Sintjohannesga

JANSGA (ST.) of St. Johannesga, oudtijds ook Johanniswald, d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Schoterland, arr. en 1 u. W. Z. W. van Heerenveen, kant. en 1 1/2 u. W. N. W. van Oudeschoot, zeer vermakelijk in het geboomte gelegen, aan den rijweg van Rottum, welke in het Zuiden hier langs loopt naar Rotsterhaule, Rohel en Doniawarstal.

Dit d. beslaat, met de daartoe behoorende landerijen, eene oppervlakte van 5699 bund. 27 v. r. 49 v. ell., waaronder 4683 bund. 77 v. r. 53 v. ell. belastbaar land. Men telt er 298 h., bewoond door 1500 inw., die meest in den landbouw hun bestaan vinden. Ook heeft men er twee scheepstimmerwerven. Ten N. van het dorp liggen lage veenlanden en ten Zuiden miedlanden.

De Herv., die hier wonen, behooren tot de gem St.-Jansga-en-Delfstrahuizen, die in dit d. eene kerk heeft, welke vóór de Hervorming aan den H. Johannes den Dooper was toegewijd. Deze kerk, geheel in verval zijnde, is, in het jaar 1770, door de liefdegaven der gemeente, bijna geheel vernieuwd en verfraaid, zoodat het thans een steenen gebouw is, met eenen toren, doch zonder spits.

De R. K., welke men er aantreft, worden tot de stat. van Joure gerekend. - men heeft er eene dorpschool.

Bijzonder akelig was de toestand van dit d. bij den watervloed van Februarij 1825, hebbende het water aldaar in den avond van den vierden dier maand de verschrikkelijke hoogte van ruim 2 ell. boven de middelmatige oppervlakte der landen bereikt. Men rekent, dat er 30 woningen geheel weggespoeld en wel 50 of meer zeer beschadigd waren, dat zij niet dan met groote kosten hersteld konden worden, en bijna trof men er geen huis aan, hetwelk niet meer of min van den stroom geleden had.

In dezen stand van zaken moesten vele, ja bijkans alle menschen hunne woningen verlaten, en met achterlating van hunne goederen, alleen op het behoud van hun leven bedacht zijn. Vele inwoners vlugtten in de kerk, en omstreeks honderd menschen bragten in een schip eenige dagen door. Onder deze te zamen geschoolde menigte bevond zich zelfs eene vrouw, die den 3 Februarij bevallen was. Een twintig- of vijf en twintigtal had de wijk naar de Joure genomen en werd aldaar herbergzaam ontvangen.

JANSGA-EN-DELFSTRAHUIZEN (ST.), kerk. gem., prov. Friesland, klass. van Heerenveen. Men telt er 2200 zielen, onder welken 310 Ledematen, en heeft er twee kerken, ééne te St.-Jansga en ééne te Delfstrahuizen. De eerste, die alhier het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Theodorus Johannes de Bever, die voor het jaar 1619 herwaarts kwam, en in het jaar 1625 naar Noordwoude, in Groningerland vertrok.

Bron: vanderaa.tresoar.nl


AKMARIJP en SINT-JANSGA

Akmarijp levert een mooi voorbeeld van de initiële rijkdom van de veenontginningen en de ontvolking en extensivering van de landbouw ten gevolge van de maaiveldverlaging in de Late Middeleeuwen en vroege Nieuwe Tijd. Aan de oude welvaart herinnerde in de 16de eeuw nog het feit dat het huidige dorpsgebied toen uit twee parochies bestond: die van Sint-Gertrudis in Akmarijp en die van de capelle van Sinte Johannes in Sint-Jansga.

Ook wist men toen nog dat beide dorpen in de Middeleeuwen in totaal zeven "edele staten" telde: van noord naar zuid achtereenvolgens Abbema, Donia, Galama, Bavema, Bangma, Molla en Unia; in 1664 waren ze echter reeds vernietigd. Het op het eerste gezicht onwaarschijnlijk hoge aantal stinzen wordt door oudere bronnen echter bevestigd. Van vier à vijf is inderdaad adellijke bewoning of verdedigbaarheid, dan wel beide, bekend.

Abbema (Akmarijp FC1, SC1)

Abbema ontleende zijn naam aan de eigenaar in het midden van de 16de eeuw; in 1664 aangegeven als "vernietigde edele state". In 1511 en 1700 was Abbema met 100 pondemaat het grootste bedrijf van Akmarijp en Sint-Jansga. Ede Romckes, bierbrouwer en burgemeester van Sneek was toen de eigenaar. Hij is bekend omdat hij in 1520 met enkele anderen een bedevaart naar Jeruzalem maakte, waarvan een verslag bewaard is.

