een gietijzeren versiering geplaatst. Het rondboogfries onder de dakgoot lijkt geïnspireerd te zijn op de Romaanse en romangotische kerken. De ontwerptekening laat zien dat de achtzijdige spits door een koepel in de typische renaissance stijl werd bekroond.

Wie via de A7 wel eens van Drachten naar Heerenveen rijdt kent "it tsjerkje fan Beets" een curiositeit die op afstand het midden houdt tussen een kasteeltje en een godshuis. Toen we kleiner waren, twintig jaar geleden was het kerkje een hoogtepunt tijdens de zeldzame autoritten vanuit de Groninger veenkoloniën, net als de bunkers langs dezelfde weg dichter bij Groningen. Een baken ook want bij "it tsjerkje" moesten we van de grote weg - toen nog rijksweg 43 - af pake en beppe woonden in Beetsterzwaag.

Vooral diegenen met een wat ongeremd gevoel voor romantiek zien in het bouwwerk graag een zeer oude ruïne, maar in werkelijkheid gaat het om een kerk van nog geen honderd jaar oud, gebouwd op de terp waarop al in de twaalfde eeuw een kerk stond.
Voor amateurs die er meer verstand stand van hebben, zeggen dat de kerk niet bijster interessant is. Het is om maar eens even beledigend uit te halen een plastickerk.

30-16.jpg

In het naburige Polder Beets (het huidige Nij Beets) woonden inmiddels echter al veel meer mensen dan in ‘Oud’ Beets en zij voelden er weinig voor om naar de adelskerk te gaan. Dit leidde tot de bouw van het 'houten kerkje van Nij Beets" dat met het kerstfeest van 1891 werd ingewijd om de veenarbeiders van het toenmalige Beets, een lange loop naar de bestaande hervormde kerk in Oud Beets, welke daar was neergezet door de adellijke families Van Lijnden en Lyclama á Nijholt, te besparen.

De arbeiders vertikten het iedere zondag vijf kilometer te lopen om een kerkdienst bij te wonen. Ds. Van der Brugghen, uit het Gelderse Ubbebergen, die in de contreien van Beets was terechtgekomen, wilde toch de arbeiders geestelijk voedsel bieden, en liet op eigen initiatief een houten kerkje bouwen. Via donaties van vrienden verwierf hij de benodigde dertienhonderd gulden. In 1891 werd de kerk in gebruikgenomen. Het gebouw kreeg al gauw de bijnaam het Houten Himeltsje.

Van der Brugghen, preekte er met grote gedrevenheid en deelde aan het einde van de dienst snert uit. Dit vanwege de grote armoede in Beets. Niet al zijn kerkgangers kwamen er voor het goede woord; er zaten er tussen die het enkel en alleen om de snert te doen was. Zij noemden de preken van Van der Brugghen, dan ook wel gekscherend ,,snertdiensten’’.

Van der Brugghen hield het niet bij preken alleen. Hij richtte onder meer een jongemannen- en naaivereniging op en bestreed het drankmisbruik, een groot probleem in de streek. Van der Brugghen raakte geregeld in onmin met de socialisten in Beets. De predikant kon zich maar moeilijk vinden in de wijze waarop zij ijverden voor verbetering van sociale omstandigheden; met name hun stakingen wees hij af. Volgens Van der Brugghen moest een mens berusten in zijn toestand om later ,,het hemelrijk te kunnen erven’’.

Van der Brugghen verruilde Beets in 1898 voor de Belgische Zendingskerk in Brussel. ,,Ook verspreidde hij hier het evangelie onder de Roomse Vlamingen’’, weet zijn kleinzoon Joan van der Brugghen (83). Hij was een fel bevechter van de Roomsen. Hij deed zijn evangelisatiewerk vanuit zijn automobiel. Hij was een van de eersten, zeker een van de eerste dominees, met een automobiel.

