Wijckel |2|

Wijckelerweg naar Sloten.

1929: Vorens eene sententie van bet Hof van Friesland van 10 Maart 1785, liet Cornelis Broexma, schoolmeester en dorpsrechter te Wykel op 19 januari van dat jaar in de herberg van Auke Jotjes te Balk Oranje lint halen en uitdeelen, stak daarna een gloeiende speech af over patriotten en Prinsgezinden, en maakte ten slotte een vers, waaronder de namen prijkten van hen, die het Oranjelint op hun hoeden hadden gedaan!

Uit den omtrek van Wykel was afkomstig Ruurd Passchiers van Dijk, die 20 Juni 1846 wegens moord te Balk tot den strop was veroordeeld, en in October daarna op het Hofplein te Leeuwarden, als op één na de laatste in Friesland, aan de galg werd gehangen tot dat de dood er na volgde — zooals de geijkte uitdrukking toenmaals luidde.

Eertijds was Wykel, in het zuiden door een krans van poelen omgeven, zooals duidelijk op Schotanus kaart van Gaasterland (1684) is na te gaan n.l: de beide Wykeler poelen, welke later samen de Zand poel vormen, en die door de Rintsje-gracht met de Ee in verbinding is gebracht; de Hykholst poel, Hoite-brekken, Bonne-brekken en Holle brekken, waarvan beide laatste reeds lang zijn drooggelegd.

Tusschen genoemde plassen voert van Wykel een weg naar het gehucht Wykeler Ibert, waarschijnlijk eene samentrekking van het Friesche Ie-bird, d.i. de oeverstreek van de Ee, doch veelal vertaald als Eebuurt of Ee-buren. Oostwaarts hiervan ligt het gehucht De Hoek, in den Hadener-polder. Westwaarts van den weg naar Wykeler Ibert ligt It Hearren Heech (het Heeren Hoog) met de Gollen, die reeds 1664 aldus genoemd worden.

Ten oosten van de Ee, welke bij Schotanus als Ryn voorkomt, liggen het Kleine Schar, de Byle (i.d. vorm van het blad van een bijl) en het Wykeler Schar.

Noordwestwaarts van Wykel, draagt een groote inham van het Slooter Meer den naam van Wykeler Hop, vanwaar naar het oosten de Oude Weg zich voortzet naar het Slooter Gat. Dit laatste vormt de scheiding tusschen een strook oeverland, westwaarts de Korte Jerden en oostwaarts de Lange Jerden geheeten. Evenwijdig met den Ouden Weg loopt zuidwaarts daarvan de Oude Dijk, tusschen welke beide de Coehoorns Polder is gelegen.

In den hoek, tusschen Munnikelaan en Hardijk (vgl. Harich) ligt Jatkens-huis-stede. De overlevering zegt, dat hier in de huurt een klooster zou hebben gestaan; naar alle waarschijnlijkheid was dit echter een uithof van het Hemelumer klooster.

Vervening bij Wykel omstr. 1750

Bekend is, dat bij de uitbreiding der laagveenindustrie in ons gewest sommigen, die een geopend oog hadden voor de „ruïneuze gevolgen" van het toenemend herscheppen van land in water, met zorg de toekomst inzagen, terwijl anderen weer hiervan een afkeer hadden uit gehechtheid aan hunne landen zelve, — dat schoon voorvaderlijk erf.

Karakteristiek is hieromtrent een onuitgegeven versje van een onbekend poëet, blijkbaar uit het midden der 18de eeuw. 't Behelst in hoofdzaak een praatje tusschen een vervener en een boer over een pas begonnen veenderij bij Wykel. De boer is daarvan een geïncarneerd tegenstander; hij vindt het een afschuwelijk werk. Lokt nieuwsgierigheid hem naar 't terrein en schijnt aanvankelijk die vreemde arbeid aldaar hem niet onaardig toe, blijkens zijne woorden:

Hal der stean se al to slatten.
Smite klyn ût djippe gatten
Yn 'n greate houten kom
En der rinn' se braef yn om

— spoedig komt zijn tegenzin weer boven en geeft bij daaraan lucht:

't Kin my derby yet binije,
Ho se hjir nog minsken krije
Ta sok bitter smoärrich wurk.
Dat se 'r ût sjenn' as 'n Turk!

