Home » Historie-Friesland » Blokhuispoort ’45: Dagboek H de Haan

Blokhuispoort 1945: Dagboek van H. de Haan.

Fries ‘Dachboek’ uit Cel 11. ©

Arrestatie - verhoor - confrontatie.

Dagboek van H. de Haan.

5 jan 1945 – 15 jan 1945

Hielke de Haan werd gearresteerd door de Sicherheitsdienst, en opgesloten in het Huis van Bewaring van de Blokhuispoort. Zijn koele strijd met de SD van Grundmann resulteerde in een onverwachte vrijlating. De Haan schreef een dagboek in Cel 11, in het Fries. Dat wordt hierbij gepubliceerd in het Nederlands.

Hielke de Haan.

© Jenne de Haan: 1 maart 2015.

INLEIDING BLOKHUISPOORT 1945.

Fries ‘Dachboek’ uit Cel 11.

In januari 1945 heeft Hielke de Haan (1911-1986), in Joure en Huizum destijds bekend als ‘Meester de Haan’, tien dagen doorgebracht in Cel 11 van het Huis van Bewaring te Leeuwarden. Hij heeft in die cel een dagboek bijgehouden, geschreven op de toen verstrekte dunne velletjes papier voor de toiletemmer.

Ook zijn er enkele blaadjes uit de gevangenis gesmokkeld door bewakers. Zijn vrouw, ouders en kinderen in het toenmalige Huizum bij Leeuwarden, kregen zo enkele berichten na zijn plotselinge arrestatie. Mevrouw De Haan werd met cryptische aanduidingen geïnstrueerd te waarschuwen voor mogelijk andere arrestaties.

Meester De Haan was betrokken bij verstrekking van voedsel en bonkaarten aan onderduikers en bovendien geïnformeerd over het verzetswerk van het hoofd van zijn school Camping*. Die was chef-staf van de NBS, hoofd van het gewapende verzet in Friesland. Daarnaast kende meester De Haan diverse anderen in de verzetswereld.

Gevreesd werd voor huiszoeking in de woning aan de Mesdagstraat, extreme vormen van verhoor of het op transport stellen van De Haan. De daardoor veroorzaakte spanning - executie van iemand die werd beschouwd als betrokken bij het verzet was in die tijd geen uitzondering - sloeg om in verbazing, toen meester de Haan plotseling werd vrijgelaten.

Later is gebleken dat door een persoonlijk ingrijpen van de toenmalig inspecteur van het Lager Onderwijs deze vrijlating is bewerkstelligd. Zijn opmerking tegen de commandant van de SD Grundmann: ‘Die kinderen moeten van de straat. Het is onrustig in de buurt.’, en zijn snelle verplaatsen van een briefje op het bureau van Grundmann van de ene stapel naar de andere toen Grundmann even werd weggeroepen naar een andere kamer, hebben die vrijlating bewerkstelligd.

Aan het einde van de oorlog werd De Haan betrokken in het werk van de NBS. Na de oorlog heeft De Haan verklaard dat hij wel eens spijt had van het noemen van een naam bij het verhoor, maar dat hij toen handelde in de wetenschap dat de betrokkene veilig zat ondergedoken. Daarmee ontsnapte hij aan het risico van verdere verdenkingen, en een zwaar verhoor van zichzelf en anderen.

De familie heeft onlangs de teksten van het dagboek van De Haan en de berichten aan zijn gezin ter beschikking gesteld voor publicatie. Het in de gevangenis onder zijn voet kapot getrapte horloge is nog in het bezit van de familie, evenals de vulpen waarmee het dagboek (in het Fries) is geschreven.

Het is opmerkelijk dat de twee à drie millimeter kleine lettertjes zo secuur geschreven zijn onder de primitieve omstandigheden in de volle cel. De familie bezit ook nog een blikken sigarendoosje waarin bonkaarten voor onderduikers werden bewaard onder één van de dakpannen van de woning aan de Mesdagstraat. Daar woonden op het moment van de arrestatie van De Haan zijn vrouw, zijn ouders, vier dochtertjes en een jongetje van zes weken.

Na de oorlog werd De Haan hoofd van de latere Dr. Wumkesschool in Joure. In 1976 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau, vanwege zijn brede inzet voor kerk en samenleving.

Kanttekening bij de vertaling in het Nederlands.

