Rijs |1|

Wikipedia: Rijs (Fries: Riis) is een dorp in de gemeente De Friese Meren, in de Nederlandse provincie Friesland. Het ligt aan de noordoostkant van het Rijsterbos aan de weg Oudemirdum - Hemelum en telt 173 inwoners (2012). Tot 1 januari 2014 behoorde Rijs tot de gemeente Gaasterland-Sloten.

In de 19e en 20e eeuw groeide de plaats door ontginning uit van buurtschap tot een dorp. Het was voor die tijd niet meer dan een klein buurtje onder Bakhuizen. De in de 17e eeuw gegraven Rijstervaart loopt in noordelijke richting naar de Fluessen.

Markant onderdeel van Rijs was 'Huize Rijs' dat in 1937 werd gesloopt. Rond dit huis nam na 1850 de bebouwing toe. Er verrezen enkele villa's, een hotel en woonhuizen.

Een van de kenmerkendste villa's die nog bestaat is het in 1912 gebouwde Mooi Gaasterland. Naast deze villa staat sinds 1947 een kapelletje van de Dochters van Onze Lieve Vrouw van het Heilige Hart. Deze vonden hun oorsprong in 1882 in Issoudun te Frankrijk. Het hoofdklooster voor Nederland staat in Tilburg.

In het begin van de 20e eeuw was er een steenfabriek nabij Rijs. De leemgaten zijn nog in de nabije weilanden aanwezig. In 1916 werden hier een honderdtal Belgische gezinnen die vluchtten tijden de Eerste Wereldoorlog ondergebracht.

Wanneer men de kaart van Gaasterland uit Schotanus' „Beschrijvinge van de Heerlijckheydt van Frieslandt" (1664) legt naast de fraaie en overzichtelijke wandelkaarten, door P. Bonnet voor de „Gids van Gaasterland" (1926) geteektend, dan valt onmiddellijk op, dat hier door toedoen der achtereenvolgende bewoners van huize Rijs uit zandige, heuvelachtige heide een zee goud is te voorschijn geroepen, dat in Nederland nergens zijn weergade vindt

„De heer de Wildt heeft aangelegd en geplant, hij heeft een kader getrokken, geëffend waar het noodig was en behouden alle de heuvelen, die de schoonheid konden bevorderen. De lanen en paden waren naar den smaak van den tijd recht getrokken. Een latere hand heeft gewijzigd en toegevoegd, en de natuur heeft zelve meesterstukken tot stand gebracht, maar de grondlijnen van het bosch zijn dezelfde als voor twee honderd jaren". En aldus is uit de oude „Plantagie" in den loop der tijden het fraaie Rijsterbosch met zijn strakke lijnen gegroeid.

De lengte-as van het bosek is noordoost— zuidwest gericht; daaraan evenwijdig vindt men een vijftal lanen, n.l. de Groene laan, de Enkhuizer- of Herberglaan, de Wytsingel of Middenlaan, de Mirnser-laan en de Kattelaan, waarvan de laatste weinig meer dan een voetpad is. Zij alle vinden in het zuidoosten hunne begrenzing in den Hooibergster Reed; alleen de (Groote) Mirnserlaan zet zich als Kleine Mirnserlaan tot den zandweg naar Mirns voort. Van dien zandweg uit loopt tot vlak aan zee het beroemde Zeelaantje met zijn eenigen doorkijk: „Gelijk de bezoeker van de donkere Grot van Han, als hij aan 't eind is gekomen, plotseling verrast Wordt door het heldere.... zonnelicht, zoo wordt de wandelaar hier aan 't einde der bosschen verrast door de zee.

De overgang van donker en licht, van hoog en laag, van bosch en water, geschiedt als bij tooverslag; zóó waant men zich nog in -een uitgestrekt woud, en zoo ziet men den waterspiegel der zee, zóó waren het nog de zangers in de twijgen, die 't oog bekoorden, en zoo verschijnen de stormvogels en bergeenden voor ons oog, met visscherspinken op de kust en rookende stoombooten in 't verschiet."

