Ouwsterhaule

OUWSTERHAULE, Auwersterhaule of Oosterhaule, d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Doniawarstal, arr. en 3 1/2 u. Z. O. van Sneek, kant. en 3 u. N. ten O. van de Lemmer, 1 u. Z. van Joure, aan eenen zuid- en noordwaarts loopende rijweg, die van den Scheendijk af tot nabij het Tjeukemeer strekt. Dit d. ligt, met de beide d. Oldouwer en Nijega, in eenen polder, de Trijegaster-polder genaamd; terwijl ten N. van dezen grooten polder een kleiner gelegen is, mede onder deze dorpen behoorende. men telt er 20 h. en ruim 120 inw., die meest in de veeteelt hun bestaan vinden.

De Herv., die er 90 in getal zijn, behooren tot de gem. van Ouwsterhaule-Oldouwer-en-Nijega, die hier eene kerk heeft, met eenen scherpen toren, doch zonder orgel. - De Doopsgez., van welke er 5 leden wonen, worden tot de gem. van de Joure gerekend. - De R. K., van welke men er 14 aantreft, behooren tot de stat. van St. Nicolaasga. - De dorpschool wordt gemiddeld door een getal van 35 leerlingen bezocht.

Bron: Van der Aa


OUWSTERHAULE

Onder de drie houelinghen wtten Seuen wolden die in 1498 bij Laaxum sneuvelden behoorden naast Barra Rommertsma van Rottum ook Eba Selkaz Meynama (Solckema) van Oldeouwer en Meyna Sywrdsz van der Haula.Of Meyna Sywrdsz een Wolsma of Sickinga was (en of Ouwsterhaule of Rotsterhaule bedoeld is), is niet bekend.

Wolsma (Ouwsterhaule FC/SC17-18)

Wol, de naamgever van de familie Wolsma, werd in 1480 in de omgeving van Ouwsterhaule genoemd; de familie Wolsma en haar groet steenhuys of stens worden in de 16de eeuw vermeld. In 1480 zegelde Folkert Wolsin of Folkard Wylsoen de oorkonde van het Haskerconvent betreffende een ruil van land in Haskermeden voor land in Haskerveld, dus in streek die direct aan Ouwsterhaule grenst.

In zijn brief van rond 1570 vertelde mr. Minne Broersma dat zijn moeder een achterkleindochter was van Folkert Wolsz of Wolsma en dat het steenhuis van deze familie te Ouwsterhaule een belangrijke versterking was: een seer groet steenhuys op haer saeten ende landen, van welcken stens ick anno '53 den muyren noch hebbe gesien, ende heeft 't zelve met yseren doeren geweest, staende toe middel in't gae, ... ende is 't zelve stens het machtichste, hoochste ende starckste geacht geweest in den geheele Sevenwolden, soe dat men van oldts secht op 't zelve stens gebrocht ende bewaert toe syn Saenwaldma bosse.

Het kanon van de "woudlieden" of "Woudfriezen" die we in de Thaborse kronieken van de 15de eeuw zo vaak aan de vetevoering zien deelnemen, werd, althans volgens Broersma, hier dus bewaard. In de zestiende eeuw bestond dus nog een herinnering aan de inmiddels verdwenen Wolsma stins.

De familie werd in de 16de eeuw en later niet meer tot de adel gerekend, hoewel zij niet was uitgestorven. Zo verkocht Poppe Folkerts Wolsma in 1621 land tussen de oude dijk en de veenscheiding in Ouwsterhaule en was Poppe in 1640 daar eigenaar en gebruiker van twee naast elkaar gelegen stemmende sates (SC17 en SC18). Zoals vaak in de Wouden lag ook dit hoofdelingenhuis vlakbij de kerk.

Sickinga (Ouwsterhaule FC/SC11)

Een ander adellijk huis in Ouwsterhaule was Sickinga state. Een stins wordt hier niet expliciet genoemd. De oudst bekende bewoner daarvan was Abbe Idskes van Sickinga. Hij werd geboren voor 1490 en was dorpsrechter van Ouwsterhaule. Blijkens zijn grafzerk uit 1555, die in Ouwsterhaule bewaard is gebleven, was één van zijn vier grootouders een Albada van Rauwerd, een ander een De Gruyter. Hij was getrouwd met Oegh Oegedr Rouckema van Albada, met voorouders Rouckema, Albada van Goënga, Reinaerda, Scheltema en Fons. Ook de Ockema's "met de drie sterren" behoorden tot de voorouders van dit echtpaar.

Rond 1570 wist dr. Minne Broersma dat de zonen van Abbe en Oegh zijn verre verwanten (aftersusterlinghen) waren, mogelijk via de Ockema's en Rouckema's. Hij vermeldde dat Sickinga staeten drie ofte vier saeten van de stins van de Wolsma's af lag. In 1640 was jonker Gerrit van Sickinga eigenaar van Sickinga state in Ouwsterhaule en gelijktijdig van Sickinga op't Wold in Oudeschoot. Bovendien pretendeerden de Sickinga's in die tijd het zwanenrecht over het grondgebied van de dorpen Goengaryp, Broek en Ouwsterhaule.

P.N. Noome: De stinzen in middeleeuws Friesland en hun bewoners


Pastorie Oosterhaule.

Naamlijst Predikanten, Oosterhaule en Oldouwer.

