Sintjohannesga

JANSGA (ST.) of St. Johannesga, oudtijds ook Johanniswald, d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Schoterland, arr. en 1 u. W. Z. W. van Heerenveen, kant. en 1 1/2 u. W. N. W. van Oudeschoot, zeer vermakelijk in het geboomte gelegen, aan den rijweg van Rottum, welke in het Zuiden hier langs loopt naar Rotsterhaule, Rohel en Doniawarstal.

Dit d. beslaat, met de daartoe behoorende landerijen, eene oppervlakte van 5699 bund. 27 v. r. 49 v. ell., waaronder 4683 bund. 77 v. r. 53 v. ell. belastbaar land. Men telt er 298 h., bewoond door 1500 inw., die meest in den landbouw hun bestaan vinden. Ook heeft men er twee scheepstimmerwerven. Ten N. van het dorp liggen lage veenlanden en ten Zuiden miedlanden.

De Herv., die hier wonen, behooren tot de gem St.-Jansga-en-Delfstrahuizen, die in dit d. eene kerk heeft, welke vóór de Hervorming aan den H. Johannes den Dooper was toegewijd. Deze kerk, geheel in verval zijnde, is, in het jaar 1770, door de liefdegaven der gemeente, bijna geheel vernieuwd en verfraaid, zoodat het thans een steenen gebouw is, met eenen toren, doch zonder spits.

De R. K., welke men er aantreft, worden tot de stat. van Joure gerekend. - men heeft er eene dorpschool.

Bijzonder akelig was de toestand van dit d. bij den watervloed van Februarij 1825, hebbende het water aldaar in den avond van den vierden dier maand de verschrikkelijke hoogte van ruim 2 ell. boven de middelmatige oppervlakte der landen bereikt. Men rekent, dat er 30 woningen geheel weggespoeld en wel 50 of meer zeer beschadigd waren, dat zij niet dan met groote kosten hersteld konden worden, en bijna trof men er geen huis aan, hetwelk niet meer of min van den stroom geleden had.

In dezen stand van zaken moesten vele, ja bijkans alle menschen hunne woningen verlaten, en met achterlating van hunne goederen, alleen op het behoud van hun leven bedacht zijn. Vele inwoners vlugtten in de kerk, en omstreeks honderd menschen bragten in een schip eenige dagen door. Onder deze te zamen geschoolde menigte bevond zich zelfs eene vrouw, die den 3 Februarij bevallen was. Een twintig- of vijf en twintigtal had de wijk naar de Joure genomen en werd aldaar herbergzaam ontvangen.

JANSGA-EN-DELFSTRAHUIZEN (ST.), kerk. gem., prov. Friesland, klass. van Heerenveen. Men telt er 2200 zielen, onder welken 310 Ledematen, en heeft er twee kerken, ééne te St.-Jansga en ééne te Delfstrahuizen. De eerste, die alhier het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Theodorus Johannes de Bever, die voor het jaar 1619 herwaarts kwam, en in het jaar 1625 naar Noordwoude, in Groningerland vertrok.

Bron: vanderaa.tresoar.nl


Sintjohannesga, (Fries: Sint Jansgea, maar in de volksmond Sint Jut) is een dorp in de gemeente De Friese Meren, provincie Friesland (Nederland).

Sintjohannesga, vormt eigenlijk een tweelingdorp met Rotsterhaule. De dorpen werken dan ook samen op vele terreinen, zoals op het gebied van scholen, kerken en verenigingen.
Over de naamgeving van het dorp zijn meerdere versies in omloop: In vroeger tijden was er nog geen kerk in Sint Johannesga, er was wel een kapel in Rotsterhaule gevestigd. Deze Roomse kapel van het Hasker Convent-klooster (uit Haskerdijken) heeft ooit gestaan op de hoek van de Streek en de Langedijk. Sint Johannesga werd toen nog aangeduid als gea (gebied) en had nog geen eigennaam.

De inwoners van het gea moesten belasting afdragen aan Sint Jan (rond 1300 stond er een klooster in Sneek van de Sint Janshospitaalridders) en daarom werd het Sint Jansga genoemd.
Een andere uitleg is dat de inwoners rond 1600 belasting moesten betalen aan bisschop Jan van Utrecht.
Sintjohannesga is genoemd naar de kerk in het dorp, die gewijd is aan de heilige apostel Johannes. Deze kerk uit 1864 is door brand verwoest en in 1963 is de huidige kerk gebouwd.