In 1523 was Eede Romkis die in Sneeck vaeck borghemeyster hadde gheweest in de oorlog tussen de Geldersen en de Bourgondiërs in ballingschap gegaan. In 1598 behoorde het goed, inmiddels Abbema geheten, aan Sypcke van Abbema, een kleinzoon van Ede Romckes' kleindochter Rinck Jelmersdr. In 1700, 1832 en 1850 was Abbema een boerderij. Of er ooit een verdedigbaar of representatief huis heeft gestaan, is niet bekend.

  • Eigenaars
  • Ede Romckes, bierbrouwer en burgemeester van Sneek, in 1511 eigenaar van de sate Akmarijp FC1, gehuwd met Jut Florisdr, dochter van Floris Jacobsz, houtkoopman, 1493 schepen en 1494 burgemeester van Sneek. Ook zijn broer Yga Romckes had land in Akmarijp. Zoon:
  • Jelmer Edes, 1540-1545 grietman van Utingeradeel, gehuwd met Wyb Sinnedr. Dochter:
  • Rinck Jelmerdr, gehuwd met Sipcke Abbema, 1543 eigenaar van Abbema state te Kollum, 1538 schepen, 1544 olderman van Sneek. Zoon:
  • Ede Abbema, 1559 gegoed te Wommels en Sneek, 1562-1566 schepen en burgemeester van Sneek, gehuwd met Edewer Popma. Zoon:
  • Sipcke van Abbema, 1578 hoogstaangeslagene te Akmarijp, 1598 eigenaar van Abbema state te Akmarijp.

Galama (ten zuiden van de kerk van Akmarijp) Donia (ten noorden van de kerk van Akmarijp)

Galama wordt als Joucke Galama steenhuis in Ackmeryp in 1459 genoemd. In verband met deze stins worden eveneens leden van de familie Donia genoemd. Volgens de kaart van Schotanus van 1664 waren Galama en Donia echter aparte voormalige stinzen.

In de "Donia-oorlog" werd in 1459 de stins van Joucke Galama te Akmarijp door Agge Donia uit Sloten, die daarbij werd geholpen door Jancke Douwama van Langweer, ingenomen, daer Agge veel quaets aff dede. Een poging van het "gemene landt" om Agge en zijn broer Haring Donia van Nijland uit de Galama-stins in Akmarijp te verdrijven, mislukte in 1461. Toen in 1462 de Donia's tot de Schieringer partij waren toegetreden, keerden in 1463 de Vetkopers Jancke Douwama en Gale Galama van Koudum zich tegen Agge op de stins.

Na 14 dagen beleg vluchtte Agge op een nacht heimelijk. Zijn knechten gaven het huis over. Jancke en Gale verwoestten het daarop. Volgens het Oudfriese rechtshandschrift Unia, waarin rechtsregels met concrete jurisprudentie wordt geïllustreerd, werd in het midden van de 15de eeuw bij Wiba Jelkama (op Meskewier), grietman in Utingeradeel, door Jouka Gela sin in Aeckmaryp geklaagd dat Tiepka Ona sin ter Capla (op Oenema in Terkaple) zich meester had gemaakt van rechten op jonga Renkis god. Jouka zou er, vanwege zijn vrouw, het meeste recht op hebben. Hij vroeg daarom het grietenijgerecht dat ze zouden helpen Bawke, zijn vrouw, te herstellen in haar aandeel van het goed dat afkomstig was van Ana, haar vader.

Of Joucke Galama en Gale Galama verwant waren, staat niet vast. Joucke lijkt Schieringer geweest te zijn, Gale was Vetkoper. Traditioneel worden ze wel als broers beschouwd. Evenmin is de relatie van de genoemde Donia's met de in 1664 ten noorden van de kerk aangegeven Donia state te Akmarijp zeker; wèl blijkt uit het bovenstaande dat zij vier jaar op Galama ten zuiden van de kerk woonden. De exacte locatie van beide staten is niet bekend. Daardoor is identificatie met een van de floreennummers van 1700 niet mogelijk. Afbeeldingen zijn evenmin bekend; de kaart van 1664 lijkt de enige visuele weergave te zijn.

  • Eigenaars
  • Jouka Gelaz (Galama), tr. met Bawke Anadr. Vóór 1459 te Akmarijp.
  • Agge Donia uit Sloten. Door geweld van 1459 tot 1463 op Joucke Galamahuis te Akmarijp.
  • Jancke Douwama en Gale Galama verwoesten het huis in 1463.