Vorengenoemde vijf evenwijdig loopende lanen worden rechthoekig gesneden door een dwarslaan, die naar het noordoosten hare voortzetting vindt in het Kerkepad naar Bakhuizen. De Enkhuizerlaan — zoo genoemd, omdat zij in de richting van de stad Enkhuizen aangelegd is — wordt ook Herberglaan genoemd naar de herberg — thans logement — die al vroeg aan het noordelijk einde ervan, in de buurt van het Slot, werd gebouwd. De Wytsingel ontleent waarschijnlijk haar naam aan het simpele feit, dat haar zandige bodem bij den aanleg iets witter van kleur was dan die der overige lanen.

En of de naam Kattelaan wijst op de (vroegere?) aanwezigheid van verwilderde „boschkatten", wie zal het zeggen? Achter het Slot, aan de Middenlaan, ligt aan het kruispunt van twee hoofdlanen en vier smalle zijlaantjes een fraaie, verhoogde, open ruimte, welke behalve in aanleg, ook nog in hare benaming „Rondeel" aan 17de en 18de eeuwsche tuinkunst herinnert.

Meer zuidwaarts ligt, eveneens aan de Middenlaan, een dergelijke zandige hoogte, oorspronkelijk „de Berg" geheeten, maar later door het volk genoemd 'Het verdwenen Hunebed'

Begin Maart 1849, werd door Herman Wessels Kouwenhoven, arbeider in dienst van jhr. G. R. G. van Swinderen — die toen buiten Friesland vertoefde — aan den zuidoostkant van diens land dicht aan zee, bij het greppelen van akkermaalshout een steengraf ontdekt, dat door onkunde van den vinder helaas radicaal vernield is. Zware keisteenen van verschillende grootte, waarvan de hoeveelheid op ruim 30 lasten steens geschat werd, waren uitgegraven en verkocht ten behoeve van de zeeweringen. Te meer valt deze vernieling te betreuren, omdat dit steengraf het tot nu toe eenig bekend geworden Hunebed binnen de grenzen onzer provincie is.

Na het wegvoeren der steenen werden op den heuvel, binnen welken de steenconstructie gevonden werd, een drietal eikenboompjes geplant, teneinde de uitgestrektheid van het hunebed aan te wijzen. Een viertal „donderbeitels" benevens een paar versierde potscherven, bij de ontgraving te voorschijn gekomen, waren door jhr. van Swinderen, aan het Friesch Museum te Leeuwarden geschonken, terwijl een dito potscherf in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden belandde. Verder stelde dr. L. J. Janssen, conservator van laatstgenoemd museum, naar aanleiding van courantenberichten over de vondst, op 26 Mei 1849 ter plaatse een onderzoek in, waarvan hij de resultaten mededeelde in „De Vrije Fries", dl. V, bl. 338 v., dl. VI bl. 161.

Intusschen was de opgravingstechniek met reuzenschreden vooruitgegaan en, met hare ervaringen toegerust, stelde onze Friesche archeoloog dr. A. E. van Giffen, in de tweede helft van Juli 1922 opnieuw een onderzoek naar het vernielde hunebed in, waarbij het hem o. m. gelukte, het grondplan terug te vinden en te teekenen, doch tevens bleek, dat reeds vóór 1849 het graf eens was verstoord, waarbij de deksteenen waren weggenomen, doch de inhoud grootendeels of geheel onaangeroerd gelaten was. Het resultaat van dit onderzoek werd door hem meegedeeld in „De Vrije Fries", dl. XXVII. bl. 307 v., waaraan wij grootendeels het volgende ontkenen:

Van een vijftal bij elkaar gelegen zandige, natuurlijke heuvels van 1.5 a 2 M. hoogte, gelegen 20 minuten zuidwaarts van huize Rijs, werd er in lang vervlogen tijden één uitgegraven voor het bouwen van een steengraf. Die heuvel had een ovalen vorm, was voornamelijk oostwest gericht, lang 16 M., breed 13 M. en hoog 1.3 M. Tot op een diepte van ongeveer 2.5 M. werd een kuil gegraven, waarin in twee rijen tegenover elkaar, waarschijnlijk 10 draagsteenen werden geplaatst, met aan elk der uiteinden een sluitsteen, zóó, dat een afgerond rechthoekige steenkamer met een ingang ontstond van 5 X 1.75 M., bij een diepte van ruim 1 M.

