2014

Deze week sloot buurvrouw Mastenbroek haar groenten- en fruitwinkel. Jammer, het was een van de laatste kleine winkels in Lemmer. Daar was nog tijd om een praatje te maken. Altijd royaal. Als ik er kwam kreeg ik vaak een paar beschadigde en vlekkerige bananen mee. Meestal nog lekkerder dan de gave exemplaren die ik gekocht had. Een harde werker, altijd aan het sjouwen met de kisten die voor de deur werden afgeleverd. Voor de verloting van zaterdag kreeg ik haar laatste ananas mee.

Dit pand heeft al veel bestemmingen gehad. Op bijgaande foto heeft Oosten er een winkel. Op de muur staat Koloniale- en grutterswaren, tabak en sigaren. Prime kwaliteit likeur. Deze mensen herinner ik me niet, maar wel Faber van de radiocentrale, het knooppunt van de radiodistributie. Een opvolger was Piet de Blauw met huishoudelijke artikelen en speelgoed. Toen was de beurt aan Theo Gort met ijzerwaren. Zijn vrouw Annie was meest in de winkel, broers Anton en Bernard deden de smederij.

Als er niet te veel werk was bouwden ze verkoopwagens en zelfs boten. De broers zijn alle drie nog in leven en boven de negentig jaar. Toen de winkel van Gort verplaatst werd kwam Steensma er in als huurder met meer luxe steengoed. Daarna kwam de familie Mastenbroek. Er kan nog wel iemand anders tussen geweest zijn, maar dit is wat ik mij herinner. Afwachten wat het nu weer wordt.


De molen die even voorbij de vroegere gasfabriek stond. Officieel korenmolen De Hoop, in de volksmond de roggemole. We zien hem hier een beetje op de achtergrond. Helemaal links de woning van Hendrik Kok, postbode, brugwachter en geitenhouder. Dan de trambrug over de Zijlroede, aangelegd als schakel in de tramverbinding met Joure. In 1972 werd deze niet meer gebruikte brug opgeruimd. Het huisje rechts was een halteplaats voor de tram. Bewoond door een Solkema die ook een betrekking bij de tram had.


Nu had ik een foto ontvangen waarop staat dat het de Parkstraat is. Het leek mij eerst dat dat niet klopte, dat het eerder ergens op het Turfland was. De bouwstijl sluit wel aan bij die van de Parkstraat. Dan zou het kunnen zijn dat het een stuk van de vijfde straat is. Maar in die vijfde Parkstraat ben ik maar één keer geweest, op condolatie bezoek. Wat we hier zien is wel een aardig tafereeltje met verschillende buurtbewoners. Die tuintjes vond je in de eerste vier straten niet.

De Parkstraten vormden een gezellige straat, ook al werd hij ook wel 'De Lange Jammer' genoemd. Als er feest was, was de hele straat versierd en als je er op een mooie zomeravond doorheen kwam zat bijna iedereen buiten. Geen wonder dat de bewoners hun buurtvereniging 'De Vrolijke Buurt' noemden. Van al deze huizen is niets meer over. Jammer dat er niet een blokje is blijven staan maar dat had niet bij de nieuwbouw gepast. Of andersom.


Een gezicht over It Dok. Wat de bebouwing betreft is er gelukkig weinig veranderd. Van de inrichting van het gebied en van de schepen waaronder een bak met steenkool is nu niets meer te herkennen. Een opvallend verschil is ook dat de muziektent verdwenen is, net als zijn opvolger aan het eind van de Kortestreek.


30-04-2014 LEMMER – Zondagmorgen. Deze week is er wel weer een en ander gebeurd. Spanningen rond de Oekraïne, de eerste Koningsdag is gevierd en onze nieuwe gemeente heeft de enige juiste naam gekregen. Zo maar een greep uit de grote hoeveelheid van belangrijke gebeurtenissen.

Maar in deze tijd van het jaar houden zaken uit het verleden ons weer bezig. De oorlogs- en bezettingsjaren. Op 18 april sprak ik met iemand die ik er aan herinnerde dat het de vorige dag 79 jaar geleden was dat Lemmer bevrijd werd. Daarmee vertelde ik hem wat nieuws. Dan dringt het tot je door dat wij zo’n beetje de laatsten zijn die dat bewust hebben meegemaakt.

Een paar indrukken van gebeurtenissen die mij zo te binnen schieten. De inval op 10 mei. ’s Ochtends om zes uur allemaal mensen voor het gemeentehuis die het eerder al hadden gehoord. Het was oorlog . We zouden rekening moeten houden met evacuatie. Alles wat maar op een koffer leek werd volgestouwd met kleren voor het geval dat…..Bij elk nieuw bericht dat door de radio kwam ging ik naar de bakkerij om daar het nieuws te brengen. Boekhouder Blessinga zat op kantoor met een atlas voor zich om het te volgen. Ruiten werden beplakt met plakband. In geval van een bombardement kon het glas dan wel barsten maar het plakband zou het wel in de sponningen houden.