St. Nicolaasga, hiermede eerst gecombineerd.

Cornelius Rudolphi Sygersma. Wanneer hij hier gekomen is, is geheel onzeker, misschien was hij wel de eerste predikant, althans hij overleed den 10 April 1627 in den ouderdom van 62 jaren, volgens grafsteen; hij is begraven te Olde-ouwer.

  • 1628. Wilco Harmes Somer of van Someren, beroepen van de Lemmer. Overleden in 1667.
  • 1668. Joachimus Hammama, kandidaat, geapprobeerd den 2 September, met bijzondere reden, Klassis Z., verroepen naar Marssum , gedimitteercl den 7 Juni 1671.
  • 1671. Henricus Antonides van der Linden, kandidaat geworden den 7 October 1668, geapprobeerd den 4 October 1671, verroepen naar de Oost-Indiën in 1676.
  • 1682. Douwe Samplonius, geboren te Asten, Joh. Ger. zoon, te Heerenveen, Ger. broeder, te Tjerkgaast, kandidaat, geapprobeerd den 5 Julij, lid der klassis den 2 Augustus, afgezet in 1686.
  • 1686. Johannes Hoevenaar, binnenvader en schooldienaar in het Stadsweeshuis, geapprobeerd den 6 October, overleed in 1701. Den 5 October werd de bediening der beurten van de vacante gemeente geregeld.
  • 1703. Melchior Hanekroot, geboren te Franeker 1676, kandidaat, geapprobeerd den 2 Mei, lid der klassis den 30 Mei, verroepen naar Cornjum, gedimitteerd den 3 Augustus 1707.
  • 1707. Melchior Alma, geboren te? Nic. zoon te Bolsward, kandidaat, geapprobeerd den 7 September, lid der klassis den 5 October , verroepen naar Langweer ca., geapprobeerd en gedimitteerd den 2 Augustus 1714.
  • 1714. Henricus Siccama, geboren te Leeuwarden 4 Augustus 1692, Abelus broeder te Beetsterzwaag, kandidaat, paedagoog aan 't huis van A. Lijcklama à Nijeholt, Grietman van Opsterland, te Beets, geapprobeerd den 14 October, lid der klassis den 1 Mei 1715, verroepen naar Oudeschoot c a. , geapprobeerd en gedimitteerd den 10 Februari 1718.
  • 1718. Bernardus Schotanus à Sterringa, zoon van Hobbo Schotanus à Sterringa J. U. Dr. , kandidaat, bevestigd den 22 Mei, verroepen naar Oosterend, gedimitteerd den 6 September 1719. Hij was schoonbroeder van H. H. Lemke, te Oldeholtpade.
  • 1719. Sibrandus Sijbesma, geboren te Leeuwarden, neef van Folkert Hendrik, te Anjum, kandidaat, bevestigd den 22 October, overleed na eene langdurige ziekte van bijna 1½ jaar den 17 Mei 1756, in 't 64ste jaar zijns ouderdoms.
  • 1757. Petrus van Fikkens, geboren te Bolsward, proponent te Leiden den 4 Mei 1749, beroepen in 't Retrenchement in Staats Vlaanderen den 11 Januarij 1751, deed, van daar hier beroepen, geapprobeerd den 20 April, zijn intreerede den 2 October en overleed in Januarij 1797.
  • 1797. Wijtze van der Zwaag, geboren te Beetsterzwaag den 24 Januarij 1776, kandidaat, bevestigd den 17 September, nam, verroepen naar Ried, afscheid den 31 Julij 1803.
  • 1804. Jildert Pabes van der Helm, geboren te Leeuwarden, kandidaat, deed na bevestiging zijn intreerede den 17 Junij , en nam, verroepen naar Niekerk en Vliedorp, provincie Groningen, afscheid den 1 April 1810.
  • 1810. Tjebbe Spannenburg, beroepen van Goingarijp ca., deed zijn intreerede den 1 Julij, en, emeritus geworden den 1 Januarij 1840, afscheid den 10 November 1839.

Er ontbreken : H. Beekhuis 1840 — 58. W. Lolcama 1859—70. L. Troste Jzn. 1871—.

Bron: tresoar.nl/wumkes/pdf

De O.L. School met onderwijzerswoning te Oosterhaule.

Onderwijs en schoolmeesters te Ouwsterhaule.

Zien we nu eens naar Ouwsterhaule, als zetel van de predikant, de hoofdplaats van de kerkelijke combinatie Ouwsterhaule, Oldeouwer en Nijegea. Hier was reeds van ouds een schoolmeester, tevens kerkdienaar, als voorzanger en koster. Hij hield aanvankelijk ook alleen 's winters school, om 's zomers bij de boeren in het hooi of in het veen te gaan werken om zijn schrale inkomsten wat te vermeerderen. Kort voor 1700 evenwel schijnt de schoolen kerkdienaar alhier een meer vaste positie verkregen te hebben.

Over hele reeksen van jaren zien wij dezelfde schoolmeester optreden, die ook de voorzangerspost in de combinatiedorpen Oldeouwer en Nijega waarneemt, althans ook door die dorpen daarvoor beloond wordt met 3 c.g. per jaar.

Van Ouwsterhaule zijn ons een hele rij school- en kerkdienaren bekend, één heel oude zelfs, nog uit de roomse tijd, namelijk in de jaren 1555-1557 Johannes Rodolphi, "schoelmeister binnen den dorpe van Austerhaule, olt ontrent 22 jaar".