En als daags de vervener opmerkt, dat het veen toch een kostelijke brandstof oplevert, die hem bij nadere kennismaking wel zou bevallen, antwoordt onze eigenerfde Gaasterlandsche boer in 't volle besef zijner waardigheid:

Ik barn gjin turf! — ik stook my prikken,
Of ik kap in beam yn stikken.
Sok in dwaen hab ik myn lân
Altyd fjirst to ljeaf ta hawn!

Fij! it lân sa to forskûrren
Hjir to Wyckel oan é bûrren!

Aan den weg van Balk naar Wykel liggen de buitenplaatsen Landlust, Meerzicht en Jachtlust, terwijl tusschen Wykel en Slooten is gelegen het buiten Zorgvliet.

Het laatste behoorde indertijd in eigendom aan Gaasterlands grietman jhr. G. R. G. van Swinderen, en werd in October 1913 te koop aangeboden als „Heerenhuizinge c.a. met wandel-bosschen enz., in gebruik geweest bij wijlen jhr. F C. H. van Swinderen bij de Bargebek onder Wyckel". (Die „Bargebek" is een stuk land, zoo genoemd naar de overeenkomst in vorm met den bek van een varken).

Meerzicht, met uitzicht op het Slootermeer, werd in het laatst der 18e eeuw bewoond door Gaasterlands Secretaris Dodonaeus Pierius Heemstra van Kolde, wiens nagelaten weduwe Ytje Lepie er 6 Juni 1799 overleed. Bijna tien jaren later, den 15 Februari 1809, stierf aldaar mr. Phoceus Hermannus van Kolde. Omstreeks 1840 wordt de heer Reneman als bewoner genoemd.

In het verleden bevond zich tusschen Balk en Wijkel een herberg, die dezen eigenaardigen naam droeg. Onder denzelfden naam komt nog een sate onder Bolsward voor.

Het geslacht Van Wijckel.

Onder de eigenerfde geslachten, welke „van ondenkelyke tyden in deze Provincie bekent geweest" zijn, munt o.m. inzonderheid uit de familie Van Wyckel, die haar naam en oorsprong heeft van het dorp Wykel, — zoo verhaalt de geschiedschrijver Foeke Sjoerds, die dan verder van verschillende leden gewag maakt. Zoo wordt a°. 1422 vermeld Pieter van Wyckel, die in dat jaar met vele andere Friesche edelen en eigenerfden het Groot Verbond der landen tusschen Flie en Wezer onderteekende. In de Saksische en Bourgondische tijden wordt deze familie meermalen genoemd, en bij de vestiging van de Republiek der Ver. Nederlanden was dit geslacht reeds zóó in aanzien, dat dr. Tjalling van Wyckel, in 1580 tot Raadsheer gekozen werd.

Sedert heeft deze eigenerfden-familie vele grietmannen en andere hooge ambtslieden aan Friesland geschonken, en is zij, door huwelijk, met vele adellijke en aanzienlijke familiën vermaagschapt. In Foeke Sjoerds, tijd was Johan van Wyckel, Raadsheer bij den Hove van Friesland en diens broeder Hans Hendrik van Wyckel, secretaris van het College van Gedeputeerde Stalen van Friesland, „welk aanzienlyk en gewigtig ampt nu (1765) al byna 100 jaren in deze familie geweest is". De overlevering zegt, dat op Wykeler Ibert, heeft gestaan.