Deze steenen waren aan den binnenkant der kamer effen, en ongeveer 0.5 bij 1 M. dik. Verder was op den kelderbodem een vrij harde leemvloer aangebracht, had men de kieren tusschen de draagsteenen met stopsteenen dichtgevoegd, ter verdere afsluiting een aantal deksteenen over de draagsteenen gelegd en het geheel met een laag zand afgedekt.

Tot steun van den oorspronkelijk aanwezigen dekheuvel had men intusschen een aantal versterkingssteenen aangebracht. In de aldus gevormde steenkamer werden door den, waarschijnlijk aan den oostkant geplaatsten, ingang meerdere afgestorvenen in hurkende of liggende houding bijgezet. De vervaardigers dezer steenconstructie hebben behoord tot de oer-Germanen, wier uitgangs- en kerngebied zich bevond in de landen, westelijk om en in de Oostzee, en die, via Noordwest-Duitschland, het noorden van Nederland bevolkt hebben.

Zij leefden hier ongeveer tusschen 2500 en 2000 voor Chr., dreven reeds landbouw en veeteelt, doch verkeerden nog in het steenen tijdperk, en wel in het laatste gedeelte daarvan, het zoogenoemde „neolithicum". Hunne dooden gaven ze bijgaven mede, bestaande uit fraai geslepen vuursteenen bijlen, dito pijlspitsen, dito schrabbertjes en mesjes, knodsen van kwartsiet enz.

Hunne geloofsvoorstelling bracht mee, dat men telkens spijs en drank aan de afgestorvenen bracht; vandaar de massa's aardewerk in hunne graven, gelijk ook hier, aangetroffen; vandaar ook de vele kooldeelen van eikenhout, in den vulgrond van ons hunebed aangetroffen, als afkomstig van offervuren. Uitingen van opschik leeren we kennen uit de koralen van git en barnsteen, hier en daar uit hunne graven te voorschijn gekomen en hun zin voor kunst blijkt uit de fraaie, streng geometrische, ingestoken versieringsmotieven, die zij op hun zacht gebakken, gepolijst aardewerk aanbrachten, motieven, die onwillekeurig herinneren aan matten- (biezen) en mandemakers werk (twijgen).

Het merkwaardige dier motieven is, dat kenners daardoor dikwijls in staat zijn, reeds uit een versierde aarde werkscherf met zekerheid eene voorstelling te maken van den volledigen vorm van het voorwerp, waarvan zij afkomstig is, en zelfs het geheele ornament ervan weten te reconstrueeren.

En zoo was dr. van Giffen in staat, uit de ongeveer honderd versierde en onversierde scherfjes, bij de systematische afgraving van den dekheuvel van ons steengraf voor den dag gebracht, vast te stellen, dat onderscheidene buikige, geoorde potten van verschillende typen en grootte, kleinere en grootere schotels, schalen en nappen, tot bloempot vormen toe, benevens trechter (hals) bekers als bijgaven hadden dienst gedaan.

Tot die bijgaven behooren tevens ruim een tiental min of meer bewerkte vuursteenen voorwerpjes, als kleine schrapertjes, krabbertjes, boortjes en mesjes, pijlpunten, welke stellig meerendeels aan mannelijke afgestorvenen werden meegegeven, evenals de reeds door ons aangeduide vier geslepen vuursteenen bijlen, met smallen, breeden top, waarvan drie meerdere malen blijken te zijn bijgeslepen.