Bavema (ten zuiden van het kerkeweer van de kerk van Sint-Jansga) Bangma (ten zuiden van Bavema)

Direct ten zuiden van de kerk van Sint-Jansga beeldt de kaart van 1664 de vernietigde state Bavema af, en ten zuiden daarvan Bangma. De namen wordt eerder niet vermeld. In 1999 werd onderzoek gedaan op het perceel waarop ooit de kerk van Sint-Jansga stond. Daarbij kwamen de fundering van de kerk en de kerkhofgracht voor de dag.

Op hetzelfde perceel, dat in 1821 nog uit meerdere percelen bestond, werden de fundamenten van een stins vastgesteld. Deze zijn echter niet nader onderzocht. Blijkens de kaart van 1664 moet het om de "vernietigde edele state" Bavema gaan. Afbeeldingen zijn niet bekend; de kaart van 1664 lijkt de enige visuele weergave te zijn.

Molla (Akmarijp FC19, SC19)

De in 1664 aangegeven "vernietigde edele state" Molla te Sint-Jansga dankte zijn naam hoogstwaarschijnlijk aan de zeldzame voornaam Molla in de familie Rypkema. De Rypkema's waren een familie van rijke eigenerfden, of juister nog van kleine hoofdelingen te Aalsum bij Akkrum; zij hadden tevens bezit in Akmarijp.

In 1449 had een boedelscheiding binnen de familie Rypkema plaats. Stennert Rypkema ontving daarbij goederen te Birstum bij Nes, zijn zusters en broers, onder wie Molla Rypkema, te Akmarijp. Een kleinzoon van deze Molla bewoonde in 1511 een sate onder Akmarijp/Sint-Jansga, waarschijnlijk Molla state. In de 16de eeuw droegen verschillende personen in Akmarijp/St.-Jansga de voornaam Molla.

Ook de naam Rypkema behield een bekende klank: de grenssloot met Snikzwaag heette Rypkemasloot en verschillende sates in Akmarijp waren in 1640 en 1700 eigendom van een eigenerfdenfamilie Rypkema. Eekhoff identificeerde in 1850 Molla met floreennummer FC19. Deze localisatie is mogelijk indien we aannemen dat in de floreenadministratie ten gevolge van de extensivering van het grondgebruik in deze omgeving tussen 1700 en 1850 verschuivingen zijn opgetreden. Het kerkeweer (de pastorie) is FC16; ten zuiden daarvan zouden Bavema en Bangma oorspronkelijk de nummers FC17 en FC18 gehad kunnen hebben. Direct ten zuiden daar weer van lag dan Molla, FC19. Afbeeldingen zijn niet bekend; de kaart van 1664 lijkt de enige visuele weergave te zijn.

  • Eigenaars
  • Sywrd Rypkama te Aalsum, 1427; hij had ook land in Birstum en Akmarijp.
  • Molla Rypkama verkrijgt bij boedelscheiding in 1449 land te Akmarijp.
  • Molla Mollaz Sivrd Riipkama berns beern deed in 1474 afstand van rechten op familiegoed te Birstum ten gunste het klooster Aalsum. Een zoon van hem was hoogstwaarschijnlijk:
  • Rencka Mollis, eigenaar van een sate te Akmarijp/Sint-Jansga in 1511.

P.N. Noome: De stinzen in middeleeuws Friesland en hun bewoners


Naamlijst Predikanten, St. Jansga en Delfstrahuizen.

Theodorus Johannes Beverus, Bever of van Beveren, Joh.zoon te Koevorden, stond hier bij de verteekening der formulieren den 11 October 1619, en schreef zich toen dienaar des H. Euangelies, in 't Westerkwartier van Schoterland, vertrok naar Noordwolde, provincie Groningen in 1625, en overleed daar in 1636; zijn zoon Paulus, volgde hem daarop.