Het was eerder al lastig de teksten van de kleine, handgeschreven  blaadjes uit de gevangenis goed te lezen en te verwerken tot de  getypte teksten in het Fries. Daarbij werd zoveel mogelijk gekozen voor de oorspronkelijke vorm. De soms karakteristieke spelling van De Haan– mijn vader –is daarbij ook overgenomen.

In de vertaalslag naar het Nederlands is qua vormgeving meer  rekening gehouden met de leesbaarheid. Omdat specifiek Friese uitdrukkingen toch al noodzaakt en tot een vrijere vertaling is  ook de lay-out aangepast: soms is bv. een regel wit aangebracht.

Daarnaast kan worden opgemerkt, dat in de loop van de dagen  goed in de beschrijving en vormgeving zichtbaar wordt,dat onzekerheid en emotie toenemen na de aanvankelijk robuuste stellingname en nauwkeurige weergave van de  gebeurtenissen: de teksten worden vluchtiger, de zinnetjes korter, het handschrift wordt minder stabiel en minder compact.

De behoefte aan steun vanuit het geloof wordt groot – het vertrouwen dat alles wel goed zal aflopen voor zijn vrouw Tine  – en de vijf kleine kinderen - lijkt minder aanwezig dan in de eerste dagen. Hij heeft tot de dag van ontslag geen opheldering gekregen over wat de SD met hem wilde doen!

Dat zijn werk in de illegaliteit verborgen bleef was zijn redding. Enige tijd later werden tientallen mannen gefusilleerd die  betrokken waren bij het Friese verzet.

J. de Haan, maart 2015.

Blad 1 van het Dagboek.

* Personeel School Zuiderstraat 1936 - Camping is links te zien.

Vrijdag 5 januari 1945

Om ongeveer elf uur fiets ik op de oude Phoenix van Tine van huis om een zak vol hout op te halen van de Garijpster boot. Op klompen, met een alpinomuts op en zonder overjas.
Het is immers prachtig winterweer. Op de Keizersgracht bij de brug van de gevangenis, zie ik een militair staan in een  groen uniform. Maar wat zou het! Iets verderop zijn  allerlei mensen in de weer met pakjes …. Ik draai daar om de hoek. Dan is het: ‘Halt!’ De groene komt naar voren en twee in burger.

‘Bescheinigung!’.

‘Goed,’ zeg ik, ‘alstublieft!’

En ik geef hem (iemand in burger) mijn gele papiertje met  een ijskoud gezicht …. Maar mijn hart bonst behoorlijk. Ze bekijken samen de voorzijde. ‘Gut’, zegt de kleine  donkere speurder. Dan bekijkt hij de achterkant, kijkt goed,  schudt zijn hoofd en mompelt: ‘Nein – falsch.’

‘O wee’, dacht ik, ‘ik hang!’

‘Waar hebt u dat stempel vandaan?’

‘Dat heb ik op het Zaailand gekregen.’

‘Dat is niet waar.’

‘Jazeker.’

‘Dat is niet waar, dat stempel is vals!’

‘Maar mijnheer ik kan hier niet bewijzen dat ik op het Zaailand
geweest ben.’

Hij weer: ‘Dat stempel is vals, en als ik zeg dat het vals is, dan is dat vals!’

Ik moest wachten, zette mijn fiets tegen een hek en bleef staan met  mijn armen over elkaar.

Even later moest ik meekomen. Ik mocht mijn fiets even in een pakhuis zetten tegenover de plaats waar de Garijpster boot lag.De groene ging even mee. Toen we het pakhuis uitliepen zag  ik Landman lopen. Ik gaf hem gauw een wenk. Hij begrijpt het  en loopt mee tot aan de hoek waar een auto staat. Ik stap in,  de kleine SD-er naast mij, en daar gaan we. We wisselen enkele woorden. Hij zegt onder andere: ‘Ik ruik dat dit een vals stempel is.’

We komen in het SD-gebouw (de Spaarbank) op het Zaailand. Mijn ‘vriend’ vergelijkt mijn stempel met dat van een andere  Bescheinigung en gaat dan vlak voor mij staan: ‘Ik zeg u, mijnheer, dit stempel is vals. Waar hebt u dat vandaan?’

‘Hier van het Zaailand.’

Dan is het afgelopen. ‘Kom maar mee.’ Ik moet mee langs twee zwaar  bewapende mannen en mijn ‘vriend’ roept: ‘Falsche Bescheinigung!’