  • In april 1611 was Joannes Lamberti "gewesene schoeldienaer op Oesterhaule".
  • In 1613 kwam hier voor: mr. Bartolt Claesz, schooldienaar; hij was waarschijnlijk de opvolger van Joannes Lamberti, en kwam uit Zuider-Drachten, waar hij in 1595 als schoolmeester was.

Nu zwijgen de bronnen een hele tijd over deze dorpen, totdat sedert 1654 kerkvoogdijrekeningboeken van Ouwsterhaule weer informatie hebben over ons onderwerp. Helaas bevatten de eerste rekeningen slechts de verhuring van de kerklanden en de afrekening, doch geen gespecifeerde uitgaven.

Onder de door de kerk verhuurde landen bevond zich ook "het schoelmeyersland". In 1653 huurde Sijtze Reymers, het "schoelmeyersland" voor 40 ggl.; in 1654 Claes Claesen, voor 35 ggl., in 1655 en 1656 "de schoelmeyster selfs" voor 34 c.g. 14 st.

In 1660 bedroeg de huur 11 c.g. 21 st. Dit land, dus oorspronkelijk in de roomse tijd bestemd
voor het onderhoud van de koster-schoolmeester, werd nu door de kerk verhuurd voor 30 à 40
c.g. per jaar, waarvoor de kerk dan aan de meester een traktement of pencie uitkeerde.

In 1655 en 1656 evenwel vinden we aangetekend, dat dit land "bij de Meyster selfs" in gebruik
was, doch zijn naam wordt niet genoemd. In 1660 ontving Lydke Obbes 2 c.g. "costpenningen" van de schoolmeester, in 1661 Johannes, eveneens ruim 5 c.g. voor huisvesting van de schoolmeester. Bovendien werd in dat jaar 2 c.g. 10 st. arbeidsloon aan "de schoolmeestershuizinge" uitgegeven aan Jan Thijssen.

In dat jaar werd in de rekeningen ook voor het eerst een naam van een schoolmeester vermeld: op 20 aug. 1661 werd 7 c.g. betaald aan mr. Jan de Wit, 7 c.g. "ter causa tractement"; in dec. van dat jaar ontving hij nog ruim 8 c.g. In 1662 ontving Johannes Willems, 14 c.g. traktement en 12 c.g. voor het onderhoud van het uurwerk; evenzo ontving hij 13 c.g. 10 st. op 5 feb. 1663 en 10 c.g. op 1 okt. van dat jaar.

Die Johannes Willems, woonde hier reeds in jan. 1660, toen hij met andere dorpsgenoten-comparanten, de afrekening van de kerkvoogden ondertekende. Steeds werd het schoolmeestersland, "streckende van de veenscheiding tot in de Poel", door de kerkvoogden
verhuurd; de opbrengst was meestal 25 à 30 c.g.

In 1661 huurde Geert Jelis, het schoolmeestersland voor 29 ggl.; in 1662 Hendrik Heeres, voor 33 ggl.; in 1663 Hendrik Heeres, voor 29 c.g. 14 st.; in 1664 en 1665 Geert Jelis, voor 29 c.g. 14 st.; in 1666 dezelfde voor 28 c.g. 14 st.. In 1667 huurde Foppe Tijdes, het land voor 27 c.g.; in 1671 Jolle Inties en in 1673 Sippe Jippes, voor 8 ggl. 14 st.

In 1691 werd het land verhuurd aan Hijlcke Solckes, voor 14 c.g. 10 st.; in 1692 aan Tjepke Gerbens, voor 16 c.g. 10 st.; in 1693 aan Hendrik Lubberts, voor 15 c.g.; in 1694 aan Jacob Harmens, voor 12 c.g. 10 st.; in 1695 aan Antie Tyerdts, voor 10 ggl.; in 1697 en 1698 aan Hendrik Lubberts, voor 10 ggl. en 8 ggl.; in 1700 de ontvanger Jelle Haitzes, voor 5 ggl.

Het duurt echter jaren, eer weer een naam van een schoolmeester vermeld werd, al kan Geertien Jans, die in 1672 en 1673 resp. 28 en 14 c.g. ontving "van de klok te bedienen", ook heel goed schoolmeester geweest zijn, daar immers de bovengenoemde schoolmeester, Johs. Willems, ook het uurwerk bediende.

Het wordt 1690, voordat we in de rekeningen weer de naam van een schoolmeester aantreffen: toen werd aan Roel Cornelis, schoolmeester 13 c.g. betaald voor schooldiensten; in 1691 weer 12 c.g. om dezelfde reden.

  • In april 1692 kreeg mr. Calsbeeck, 11 c.g. voor deze diensten; over 1694 werd 13 c.g. betaald aan mr. Hoornstra, voor schooldienst; in 1695 aan H. Hanses, voor schooldienst 11 c.g. 6 st. en in 1696 eveneens.
  • In 1697 werd aan Sijmen Broers, voor schooldienst 9 c.g. 7 st. betaald; in 1698 aan Sijmen Broersma (dezelfde natuurlijk) hetzelfde bedrag wegens zijn schooldienst, mei 1698 verschenen; in mei 1699 aan Oene Harmens, 11 c.g. Dit bleef dan de eerste jaren zo.
  • In 1707 was mr. Oene Harmens, hier ontvanger en dorprechter; waarschijnlijk was hij ook schoolmeester. In Nijega fungeerde hij tevens als floreenontvanger, bijv. in 1707, dec. 1714 en in 1720. In 1722 was de "bijsitter" Oene Harmens, ook ontvanger van Nijega. Over 1699 en volgende jaren kreeg hij telkens 11 à 12 c.g. voor schooldienst en 3 c.g. voor het voorzingen. In 1705 en 1706 was hij tevens ontvanger van Haule en Nijega.