  • 162.   Hermannus Engelberti Wobbema, was hier in 1627, en is verroepen naar Deersum ca.
  • 16.     Wilhelmus Jarichius, overleed in 1632.
  • 1633. Adolphus Klinkhamer, geapprobeerd den 24 September, is verroepen naar Terkaple, geapprobeerd en gedimitteerd 10 April 1640.
  • 1641. Laurentius Huberti, denkelijk zoon van Hubertus, te Zuidwoude ca., kandidaat, geapprobeerd den 17 December, bevestigd den 18 Januarij 1641 , overleed in 1642.
  • 1643. Johannes Scotus, kandidaat, geapprobeerd 5 Junij etc, Klassis Z bl. 153.
  • 1651. Obertus Ekama, kandidaat, geapprobeerd den 4 Junij, (slecht traktement, Klassis Z. bl. 154) overleed in 1675. Den 6 October werd er order gesteld om de vacante gemeente te bedienen.
  • 1676. Oedsonius Betius of Beetzins, geboren te Beets ?, kandidaat, geapprobeerd den 2 Augustus, lid der Kl. den 18 April 1677, is verroepen naar Oldelemmer ca., geapprobeerd en gedimitteerd en een extra-klassis, den 5 December 1683.
  • 1684. Henricus Pegeier, kandidaat, geapprobeerd den 3 September, lid der kl. den 1 October, werd aangesteld tot veldprediker in 1693 , en is gedurende dezen dienst overleden ; het lijk herwaarts gevoerd zijnde , is begraven onder den predikstoel te St. Jansga.
  • 1693. Boëtius Fennema, geboren en gedoopt te Marssum den 29 September 1667, Nic. Boetius, zoon, broer van Ibertus, te Leeuwarden en Allardus te Terkaple, kandidaat, geapprobeercl den 22 November, is verroepen naar Sijbrandaburen c.a. in zijns vaders plaats, gedimitteerd den 1 Augustus 1705.
  • 1705. Cornelius Musculus, kandidaat, geapprobeerd den 7 October, werd emeritus verklaard bij 't collegie den 4 October 1735, en daardoor is een einde gemaakt aan de onlusten, die jaren lang in deze gemeente geweest waren; hij overleed op de Lemmer in 't laatst van Junij 1742.
  • 1736. Henricus Jongbloed, geboren te Lemmer den 12 Februarij 1711, kandidaat, bevestigd den 21 Julij , nam, verroepen naar Langezwaag ca., afscheid den 13 October 1743.
  • 1744. Hermannus Asendorp, geboren te Groningen, kandidaat, bevestigd den 20 September, overleed, terwijl hij gesuspendeerd was, den 12 September 1760, oud 44 jaren.
  • 1761. Cornelius Hooftman, geboren te Leeuwarden den 10 Augustus 1737, kandidaat, bevestigd den 25 October, nam , verroepen naar Nieuw-Brongerga , afscheid den 9 Junij 1776.
  • 1776. Henricus Braunius Christ. Herm. zoon, Ar. broederszoon, beroepen van Nes op 't Ameland, deed zijn intreerede den 10 November, en nam , verroepen naar Nieuw-Brongerga, afscheid den 9 Junij 1782.
  • 1782. Joost Hendrik Dake, geboren te Almelo, kandidaat, bevestigd den 3 November, nam, verroepen naar Peperga ca. , afscheid den 27 April 1788.
  • 1788. Petrus Westerhoff, geboren te Warfum den 28 Maart 1765, kandidaat, bevestigd den 17 Augustus, nam , verroepen naar Oosterland op Wielingen, afscheid den 18 Augustus 1793, ging naar Eppingehuizen in 1805, naar Warfum in 1810, overleed daar den 6 Februarij 1824. Van zijne zonen zijn predikanten geweest Bern. Petr. te Tinallinge en Eisso Tjaarda, te Sijbaldaburen.
  • 1794. Hajo Udo Thoden van Velzen, geboren te Rijzum in Oost-Friesland in Februarij 1772, Eggo Ulphard, zoon, Ulph. Will. broeder te .... , kandidaat, bevestigd den 26 October, nam, verroepen naar Augustinusga, afscheid den 20 October 1799.
  • 1799. Nicolaas Bakker, beroepen van Tjerkgaast ca., deed zijn intreerecle den 10 November, nam, verroepen naar Wagenborgen , afscheid den 7 Julij 1805, en ging naar Roswinkel in 1810.
  • 1805. Johannes Conraad Fischer, geboren te 's Gravenhage, gedoopt den 28 December 1777 , als kandidaat te Nieuw-leuzen, provincie Overijssel, in 1803 , deed van daar hier beroepen, zijn intreerede den 1 December, is vertrokken naar Ureterp in Julij 1810 , zonder afscheid te doen, wegens zwakheid tengevolge van eene zware ziekte , maar heeft zulks gedaan den 29 Julij , bij gelegenheid dat hij als ringpredikant zijne beurt in deze vacature moest vervullen.
  • 1812. Jan Reider Stavermaii, geboren te Wapserveen, Alb. zoon, Henr. Joh. broeder te Kolderveen, als kandidaat te Beilen bevestigd den 5 Junij 1786, wegens zwakheid rustend predikant, met een jaarlijks pensioen van 500 gulden, geworden in 1806, deed, daarna hier beroepen, zijn intreerede den 19 Januarij, en nam, verroepen naar Doomspijk, afscheid den 31 Mei 1818, ging naar Elspeet in 1824, en overleed daar den 7 December 1824, oud ruim 62 jaren.
  • 1818. Jan de Jong, beroepen van Zuiderhuisterveen, deed zijn intreerede den 15 November en overleed den 16 Februarij 1821, oud ruim 48 jaren.
  • 1823. Antoon Casper Vissing.