De zaterdagmorgen opwinding onder de hoek. Er kwamen militairen op motors Lemmer binnen rijden. Dat waren de Fransen om ons te helpen. Een teleurstelling toen bleek dat het geen Fransen maar Duitsers waren. Wat wist men in Lemmer van uniformen en onderscheidingstekens? Ons leger was wel gemobiliseerd, maar als er mensen in uniform thuis kwamen was dat een gewoon soldaat of een ‘hogere’. Alleen de rang van dokter Knuffman was bekend, officier van gezondheid.

De eerste Duitsers gingen naar het gemeentehuis om burgemeester Krijger mede te delen: ‘Lemmer ist Deutsch!’ toen staken zij de Nieuwburen over en kwamen bij ons in de winkel om brood. Met veertig stuks vertrokken zij weer. Dat zullen wel van vier ons geweest zijn want dat was toen het grootste deel van de handel. Betalen deden ze niet, dat zou de Wehrmacht wel doen.Een paar dagen later ging mijn vader informeren bij een Duitse commandant die in het tegenwoordige restaurant het Centrum zetelde, hoe en wanneer we dat geld zouden ontvangen. De commandant was er vlug uit: dat kregen we niet, we hadden het brood nooit zo mogen afgeven.

Hiermee ben ik over de mij toegemeten ruimte heen en er is nog bijna niets verteld. In een volgende aflevering meer over die jaren. Maar eerst hoop ik zoveel mogelijk van de lezers te zien op de herdenking op 4 mei.Veel fotomateriaal is er niet uit die tijd. Dit is waarschijnlijk een opname na de beschieting van een tram. Hij is tenminste op het tramstation genomen. Een groep mannen die blijkbaar staan na te praten over wat gebeurd is. Op de achtergrond een Duitse officier en enkele soldaten. Mijn vaders neef Andries staat in het midden. Hij zal met zijn EHBO kennis wel hebben geholpen bij het verzorgen van gewonden. De man met lichte hoed en jas is burgemeester Krijger.


Een foto die weinig toelichting behoeft, anders kom ik weer over het mij toegemeten aantal woorden heen. We zien hier de aak LE 50, het varende monument dat gelukkig in oude staat voor ons dorp behouden is. Ik denk nog vaak terug een de tochtjes die we ermee naar het skûtsjesilen maakten met de raad.


Een foto van het Turfland. De huizen op de rechterkant zijn nu nog wel te herkennen. Het huis links met wasgoed aan de lijn is nog een poosje mijn eigendom geweest. Op een verkoping voor 5038.-- gulden aan blijven hangen en korte tijd later voor 7000.—gulden weer verkocht. Inmiddels is het al lang afgebroken net als alles wat aan die kant stond.

Er staat een kar met brandstof. Met enige moeite is er in de kar een mand met turf te zien. De man die er bij staat heeft een zak in handen, daar zal ook wel turf of een andere brandstof in gezeten hebben. Het zal wel door die steeg naar één van die woningen moeten worden gebracht.


Hier is men bezig om de wagon weer op de rails te krijgen. Het hierbij gebruikte materiaal zal wel van de Fa. W. en H. Visser geweest zijn. Zij waren actief in waterwerken. Ook toen was er al veel belangstelling als er wat bijzonders was. Een soort ramptoerisme zouden we het nu noemen. Bij de mensen aan de linkerkant van de breuk staat vooraan iemand die mij een politieagent lijkt te zijn. De voorste man aan de rechterkant draagt een platte pet en zal wel iemand van de tram geweest zijn.


Deze week kreeg ik bezoek van Jack van Ommen waarover we inde krant van vorige week hebben kunnen lezen tezamen met Carol de Vries, zoon van een nicht van mijn moeder. Voor mij aanleiding om deze week een foto te plaatsen van de vroegere mastmakerij van Jack’s vader Jentje. Het bedrijf waar mijn overgrootvader ongeveer 40 jaar gewerkt heeft als mastmaker.

Het is te zien dat het bedrijf toen nog volop draaide. Op de wal ligt heel wat hout om bewerkt te worden. Het is ook duidelijk dat het iets bijzonders was als er een foto werd gemaakt; de hele buurt lijkt uitgelopen te zijn om ook op portret te komen. Naast de mastmakerij de Zeilmakerij van M.F. de Vries.