De oudste stins van het geslacht Van Wyckel, dat zijn naam aan het dorp zou geschonken hebben. Waar dit echter het geval was, weet niemand op het terrein aan te wijzen. Meer waarschijnlijk lijkt het ons toe, dat de oudste verblijfplaats van dit vooraanstaand geslacht dichter bij de kom van het dorp gezocht moet worden. (Ibert of Ybert (De Wikelder en de Sondeier of Sindelder, Wykeler en Sondeier Ybert of Lebert, twee gehuchten onder Wykel en Sondel. Deze naam wordt in den laatsten tijd ook wel verkeerdelijk als Eebuurt geschreven. Ter plaatste en in den naaste omtrek luidt de volksuitspraak als Iwyd)

De oude,- in 1915 afgebroken pastorie der Ned. Herv. gemeente was n.l. het overblijfsel van een stins, welke nog uit de middeleeuwen dagteekende: de meer dan een meter dikke muren, uit „oude Friezen" opgemetseld, de diepe kelders en de zware klopper op de deur wezen er op, dat tal van eeuwen over dit onder dichten klimop verscholen gebouw waren heengegaan.

Geen wonder, dat het volk aan zulk een eerbiedwaardig oud bouwwerk verschillende spookverhalen verbond, als het gerammel van kettingen, het hooren loopen van menschen in de gang of het zuchten vanuit de kelderdiepten, dingen — dooi den laatsten bewoner, den koster der kerk, zoo menigmaal weersproken, en die bij nader onderzoek natuurlijk alle op louter inbeelding bleken te berusten. Deze voormalige stins nu zal o.i. wel de oudste woonstede der Van Wyckels geweest zijn.

In 1664 vermeldt Schotanus omtrent Wykel: „Hier ligghen twee schoone Hof-steden, 't eene van de Heer Pieke Wyckel, 't ander van syn Broeder" (Tsjomme). Eén dier beide hofsteden wordt op de erbij behoorende kaart van Gaaslerland aangeduid als eigenerfde state, liggende ten noorden van de N. Herv. kerk en geheel door geboomte omgeven.

Op dezelfde plaats werd later door den vestingbouwkundige Menno baron van Coehoorn, de buitenplaats Meerenstein gesticht. Zij was gelegen in eene boomrijke omgeving, naar hem het Coehoornsbosch, tegenwoordig „It Toursbosk" (= Du Tours-bosch) genoemd, dat met de strakheid en symmetrischen aanleg zijner lanen en singels nog heden geheel zijn 18de eeuwschen aanleg verraadt.

Menno, overleed in 1708 op Meerenstein, diens dochter Amelia, was gehuwd met Schoterland's grietman Martinus van Scheltinga (1692-1715). Vervolgens werd het buiten bewoond door Menno's zoon Gozewijn Theodoor, lid van Gedeputeerde Staten van Friesland en burgemeester van Slooten; hij was gehuwd met Amelia Lucia van Sminia. Hoe Meerenstein er toen uitzag, leert ons bovenstaande afbeelding.

Geheel in Renaissance-stijl opgetrokken, bestond het blijkbaar uit twee verdiepingen, met aan weerskanten van de in het midden geplaatste voordeur drie hooge ramen, en even zoovele ramen van eenigszins kleiner afmeting daarboven, benevens een grooter raam boven de deur. Het geheel met een vierkante gracht omgeven buiten, dat op een laag terras zich verhief, bereikte men over een ophaalbruggetje, dat van boven een luidklokje droeg dat misschien tevens dienst deed om het schaftuur van het dienstpersoneel aan te geven.

Na de Coehoorns is Meerenstein, — volgens sommigen — ook door den Staatsman — Dichter Onno Zwier van Haren, bewoond geweest, hoewel we dit in geen zijner levensbeschrijvingen bevestigd zagen. Den 28 Juni 1779 vinden we Meerenstein ten verkoop aangeboden als „een buitenplaat met grachten en vijvers, diergaarde, singels en bosschen te Wyckel, bij wijlen generaal Coehoorn gestigt en laatst eigendom van Mevrouw Patras, met een schoon stuk weiland agter de heerenhuizing, groot 11 pondematen.