Met een paardenkracht van dertig en een vaart van 48 kilometer per uur liet hij pamfletten met daarop het evangelie uit het autoraam waaien. Die werden door de kinderen van de straat gezocht en aan hun ouders overhandigd.’’ In 1914 werd ds Van der Brugghen door de Duitsers uitgewezen uit België. Tot zijn sterven was hij emerituspredikant in Utrecht.

Grote stukken piepschuim in de sloten herinneren aan de tijd dat beeldend kunstenaar Jaap van der Mei, in de kerk woonde en werkte. Ook de padvinderij was er nog even onder dak maar niemand hield het er lang uit.

De kerkvoogden hebben wel geprobeerd een gegadigde te vinden en er zijn zelfs aanbiedingen geweest. Maar om nou van de kerk een seksclub te maken zoals een van de Hollanders die zich meldde voorstelde dat ging te ver. Daarom hebben alleen de duiven er nu nog een riant onderkomen komen. Zoals het er nu voorstaat wordt ook de huur opgezegd. De kerk moet weg volgens de voogden omdat het gevaar voor instorten te groot wordt.

De kerk te Beets, is zeker één der oudste Godsgebouwen in Friesland. Zeer hoog gelegen zoals bijna alle oude kerken. Kan men niet zeggen dat haar de eer om zoo hoog boven anderen te staan rechtens toekomt zeker niet wat bouworde en uiterlijk of antieke overblijfselen van grafsteenmonumenten.

De kerk binnenkomend die in een woord alle poëzie mist, moet het ons wel verwonderen wonderen dat de adellijke geslachten wanneer die hier gewoond hebben te Beets ter kerke gingen en een laatste rustplaats vonden enkel hunne rijkversierde en kostbare grafstenen tot het nageslacht hebben laten spreken.

Nergens toch schijnt eenige versiering aangebracht, aan banken noch wanden gelijk men dat overal elders kan opmerken waar de eerste familiën des lands hebben gezeteld aldus de Hepkema krant van 23 augustus 1884. Het uit de zestiende eeuw stammende kerkje gebouwd op de plaats waar in de twaalfde eeuw de eerste katholieke kerk verrees, kon de verslaggever van de Hepkema krant niet bekoren.

De kerk ooit opgedragen aan de heilige Geertruid was maar een heel gewoon bouwseltje en dat voor Beets eeuwenlang het kerkelijk centrum voor de wijde omtrek. Maar daar zou parbleu de adel eens wat aan doen.

Zo kon het gebeuren dat terwijl enkele kilometers verderop in de Beetster nattigheid de arbeiders bijna crepeerden er voor een kapitaal een nieuw kerkgebouw werd opgericht. Ook al dankzij de wedijver en meningsverschillen van zich rechten en vrijzinnig noemende edelen. Het zou niet voor het eerst zijn dat een kerk werd opgericht juist omdat hoge heren niet met elkaar overweg konden.

Een nieuwe kerk dus niet zozeer ter meerdere eer en glorie van Hem maar eerder van hen de bouwers van Van Lyndens en de Lycklama’s a Nijeholt. Architect Luitje de Goed, uit Beetsterzwaag die stad en land afreisde om indrukken op te doen hoefde niet op een paar centen te kijken en dat was al gauw te merken. (Luitje heeft ook hearehûs De Horst, dat in 1907 is gebouwd ontworpen en Fockens state werd ook door Luitje de Goed gebouwd die gaf het gebouw toen een Neo-Gotische uitstraling door het aanbrengen van Decoraties.)

Architect Luitje de Goed.

In 1890 stond er een kerk groter mooier duurder en sterker dan welke kerk in de omtrek ook onvergelijkbaar aan de vorige eiken banken, gebrandschilderde ramen met de wapens van de adel overal toeters en bellen en van alles het beste. De muren werden een halve meter dik het was een kerk die eeuwen moest trotseren.