De visserij op de Zuiderzee was in het verleden een bloeiende bedrijfstak. Er is weinig meer van over, maar toch zijn er nog een aantal mensen die er een bestaan in vinden. Als je van die plannen leest dringt zich de gedachte op of het nu werkelijk nodig is om dit laatste stukje visserij op te offeren ten bate van de aalscholvers.

Ik weet dat de aalscholver een beschermde vogelsoort is. Tegenwoordig zijn er zoveel dat het mij verantwoord lijkt om deze populatie eens behoorlijk uit te dunnen. Het wordt dan wel zo voorgesteld dat deze drie jaar zullen helpen om de visstand weer op peil te brengen. Dat weiger ik te geloven. Als er meer vis in het IJsselmeer komt komen er ook vast meer aalscholvers en andere soorten die het meer zullen beschouwen als de vleespotten van Egypte en daar van meeprofiteren.

Dit alles bracht mij de hierbij afgedrukte foto van de Gemeentelijke Visafslag in gedachten. Deze stond op het terrein van de Vluchthaven. Als je bij De Rook het betonnen trapje opging kwam je bij de afslag terecht. Het was de plaats waar de gevangen vis door de hangbazen werd opgekocht. Op het dak was een soort koepeltje met een grote bel. Als die geluid werd dan was het tijd voor de veiling.

Ik ben één keer met mijn vader in de afslag geweest. Met toestemming van de directeur, Pier Meijer. De gang van zaken werd mij uitgelegd. De klok waarop de cijfers verschenen leek op het draaiend rad zoals we tegenwoordig op een bazaar nog wel zien. Ik ben altijd nog blij dat ik dit een keer gezien heb en dat ik in de bankjes gezeten heb waar de kopers hun plaats vonden, recht tegenover de klok.


Deze keer een foto van de aankomst van de ‘Heerenveen’ bij de Lemster sluis. Er is een grote belangstelling van het publiek. Het water staat voor ons ongekend hoog, zelfs tot op de wal. De bolders steken er maar net boven uit, deze opname is eerder geplaatst in Zuid Friesland, waarschijnlijk door Albert Hendriks. Zijn beschrijving neem ik integraal over.

‘Er was altijd wel belangstelling wanneer de Lemmer boten aankwamen. Maar hier is die belangstelling groter dan gewoonlijk. Het kan hier wel eens een zware reis geweest zijn met storm weer. U moet ook maar eens kijken naar de hoogte van het water in de sluis. Wellicht heeft de ‘Heerenveen’ het schip gered dat langszij ligt.’ (Die laatste veronderstelling zou zo wel eens waar kunnen zijn


We willen altijd graag onze tradities in ere houden. Dat valt niet altijd mee. Zo herinner ik mij uit de vooroorlogse jaren nog de ringrijderijen. Traditioneel altijd op één van de twee kermisdagen die we toen hadden. Opstellen in de 1e Parkstraat, langs Nieuwburen en Gedempte Gracht naar de Kortestreek. Daar stonden de palen met handjes met ringen opgesteld. Door de Flevostraat, toen nog It Swarte Wegje, naar de Parkstraat.

De kunst was dan om onder het rijden de ringen uit de handjes te steken met een speciaal puntig voorwerp. Het waren meest echtparen die aan dit spel meededen. De heer mende, de dame moest de ringen proberen te bemachtigen. Dat was nog niet zo gemakkelijk want de handjes zaten met schanieren aan de palen vast en klapten dus zo maar om. Ik schreef hier met opzet heer en dame, zo kwamen ze, gekleed in Fries kostuum, op de omstanders over.

Op een middag werden er verscheidene rondjes gereden en aan het eind werden de prijzen berekend naar het aantal op de goede manier gestoken ringen. Daarna de prijsuitreiking op de bovenzaal van De Wildeman. Dat zou nu niet kunnen maar we gaan er vanuit dat het toch binnenkort weer mogelijk zou zijn als dat bedrijf weer geopend wordt. De foto van het ringrijden op de Kortestreek toont het echtpaar Johannes Kroes van het Krompad in Echtenerbrug.


Een oude foto van de houtmolen en omgeving. Hier is nog echt sprake van een molen al is die dan niet meer in gebruik. Dat is te zien aan het ontbreken van de wieken. In 1907 is men over gegaan van windkracht op stoom. De molen was al oud; in een balk van het later afgebroken bouwwerk stond het jaar 1795 gesneden.

Op de linkerkant zien we de verschillende houtstapels staan. Daar lag het hout dan weer te drogen nadat het na lang inweken in de kolk zijn behandeling in de fabriek had ondergaan. Die kolk was ontstaan na een eerdere dijkdoorbraak, zoals er meerdere van dit soort kolken waren. Het moet daar volgens de verhalen wel erg diep geweest zijn. Begrijpelijk als daar bij een doorbraak het opgejaagde water met geweld op de veengrond geslagen is.