In 1811 is het buiten gesloopt; bij advertentie van 25 Mei van dat jaar werd in de „Leeuwarder Courant" de verkoop aangekondigd van een groote partij afbraak op het voormalige landhuis Meerenstein te Wyckel. En zoo vindt men aldaar en in den omtrek, behalve het praalgraf in de kerk, niets meer, wat aan den grooten stichter van het buiten herinnert, dan den naam van een armzalig poldertje!

Het „Toursbosk", waar in September 1917 helaas nog ruim 130 eikeboomen onder de bijl van den houthakker sneuvelden, bevat verschillende kleine merkwaardigheden: zoo wijst men er nog de plaats aan, waar op een rechthoekig stuk weiland eens Meerenstein stond; op een andere plek is nog het overblijfsel van een vijver te bespeuren; een zestal statige lindeboomen, welke eene aangename zitplaats overschaduwen, worden er nog steeds met den 18e eeuwschen naam van 'De Plantage' aangeduid, een weinige meters hooge heuvel, vanwaar men vooral naar het noorden een prachtig vergezicht heeft, draagt hier den naam van Hoogen Berg, zeker ter onderscheiding van den Zandberg of Kleinen Berg, aan den zuidkant van het dorp gelegen, en — last not least — een der oude beukeboomen staat bekend als „waterboom"

Deze bevond zich niet ver van het groote inrijhek van het „Toursbosk" waar zich een bizondere, een „geheimzinnige" beukenboom, die met een rechten stam uit den bodem opschiet en bijna een meter boven den grond zich in een viertal kleinere stammen splitst. Het „geheimzinnige" er van is, dat op de plaats der splitsing van de vier stammen een holte ontstaan is, welke bijna altijd water bevat. Sommigen schrijven dit toe aan boomsappen, die, vanuit den boom neerdalend, zich in de holte verzamelden, anderen denken aan opstijging uit een wel, die zich onder den boom zou bevinden; maar het rechte schijnt men er in het algemeen toch niet van te weten.

Van den stichter van Meerenstein, Menno baron van Coehoorn, hier zich zelf steeds Menno Coehoorn noemde, laten we hieronder een beknopte levensschets volgen.

Menno van Coehoorn. Foto van: wikipedia.org

Deze was generaal der infanterie, Directeur-generaal van de fortificatiën van den Staat der Nederlanden, Gouverneur van Vlaanderen, enz. Hij was in Maart 1641 op Lettinga-State onder Britsum geboren en hij overleed op 17 Maart 1704 te 's-Gravenhage, zoon van Gosewijn van Coehoorn, kapitein van een compagnie te voet en Aletta van Hinckema.

Ook heeft hij, zoals o.a. blijkt uit het door hem geschreven boekwerk, getiteld: „Nieuwe
Vestingbouw", te Leeuwarden gewoond. Te Wijckel had hij zich, na zijn huwelijk, in 1678 met Magdalena van Scheltinga, (de enige erfgenaam van de Van Wyckels) (Magdalena van Scheltinga, gedoopt als Malon, is geboren op 19 juli 1661, overleden na 1683) in het jaar 1678 voor die tijd belangrijk buitenhuis laten bouwen. Het bevond zich tussen het dorp en de Slotermeer.

Bron: www.frieskaartenkabinet.nl Gedeelte van de kaart, waarop het buiten van Menno van Coehoorn ten Noorden van het dorp, en de 'Menno van Coehoorn' polder tegen het Slotermeer is gelegen. Menno liet een polderdijk aanleggen waardoor deze polder ontstaan is, de dijk is nog steeds aanwezig.

Omtrent zijn jeugd verhaalt de overlevering, „dat Coehoorn, een arme jongen was geveest, die in zijn jeugd als koeherder diende, naar aanleiding waarvan hij later den familienaam Coehoorn aannam. Terwijl hij op de beesten paste, die aan den weg graasden, maakte hij vestingwerken in het klein, en stelde legers in slagorde, waarbij hij stokjes gebruikte als soldaten. Nu kwamen daar eens twee generaals langs; zij zagen dat werk, en vroegen aan de ouders van Menno den knaap aan hen af te staan; onder de leiding van deze heeren is Coehoorn geworden, wat hij later was''.