Al deze overblijfselen kregen gelukkig een plaats, en kunnen door belangstellenden bezichtigd worden in ons in zoo vele opzichten eenig Friesch Museum van Oudheden te Leeuwarden. Verder heeten eenige granietkeien van ongeveer een halven meter middellijn, liggende aan den ingang van de Mirnserlaan, van ons hunebed afkomstig te zijn. Dat men althans deze steenen in eere mag houden!

Westwaarts van de Kleine Mirnserlaan. aan den zeekant, staat een sparreboom, welke door het volk gewoonlijk de Parapluboom genoemd wordt; omdat zijn vorm, door de eigenaardige vergroeiing der takken, eenigszins aan een regenscherm denken doet.

In het laatst der 19de eeuw werd in het Rijsterbosch een, thans reeds weer verdwenen, open uitzichttoren uit hout opgetrokken, welke al spoedig in de wandeling de Eifeltoren genoemd werd. Hij bevatte een viertal omgangen, waarvan de hoogste bij helder weer een fraai uitzicht op den West-Friesehen wal bood.

Foto: Wikipedia: Het Vredestempeltje is een vredesmonument in Rijs in de Nederlandse provincie Friesland. Het is een rijksmonument en een oorlogsmonument.

Het Vredestempeltje.

Met dezen naam wordt gewoonlijk een groot prieel aangeduid, dat zich, geheel in het hout verscholen, in het noordoostelijk gedeelte van het Rijsterbosch bevindt. Het is een wit bepleisterd, uit steen opgemetseld, zeszijdig gebouwtje, met riet gedekt, en opengelaten aan de voorzijde, waar het dak op twee pilaren rust. Op een vierkant bordje, boven de voorzijde aangebracht, leest men: PAX MDCCCXIV (= Vrede, 1814), en daaronder, langs een breede kroonlijst, in één regel: „Vrede, groot geschenk van God. Blijf bestendig Neerlands lot. Laat het dankbaar op U zien, Altijd twist en wraakzucht vliên."

Denkelijk werden deze woorden hier door den toenmaligen slot-eigenaar van Rijs geplaatst onder den indruk van het feit, dat den 11den April van genoemd jaar aan keizer Napoleon 1 als balling het eiland Elba was aangewezen, waarmee de vrede van Europa voorgoed verzekerd scheen. Hoe weinig zal eerstgenoemde vermoed hebben, dat juist honderd jaren later de oorlogsfakkel bijna geheel ons werelddeel in vuur en vlam zou zetten.....!

Op eene teekening van Augustus 1818, berustende in den Atlas van het Friesch Museum van Oudheden te Leeuwarden, ziet men in het prieel een vaste tafel en bank geplaatst en het geheel, op eenigen afstand, met een houten hekje omgeven. Jammer, dat de witte kleur van het klassiek aandoende gebouwtje zoo ontsierd wordt door de honderdtallen van handteekeningen, hier door „dankbare natuurminnaars" achtergelaten!

De Renbaan

Aan het uiterste noordoosten van het Rijsterbosch, is een gedeelte ingericht ter beoefening der paardensport. Menig jaar achtereen zijn daar door de sportcommissie "Rijsterbosch" groote draverijen en concours-hippiques georganiseerd. Aan de uiterste zuidpunt van het Rijsterbosch, dicht aan zee, ligt het hooggelegen boschje de Braamberg, ook vaak Brandenburg genoemd, met een sats van dien naam. In de nabijheid hiervan had in 1840 eene belangrijke muntvondst plaats.

In November van dat jaar namelijk werd daar door Herre Gerrits Huisman, arbeider in dienst van jonkhr. G. R. G. van Swinderen, bij het graven van een greppel, een 112-tal zilveren muntjes, benevens een versierde riemtong, eveneens van zilver, gevonden. Het bleken Karolingische denariën te zijn met den meestal gebrekkig gespelden naam van Karel den Grooten (768—814) en diens opvolgers Lodewijk de Vrome (814—'40) en Lotharius I (840— '55), geslagen te Parijs, Melle en Duurstede, het toenmalige handelsmiddenpunt van Groot-Friesland.