Generaties kerkgangers zouden iedere zondag aan de adel worden herinnerd een kerk zo degelijk dat de duivel zelf het gebouw niet stuk zou kunnen krijgen als hij dat zou willen, een monument voor altijd. De bouwers hadden er niet lang plezier van want in 1917 stierf de adellijke tak van de Lycklama’s a Nijeholt uit.

Die van Van Lynden bestond zes jaar na de bouw al niet meer, sterfgevallen zo drastisch dat de gewelven onder de kerk niet de laatste rustplaats zijn geworden van generaties edelen.
Wat bleef was de adelskerk de herinnering aan een tijdperk maar ook voor dit monument lijkt het laatste uur geslagen. Het kerkje heeft wat bouwstijlen betreft een alleraardigst allegaartje waarin het Romaanse overheerst wordt.

Van de ooit indrukwekkende ramen is er niet een over, de jeugd vernielde, onbekenden verdwenen met een deel van de inventaris, niemand die zich er nog om bekommerde en alsof dat niet genoeg was bemoeide ook de hemel zich er nog eens mee toen de bliksem het spitsje van de toren sloeg. Er rustte geen zegen op.

Nadat de bliksem het spitsje van de toren sloeg.

Eigenlijk was dat van meet af aan zo Ds. Isaac Spandaw, Beetster dominee, zei in zijn eerste preek in de nieuwe kerk (10 augustus 1890) ’t Is waar velen onder ons die hadden gewenst en die daartoe pogingen in het werk hebben gesteld dat er een eenvoudig gebouw ware gesticht te midden van de nieuwe bevolking van het nieuw ontstane Beets hier een kilometer of vijf vandaan en zulks ten gerieve van de nieuw gekomen bevolking.

Maar het heeft niet zo mogen wezen De oude graven hebben invloed geoefend en de tegenwoordige belangen overschaduwd. Dit schone kerkgebouw heeft een ongeschikte ligging dichtbij Beetsterzwaag, waar wij reeds een kerk bezitten en veraf van het nieuwe dorp Beets.

Nu bevindt gij u in grote menigte hier maar zorg ervoor zo misschien te eniger tijd een vreemdeling moge komen dat hij niet met verbazing zou vragen waarom staat hier in de wijde ruimte ver van alles af zulk een schoon ruim, kerkgebouw voor zo luttel schare. Gij wier gestel gezond en veerkrachtig is u niet te gauw afschrikken door de afgelegenheid van dit kerkgebouw en evenmin door de winderige en koude weg die vooral al 's winters uiterst onbehaaglijk kan wezen.

Overigens is het niet zó vreemd dat de kerk daar werd gebouwd. Er had al zeven eeuwen een kerk gestaan en de graven waren honderden jaren oud, immers toen Beets al een dorp van belang was liep Beetsterzwaag nog in de korte broek.

Maar het werd zoals Ds. Spandaw, al voorzag geen succes. Ds. G. A. van Brugghen, die in 1890 te Beets werd geroepen, schrijft in Vijfmaal dominee, dat de kerk op een ongelukkige plaats staat.

"Die wat ver weg woonden, moesten wel een uur loopen en dat deden zij niet, tenminste niet voor mij". Daarbij de Beetsterkerk is wel heel fraai van binnen maar ontzettend koud. En de kerkvoogdij kon nog maar niet besluiten om er een kachel te zetten. Ook de adel had geen zin in een koude kont, want wanneer er nu en dan eens een vertegenwoordiger van den Frieschen adel in de schoone eikenhouten banken plaats nam, was het altijd zomer en was er geen kachel nodig.

Daar de berg (= de gemeente) (en mijn meeste volk zat in de polder) dus niet tot Mahomed (en volgens de dominee dus niet Mohamed, red.) kwam is Mahomed naar den berg gegaan en ik heb mijn kerkje in t midden van de polderbevolking gezet, om hen vandaar uit met het woord Gods te bezielen en te zegenen. In 1891 toen de specie van de nieuwe kerk amper droog was, was ik (Van der Brugghen), bezig met den Heer architect de G. van Beetsterzwaag, te overleggen hoe ik mijn kerkje in den polder maken zou want ik was ontevreden over mijn bûmmelend bestaan tot hiertoe en ik wou nu toch eindelijk eens iets doen.