Etymologiserende genealogen uit de 18de eeuw plaatsten — wegens vermeende overeenkomst met zijn voor- of achternaam — zijn vroegste voorouders in Scandinavië, in Troje, en zelfs in Egypte! Sommigen hunner bleven dichter bij huis en wezen Menno Simons, voorganger der Doopsgezinden, als zijn voorvader aan.

Waarheid is, dat hij afstamde uit eene adellijke familie te Frankfort aan den Main, dat zijn overgrootvader Gosewijn in 1572 als hopman met prins Willem I van Oranje uit Duitschland in de Nederlanden kwam, en dat zijn vader Gosse, kapitein der infanterie en gehuwd met Aaltje Hinckena zich vestigde to Britsum op Lettinga-state, waar onze Menno in Maart 1634 geboren werd.

Daar genoot hij met verscheidene broeders zijn eerste opvoeding van een gouverneur, en openbaarde zich reeds vroeg bij hem, naast aanleg voor wiskunde, zin voor militaire versterkingskunst en voor verhalen van belegeringen en veldslagen bij Romeinsche schrijvers.

Van Britsum trok hij met zijne ouders naar de state Bergumerbosch te Bergum, waar hij de eerste lessen in de militaire wetenschappen van zijn vader ontving en zich Practisch in schansenarbeid bekwaamde op de nabije Bergumerheide. Veel had hij later ook te danken aan de lessen in wiskunde en versterkingskunst van zijn oom, den bekwamen Franeker Professor Bernard Fullenius, den oudere (Volgens het album der Hoogeschool te Franeker is Menno echter nimmer als student aldaar ingeschreven geweest: wel zijn halfbroer Lambert)

Op 16-jarigen leeftijd trad de jeugdige Coehoorn, in militairen dienst en werd, mede wegens zijn -uistekende militaire kennis, door stadhouder Hendrik Casimir II aangesteld tot kapitein van een vendel voetvolk te Maastricht, waar hij zich zoodanig onderscheidde, dat de gouverneur dier vesting hem tot zijn adjudant benoemde, en hem in kennis bracht met zijn zoon; samen maakten de jongelui vervolgens eene studiereis door Frankrijk. Bij het beleg van Maastricht in 1673 door de Franschen, waar hij zich een onverschrokken krijgsman toonde, geraakte hij, als aanvoerder eener afdeeling grenadiers, zwaar gewond.

Eenigen tijd daarna werd hij wegens betoonde dapperheid in den slag bij Senef (1674) majoor van een regiment voetvolk en maakte verder als zoodanig mee de slagen van Mont Cassel (1677) en St. Denis (1678), werd later luitenant-kolonel van hetzelfde regiment, en vervolgens, den 8 December 1681, ter belooning voor zijne dapperheid en zijn beleid door Hendrik Casimir II bevorderd tot kolonel over diens beide garde-bataillons voetvolk van Nassau-Friesland.

Intusschen was hij bij het beleg van de sterke vesting Grave (1674) voor het eerst als leider in den vestingoorlog opgetreden en spreidde hij als zoodanig een groot talent ten toon. Daar voerde hij zijn troepen door middel van biezenbruggen over de gracht naar het glacis der vesting, en paste hij voor het eerst, de door hem uitgevonden Coehoorn-mortieren toe.

Ook bewees hij daar metterdaad de groote waarde van concentratie van artillerievuur voor den aanvaller bij het beleg eener vesting.(Uit dit beleg is de bijzonderheid bewaard, dat de Friesche luitenant. Laurentius de Blau, bii een aanval doodelijk getroffen, door zijne jeugdige echtgenoote, de 18-jarige Antje Tjebbes Tjebbinga, met veel onverschrokkenheid uit de loopgraven werd gedragen, in de legerplaats gebracht, en naar Leeuwarden vervoerd, om hem bij zijne vaderen te doen rusten)

In 1682 verdedigde hij in een geschrift „Verhandeling over de versterckinge des vyfhoeks met al syne buytenwecken", de door hem aangenomen beginselen van vestingbouwkunde, speciaal met het oog op de vesting Coevorden, tegen den naijverigen kapitein Louis Paen, een mede zeer bekwaam genie-officier, welk werkje in het volgende jaar gevolgd werd door „Wederlegginge der Architectura Militaris (van Paen)". Aan Coehoorn werd, ten bewijze van instemming met zijn leer, de bouw der nieuwe versterkingen van Coevorden opgedragen.