Ik wordt in een donkere cel geduwd met de woorden: ‘Denk maar een  half uurtje na.’ Dat half uur werd een uur of drie. In dat hokje kon ik even nadenken. (*)

Al snel werd er op de gang een jonge vrouw gebracht. Ze werd  ondervraagd en uitgefoeterd (het ging over een paar flesjes kleefpasta). Ik meende haar stem te kennen en toen ik even scherp luisterde stond  het voor mij vast: het was de winkeljuffrouw van ‘Boekhandel  Willem van Wieren’.

Toen zij daar op de gang moest zitten en hoestte, hoestte ik ook,  opzettelijk. En een poosje later nog een paar keer, en toen het  veilig was naar mijn oordeel (de wacht was even om de hoek),  tikte ik op de deur: “pom-pom-pom-póm, pom-pom-pom-póm.”

Toen zei ik heel langzaam maar duidelijk: ‘Mesdagstraat 20.’

En ik hoorde zachtjes: ’Ja?’

Ik weer: ‘de Haan.’ ‘Ja!’ Ze had mij herkend. Ik was opgetogen blij.

Ik weer: ‘Valse Bescheinigung.’

‘Moet u die hebben?’

‘Nee ik wordt verdacht een valse B. te hebben. Zeg dat even thuis.’

‘Ja.’

Toen kwam de wacht terug. Ik had van haar gehoord dat zij de  volgende dag om tien uur weer vrijgelaten zou worden, dus zou  het bericht waarom ik was gearresteerd gauw thuis aankomen.

Een poos later kwam de andere SD-er die ook bij de arrestatie was bij mij.

‘De Haan?’

‘Ja.’

‘En hoe zit het?’

‘Wat bedoelt u?’

‘Met dat stempel.’

‘Dat is vals.’

‘Van wie hebt u dat gekregen?’

‘Van L. Zwart.’

‘Waar woont die?’

‘Op de Groningerstraatweg geloof ik.’

‘Welk nummer?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Links of rechts?’

‘Ik geloof van rechts.’

‘Zo.’

De cel ging weer dicht. Intussen was er eten gebracht door de  wacht – die vloekte – en naar de radio geluisterd, terwijl mijn winkeljuffrouw ook weer in een cel was gestopt. Vlak voor het korte verhoor werden twee anderen bij mij in de cel geduwd. Iemand uit Nijland die Gronings sprak en een jongen uit Grouw. Het werd er warm. Zij waren erg zenuwachtig.

Toen moest ik ‘voorkomen’. De kleine donkere SD-er haalde  mij op. Ik kwam door de gang in een kamer waar een Duitser  zat. Hier moet ik even terug met mijn verhaal.
 
 
(*) haaks in de marge: “Ik bad God om kalmte en wijsheid en ben ook kalm gebleven.”

Toen ik daar bij de brug van de gevangenis stond te wachten, had ik achter de rug van die mannen snel de vrijstelling voor de fiets uit mijn persoonsbewijs gehaald en in een broekzak  gestopt. Diezelfde weg ging een leren hoesje met papieren.

In de cel van de spaarbank had ik dat spul, mijn beide vulpennen en mijn gouden horloge, in mijn sokken gestopt. Maar toen ik door de gang naar de kamer liep zakte het horloge langs de  sokophouder onder een voet, en enkele stappen verder trapte ik het glas tot gruis.

‘Gaat u maar zitten.’ zei de kleine SD-er, een jong ventje van  ongeveer 35 jaar. Ik ging in een clubfauteuil zitten en hij nodigde mij uit eens uit te leggen hoe de zaak in elkaar stak. Ik begon: ‘Uw neus is goed meneer, dat stempel deugt niet.’
Na dat complimentje hapte hij toe en toen moest ik zeggen  wanneer ik L.Z. had ontmoet. ‘Op straat!’ En hoe ik wist dat ik  bij hem moest zijn en hoe ik hem kende.

Wel, ik zei dat ik hem al lang kende, dat ik wist dat hij op het bevolkingsregister werkte en dat ik toen dacht: ‘Laat ik hem maar eens vragen.’
Hij zei dat ik dan moest weten, dat er een soort geheime organisatie zou moeten zijn die dat deed. Ik beweerde dat het een publiek geheim was, dat iedereen zo dom was daarover te kletsen en dat  ik het daardoor ook wist.

