Rijs |3|

MIRNS, BAKHUIZEN en RIJS

Mirns en Bakhuizen werden in de rechterlijke organisatie als één dorp beschouwd; kerkelijk waren het oorspronkelijk aparte parochies. Ondanks de schaarse historische bronnen kunnen hier een stins van de Galama's, een uithof van hun tegenspeler de abt van Staveren en Hemelum, en verschillende stinswieren worden aangewezen.

Galama (kad. Balk F 215-217)

De Galama's van Koudum waren in de 15de eeuw de belangrijkste Vetkoperse hoofdelingenfamilie in de Zuidwesthoek. Hun stamhuis lag te Koudum, maar ook op vele andere plaatsen - zoals Oudega-Noordwolde, Warns en Bakhuizen - in de omgeving verwierven ze grondbezit, waarop ze militaire steunpunten inrichtten.

In 1486 was één van de uitvalsbases van Yge Gaelez Galama een huys ofte stins toe Backhuysen. Hij bestookte vandaaruit de abt van Staveren en Hemelum, wiens stins De Spycker bij het klooster Hemelum hij even eerder had verwoest. De abt bezat uithoven dichtbij Bakhuizen: te Rijs onder Mirns en Hospitaal onder Harich. Het andere doelwit van Yge was Minne Hillez te Harich. Pieter Harinxma uit Sneek en Epe Hettinga uit de Hommerts belegerden daarna met vechters uit Sneek en Wymbritseradeel deze stins in Bakhuizen.

Op het geluid van zijn stem wisten ze een bewaker op het huis dood te schieten, maar bij gebrek aan groot geschut lukte het niet het huis te veroveren. Yges soldaten schoten heftig vanaf het huis. Een van de Schieringers werd daardoor gedood. Door een ongeluk verbrandde een van hun aanvoerders, Tete Epez Hettinga, doordat een naburig huis waar hij zich ophield door eigen vuur in brand vloog. De stins werd het jaar daarop (1487) beheerd door Yges broer Douwe Gaelez Galama. Blijkbaar maakten ook anderen aanspraak erop, want bij een verzoeningspoging werd bepaald dat Douwe dat stins to Backhusen weer zou moeten overgeven aan degenen die er de eigendom van hadden.

Aannemelijk is dat de Galama-stins te Bakhuizen met de sate Galama op de kaart van 1718 mag worden geïdentificeerd. Dat het een van de belangrijke huizen in deze omgeving was, blijkt uit de opvaart die er vanuit de Schwartzenbergs Sloot of Rijstervaart heen voerde. In de loop van de 17de eeuw werd Galama opgenomen in het door singels omgeven land rond het huis Rijs.

Rijs

In Rijs bezat de abt van Staveren en Hemelum een uithof, "van een zeer kostbare bouw". Deze uithof werd in 1364 voor het eerst genoemd. Waarschijnlijk stond op de uithof, zoals bij veel andere kloosters en uithoven tevens een stins. De uithof wordt tenminste vermeld in een vetecontext: in 1486 werd hij door Yge Galama, die zijn intrek op de naburige Galamastins in Bakhuizen had genomen, verwoest.

In de 17de eeuw ontstond te Rijs een groot landgoed, eerst van De Wildt, later door vererving van de families Rengers en Van Swinderen. Daarin werden oudere structuren - de Galamastins, de wieren op de Hooge Bergen en bij de Leye, verschillende boerderijen, heide, en mogelijk de uithof van Rijs - door brede singels opgenomen.

De wier op de Hooge Bergen

Bij de boerderij ten oosten van de laan over de Hooge Bergen wordt op de kaarten van 1718 en 1739 een stinswier aangegeven. Vanaf deze stins op een der hoogste punten van Gaasterland moet men een goed uitzicht over de wijde omgeving hebben gehad. De wier zelf lag op lemig fijn zand (humuspodzol, cHn23), ertegenover lag op de helling naar de Brelen een complex hoge zwarte enkeerdgronden. Op latere kaarten ontbreekt de wier.

Op het terrein heeft geen archeologische verkenning plaatsgevonden. Wel is het interessant dat een oude luchtfoto de boerderij toont met daaromheen een gracht als een verkleuring in het landschap.

De wier bij de Leye in de Rijsterpolder

De kaarten van Schotanus (1718) van Hemelumer Oldeferd en Gaasterland lijken van de Leye in de Rijsterpolder twee fasen in de landschapsontwikkeling aan te geven. In 1718 wordt deze omgeving, hoewel landschappelijk meer bij de grietenij Gaasterland aansluitend, als deel van Hemelumer Oldeferd gezien. Op de kaart van Hemelumer Oldeferd wordt op de Leye een boerderij aangegeven, geflankeerd door twee verlaten huisplaatsen (stemmende stellen). Ten zuiden van de westelijke "stelle" is, dicht bij de Leise Laan, de oostelijke oprijlaan van het huis Rijs, een wier aangegeven.

Op de kaart van Gaasterland in 1718 ontbreken de stellen en de wier. Ter plekke van de wier ligt nu akkerland, ter plekke van de westelijke stelle een bosperceel. De rechthoekige percelering sluit aan bij die van het landgoed Rijs. Mogelijk zijn de boerderij en de beide stemmende stellen te identificeren met de stemmen SC34 (huijsstede), SC35 (plaets) en SC36 (huijsstede), die als enige onder Hemelum in 1698 behoorden aan de heer Hiob de Wildt, de stichter van het landgoed Rijs.

Op latere kaarten komen de wier en de stellen niet meer voor. Wel tekent zich in de percelering de plaats van de beide stellen ter weerzijden van de boerderij Rijsterpolder af. In de 19de eeuw behoort dit deel van de Rijsterpolder niet meer tot Hemelumer Oldeferd, maar tot Gaasterland.