Van 1708 tot 1711 was de bijzitter Hijlcke Wierda, nog ontvanger van de Ouwer. De ingezetenen van Ouwer hoorden hun kerkvoogdij-rekeningen af in de kerk van Haule, wegens hun kerkvoogdij.

Vergelijken we nu deze lijstjes van Nijega en Ouwsterhaule, dan valt het ons op, dat in beide dorpen in 1690 en volgende jaren meestal het traktement aan dezelfde meester werd betaald, in 1691 bijv. gaven beide dorpen de toelage aan Roel Cornelis, in 1692 aan mr. Calsbeek, in 1693 betaalde Nijega mr. Hoornstra, in 1694 deed Ouwsterhaule dat; in 1695 beide weer aan H. Hanses.

In 1696 betaalden beide dorpen aan Oene Harmens, in 1697/98 beide aan Sijmen Broers, in 1699 e.v. aan Oene Harmens. Dit wijst er duidelijk op, dat deze beide dorpen toen hun school gecombineerd hadden.

Ook Oldeouwer behoorde toen reeds bij de combinatie zoals uit de kerkvoogdijrekeningboeken
blijkt, die hier sedert 1712 bewaard gebleven zijn. De schoolmeesters, die van dit dorp traktement ontvangen: van 1712 tot 1716 Jelle Idses, 1717/18 Barre Riemers, enz. (zie boven) blijken die van Ouwsterhaule en Nijega geweest te zijn.

In elk geval blijkt Oene Harmens, omstreeks deze tijd voor deze dorpen de vaste school- en kerkdienaar te zijn. Sedert 1693 reeds ontving hij van Nijega jaarlijks 3 c.g. voor het voorzingen; ook Ouwsterhaule keerde jaarlijks dit bedrag aan hem uit wegens voorzingen in de kerk sedert
1694, dus ook nog voordat hij er schoolmeester was. Was hij toen misschien schoolmeester te
Nijega, en Sijmen Broers, in "de Haule"? De posten van voorzangersgeld komen in de rekeningen niet eerder voor. Toen van Oldeouwer de rekeningen in 1712 begonnen, betaalde ook dat dorp jaarlijks 3 c.g. aan Oene Harmens, als voorzanger. Hij was toen ook ontvanger van de florenen in deze drie dorpen.

We constateren dus, dat Oene Harmens, reeds in 1693 voorzanger was in Nijega en Ouwsterhaule, en sedert 1698 schoolmeester voor deze beide dorpen. (Ook in 1696 had hij reeds een winter schoolgehouden). Hij was waarschijnlijk een gewone boer hier, die zo 's winters er zijn liefhebberij van maakte, school te houden.

Dit ging zo door tot 1709: beide dorpen betaalden hem jaarlijks ieder 12 c.g. voor schooldienst en 3 c.g. voor het voorzingen; ook nog toen hij het ontvang van de florenen erbij kreeg.

  • In juni 1709 evenwel kreeg Sijbren Folkerts, 7 c.g. 10 st. van Ouwsterhaule wegens ½ jaar
    schooltraktement en van Nijega eveneens; in mei 1711 was dat weer zo.
  • In mei 1712 kreeg mr. Koop Pijtters Lemstra, van elk van de drie dorpen 8 c.g. 13 st. 4 penn. wegens a part schooldienaarstraktement.
  • In de periode 1713-1715 was Jelle Idses, schoolmeester van de drie dorpen; in 1716 was dat Hendrick Luytiens, in 1717/18 Barre Riemers, maar in 1719 e.v. was de functie van schoolmeester weer vervuld door Oene Harmens, die ook al die jaren door sedert 1693 voorzanger was gebleven.

De zo ontstane combinatie van scholen van de drie dorpen werd op 30 sept. 1734 in een akkoord, door de ingezetenen van de dorpen in een bijeenkomst in de kerk te Ouwsterhaule gesloten, vastgelegd.

Daarbij besloten zij een nieuwe schoolmeester te stemmen op een traktement van 62 c.g., waarvan 12 c.g. te betalen bij de Haule, 12 c.g. bij Nijega en 19 c.g. bij de Ouwer; en voorts uit een omslag te heffen van ieder (boeren)huis 11 st. en een "sestehalf" (5½ st.) van de kotershuisjes, die konden betalen, en "voorts genietend tot schoolpenningen van ijder kindt int varndeljaar 3 st., midts voor een jaar vaste dienst doende, beginnende van nu aan tot de 12 May 1724 en voorts soo't de Ingesetenen bij continuatie goedvinden van ijder 1e September tot 1e May".

Op deze voorwaarden werd Harmen Oenes gestemd, de zoon van de vorige schoolmeester-voorzanger-ontvanger: Oene Harmens, die kort te voren (1722) ook nog tot bijzitter in het Nedergerecht van Doniawerstal gekozen was.