Er ontbreken: P. de Grient Dreux 1839—40. J. C. Fischer 1841—42. J. J. Gobius du Sart 1844—48. J. H. Seemerink 1849. A. v. Griethuijzen 1851—53. G. J. Brijce 1854—56. G. J. Gobius du Sart 1857 — 61. W. R. Kalshoven 1862—66. P. F. v. d. Steen 1867—68. D. N. Eerdmans 1869. H. A. van Oostrum Soede 1875—77. J. W. A. Woldringh 1877—83. H. Bruijel 1885—.

Bron: tresoar.nl/wumkes/pdf

Onderzoek naar het kerkterrein van St. Jansga te Akmarijp, Gemeente Skarsterlân, Provincie Fryslân: easy.dans.knaw.nl

De aanleiding van dit onderzoek vormt het plan van de landeigenaar egalisatiewerkzaamheden uit te voeren op het terrein. Het onderzoeksterrein bevindt zich in Akmarijp, gemeente Skarsterlan (Fr.). De verstoring van de grond zal tijdens deze werkzaamheden ongeveer 25 centimeter bedragen. De hoogteverschillen geven informatie over de vroeger aanwezige structuren, hierom is het noodzakelijk archeologisch onderzoek uit te voeren op deze locatie.
Het vermoeden is dat op dit terrein het voormalig kerkhof van St. Jansga, met eventueel de fundamenten van een kerkje, gelegen is. Het verband van deze site met de veenontginningen uit de Middeleeuwen geven deze locatie een historische meerwaarde.

Conclusie:

Tijden het onderzoek is het kerkterrein van St. Jansga en het kerkhof aangetroffen. Op het terrein heeft een huis of stins gestaan. In het zuiden van de put is een ontginningssloot gevonden. Aan de noordzijde van het terrein heeft een gracht gelopen. Er zijn vele graven gevonden. De meesten zijn aan de hand van kogelpot aardewerk te dateren in de 13e eeuw of iets jonger. Enkele graven zijn te dateren in de 14e eeuw of jonger.

Het gehele kerkterrein heeft in de loop van de 17e eeuw zijn functie verloren. Tegen het einde van deze periode is er een nieuw pand gebruikt waarvan de functie niet duidelijk is. Voor de noodgevel van de kerk is een waterput aangetroffen die waarschijnlijk bij de voormalige stins heeft behoord. Aan de hand van het onderzoek kan duidelijk gesteld worden dat het terrein een hoge archeologische waarde heeft. Helaas was uitgebreid onderzoek niet mogelijk. Verder onderzoek naar de geborgen skeletten is aanbevelenswaardig.

Onderwijs en schoolmeesters te St. Johannesga en Rotsterhaule.

Uit de oude kerkvoogdij-rekeningen blijkt dat deze dorpen in het begin van de 17e eeuw beide hun winterschool gehad hebben.

Van Rotsterhaule zijn bekend: Jouke Peters (1631), Geert Geerts (1632), Lijckle Meints (1633/34), Michiel Jans (1635/36; hij is in 1636 gestorven); Lijckle Meints weer (1636/37) en Willem Jarichs (1637/38). Ze verdienden 20 à 25 gulden per winter.

Van 1638 af zijn evenwel de kerkvoogdij-rekeningen van St. Johannesga (of St. Jansga, zoals men vroeger zei) en Rotsterhaule gezamenlijk. Het blijkt dan dat men er voor deze beide scholen één school en één schoolmeester op na hield.

  • In 1638 ontving de schoolmeester Jan Ubles, 23 c.g. voor schooldienst, in 1639 weer; in 1640 mr. Lambert Luyttiens, die toen naar Rotstergaast vertrok.
  • In 1641 en '42 kreeg de schoolmeester Cornelis Johannes, 23 c.g. wegens zijn pensie voor het waarnemen van de school.
  • In 1645 werd Jacob Peters, schoolmeester; er werd 25 c.g. voor dit doel betaald.
  • Toen werd Andries Jelckes schoolmeester; hij ontving de pensie van 1646 tot 1650.

In 1651 werden 16 st. onkosten gemaakt "om de schoolmeester te winnen [=te huren]". (Deze onkosten werden door vier dorpen betaald: St. Jansga, Rotsterhaule, Delfstrahuizen en Rottum.)