Bron: nl.wikipedia.org

Naamlijst Predikanten, St. Jansga en Delfstrahuizen.

Theodorus Johannes Beverus, Bever of van Beveren, Joh.zoon te Koevorden, stond hier bij de verteekening der formulieren den 11 October 1619, en schreef zich toen dienaar des H. Euangelies, in 't Westerkwartier van Schoterland, vertrok naar Noordwolde, provincie Groningen in 1625, en overleed daar in 1636; zijn zoon Paulus, volgde hem daarop.

  • 162.   Hermannus Engelberti Wobbema, was hier in 1627, en is verroepen naar Deersum ca.
  • 16.     Wilhelmus Jarichius, overleed in 1632.
  • 1633. Adolphus Klinkhamer, geapprobeerd den 24 September, is verroepen naar Terkaple, geapprobeerd en gedimitteerd 10 April 1640.
  • 1641. Laurentius Huberti, denkelijk zoon van Hubertus, te Zuidwoude ca., kandidaat, geapprobeerd den 17 December, bevestigd den 18 Januarij 1641 , overleed in 1642.
  • 1643. Johannes Scotus, kandidaat, geapprobeerd 5 Junij etc, Klassis Z bl. 153.
  • 1651. Obertus Ekama, kandidaat, geapprobeerd den 4 Junij, (slecht traktement, Klassis Z. bl. 154) overleed in 1675. Den 6 October werd er order gesteld om de vacante gemeente te bedienen.
  • 1676. Oedsonius Betius of Beetzins, geboren te Beets ?, kandidaat, geapprobeerd den 2 Augustus, lid der Kl. den 18 April 1677, is verroepen naar Oldelemmer ca., geapprobeerd en gedimitteerd en een extra-klassis, den 5 December 1683.
  • 1684. Henricus Pegeier, kandidaat, geapprobeerd den 3 September, lid der kl. den 1 October, werd aangesteld tot veldprediker in 1693 , en is gedurende dezen dienst overleden ; het lijk herwaarts gevoerd zijnde , is begraven onder den predikstoel te St. Jansga.
  • 1693. Boëtius Fennema, geboren en gedoopt te Marssum den 29 September 1667, Nic. Boetius, zoon, broer van Ibertus, te Leeuwarden en Allardus te Terkaple, kandidaat, geapprobeercl den 22 November, is verroepen naar Sijbrandaburen c.a. in zijns vaders plaats, gedimitteerd den 1 Augustus 1705.
  • 1705. Cornelius Musculus, kandidaat, geapprobeerd den 7 October, werd emeritus verklaard bij 't collegie den 4 October 1735, en daardoor is een einde gemaakt aan de onlusten, die jaren lang in deze gemeente geweest waren; hij overleed op de Lemmer in 't laatst van Junij 1742.
  • 1736. Henricus Jongbloed, geboren te Lemmer den 12 Februarij 1711, kandidaat, bevestigd den 21 Julij , nam, verroepen naar Langezwaag ca., afscheid den 13 October 1743.
  • 1744. Hermannus Asendorp, geboren te Groningen, kandidaat, bevestigd den 20 September, overleed, terwijl hij gesuspendeerd was, den 12 September 1760, oud 44 jaren.
  • 1761. Cornelius Hooftman, geboren te Leeuwarden den 10 Augustus 1737, kandidaat, bevestigd den 25 October, nam , verroepen naar Nieuw-Brongerga , afscheid den 9 Junij 1776.
  • 1776. Henricus Braunius Christ. Herm. zoon, Ar. broederszoon, beroepen van Nes op 't Ameland, deed zijn intreerede den 10 November, en nam , verroepen naar Nieuw-Brongerga, afscheid den 9 Junij 1782.
  • 1782. Joost Hendrik Dake, geboren te Almelo, kandidaat, bevestigd den 3 November, nam, verroepen naar Peperga ca. , afscheid den 27 April 1788.
  • 1788. Petrus Westerhoff, geboren te Warfum den 28 Maart 1765, kandidaat, bevestigd den 17 Augustus, nam , verroepen naar Oosterland op Wielingen, afscheid den 18 Augustus 1793, ging naar Eppingehuizen in 1805, naar Warfum in 1810, overleed daar den 6 Februarij 1824. Van zijne zonen zijn predikanten geweest Bern. Petr. te Tinallinge en Eisso Tjaarda, te Sijbaldaburen.
  • 1794. Hajo Udo Thoden van Velzen, geboren te Rijzum in Oost-Friesland in Februarij 1772, Eggo Ulphard, zoon, Ulph. Will. broeder te .... , kandidaat, bevestigd den 26 October, nam, verroepen naar Augustinusga, afscheid den 20 October 1799.
  • 1799. Nicolaas Bakker, beroepen van Tjerkgaast ca., deed zijn intreerecle den 10 November, nam, verroepen naar Wagenborgen , afscheid den 7 Julij 1805, en ging naar Roswinkel in 1810.
  • 1805. Johannes Conraad Fischer, geboren te 's Gravenhage, gedoopt den 28 December 1777 , als kandidaat te Nieuw-leuzen, provincie Overijssel, in 1803 , deed van daar hier beroepen, zijn intreerede den 1 December, is vertrokken naar Ureterp in Julij 1810 , zonder afscheid te doen, wegens zwakheid tengevolge van eene zware ziekte , maar heeft zulks gedaan den 29 Julij , bij gelegenheid dat hij als ringpredikant zijne beurt in deze vacature moest vervullen.
  • 1812. Jan Reider Stavermaii, geboren te Wapserveen, Alb. zoon, Henr. Joh. broeder te Kolderveen, als kandidaat te Beilen bevestigd den 5 Junij 1786, wegens zwakheid rustend predikant, met een jaarlijks pensioen van 500 gulden, geworden in 1806, deed, daarna hier beroepen, zijn intreerede den 19 Januarij, en nam, verroepen naar Doomspijk, afscheid den 31 Mei 1818, ging naar Elspeet in 1824, en overleed daar den 7 December 1824, oud ruim 62 jaren.
  • 1818. Jan de Jong, beroepen van Zuiderhuisterveen, deed zijn intreerede den 15 November en overleed den 16 Februarij 1821, oud ruim 48 jaren.
  • 1823. Antoon Casper Vissing.