In 1728 is de oude bijzitter overleden; zijn weduwe heette Jicke Hendriks. Harmen Oenes, was intussen al weer van het toneel verdwenen; in de rekeningen werd hij niet genoemd. Ook in de jaren 1724-1727 ontving de oude "master" Oene het traktement, dat in mei 1728 uitbetaald werd aan zijn erven. (Mattheus Harmens was aangewezen als curator over de wezen).

Nu is er eerst weer enige onzekerheid: in april 1729 werd te Oldeouwer aan Jan Pijters, 12 c.g. betaald "1 jaar dorpsquote tractement toe de schoolmeester", terwijl Hendrik Oenes, "1 jaar dorpsquote tractement tot het voorsingen of 5 c.g." ontving.

In de jaren 1730-1734 werd geen naam van een schoolmeester genoemd. Wel werd telkens 5 c.g. betaald aan Hendrik Oenes, voor het voorzingen. Te Nijegea kreeg in mei 1731 Wouter Dirx 7 c.g. 6 st. 10 penn. voor ½ jaar schooldienst; in mei 1732 Hendrik Jans; in mei 1734 Cornelis Jeens, 10 c.g., maar telkens kreeg ook hier Hendrik Oenes, 5 c.g. voor het voorzingen. Van Ouwsterhaule is van deze jaren niets bekend.

  • In mei 1735 evenwel kreeg Wijtze Oenes, te Oldeouwer 12 c.g. traktement voor schooldienst en te Nijega eveneens 12 c.g. Dit bleef zo vele jaren, maar Hendrik Oenes, blijft voor 5 c.g. per jaar voorzanger tot en met 1737, wanneer Wijtze Oenes, ook deze functie overneemt voor de drie dorpen.
  • In 1739 was sprake van Hendrik Oenes erven. Wijtze, ontving toen van elk van de drie dorpen 20 c.g. voor kerk- en schooldienst. In het Quotisatiecohier van 1749 werd hij als "kleijne boer en schoolmeester" omschreven. Hij was op 29 dec. 1712 te Ouwsterhaule geboren. Zijn vrouw heette Rinske Foppes. Hun zoon Oene Wijtzes, werd hier op 15 jan. 1741 geboren en was later korte tijd schoolmeester te St. Johannesga.

De school stond te Ouwsterhaule òf te Nijega. We zeiden reeds, dat de school in 1712 vernieuwd was. In okt. 1728 gaven de kerkvoogden 5 c.g. 17 st. voor "glasen aan Nijegaaster schoole". Telkens komen in de rekeningen onderhoudskosten voor de school voor, vaak "reid tot de schole"; in 1765 werd "de schoollandscamp geslat".

Waarschijnlijk is die school van 1712 te Nijega, (Ouwster-Nijega) de eerste bepaalde school geweest en dat tot die tijd een kamer gehuurd werd om er in school te houden. Immers we zagen reeds, dat in 1704 te Nijega aan Tiebbe Andrijs, 2 c.g. betaald werd als huur van de school; welnu, te Ouwsterhaule gebeurde hetzelfde: op 20 dec. 1711 betaald aan Jan Pijtters, 1 c.g. 4 st. wegens
½ jaar huur van een huis "tot de schole, Mey 1711 verschenen".

De school in 1712 gebouwd, stond dus waarschijnlijk onder Nijega, maar was voor alle drie dorpen, en de schoolmeester Oene Harmens, woonde te Ouwsterhaule. Zijn zoon Wijtze Oenes, was er eveneens klein boer. In 1742 werd Wijtze Oenes gestemd tot kerkvoogd van Nijega. Hij hield deze functie tot 1765; toen werd hem ook nog steeds zijn 20 c.g. van elk van de drie dorpen uitbetaald voor zijn school- en kerkdienst.

Behalve de school, hadden de drie dorpen ook het onderhoud van de pastorie te Ouwsterhaule gemeen, evenals het onderhoud van de Scharsterbrug. In 1729 werd de pastorie te Ouwsterhaule op kosten van de dorpen vernieuwd.

Ook werd door de dorpen de Trijegaasterpolder aangelegd in 1742, waartoe ze moesten bijdragen naar de mate van hun landerijen in die polder; dat was voor Nijega 441 c.g. 11 st. 10 penn., voor Oldeouwer 324-16-12 en voor Ouwsterhaule is het bedrag niet bekend.

Wijtze Oenes, die ook weer ontvanger van de florenen was (bijv. in 1753 en in 1769 nog) en in de periode 1760-1763 ook administrerend kerkvoogd van Oldeouwer, heeft zijn verschillende functies hier waargenomen tot zijn overlijden in het voorjaar van 1770.

Op 19 juni 1770 deed Oene Wijtzes, rekening en verantwoording wegens wijlen zijn vader als
kerkvoogd van Oldeouwer en van Nijega en van Ouwsterhaule. Zijn weduwe ontving in juni 1770 nog het schooltraktement.

Meyne Botes, een ingezetene die tevens administrerend kerkvoogd was, nam de school waar, waarvoor hem in mei 1771 schooltraktement werd uitbetaald (Ouwsterhaule).