De nieuwe schoolmeester was Wierd Andries, die tot 1650 te Rottum was. Hij kreeg de pensie over 1651/52, heet ook in 1653 nog "Wierdt Andries, onsen schoelmeister". (Niet altijd worden in de kerkvoogdij-rekeningen de juiste jaartallen genoemd; dan is de juiste tijdsbepaling soms moeilijk.) Wierd Andries, ontving zijn 25 c.g. pensie ook van vier dorpen; St. Jansga en Rotsterhaule, brachten 12 c.g. 10 st. op. Later betaalden St. Jansga en Rotsterhaule, de volledige 25 c.g. weer.

  • In 1655 had Foppe Martens en van 1655 tot 1656 mr. Upcke Lyckles, een winter schoolgehouden; dan in 1656/57 en 1657/58 Wierd Andries weer; de pensie bedroeg steeds ca. 25 c.g. per winter.

Vervolgens krijgen we Jacob Meines (1658/59, 1659/60); mr. Cornelis Bromsenius 1660/61);
mr. Marten Jacobs (1661/62, 1662/63); mr. Foppe Bonnis (1663/64); Pier Gabbes (1664/65);
mr. Lieuwe Engberts (1666/67); Roelof Clasen (1667/68), mr. Jan Geerts (1668/69); mr.
Lieucke Engberts weer (1669/70, 1670/71); Jacob Meines nog eens (1671/72); Lieuwe Engberts weer (1673/74); Bene Roelofs (1675/76, 1677/78); Gerrijt Jans (1678/79, 1679/80); Tjerck Bosscha, schoolmeester (1680/81, 1681/82); noemt zich ook Tarquinius Bosscha; dan Upche (Obe) Lyckles nog eens weer (1682/83). De pensie bedroeg nu 25 à 29 c.g. "voor school- en
kerkedienst".

  • In 1684 ontving mr. Wijbe Saeckes, de pensie van 27 c.g. voor schooldienst, in mei 1685 31 c.g. 10 st., in mei 1686 43 c.g. wegens schooldienst en klokluiden.

Nu ontbreken verder de kerkvoogdij-rekeningen. Uit andere bronnen weten we evenwel, dat op 28 april 1706 Pier Saeckes "schoolmeester tot St. Jansga" was.

  • In mei 1732 worden aan mr. Oene Romkes, schoolpenningen van een gealimenteerde wees betaald. Hij was in aug. 1747 nog schoolmeester te St. Jansga; zijn vrouw heette Wijgertje Jans. In 1753 was hij hier nog; blijkbaar is hij hier op 25 nov. 1762 overleden.

St. Johannesga, de hoofdplaats van de kerkelijke combinatie blijkt hier dus een vaste school- en
kerkdienaar te hebben. Met de predikant trok hij dan ook naar de combinatiedorpen om ook daar voor te zingen als er preek was. Ook van die dorpen verkreeg hij daarvoor een toelage.

De volgende schoolmeester Jan Oenes, zal wel een zoon van mr. Oene Romkes, geweest zijn en als zodanig door de stemgerechtigde landeigenaars in de plaats van zijn vader gekozen. In maart 1766 werd hier zijn huwelijk geproclameerd met Ybechien Jans, van Nijelamer, waar het huwelijk voltrokken werd.

Op 18 sept. 1768 trouwden te Rotsterhaule in de kerk Oene Wijtzes, schoolmeester van St. Jansga, en Geesjen Jochums Ruiter, van Rotsterhaule. Hij was een zoon van de schoolmeester Wijtze Oenes van Ouwsterhaule en was daar op 15 jan. 1741 geboren.

Ook deze meester heeft het hier niet lang gemaakt, want nog in hetzelfde jaar (1768) kwam hier en in mei 1770 werd op belijdenis van zijn geloof alhier tot lidmaat aangenomen: Willem Lefferts
Stellingwerf, schoolmeester te St. Jansga. Hij trouwde hier op 19 april 1772 met Jantje Paulus
Ackerman, van Rotsterhaule. Hun zoons Leffert, Paulus en Hendrik, zijn hier resp. geboren op 21 maart 1783, 15 maart 1786 en 9 april 1789.

In de Leeuwarder Courant van april 1795 worden namens de ingezetenen van St. Jansga en Rotsterhaule, gegadigden opgeroepen voor het schoolmeestersambt van deze dorpen. Ze kunnen een van de eerstvolgende zes zondagen hun gaven doen horen in de kerk (als voorzanger namelijk) en nadere inlichtingen ontvangen bij Jacob Hilberts, veenbaas te St. Jansga.