De brieven aan vrienden en kennissen tot bekendmaking van mijn voornemen een stichting van een kerkje in den polder met verzoek om ondersteuning waren onderweg. Ik zie mij nog bezig met in mijn hof op den grond de teekening te maken. Vrij spoedig kreeg ik de giften bijeen - maar toen ik f 1300,- had, hield het geven op en was mij dit een aanwijzing om maar te beginnen.

Ik verlangde niet naar een steenen gebouw ik was tevreden met een houten tent. Baron van Lynden gaf mij een stukje grond in bruikleen. De architect zette er een vrij aardig gebouwtje op met een torentje rustend op 30 palen, Jhr. A. Lycklama, beplantte later uit eigen beweging den pol, waarop ’t kerkje stond met populieren. Ik had verzocht dat men voordat het kerkje gereed was, daarbij een staak zou plaatsen met het opschrift: "Aanbevolen aan de zorg van het publiek"

Maar voordat die paal er stond, bewierpen de socialisten het gebouw met bagger dat ik niet heel aangenaam vond. Vervolgens liet ik er nog twee palen zetten. De een voorzien van ene tekst uit ’t O Jesaja 55:7 (ter bemoediging ging van bedrukte zondaars) en de ander met het woord van Paulus Rom. 8:11 (voor de christenen ter herinnering van den schat dien zij bezitten). En in den gevel boven de deur stond geschreven: "De Heer is mijn helper tot bemoediging voor mij zelven en ter waarschuwing der tegenstanders"

Zoo, predikte mijn kerkje tot alle voorbijgangers. Het ligt aan den Prikweg. En die weg was toen vooral des winters in den regel gedeeltelijk onder water (vandaar de prikken = takken op de weg waardoor verkeer mogelijk was red.) zoodat ik altijd hooge laarzen droeg, als ik daarheen ging. En dat was elke Donderdag en Zondag ( . . ) Toen dan het kerkje gereed was, was mij dit een verhooring van mijn wenschen en vielen daarmee veel moeilijkheden weg. Ik heb er veel gesproken, geleerd, gezucht en gebeden. Ik heb er veel zorg gehad maar ook veel vreugde.

Ik dank God voor alles. Welke schoone ogenblikken waren het, als de kindertjes mij bij mijn nadering al zingende tegemoet sprongen om mee naar binnen te gaan, en uit den Bijbel te hooren vertellen. En als ik de menschen ’s avonds na hun dagwerk van allen kant uit de verte zag aankomen voor den avonddienst, welke stichtelijke gevoelens maakten zich dan van mij meester.

En hoe voelde ik dan maar al te dikwijls dat ik niet voldoende geestelijke stof had om deze zielen te voeden. Toch heb ik ’t ze ook wel eens gegeven geven door Gods genade. Er moest dus al gauw na de bouw van de "dure" kerk een kerkje in de gemeenschap worden gebouwd. De adelskerk werd maar matig bezocht en dat werd er in de loop van de jaren niet beter op.

Veehouder Zwaagstra, die vroeger op de Tsjerkepleats woonde, heeft de klok nog geluid en graven gedolven."Alle dagen om njoggen oere en om twa oere ha wy de klokken let" aldus Zwaagstra.