De wier bij de Breelensweg (kad. Balk F 228).

Direct ten westen van de Hooge Bergen (met een hoogte van +11,9 meter NAP) ligt een complex lage weidegrond, de Brelen geheten; het laagste punt is -0,3 meter. De naam Breel is verwant aan toponiemen als Brol, Bri(e)l, Bruil, Breugel en het keltische en middellatijnse brogilum. Er werden weidegronden dichtbij oude nederzettingen, soms omheind en bij een domein behorend, mee aangeduid.

In het floreencohier van 1700 worden in deze omgeving genoemd ackeren bouw op Hogebergen en een stuk graslandt de Brylle genaemt. Langs de Brelen loopt de Breelensweg, die de weg over de Hooge Bergen kruist. Ten noorden van deze kruising geven de kaarten van 1718 en 1739 een stinswier aan, gelegen op de hoge zwarte enkeerdgronden met keileem van de bouwlanden van Bakhuizen. Er ligt geen huis bij. Op latere kaarten ontbreekt de wier.

Hannema te Bakhuizen

In Gaasterland woonde in de 16de eeuw weinig adel meer. Rennert van Solckema wist in zijn Lineageboek van rond 1590 echter nog wel de namen van verschillende hoofdelingen en van de stinzen die zij hadden bezeten, te noemen: behalve Tetema en Minnema-Hillema te Harich ook nog Hylckema te Harich, Deeckema te Oudemirdum en Hannema te Bakhuizen. Ze behoorden allemaal tot zijn voorgeslacht of tot dat van zijn verwanten. Aan het eind van de 15de eeuw zou in Bakhuizen olde Tyerck Hannema hebben gewoond. Hij was met een Lyuts getrouwd en werd in het Lineageboek als nobilis in Backhuisen aangeduid. Zijn zoon Ids Tiercx Hannema trouwde met Bauck Hylckema van Harich. Een dochter van Ids en Bauck, Renck Idsdr Hannema, trouwde met Meyne Idsz Tetema; zij woonden op Tetema in Harich. Waar in Bakhuizen de Hannema's hebben gewoond, is niet bekend.

De wier bij het kerkhof van Mirns

In Mirns lagen vier stinzen, alle op de hoge zwarte enkeerdgronden langs de zee. Ten westen van het kerkhof van Mirns beelden de atlassen van 1718 en 1739 een wier af. Hij ligt in het land, niet naast een huis. Op de kaarten van het kadaster (1832) en Eekhoff (rond 1850) valt de plaats niet meer te herkennen. Het terrein waar de stinswier gestaan moet hebben is verkend in het seizoen 2002-2003. Het materiaal is nog niet volledig uitgewerkt.

Op het betreffende perceel zijn fragmenten van kloostermoppen en stukken tufsteen gevonden. Voorts zijn er scherven Pingsdorf-aardewerk, kogelpotaardewerk en diverse soorten laatmiddeleeuws steengoed gevonden. Ook zijn op dit terrein mogelijk aanwijzingen voor vroeg middeleeuwse bewoning gevonden. Tenslotte zijn er in Mirns diverse laatmiddeleeuwse muntschatten gevonden.

De wier aan de Mirnserdijk (kad. Balk F 307 bij huis 308)

Aan de Mirnserdijk, tussen het dorp en de Braamberg, tekenen de kaarten van 1718 en 1739 een wier. In de directe omgeving wordt geen huis aangegeven. In 1832 valt de plaats van de wier nog te herkennen aan een klein, veelhoekig perceel. Tussen dit perceel en de weg lag toen een klein huisje. Het wierperceel en dit huisje waren toen eigendom van de hervormde diaconie van Bakhuizen.

Twee wieren bij de Braamberg

Op de westelijke helling van de Braamberg toont de atlas van 1718 twee wieren: een ten noorden en een ten zuiden van de Mirnserdijk. De noordelijke wier (kad. Balk F 297 bij een huis 298) wordt ook op de Vegilinkaart (1739) aangegeven. Op het kadaster van 1832 valt de ligging nog waar te nemen door een uitzonderlijk klein perceeltje. In 1718 lag een huis ten zuidoosten van dit perceeltje, in 1832 een huis ten noordoosten (F 298). De wier ten zuiden van de Mirnserdijk lag niet vlak naast een huis. De wier ontbreekt in 1739 en nadien.

P.N. Noome: De stinzen in middeleeuws Friesland en hun bewoners


Logement, te Rijs.

Weg Rijs-Oudemirdum.

Middellaan, Rijs.

Mirnserlaan, Rijs.

Speeltuin, 'Rijsterbos' te Rijs.

Kampeerterrein 'Pomona' Rijs.

Rijs, aan het IJsselmeer.


Onderstaande afdrukken: 1914- Zakboekje van Lammert Hoogeveen uit het Archief van M. Lunenberg. ©

Van www.rijsterbosch.nl

Door de heer Herman Melchers uit Bakhuizen. ©

23-12-1942: Koopman en Knol Lemmer.

Logo Reekers, Lemmer en rekening.

1941: Logo Firma Wed G. L. Visser, Lemmer.

28-04-1942: J. M. Koksma, Lemmer.

06-02-1942: D. van Dalen, aanvraag uit Amsterdam.

13-09-1943: Brief van P.J. Sneijders, uit Echten voor de familie Hoogeveen.

20-08-1941: Bestelling van Hooghoudt via de Lemmerboot.

08-07-1942:Brief van A. J. Verhoeff, uit Echtenerbrug.

31-07-1942: Uit Echtenerbrug.

25-04-1942: Reekers, Lemmer.

04-06-1942: Pensiongast Pekelaar, uit Rotterdam.


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.