In 1689 hielp hij krachtdadig mee aan de belegering van Keizersweerd, door Frederik, keurvorst van Brandenburg, waar men het aan zijn raad om, door een driedubbel geweld van geschutvuur, dat der belegerden aan het zwijgen te brengen, te danken had, dat de stad in twee dagen tijds op de Franschen veroverd werd.

Minder voorspoedig ging het kort daarna met de verovering van Bonn, waar het verwerpen van de wijze van aanval, door Coehoorn voorgesteld, tengevolge had, dat een leger van 30,000 man gedurende 6 weken niets anders uitrichtte dan de stad door een kostbaar, nutteloos bombardement, te vernielen.

Eerst nadat men weer Coehoorn's plan van belegering volgde, gaf de bezetting zich den elfden dag na den aanval over Het daarop gevolgde aanbod van den keurvorst van Brandenburg, om in zijn dienst, met den rang van generaal-majoor over te gaan, werd echter door Coehoorn onbaatzuchtig van de hand gewezen, uit innige gehechtheid aan zijn vaderland.

In den noodlottigen slag van Fleurus (1 Juli 1690) tegen de Franschen toonde hij zich, als brigade-generaal van acht bataillons, waaronder die van Nassau-Friesland en Groningen, een ware held. Op de gevaarlijkste punten was hij te vinden, kogelregens weerhielden hem niet, aan het front zijner troepen het commando te voeren: een grenadier, die hem te paard hielp stijgen, werd zelf gedood, terwijl een knecht zijn leven redde, door hem op het juiste oogenblik een paard toe te voeren, waarmee hij aan de krijgsgevangenschap ontkwam. Zoo wist hij daar met een groote minderheid zich te verdedigen tegenover den hertog van Luxemburg.

In Friesland teruggekeerd geraakte hij door naijver zijner vijanden in allerlei verwikkelingen. Zoo moest hij ervaren, dat hem de titel van brigadier, waarop hij, na zijn gedrag in den slag bij Fleurus, aanspraak meende te mogen maken, ontnomen werd en hij slechts als kolonel het bevel behield over de beide garde-bataillons Nassau- Friesland.

Hij verliet daarop den dienst van de stadhouders en werd kolonel over het uit één bataillon bestaande regiment van graaf van Stirum Bronckhorst, die bij Fleurus gesneuveld was. Door den stadhouder ondervraagd naar de reden dezer verwisseling, antwoordde Coehoorn, liever meester te zijn over zijn ééne bataillon, dan als chef van 's Prinsen beide bataillons verschillende meesters te moeien erkennen, onder wie zich bevonden, die niet de flauwste notie van den militairen dienst hadden.

In 1691 werd Coehoorn met zijn regiment door den koning-stadhouder Willem III naar Namen gezonden met de vereerende opdracht de citadel dier stad met nieuwe werken te versterken. Nog was deze moeilijke en omvangrijke arbeid niet beëindigd, nog was het daar door hem gebouwde fort „William" onvoltooid, of de Franschen onder Lodewijk XIV zelf, door een staf van voortreffelijke officieren — als de maarschalk de Luxembourg en Frankrijk's grootste vestingbouwkundige Vauban — omringd, sloegen den 29sten Mei 1692 het beleg voor de stad, die zich zeven dagen later overgaf, waarop spoedig de overgave van de sterkte het Duivelshuis volgde.