Ongetwijfeld vertegenwoordigde deze veenbaas slechts een stroming in deze dorpen, want in een volgend nummer van de Leeuwarder Courant (27 mei) verklaren de kerkvoogden Tjerk Jans Greveling en Haye Meintes, voor zichzelf en een menigte ingezetenen, dat zij met hun schoolmeester, die reeds 27 jaar dit ambt vervuld, wel tevreden zijn en dat ze protesteren tegen genoemde advertentie van Jacob Hilberts.

Waarschijnlijk is mr. Willem, Oranjegezind geweest, waartegen in die dagen toen de Fransen kwamen en met hen de Patriotten de macht kregen, een stroming in deze dorpen zich verzette. Ondanks de tweede advertentie is mr. Willem, toen toch van het toneel verdwenen; hij deed afstand van de school.

Op 30 juni 1795 werd namelijk Hendrik Egberts Kluiver, tot schoolmeester van St. Jansga en
Rotsterhaule "beroepen". Zijn beroepbrief en instructie is in het gemeentearchief van Schoterland bewaard gebleven. (Er staat schoolmeester van Delfstrahuizen en Rotsterhaule).
Mr. Kluiver kwam van Zuidveen; hij moet zorgen dat de kinderen in goede discipline worden
gehouden; ze leren lezen, schrijven, zingen en rekenen; tevens is hij voorzanger, klokluider en koster. De kinderen betalen 1 st. per week aan schoolgeld, waarboven de schoolmeester van de kerk een traktement van 136 c.g. geniet. Het stuk is namens de ingezetenen ondertekend door vier veenbazen, twee van St. Jansga (o.a. Jacob Hilberts) en twee van Rotsterhaule.

De vrouw van meester Hendrik heette Aaltje Tijmens; hun zoons Egbert en Claas, zijn hier resp. geboren op 8 sept. 1796 en 24 dec. 1802; er was ook een Tijmen. Allen werden weer schoolmeester: Klaas ontmoetten we reeds als winterschoolhouder te Nieuweschoot (1819/22); Egbert te Rotstergaast en Tijmen is te Nijehaske geweest.  Hendrik Egberts Kluiver, heeft 33 jaar hier zijn ambten vervuld in een school, die met zijn woning onder één dak was.

In 1817 gingen hier gemiddeld 70 kinderen op school; het traktement bedroeg toen ƒ 250 van het dorp, ƒ 18 van de kerk, benevens de schoolgelden en vrije woning. Ook bediende hij een dijksontvang, dat hem ƒ 30 opleverde.

In de meergenoemde lijst betreffende de moraliteit en de ijver van de onderwijzers, heet zijn gedrag "goed", zijn vlijt "matig", terwijl de schoolopziener er bij zet: "van den ouden stempel; zijn zoon die de 4e rang heeft, helpt hem en is niet ongeschikt". Dat was blijkbaar Egbert.

In het voorjaar van 1828 is de oude meester overleden. In zijn laatste levensjaren had hij hulp gehad van Sipke Sjoerds Visser. Deze had als 17-jarige kwekeling te Oenkerk, waar hij vandaan kwam, in okt. 1825 de 4e rang verkregen en in juli 1827, toen hij reeds provisioneel te St. Jansga waarnam de 3e. Na de dood van mr. Kluiver, werd hij op 8 sept. 1828 vast aangesteld op een traktement van ƒ 250 van het dorp en ƒ 18 van de kerk voor klokluiden en voorzingen, benevens de schoolpenningen, ruim ƒ 100 en vrije woning.

Hij trouwde op 9 mei 1830 met Harmke Willems Postma. In 1831 werd hun zoon Willem geboren, die op 22 dec. 1853 als onderwijzer te Akkrum stierf. Mr. Sipke, sloeg ook nog weer aan de studie en verkreeg in april 1837 de 2e rang, die na de Wet op het Lager Onderwijs van 1857 met de hoofdakte gelijk gesteld werd.

In 1846 bedroeg het aantal leerlingen 105 ('s zomers) à 95 ('s winters). Ook hier dus 's zomers meer leerlingen dan 's winters, in tegenstelling met de meeste andere dorpen in Friesland.

Het spreekt vanzelf dat de school voor dit aantal leerlingen al lang te klein was; al vaak had mr. Visser, er over geklaagd, maar eerst in 1848 werd er een nieuwe woning gebouwd en de oude woning bij de school getrokken als een tweede lokaal.

Meester Sipke, heeft 45 jaar aan het hoofd van deze school gestaan, namelijk tot 1873. In dat jaar werd benoemd F.D. van Rijsens, onderwijzer te Leeuwarden. Hij vertrok evenwel reeds op 1 jan. 1874 naar Deinum, werd later de bekende geschiedenisman, auteur van zovele voortreffelijke leerboeken voor dat vak. In 1882 werd hij leraar geschiedenis aan de Rijks HBS te Groningen, in 1896 daar arrondissement-schoolopziener en in 1901 districtsschoolopziener te Alkmaar. In april 1909 is hij aan de Rivièra overleden.