Hij wilde mijn verhaal niet geloven zei hij. Hij kende die L.Zw. heel goed, die was toen ondergedoken en die zou zomaar op straat hebben gelopen? Dat vond hij wel wat raar. Nou, ik zei dat het wel zo was en dat ik hem bij het  gerechtsgebouw had ontmoet. ‘Ja,’ zei hij, ‘daar werkt zijn verloofde – Jannie Oosterhof'

Ik heb die hele zaak geleid. Wat ik één keer weet onthoud ik goed. Dus zo is het gegaan? U hebt uw ‘Bescheinigung’ op een rechtmatige wijze gekregen?’  ‘Ja.’

‘En toen u zich weer moest melden is u ondergedoken en hebt u van L.Zw. een vals stempel gekregen? U trof hem zo maar op straat?’

‘Ja, want toen was mijn vrouw ziek. Ze verwachtte haar 5e baby. Toen wou ik graag thuis blijven.’

‘Dat kan ik begrijpen, wij willen allemaal graag thuis blijven. Maar u zult toch wel moeten graven.’

‘Dan maar graven, de bevalling is gelukkig aan kant.’

‘Wanneer is de baby geboren?’

’23 november.’

‘Hm, zo is het dus gebeurd?’, en hij keek mij strak aan.

Ik keek hem strak aan. Dat duurde even. Toen moest ik weer naar de cel. Maar oef – mijn horloge! Mijn sok zat vol met glas. Ik hinkelde wat en het tinkelde, zodat ze vreemd naar me keken! Gelukkig lag het horloge op de kop. Met mijn klompen in een hand hupte ik naar de cel en hoorde dat mijn SD-er tegen een man van de administratie zei: ‘Onderduiker - naar het ‘Huis van Bewaring’.

Even later werden de beide anderen verhoord. De man uit Nijland was snel terug – niet verhoord – het was een vergissing – maar hij zat al weken gevangen. De jongeman uit Grouw kwam erg zenuwachtig terug. Hij moest vóór maandag bekennen, anders zouden ze hem doodschieten zo hadden ze gedreigd.

We mochten in die cel niet praten. Dus wat er gezegd werd moest met de mond bij het oor. Weer een poosje later – het was ongeveer 3 uur – moesten wij er uit. Met zes man in een auto naar het ‘Huis van Bewaring’. Op de gang, waar we even moesten wachten, wist ik achter mijn rug langs aan de winkeljuffrouw mijn horloge te geven.

En het sleuteltje van de fiets, terwijl ik het belangrijkste van het verhoor haar gauw influisterde. In de cel had ik al mijn papieren opgegeten, behalve het geld uit mijn leren hoesje. Na een paar minuten wachten werden wij in een wagen geladen en naar de gevangenis gereden.  De brug werd zwaar bewaakt – er stond net een transport van 4 auto’s (80 man) klaar. Voor de brug bevonden zich allemaal mensen. Ook voor de ingang van de gevangenis en rond de auto’s. Toen wij ons uit de auto lieten zakken zag ik juffrouw Pietersma, en zij zag mij. Dat verheugde mij. Zij zou vast wel meteen thuis vertellen dat ik daar was.

In die drukte daar waren mijn bewakers mij zelfs kwijt. Ze keken om zich heen, zagen mij achter een auto vandaan komen en met een paar vloeken werden wij naar binnen gestompt. We hebben er eerst wat moeten wachten.

Daar zag ik ook J. de Jong, staan die grote ogen opzette. Hij is diezelfde middag vrijgelaten! Nadat we wat hadden gewacht kwamen wij (de heer Bruch – leraar van de handelsschool uit Leeuwarden en een man uit Roanjum) in een badcel – even later in een strafcel. Toen weer in de badcel. Toen weer in een strafcel.

Een voor een werden wij daaruit gehaald om te worden ingeschreven in het register. Daar werd mijn signalement genoteerd – daar raakte ik een van mijn vulpennen kwijt terwijl ik mijn hoesje met papiergeld achterhield en kon weer gaan. Opnieuw zaten we even met z’n drieën in een strafcel.

Toen werden we één voor één in een aparte cel gefouilleerd. Daar raakte ik mijn andere vulpen, mijn schaartje en mijn mesje kwijt. Toen bracht een bewaarder mij weg.