Daarna keerde zich de geheele Fransche strijdmacht tegen fort William, door Coehoorn verdedigd. Voortdurend nog de verbeteringen aan de fortificatie voortzettend, noodzaakte hij Vauban herhaaldelijk van stelling en batterijen te veranderen, maar na een twee dagen langen stormloop bezweek de vesting en moest Coehoorn, wegens gebrek aan munitie, capituleeren. Den 23sten Juni gaf hij, aan het hoofd zwaar gewond door een bomscherf, fort William bij verdrag over.

Bij deze gelegenheid verklaarde Vauban aan Coehoorn: „ik heb zeven malen de batterijen van mijn geschut veranderd, eer ik het durfde wagen, een aanval op uwe verschansing te doen". Den 26n Juli d.a.v. werd Coehoorn tot generaal-majoor der infanterie benoemd.

N. J. Waringa.

Het slot Meerenstein te Wijckel (Ao 1724), gesticht door Menno baron van Coehoorn.

Dit lusthuis was een der voorbeelden van de paleisachtige landhuisbouw, die zich in de tweede helft van de 17de eeuw in ons land ontwikkelde. Het is gebouwd in de trant van het toen te Amsterdam in de mode zijnd deftig herenhuis, zoals deze door de bekende architect Philips Vingboons, daar werden ontworpen.

Van architectonisch standpunt bezien, zijn ze meer typisch dan mooi. De vrij smalle ramen zijn bekneld tussen de zware, over de beide verdiepingen doorlopende, Korinthische pilasters. De middenpartij springt voor en bestaat uit een brede middentravée's met de toegangsdeur en de twee smallere travée's, welke haar flankeeren. Deze middenpartij is door een driehoekig fronton bekroond. De zware pilasters ontnemen de gevel geheel 't karakter van landelijk woonhuis en maken het, architectonisch bezien, tot een wanstaltigheid.

In het zich uitbreidende Amsterdam, met zijn voor die tijd grootsteedse stadsbeeld waren ze op hun plaats en gaven aan de gebouwen, gelegen aan de brede grachten, een zekere monumentaliteit. In 't Friese landschap pasten ze echter absoluut niet.

Door de het lusthuis omsluitende rechtlijnige aangelegde bloemen- en groentetuinen trachtte men enig verband met en overgang tot de omgeving te krijgen en vooral door het aanwezige water te benutten voor het maken van grachten, die de tuincomplexen en het geheel omsloten, verkreeg men een zeker rijk karakter, dat paste bij dat van de aristocratische 17de eeuwse bewoners.

Het eerst verrezen landhuizen van dit type langs de Vecht en de Amstel en naar dit voorbeeld werden over de verschillende provinciën van ons land verspreid. Het blijven echter in de geschiedenis modeproducten veelal zonder grote waarde voor de ontwikkeling der bouwkunst.

Na het overlijden van Menno van Coehoorn, is het slot eerst nog jaren bewoond geweest door zijn zoon Gosewijn Theodoor van Coehoorn (geboren in 1679, overleden op 14 maart 1737, begraven te Wijckel), en daarna kwam het in het bezit van de Familie Patras, een latere grietmans-familie van de gemeente.

In de 19de eeuw is het slot dezelfde weg gegaan als de meeste Friese states en sloten en toen is het gesloopt, alleen de plaats waar het gestaan heeft, is thans maar meer aan te wijzen.

Na de dood van de generaal Menno van Coehoorn, hebben zijn kinderen het monument, dat de herinnering aan deze bekwamen vestingbouwkundige vereeuwigt, gesticht en boven zijn graf in het koor der kerk laten plaatsen.

Het monument is van marmer vervaardigd, naar een ontwerp van den bekenden, uit Frankrijk naar hier overgekomen, kunstenaar en architect Daniel Marot, die als architect van Koning Willem III van Engeland voor deze veel heeft gebouwd.