In 1770 werd zijn zoon Rinke Wijtzes tot school- en kerkdienaar gekozen. Hij ontving in mei 1771 zijn 20 c.g. traktement van elk van de drie dorpen. Hij was toen reeds substituutkerkvoogd van Nijega, Oldeouwer en Ouwsterhaule. Kort daarna werd hij administrerend kerkvoogd (tot 1795). Ook was hij weer ontvanger van de florenen en dorprechter, evenals zijn vader. In 1776 trouwde hij in de kerk te Ouwsterhaule met Akke Tjeerds van Nijega. In 1790 was Aafjen Kleises de (tweede) vrouw van mr. Rinke Wijtzes. De meester was geen klokluider; een zekere Jan Gerrits, nam sedert 1775 die functie waar te Oldeouwer voor 15 c.g. per jaar, en na diens dood, van 1777 tot 1795 diens weduwe.

Van 1796 tot 1799 was Pijtter Jans, klokluider te Oldeouwer. Jolt Broers, was klokluider te Ouwsterhaule; van 1753 tot 1788 ontving hij ƒ 10 per jaar voor het klokluiden en voor het schoonmaken van het pad om het kerkhof. In 1790 was Douwe Jans, klokluider te Ouwsterhaule.

In mei 1777 werd de school vernieuwd: Dirk Egberts, ontving aan arbeidsloon 14 c.g. 17 st. 12 penn.; Andries Klazes, aan opperen en mennen 1-17-6; Rijk Ram voor ijzerwerk 5-8-4; Melle Wijbrens, aan bouwmaterialen 33-15-4; Willem Roels, aan verven en glazen 2-7-8; Oene Wijtzes, voor 900 bos reijd en mennen 6-6-0. (Deze Oene Wijtzes was op 15 jan. 1741 geboren te Oldeouwer als zoon van mr. Wijtze Oenes. Hij was floreen-ontvanger tussen 1786 en 1795 en lid van het gemeentebestuur van 1802 tot 1810. In 1810 was hij weduwnaar met drie kinderen. Omstreeks 1812 is hij overleden.)

De totale kosten bedroegen samen 64 c.g. 12 st. 2 penn. Dit was het bedrag dat elk van de drie dorpen moest betalen; alle posten waren dus driemaal zo hoog, zodat kosten van de school op zo'n 200 c.g. kwamen! Durk Egberts, verdiende nog 14 st. met het maken van een "sekreet" bij de school. Ook werd in 1778 baggelaar voor de school gekocht en "wel ½ vuur" voor 1 c.g. 11 st. 10 penn.

In mei 1796 ontving Rinke Wijtzes, zijn laatste schooltraktement; het floreen-ontvang was in 1786 reeds overgegaan op Oene Wijtzes (tot 1795), die hier in 1774 reeds diaken, doch geen schoolmeester was. (Dat was hij in 1768 een blauwe maandag te St. Johannesga geweest). Meer dan een eeuw zijn hier dus leden van één familie (die zich later Oenema noemde) schoolmeester geweest: Oene Harmens, 1693-1729, zijn zoon Wijtze Oenes, 1735-1770 en diens zoon Rinke Wijtzes, van 1770-1796. Hun nazaten woonden hier ook later nog.

  • In 1796 werd evenwel Broer Hendriks, tot schoolmeester en dorprechter gekozen, die echter zijn traktement moest delen met Harmen Oenes, die voorzanger was (blijkbaar een zoon van Oene Wijtzes). Broer Hendriks, kreeg van elk van de drie dorpen 13 c.g. 6 st. 10 penn. en Harmen Oenes, ontving 6 c.g. 13 st. 6 penn. Dat was samen juist 20 c.g. of in totaal 60 c.g. Pijtter Jans, was klokluider te Oldeouwer voor 15 c.g. per jaar. Harmen Oenes, was tevens ontvanger van het floreen en het reëel; in 1805 en 1808 bijv. In 1802 heeft "master" Broer Hendriks, afstand van de schooldienst gedaan. Zijn nakomelingen noemden zich sedert 1812 "Bouwma".
  • Zijn opvolger werd in 1802 Folkert Johannes, die zich later 'Schootstra' noemde, maar Harmen Oenes, bleef voorzanger tot 1810. De 20 c.g. per jaar van ieder dorp of 60 c.g. in totaal moesten ze weer samen delen: de meester kreeg er 40 c.g. van en de voorzanger 20 c.g.

In 1808 werd onder Nijega een nieuwe school gebouwd, waartoe ieder van de drie dorpen 234 c.g. 17 st. 8 penn. moest bijdragen. R. van der Moolen, had de bouw voor 624 c.g. aangenomen. Er kwamen nog enige kosten bij, o.a. 13 c.g. voor een kachel en 3 c.g. 16 st. voor kachelpijpen, en 1 c.g. 8 st. voor het maken van twee borden in de school, zodat de totale kosten voor de school op ruim 700 c.g. kwamen.

Het traktement werd toen ook verhoogd tot 100 c.g., waartoe elk van de drie dorpen zijn aandeel bijdroeg. Sedert 1808 betaalde Oldeouwer ƒ 50 per jaar aan schoolmeestertraktement en in 1816 nog. Na 1808 gaf ook Nijega ƒ 50 per jaar. Het traktement voor de voorzanger Harmen Oenes, bleef ƒ 20 per jaar.