Vele dezer dunne, breede zilverstukjes vertoonen op de voorzijde een kruis, en op de keerzijde den voorgevel van een vierzuilig tempeltje met fronton, met bovenop en binnenin een kruisje, benevens het omschrift: XPISTIANA RELIGIO (= Christelijke godsdienst); de circulatie van dit sprekend Christelijk geldtype viel namelijk samen met de uitbreiding van de Christelijke leer onder de Friezen.

Naar onze hedendaagsche munt gerekend, bedroeg de waarde van elk stukje ongeveer 15 cents, doch men vergete niet, dat in het begin der 9de eeuw een best rund verkocht werd voor twaalf Karolingische denariën. Het zal omstreeks 846 of 863, mogelijk nog later, zijn geweest, dat een Gaasterlander, bevreesd voor de nadering der plunderende Noormannen, hier zijn kleinen schat aan de aarde toevertrouwde. Hij kon niet vermoeden, daar door het nageslacht een dienst te bewijzen, zoodat na een duizendjarige rust deze schat bijna ongeschonden te voorschijn zou treden, en als bewijs zou dienen, dat de Frankische invloed ook in dezen hoek van Friesland was doorgedrongen.

Van de geheele vondst, welke aanvankelijk in het bezit van jhr. van Swinderen geraakte, kwamen helaas slechts 15 muntjes in het Penningkabinet van het Friesch Genootschap te Leeuwarden terecht.

Van het Slot Rijs, voert de Leiselaan, zoo geheeten naar den Frieschen mansnaam Leise (en niet Leidsche laan, gelijk vaak bij misspelling wordt geschreven) in noordoostelijke richting naar Balk. Ten oosten van het Slot, in den hoek, gevormd door genoemde laan en den weg naar Oude Mirdum, ligt de moderne villa „Mooi Gaasterland".

Oorspronkelijk werd zij gebouwd voor den beheerder van de reeds opgeheven Maatschappij „Gaasterland", welke indertijd honderden hectaren bosch van de familie Van Swinderen kocht. „De wijze, waarop zij zeer veel woesten grond in cultuur bracht en nieuwe boerderijen schiep, heeft voor Gaasterland rijke vruchten afgeworpen, doch niemand zal desondanks haar liquidatie betreuren.

Daarvoor beroofde zij Gaasterland van te veel bosch, hanteerde zij te wreed de bijl". Vooral de fraaie boschrijke omgeving tusschen Rijs en Kippenburg heeft het onder haar beheer moeten ontgelden, echter werd daar weer een toekomstig wandelbosch door haar geprojecteerd in verband met den aanleg eener badplaats tusschen Rijs en Oude Mirdum, welke nog steeds op zich laat wachten.

De villa „Mooi Gaasterland" werd later aangekocht door den „Bond van R.-K. Werklieden-verenigingen in het Aartsbisdom Utrecht", die het gebouw in Mei 1926 opende als vacantiekolonie voor zwakke kinderen.

Ten noorden van het Slot, in den hoek, gevormd door de Leiselaan en den weg naar Hemelum, werd in 1900 een Tichelwerk gebouwd, grooter en moderner dan alle bestaande in Friesland, voor de fabricage van kalkzandsteenen. Ook deze steenbakkerij behoort hier reeds weer tot het verleden.

Na den val van Antwerpen, in het najaar van 1914, deed zij dienst als Barakkenkamp voor een 1200 Belgische militairen, die er zeer eng behuisd waren. Dit ging beter toen de drooghokken voor de steen in wat beteren toestand gebracht waren en het aantal bewoners tot een honderdtal, gehuwden met vrouw en kinderen, was teruggebracht. Voor woninghuur moest door hen een dubbeltje per dag voor elk in gebruik genomen vertrekje aan de Maatschappij "Gaasterland" betaald worden. . .

N.J. Waringa.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.