In de gang vroeg een ‘gevangenen-gangwerker’ mij, of ik ook een bord eten wilde hebben. ‘Graag.’ zei ik, en met een bordje rodekoolstamppot in mijn hand belandde ik in cel 11.

Daar zaten 4 mannen. Ik at lekker mijn rats (ik had tussen de middag niet gegeten) – kreeg zelfs nog een pak kleding van thuis (overjas-trui-sokken-handdoek enz.) en om half acht gingen wij in rust. Omstreeks acht uur ging het licht uit – de eerste nacht in gevangenschap lag voor mij. Ik dankte de Heer voor de mij gegeven rust en kalmte – bad voor mijn vrouw, kinderen en familie en ook voor mijzelf en ging slapen.

Zaterdag 6 januari 1945

Die eerste nacht heb ik wel goed geslapen. Helemaal niet onrustig. Maar toen ik ’s morgens wakker werd had ik rugpijn, door de harde strozak. Om half acht ging de bel. Het licht ging aan en we moesten opstaan. We ruimden de matrassen en de dekens op en we wasten ons. De celdeur ging open en we kregen elk een bekertje melk – erg verdund met water. We aten lekker van de ‘kuch’ en van wat anderen uit pakjes te voorschijn haalden. Na het eten werden we gelucht.

Maar ik ga eerst eens vertellen wie mijn maten zijn hier in de cel. Als eerste noem ik R.J. Oostra, boer uit Lions. Gister - 5 Januari – werd hij 59 jaar. Het was een slechte dag voor de oude baas. Want hij kan er niet goed tegen. Hij had ‘uit zuinigheid’ zijn radiotoestel verborgen – werd aangegeven – gearresteerd – kreeg een paar slagen in zijn gezicht en werd meegenomen naar Wommels. Daarvandaan werd hij hier gebracht. Hij zit nu zowat 4 weken en heeft het er moeilijk mee, hoewel zijn zaak echt niet zo erg is.

Dan komt, ik begin maar met de oudste, Pieter Stienstra, 28 jaar – uit Harkema-Opeinde. Een stumper met een enorm grote bult. Hij had zich niet opgegeven voor de ‘Arbeitseinsatz’ en een poosje later is hij op straat opgepakt. De stumper heeft het er heel erg moeilijk mee. Hij zit 3 weken, zegt bijna geen woord en wij moeten hem steeds wat opbeuren.

Dan volgt Albertus Johannes van der Werd – 24 jaar – uit Amsterdam – een opgewekt Amsterdams type. Hij was met een vriend in Friesland om voedsel te halen en werd in Workum gepakt. Die beste jongen zit nu al 8 weken gevangen.

De laatste maat is Douwe Bangma – 19 jaar – van Bolsward. Hij stond bij de tram, werd gepakt en zit nu ook al 4 weken. Hij is nog jong en dat is aan alles te merken. Hij kan zingen, fluiten en huilen op een en dezelfde middag.

Ik kreeg vanmorgen al een pakje met voedsel, gebracht door Heit. Ook kreeg ik de groeten van Annie en een levensteken van Rein. Allemaal aanwijzingen dat er aan mij gedacht wordt. Wat zijn zulke kleinigheden hier mooi.

Vanmiddag ongeveer half twee kregen we ‘soep’ – lekker warm – en het smaakte goed. Er zat nogal wat gehakt in. De dag was zomaar voorbij. Alles was nieuw vandaag. Het was zomaar half acht. Het licht ging vroeg uit. En toen we even stillagen na te denken hoorden we dat Douwe lag te huilen. Het werd hem even teveel … het was vandaag de verjaardag van zijn moeder. Ik bad voor de jongen om sterkte. Ook voor de andere maten, mijn vrouw en kinderen, en sliep in.

---- Er is vandaag opnieuw een transport van 80 man vertrokken ----

Zondag 7 Januari 1945

De eerste zondag in het cachot. Dat het vandaag zondag was kon men hier in de cel niet merken, niets daarvan. Als ik in cel 12 had gezeten, waar 4 gereformeerden zitten, dan hadden we er vast iets van gemaakt.