In 1873, het jaar dat Van Rijsens, hier stond, besloot de gemeenteraad van Schoterland tot de bouw van een tweede school te St. Johannesga, nl. aan het Oosteind, die in 1874 in gebruik
kon worden genomen. Als opvolger van Van Rijsens, werd benoemd Marten Siebes Maakal, hoofd te Haulerwijk-beneden. Het salaris was toen ƒ 600. Hij kwam echter niet aan het hoofd
van de nieuwe school, maar aan de oude, reeds bestaande (1874-1883).

Aan het hoofd van de nieuwe school te St. Johannesga-Oost hebben gestaan: J. Sijbenga, van 1874 (was onderwijzer te Lippenhuizen) tot 1886; Teije Lammerts van der Wal, van 1886 (was onderwijzer te Harlingen) tot 1890; Jacob ten Cate, van 1890 tot 1909; hij werd in 1898 leraar aan de rijksnormaalschool te Heerenveen en in 1909 aan de ambachtsschool; resp. tot 1916 en 1926 (gepensioneerd). Hij stierf op 11 juli 1940 te Meppel, oud 75 jaar. J. van den Akker, van 1909 tot 1916 (overgeplaatst naar Rotsterhaule); R. Brouwer, van 1916 tot 1921; P. van Dam, van 1921 (kwam van Delfstrahuizen) tot 1923; D. Zoolstra, van 1923 tot 1925; R. van Lunzen, van 1925 tot 1930 (werd onderwijzer, later hoofd van de Jan Ligthartschool te 's-Gravenhage) en J. Woudstra, van 1930 (was onderwijzer te Oudeschoot) tot 1 jan. 1934, met ingang van welke datum deze school bij raadsbesluit van 11 okt. 1933 is opgeheven. Meester Woudstra, werd overgeplaatst naar Mildam.

Ons rest nog de oude school op de grens van St. Johannesga en Rotsterhaule, nabij de kerk, waaraan in 1874 M.S. Maakal, tot hoofd was aangesteld. In 1878 besloot de gemeenteraad van
Schoterland deze school op te heffen en een nieuwe te stichten, meer naar het westen van
Rotsterhaule. Hier werd een terrein aangekocht voor ƒ 1400,-. G. Heidstra te Katlijk nam de
bouw aan voor ƒ 15.140,-. Beide dorpen hadden dus een eigen school. De oude werd afgebroken.

De nieuwe school te Rotsterhaule, is op 13 mei 1879 feestelijk in gebruik genomen en meester
Maakal, bleef nog vier jaar hoofd van deze school, totdat hij in de zomer van 1883 eervol ontslagen werd en pensioen ontving. Zijn opvolger K. Douma, (was onderwijzer te Beetgum) heeft van aug. 1883 tot 1910 deze school bediend, dus 27 jaar lang. In 1887 is de school vertimmerd.

De latere hoofden maakten het hier zo lang niet. Het waren: G. Kramer, van 1910 tot 1912; F. Bakker, van 1912 tot 1915; J. van den Akker, van 1916 (kwam van St. Johannesga) tot 1918
(naar Lippenhuizen); K. Kingma van 1918 (kwam van Delfstrahuizen) tot 1924; G. van de Worp, van 1924 tot 1929 (werd hoofd van een school te Drachten); en sedert juni 1929 Herman Stapert (van Delfstrahuizen). Ook deze school ging per 1 juli 1934 van Schoterland aan Haskerland over.

Meester Stapert, is op 1 sept. 1953 gepensioneerd. Tot zijn opvolger is in mei 1953 benoemd: F. Wiegersma van Zwaagwesteinde. Deze trad op 1 sept. 1953 in functie.

Bijzonder onderwijs.

In al deze aan Haskerland gekomen dorpen van de voormalige gemeente Schoterland was slechts één bijzondere school, namelijk te St. Johannesga; hier in 1922 gesticht en op 15 nov. van dat jaar geopend. Hoofd van deze school zijn geweest: S. Attema, van nov. 1922 tot 1927 en P. Miedema, van 1927 (kwam van Reitsum) tot 1 nov. 1952 (gepensioneerd). Op 1 jan. 1953 werd S.J. Homans, onderwijzer van de hervormde school te IJmuiden, hoofd van de christelijke nationale school te St. Johannesga.

Bron:  www.fryske-akademy.nl

Kerk en Pastorie.

St Johannesga:  Molen De Hersteller

Zwembad 'Nannewijd' bij St. Johannesga.


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.