Meester Folkert Johs. Schootstra, was kerk- en armenvoogd van Ouwsterhaule (in 1809 bijv.) en van 1817 tot 1824 was hij administrerend kerkvoogd. Sedert 1808 was hij ook ontvanger. (In nov. 1805 was Wijtze Oenes administrerend kerk- en armenvoogd van Ouwsterhaule.) In 1806 huurde mr. Folkert, het kerkhof (om het grasgewas) voor een daalder per jaar. Schootstra, kreeg op 10 juni 1811 ƒ 2 voor het klokluiden ter ere van de jonge koning van Rome.

Het schoolmeesterstraktement verdween omstreeks 1812 uit de rekeningen; het kwam toen blijkbaar ten laste van de dorpsadministratiën.

Harmen Oenes Oenema, bleef voorzanger in de jaren na 1812; in 1818 werd hem nog steeds ƒ 20 per jaar betaald door Ouwsterhaule. Daarna kreeg de schoolonderwijzer het voorzangersgeld.

In 1815 werd het uurwerk in de toren vernieuwd door K. Andriesse, meester uurwerkmaker in Grouw.

In 1816 werd 3 c.g. 4 st. betaald aan Smallenburg, boekverkoper te Sneek, voor 8 stel letterhoutjes en 14 st. voor het letteren van het draaibord. (In 1817 was Wietze Rinkes Oenema, huisman te Ouwsterhaule, kerk- en armenvoogd.)

Waar de school precies gestaan heeft, is niet bekend. In de rekeningen was steeds sprake van de school te Nijega, doch in de lijst van scholen van het jaar 1817, was sprake van de school te Ouwsterhaule; in beide gevallen werd de school van meester Folkert Johs. Schootstra bedoeld.

De schooltoestand voor deze drie dorpen was wel wat verward; waarschijnlijk stond ze tussen de beide dorpen in, later met zekerheid in Ouwsterhaule.

In 1817 gingen er 24 kinderen naar school, waarvan de meester ca. ƒ 48 aan schoolgeld beurde. Mr. Folkert Schootstra, was ook ontvanger van de dijksflorenen, wat ca. ƒ 50 opbracht. Zijn vrouw was Akke Fetzes. Hun zoon Johannes F. Schootstra, werd hier geboren en was hier in 1819 ook ondermeester. Hij werd later schoolmeester te Harich.

In 1835 werd de school vernieuwd; in 1845 waren er gemiddeld 30 leerlingen. Vergrijsd in het vak, is "master" Folkert hier op 28 jan. 1854, oud 89 jaar en 4 maanden, overleden. In 1846 e.v. had hij een ondermeester, die de school voor hem waarnam.

  • In 1846 was dat Tjeerd Heidstra, die in 1848 hoofd te Hardegarijp werd en daarna Rinnert H. de Jong, die in 1854 tot zijn opvolger benoemd werd en in mei van dat jaar in functie trad.

Ook hier behoorde de school aan de dorpsadministratie, en ging omstreeks 1875 over aan de gemeente, toen de afzonderlijke dorpsadministratiën werden opgeheven. Het traktement werd na de wet van 1857 per 1 jan. 1861 op ƒ 400 bepaald, met vrije woning. Nijega, dat zelf geen school had, droeg 3/10 part in de kosten van het onderwijs te Ouwsterhaule bij. In 1862 waren er maar 23 leerlingen.

Meester Rinnert de Jong, was omstreeks 1829 geboren en verkreeg op 16-jarige leeftijd als kwekeling te Sneek de 4e en in april 1847 de 3e rang. Toen hij in okt. 1850 de 2e rang verwierf, was hij reeds adjunct te Ouwsterhaule. In 1873 werd het traktement op ƒ 475 gebracht. Tot 1875 heeft R. de Jong, aan het hoofd van deze school gestaan. In dat jaar kwam zijn opvolger Joh. Wijma, die reeds in 1882 naar Deinum vertrok. Het traktement bedroeg toen ƒ 700. Op 23 aug. van dat jaar werd Oene Aninga van Rotstergaast tot hoofd benoemd.

In 1885 werd te Ouwsterhaule een nieuwe school gebouwd met twee lokalen, nodig tengevolge van de vermeerdering van de bevolking in de Trijegaasterpolder; ook de woning van de onderwijzer werd vernieuwd; de vorige was van 1855. De kosten bedroegen ruim ƒ 5.000.

Er kwam nu ook een hulponderwijzer bij, nl. Aldert Lootsma, die op een traktement van ƒ 500, per mei 1886 zijn vaste aanstelling ontving.