Het gedenkteken bestaat uit een op wit marmeren voetstukken rustende, zwart marmeren sarcofaag, welke gedekt is met de levensgrote afbeelding van de in volle wapenrusting liggende krijgsman. Het hoofd wordt ondersteund door de linkerarm, welke rust op een kanon. In de rechterhand houdt hij den veldheerstaf, terwijl aan het hoofdeinde zijn bepluimde helm staat. Zijn beeltenis is omgeven door enkele mortieren van het door hem uitgevonden draagbare type, de z.g. Coehoorn-mortieren, en door een vaandeltrofee.

Boven de tombe ziet men achter de figuur een afgeknotte zuil van wit geaderd rood marmer, welke van boven door een wit marmeren vaas, welke het eeuwig brandend vuur symboliseert, is bekroond.

Tegen de obelisk hangt, in wit marmer uitgevoerd, te midden van een bundel vaandels en vlaggen, een cartouche met een in vieren gedeeld schild het wapen van Van Coehoorn; met een hartschild. De wapenfiguren zijn in de Franse tijd echter weggehakt.

Volgens oude familierekeningen, berustende in het Fries museum te Leeuwarden, is de beeldhouwer van dit monument een zekere Van der Plas geweest, waarschijnlijk wel Pieter van der Plas, een Amsterdamse beeldhouwer, die o.a. ook onder leiding van Daniel Marot, in Engeland werk heeft uitgevoerd.

Uit de bovengenoemde archiefstukken blijkt, dat de reeds genoemde zoon Gosewijn Theodoor van Coehoorn, in het jaar 1710 een bedrag van totaal 3275 carolie-guldens aan genoemde beeldhouwer heeft uitbetaald voor de vervaardiging van dit monument.

Op een tegen de sarcophaag aan staande cartouche, welke omgeven is met een bladerenkrans
en een gedrapeerd doek, en versierd met de emblemen van den dood, vindt men het volgende opschrift:

M.
viro opt. nobiliss. copiarum duci fortiss
pio. felici strenno
bellicarum artium scientissimo
Minno baroni de Coehorn.
peditum praefecto.
Flandriae Batavicae arciumque ad Scaldim
gubernatori.
Operibus et munitionibus
tormentis et machinus bellicis sumnies et
praepot. Belg. Foed. Ordinibus
praeposito summo.
Oblatos a maximis Europae principibus
honores summos
et virtutis praemia patriae posthabuit,
eni militavit annis fere XLVII coutinnis
tot exantlatis laboribus
annis gravis militari gloria cumulatus
piissime in Xto obiit XVII Mart. an sal.
M.D.CCIV aet. LXIII
Monumentum
parentis optimi de se optime merite memoriae
liberi moerentes
quo sepultus est loco
consecrarunt.

Vertaald wil dit zeggen:

„Aan den besten, edelen man, den braven, gelukkigen, onversaagden en dapperen veldheer, in de krijgskunde zeer ervaren Menno Baron van Coehoorn, Generaal bij de Infanterie, Gouverneur van Staats-Vlaanderen en de forten aan de Schelde, door de Edelmogende Heeren Staten van de vereenigde Nederlanden aangesteld tot Directeur-Generaal van de Vestingwerken en van de Artillerie, die de hoogste, door de voornaamste vorsten van Europa hem aangeboden eere-ambten en belooningen heeft afgewezen als blijk van liefde voor zijn vaderland. Boven op dit monumentje vindt "men de lijfspreuk van den overledene aangegeven: „Je marche droit"

Aan de andere zijde van het monument van Van Coehoorn, ziet men in den muur een epitaaf van zwart en wit marmer, vervaardigd ter nagedachtenis aan een zoon van den grooten Van Coehoorn, en wel Hendrik Casimir, die in 1683 geboren is en de 16 September 1756, ongehuwd, te Leeuwarden overleed.

Deze epitaaf is versierd met een gebeeldhouwd monument en een wapentrofee. In den vloer liggen de zerken, welke de graven van de genoemde personen dekken en verder nog die van talrijke leden van andere families, welke hier in of nabij 't dorp hunne bezittingen of verblijven hadden.

G. J. Veenstra.

Oud-woning van de heer H. Hattink, arts te Wijckel.


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.