Die klokken van rond 1500 staan nu in de oudheidkamer van Gorredijk. Zwaagstra "trape ek de pûster" hij zorgde voor de lucht zodat boer Cnossen, het orgel kon bespelen. Slechts eenmaal in de drie weken en uitsluitend van mei tot en met september was er dienst. En nog kwamen soms maar zes of zeven mensen. Cnossen vroeg zich dan wel eens af 'zo weet Zwaagstra van zijn vader' waarvoor ze het eigenlijk nog deden, den Dominee Jan Derk Domela Nieuwenhuis Nyegaard, die tot 1944 in Beets stond zou dan hebben gezegd? "Waar twee of drie in mijn naam vergaderd zijn, daar zal ik in hun midden zijn"

Ds. Domela Nieuwenhuis Nijegaard. Zie ook: Jan Derk Domela_Nieuwenhuis Nyegaard

Men moet haast aannemen dat alleen tijdens de inwijding de kerkbanken bezet zijn geweest. En misschien later nog eens tijdens de Spaanse griep toen er dagen waren dat de klokken van 's morgens vroeg tot ’s avonds laat luidden.

Na de indeling in wijkgemeenten Beetsterzwaag - Oud Beets - Olterterp en Nij Beets, schrijft dominee J. Wagenaar -in de Drachtster Courant van 5 september 1958- werd het nog moeilijker om diensten in Oud Beets vast te stellen. Dat was al een terugblik want een jaar eerder hadden de voogden het opgegeven. De dominee was opgestapt zijn volgelingen waren hem deze keer voor gegaan.

De oude kerk van Beets, getekend door J. A. Lycklama á Nijholt in 1879. „Een heel gewoon bouwseltje. Maar daar zou, de adel eens wat aan doen." Tien Jaar later werd het afgebroken om plaats te maken voor de kerk die nu ook verdwenen is.

De gang naar de kerk heeft er in het vervenersdorp Nij Beets nooit erg ingezeten. De turfgravers hadden genoeg aan hun dagelijks sores. Afgezien daarvan had het merendeel van het armoedige werkvolk meer op met de heilsverwachtingen van het socialisme dan de zondagsprediking.

Toch kreeg Nij Beets in 1891 een eigen kerkje dat de socialisten spottend typeerden als het "houten hemeltje" Tot 1911 stond de noodkerk aan de Prikkewei, daarna werd het als bouwpakket afgevoerd met onbekende bestemming. De vrijwilligers van het laagveenderij museum "It damshûs" ijveren nu voor eerherstel. De roerige vereveningsgeschiedenis zou zonder bedehuis onvoldoende tot haar recht komen.

Inmiddels is het kerkje nagebouwd in het openlucht museum "it damshus". www.damshus.nl

Schreef J. v. Tol in Sljucht en Rjucht (2 augustus 1902) (nog van in pronkstik fen in gebou ien fen ’e moaiste protestantske tsjerken fen Fryslan het mooiste is er inmiddels af. Het grote orgel een geschenk van August Lycklama werd jaren geleden verkocht naar de Zuiderkerk in Drachten (en is later uitgebreid met een extra bas klavier ) ook de preekstoel en de banken werden naar elders gebracht nadat de dominee was verhuisd omdat de gelovigen wegbleven. Guillaume Anne van der Brugghen, geboren te Ubbergen 3 februari 1848, overleden Utrecht 19 november 1928, predikant werd in 1891 predikant van Beets)

Op de foto: Zo ziet het orgel uit de Adelskerk er nu uit (2013)

Lieuwe van der Velde, vertelt: Het prachtige orgel, een geschenk van August Lycklama, is gegaan naar de Zuiderkerk in Drachten, aan de burgemeester Wuiteweg. Deze kerk was in 1925 in gebruik genomen en had vele jaren niet de beschikking over een orgel. Het orgel uit de Adelskerk is dus daar nog te bekijken. Het orgel is in 1904 gebouwd door de firma Maarschalkerweerd & Zoon (Utrecht) voor de Adelskerk. In 1957 plaatste de firma J. Reil (Heerde) het over naar Drachten. De firma Pels & Van Leeuwen ('s-Hertogenbosch) restaureerde het in 1985 en het geheel is uitgebreid met een tweede pedaalstem.