Maar in onze cel is niemand iets, geloof ik – Oostra is modern – Bangma vloekt teveel – van de Werd is ook niks. En wat Pieter uit Harkema, is weet ik nog niet, dat moet ik nog eens vragen.
Zodoende is het vandaag niet erg zondag voor mij. Maar ik ben er zeker van, dat er thuis voor me wordt gebeden en dat er vandaag net als anders in de kerk ook voor de gevangenen is gebeden. Dat misschien de naam van ”broeder de Haan” wel apart wordt genoemd. Ik zie de gemeente al voor me en ik hoor ds. Hofman of ds. Van der Heide, schuld belijden en pleiten op Jezus werk. Dat alles gaat door mij heen en geeft mij kracht.

Twee keer zijn we vanmorgen in de luchtcel geweest. Dat ding heeft zo’n vorm (tekening in de tekst) terwijl hij aan de bovenkant ook met tralies en gaas is ‘beschermd’. Daar in de luchtcel staan veel namen op de muur gekrast.

Ook vond ik de naam van H.J. Volkers (waaronder ik de mijne heb gezet) die van Keizer en zijn vrouw uit de Mesdagstraat, die van K. van Wieren uit Leeuwarden en die van Renkema uit de Heijermansstraat. Hoe is het mogelijk.

Ja, luister: de voorzitter van ons bestuur H.J. Volkers heeft in dezelfde cel gezeten, waarin wij nu zitten. De Amsterdammer zat met de vader van Sim de Vries. Een andere gevangene uit cel 12 zat bij Renkema.

Twee gevangenen uit cel 12 bleken heel wat mensen te kennen die ik ook ken. Ik heb in het aantekenboekje dat ik achterhield de namen en adressen opgeschreven van de mensen die ik tijdens het luchten leerde kennen. Voor later, ter inzage.

----- Ik heb vandaag een brief naar huis mogen schrijven. Mijn Stamboeknummer is B 571------

Maandag 8 januari 1945

Nu ga ik eens vertellen hoe we hier de dag doorbrengen. Elke morgen om half acht gaat de bel. Dan is het: bedden opruimen – wassen en eten. In de regel dan al snel 2x luchten, ongeveer 2 x 20 minuten, met een tussenpoos van een kwartier.

Als het ons lukt wordt voor het luchten eerst de vloer geveegd. Dan kan tijdens het luchten het stof ‘bezinken’. Na het luchten heeft ieder zijn bezigheden. We hebben hier een damspel – achtergelaten door de heer Volkers. Verder krijgen we 2x per week een boek – dat betekent voor ons 10 boeken per week. Ook moeten we ons nog tijdig scheren en dat is hier erg omslachtig. En zoo, met lezen, dammen, praten en een beetje lopen enz. brengen we de dag door.

En dan het eten niet te vergeten. Twee keer per dag krijgen we ‘kuch’ met een kopje melk – flink verdund. Zo’n ‘kuch’ is zowat 12 cm lang – men kan er 10 stukjes van snijden. Het rantsoen boter is zo ongeveer een ½ ons per week. Dat is al met al niet veel en als we geen pakjes van thuis kregen, dan was het voor veel hongerige jongemannen te weinig. Daarom zijn we zo gesteld op een pakje, want zo krijgen we tussen de gewone maaltijden nu en dan ook eens een hapje.

En het warme eten? 4x per week ‘soep’. 2x daarin groene erwten, 2x met wat gort en gehakt. Dat smaakt niet slecht. We krijgen ook niet te weinig. Ik kan het tenminste nooit op, maar het bevat minder dan thuis. En de andere 3 dagen krijgen we rats. Genoeg, maar wat te weinig zout en vet.

Van thuis kreeg ik vandaag een pakje met scheergerei, een laken – schoenen en dergelijke. Later op de dag nog wat eten van thuis en een Nieuwe Testament waarom ik had gevraagd. Ook een briefje van Tine waar ik erg blij mee was.

We hebben vandaag onze cel schoongemaakt – gedweild – afgestoft – en het losse stro heeft plaats moeten maken voor twee stromatrassen. Oostra, werd vandaag verhoord. Dat was niets voor hem. Toen hij terugkwam was hij zo beroerd als wat – ging met zijn hoofd op de tafel liggen en wilde niets zeggen.

En toch hadden ze hem niets aangedaan. Maar als een zuinige boer zo’n 2 -3 duizend wordt ontnomen, dan gaat dat je door merg en been. Met wat water en een stukje brood probeerden wij hem er weer wat bovenop te helpen.