Vanuit de fabriek liepen er rails over de terreinen waarover met platte karretjes het materiaal vervoerd werd. Op handkracht uiteraard. Op de foto is een klein stukje daarvan over de kolk te zien. Op de achtergrond is er nog ruim uitzicht tot de achterzijde van de Nieuwburen en Straatweg. Van het Rienplan was toen nog niets te zien. De torens van Hervormde en Gereformeerde kerk steken boven het geboomte uit. Op rechts, waar de bomen lager zijn, zien we de achterkant van huizen en kerk op de Nieuwburen.


Een foto van de Schulpen en omgeving uit de 18e eeuw. Het is een rasterfoto, waarschijnlijk gemaakt van een schilderij of een tekening uit die tijd. Duidelijk is de inham die toen nog in de Schulpen was te zien. Het lijkt wel of aan de walkant een beton- of tegelpad ligt. Dat zal het niet geweest zijn, dat zijn te moderne materialen.

In werkelijkheid denk ik dat het houtwerk was. Het gedeelte langs de Prinsessekade was in ieder geval van hout. Mijn grootvader die in die omgeving opgegroeid was vertelde wel vaak over zijn jongenstijd en dan kwam steeds het verhaal hoe in de avonduren bij hun in de kamer het geklepper te horen was van de klompen van mensen die naar het hoofd liepen.

Het hoofd was dan ongeveer waar nu de sluishokjes staan. Zo werd in die tijd dus het einde van de bebouwing genoemd. Een beetje te vergelijken met wat we nu ít eintsje fan de daam’ noemen. Indertijd heb ik oudere mensen het woord hoofd nog wel horen gebruiken. Langzamerhand zal die naam wel uitgesleten zijn. De bewoonster van het laatste huis daar werd ook omschreven als Pietje op het hoofd.

De twee woningen van gelijke hoogte moeten de woningen zijn die in de loop van de tijd in het gebouw van de Fa. Schirm zijn opgegaan. Het linker is de dan de vroegere slagerij ‘van ies’, het rechter de woning van Sipke de Jong. Dat laatste is bij de nieuwbouw in het bedrijf opgegaan, het eerste is gekocht in de tijd dat mijn overgrootmoeder de zaak met haar zonen runde.

De deur die een beetje naar achteren is geplaatst sloot de steeg af waar je later door moest naar het kantoor van de belasting. Over de grond waar het kantoor gestaan heeft is later nog een geschil met de gemeente geweest. Daar zou een spelletje gespeeld zijn.


Een foto die met de zee en het winterweer te maken heeft. De Friesland vastgelopen in het ijs. Met het ijsbootje van Jan Visser kwamen Lemster vissers bemanning en passagiers te hulp in de strenge winter van 1928.

Hier zijn te zien op de bovenste rij Germ Bootsma (Blauwe Germ), Jan Visser (Jan mei de sinten), Andries Koornstra (Andries Esje), een hofmeester, kapitein Doornspleet en een dekknecht.

Beneden: een knecht, machinist Kamminga, daarachter Sake Koornstra en daarachter een knecht. Op de voorgrond: een machinist, schuin erachter Gerke Bootsma, nog een knecht, kapitein Bolhuis en een stoker.


Een winterse foto. Aankomst van de ijsvlet na een moeilijke tocht over de woeste ijsvelden. Achter de mannen op de vlet lijkt het ijs ook woest. De foto is gemaakt door Plantinga, drogist op de Vissersburen op 28 januari 1928


26-11-14 LEMMER – Zondagmiddag. Dit zou wel eens één van mijn laatste columns kunnen worden. Deze week kwam het bericht dat Zuid Friesland per 1 januari stopt en verder gaat als redactionele editie van de Jouster Courant. Ik heb nog geen contact met de redactie gehad en weet dus niet of mijn verdere medewerking straks nog op prijs gesteld wordt. We zien het wel.

Mijn vader heeft meer dan vijftien jaar deze bijdragen geschreven. Het was helemaal niet mijn bedoeling om het over te nemen toen vader overleden was. Maar onze toenmalige redacteur Gerard Krabben vroeg mij om een In Memoriam te schrijven. Dat kon ik niet weigeren en daarna kwam er druk om de column voort te zetten. Dat werd één keer in de maand, twee keer en toen bijna alle weken. Dit heeft nu zestien jaar geduurd en ik heb het met plezier gedaan. De komende dagen zal ik wel duidelijkheid krijgen.

Johannes zijn laatste column is ook dé laatste column geworden. Johannes... Een gemis voor Lemmer en velen onder ons.


TOP