Er ontbreken: P. de Grient Dreux 1839—40. J. C. Fischer 1841—42. J. J. Gobius du Sart 1844—48. J. H. Seemerink 1849. A. v. Griethuijzen 1851—53. G. J. Brijce 1854—56. G. J. Gobius du Sart 1857 — 61. W. R. Kalshoven 1862—66. P. F. v. d. Steen 1867—68. D. N. Eerdmans 1869. H. A. van Oostrum Soede 1875—77. J. W. A. Woldringh 1877—83. H. Bruijel 1885—.

Bron: tresoar.nl/wumkes/pdf

Onderzoek naar het kerkterrein van St. Jansga te Akmarijp, Gemeente Skarsterlân, Provincie Fryslân: easy.dans.knaw.nl

De aanleiding van dit onderzoek vormt het plan van de landeigenaar egalisatiewerkzaamheden uit te voeren op het terrein. Het onderzoeksterrein bevindt zich in Akmarijp, gemeente Skarsterlan (Fr.). De verstoring van de grond zal tijdens deze werkzaamheden ongeveer 25 centimeter bedragen. De hoogteverschillen geven informatie over de vroeger aanwezige structuren, hierom is het noodzakelijk archeologisch onderzoek uit te voeren op deze locatie.
Het vermoeden is dat op dit terrein het voormalig kerkhof van St. Jansga, met eventueel de fundamenten van een kerkje, gelegen is. Het verband van deze site met de veenontginningen uit de Middeleeuwen geven deze locatie een historische meerwaarde.

Conclusie:

Tijden het onderzoek is het kerkterrein van St. Jansga en het kerkhof aangetroffen. Op het terrein heeft een huis of stins gestaan. In het zuiden van de put is een ontginningssloot gevonden. Aan de noordzijde van het terrein heeft een gracht gelopen. Er zijn vele graven gevonden. De meesten zijn aan de hand van kogelpot aardewerk te dateren in de 13e eeuw of iets jonger. Enkele graven zijn te dateren in de 14e eeuw of jonger.

Het gehele kerkterrein heeft in de loop van de 17e eeuw zijn functie verloren. Tegen het einde van deze periode is er een nieuw pand gebruikt waarvan de functie niet duidelijk is. Voor de noodgevel van de kerk is een waterput aangetroffen die waarschijnlijk bij de voormalige stins heeft behoord. Aan de hand van het onderzoek kan duidelijk gesteld worden dat het terrein een hoge archeologische waarde heeft. Helaas was uitgebreid onderzoek niet mogelijk. Verder onderzoek naar de geborgen skeletten is aanbevelenswaardig.