  • In 1890 kwam aan deze school de eerste onderwijzeres in de gemeente: mej. B. Sijperda.
  • In 1891 werd de school wederom met een (3e) lokaal vergroot. In 1892 werd de ondermeester Lootsma, vervangen door K. Uilkema, van Grouw. Deze werd later de schrijver van Het Friesche Boerenhuis.
  • In 1894 werd hij als ondermeester opgevolgd door A. Swart, die in 1896 onderwijzer werd in Den Helder.
  • In 1894 werd J.S. Wesselink, onderwijzer te Joure, benoemd als ondermeester in Ouwsterhaule. In 1896 vertrok hij naar Leeuwarden.
  • In 1896 werd H. Bilijam, onderwijzer te Bovenknijpe, aangesteld. In 1898 vertrok hij naar Mildam.
  • In 1896 werd mej. E. van Houten, aangesteld in Ouwsterhaule.
  • In 1898 werd Th.J. Metzlar, onderwijzer te Leeuwarden, ondermeester in Ouwsterhaule. In 1900 vertrok hij naar Hengelo.
  • Van 1900 tot 1902 was R. Bakker, hier als ondermeester en van 1902 tot 1903 was dat M.H. van der Werf, eerder onderwijzer te Leeuwarden.
  • Van 1903 tot 1905 was M.H. Visser, eerder onderwijzer te Stroobos, hier als ondermeester.
  • Van 1905 tot 1907 was J. Rijpkema, eerder onderwijzer te Terhorne, als zodanig werkzaam. In 1907 vertrok hij naar Leeuwarden.
  • In 1907 werd Y. de Bruin, hier benoemd als ondermeester. In 1908 vertrok hij naar Oldeboorn en werd toen opgevolgd door G. Broekens, van St. Jacobiparochie. In 1909 vertrok hij naar Sneek.
  • Van 1909 tot 1911 was C.G. Gelderblom, uit Lekkerkerk hier als ondermeester.
  • In 1912 werd J. Jensma, uit Franeker benoemd. In 1914 vertrok hij naar Marssum. Hij werd toen opgevolgd door H. Lolkema, van Paesens.

In 1920 waren in Doniawerstal, negen openbare scholen met 9 hoofden, 4 onderwijzers (twee te Langweer, één te Nijega en één te Ouwsterhaule) en 7 onderwijzeressen (te Broek, Idskenhuizen, Langweer, Nijega, Ouwsterhaule, St. Nicolaasga en Tjerkgaast). Er waren toen twee bijzondere scholen met evenzoveel hoofden, drie onderwijzers en drie onderwijzeressen. De school in Ouwsterhaule, die voorlopig een driemansschool bleef, werd in 1914 nog verbouwd.

  • In 1921 ging meester Aninga, met pensioen. (Hij ging te Heerenveen wonen en is op 24 nov. 1935 overleden op de leeftijd van 79 jaar.) Hij werd in 1921 opgevolgd door J. Braunius, die was overgeplaatst van Goingarijp.
  • In 1926 werd de school een tweemansschool. In de herfst van 1931 vertrok Braunius, naar Ruinen. Hij werd toen opgevolgd door J. Zijl, onderwijzer te Borgweg (gem. Slochteren). In 1933 vertrok hij naar Tenpost.
  • Op 15 jan. 1934 werd S. Mook, van Kornwerderzand, benoemd als hoofd te Ouwsterhaule. Op 1 jan. 1938 vertrok hij naar Tijnje.
  • In juli 1938 trad Jelle Brouwers, die hier al tijdelijk was, aan als zijn opvolger. In 1945 werd hij om politieke redenen ontslagen. Hij werd toen opgevolgd door H.R. Gorter, die op 1 sept. 1948 ULO-onderwijzer werd te Appingedam.
  • Sedert 1 okt. 1948 was H. Harmsma, eerder onderwijzer te Leeuwarden, hoofd van deze school. Omstreeks 1 okt. 1951 vertrok hij naar Huisterheide (gem. Zeist). Hij werd toen opgevolgd door H. van Zwol uit Nieuwleuzen (Ov.). In 1953 werd de school vernieuwd.

Bron: www.fryske-akademy.nl

Afbeelding ingezonden door Jelle Talen (Dirk/Durk Wartena, was mijn overgrootvader). Jouster Courant, 24 juni 1987-6-24: 1932: Zangvereniging 'Nije Moed' uit Ouwsterhaule.

De vereniging herdacht in 1932 het 10-jarig bestaan. Ter gelegenheid van dat jubileum werd deze foto gemaakt.

Op de voorgrond: Geert Tromp (links) en Eibert de Hoop.

Zittend van links naar rechts: Arnoldus de Hoop, Obbe Huisman, Jikke Stuiver, Lena van der Wal, Geertje Stuiver, Atje van der Weg, Douwtje de Leeuw, Roel Vermaning en Hilbert Vos.

Staande van links naar rechts: Durk Wartena (directeur), Geeske Klompmaker, Harm Bos, Aaltje Lageveen, Harm ten Hoeve, Hendrikje Vos, Berend Bos, Lena Poepjes, Hendik ten Boom, Hiltje ten Hoeve, Bartele ten Hoeve, Trien van der Wal, Botte van der Weg, Trien ten Hoeve en Geert van der Wal.

In Durk Wartena (1868-1944) had "Nije Moed" een bijzondere directeur, die in zuid- en zuidoosthoek van Friesland jarenlang grote bekendheid genoot als schrijver van toneelstukjes en voordrachten.

Hij gaf ook muzieklessen en dirigeerde in totaal niet minder dan 22 zangkoren, vooral onthouders-arbeiders- en kinderkoren. Enkele van zijn koren waren 'Nije Moed' in Oudehaske (de laatste jaren van zijn leven zijn woonplaats) 'Nea Tocht' in Haskerhorne, 'Oefening Kweekt Kunst', 'Soli Deo Gloria' en 'Zang en Vriendschap' in St. Johannesga, 'Nij Libben', 'Zang en Vriendschap' en het kinderkoor van 'Zang en Vriendschap' uit Joure. Het laatste koor van Durk Wartena, was 'Nije Moed' uit Ouwsterhaule.


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.