Bantega |1|

127-15.jpg

BANDT, Band, Bant, Bandega of Bantega, voorm. d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, van hetwelk men ten W. van den rijweg van de Lemmer naar Heerenveen nog het oude kerkhof ziet, en onder den naam van Bandster-akker bekend is. De landen van dit dorp moeten zich zuidwaarts zeer ver uitgestrekt hebben, doch zijn van overlang door de zee weggespoeld.

Bantega is het jongste dorp van Lemsterland. Na de Tweede Wereldoorlog werd het buurtschap Echtenpolder omgedoopt tot het dorp Bantega. De naam is afgeleid van Bandt, een plaats die jaren eerder was weggespoeld door de Zuiderzee. Uit archeologisch onderzoek bleek dat tussen 8000 - 4000 voor Christus drie jagers een kampement hadden op de plaats waar nu Bantega ligt. Op de begraafplaats staat ook één van de klokkenstoelen in Friesland. Diverse namen hebben Bantega gepasseerd, De Bandt, Band, Bant en Echten Veenpolder.

Grondgebied en werken.

De veenpolder was gelegen in de gemeente Lemsterland en had ten tijde van de oprichting een omvang van ongeveer 2091 ha. In 1870 werd het grondgebied uitgebreid tot ca. 2376 ha. In 1954 volgde een verdere uitbreiding tot ca. 2882 ha. De volgende werken waren bij de veenpolder in onderhoud:

  • aanvankelijk sprak het reglement van de "ringdijk", sinds 1954 werd gesproken van de dijken met oeverbescherming langs het Tjeukemeer, de Pier Christiaansloot en de Tjonger; (sinds 1954) de in het waterschap Oosterzee gelegen dijk met oeverbescherming langs het Tjeukemeer, de Lemsterrijn en de Dijksvaart;
  • aanvankelijk een drietal schutsluizen (in de Westelijke- of Gieterse Vaart, de Middenvaart en de Oostelijke Vaart); in 1950 verviel de schutsluis in de Middenvaart en in 1958 werden ook de resterende sluizen uit het reglement geschrapt; een aantal kanalen en vaarten, sinds 1941 als volgt gespecificeerd: de Westelijke Vaart, de Kampervaart, de Otterswegvaart (tot 1969), de Middenvaart, de Kooisloot (tot 1969), de Bandsloot (tot 1969), de Oostelijke Vaart, de Heksloot, de ringvaarten en de ondergronds-kanalen. In 1954 kwamen daarbij de Dijksvaart (deels) en de hoofd-toevoersloot naar de ringvaart in de Kampen. Sinds 1969 hoefden deze watergangen alleen nog maar als waterlossing worden onderhouden;
    • de bemalingswerktuigen met bijbehoren;
    • (sinds 1941, tot 1958) een aantal bruggen;
    • (sinds 1954) de op de voormalige oostelijke dijk gelegen grindweg;
    • nader door het bestuur aan te wijzen werken.

In beheer had de veenpolder de bovenstaande werken en alle andere watergangen enz. in het gebied, voor zover deze in het belang van de polder waren.

Historisch overzicht.

Begin 19e eeuw werden er in Friesland maatregelen genomen om de ongewenste gevolgen van de vervening van laagveengebieden, nl. landverlies en verarming van de bevolking, tegen te gaan. Sinds 1819 was voor vervening van laagveen een door de Koning te verstrekken vergunning vereist. In 1822 werden er nadere regels vastgesteld voor deze vergunningverlening. Bepaald werd dat ook voor bestaande verveningen alsnog een vergunning moest worden aangevraagd. Na vervening zouden de uitgeveende gronden drooggelegd moeten worden.

Om te voorzien in de kosten hiervan en om de door vervening ontstane armoede te bestrijden, dienden de verveners een belasting op de te vervenen turf op te brengen, de zogenaamde "slik- en armengelden". De Friese verveners waren bepaald niet blij met deze regeling, die naar zij stelden, de winstgevendheid van hun bedrijven te sterk zou aantasten. Zij kregen daarbij steun van het Friese provinciaal bestuur.

Daarop stuurde de koning in 1823 jhr. De la Coste naar Friesland, om nadere regels ten aanzien van de verveningen te ontwerpen, daarbij zoveel mogelijk rekening houdend met plaatselijke omstandigheden.

De la Coste verdeelde de grietenijen waar geveend werd in vier klassen en maakte voor elke klasse een afzonderlijk reglement ter regulering van de vervening. De grietenij Lemsterland werd ingedeeld in de eerste klasse. De bestaande verveningen in dit gebied mochten "provisioneel" op de oude voet doorgaan. Op termijn moest er bepolderd worden. Sinds 1823 werden de slik- en armengelden geheven.

De administratie van een en ander gebeurde door de grietenij. De verveners in het gebied van de latere veenpolder kozen - het is niet precies bekend wanneer - een voorlopig polderbestuur dat een bepolderingsplan ontwierp. Eind jaren veertig had men dit gereed. Men sprak toen nog van de "Veenpolder van Lemsterland".

In 1854 werd, in navolging van het uit 1852 daterende provinciale reglement op de lage verveningen, een "veenkring" voor het gebied vastgesteld. De grenzen van het poldergebied stonden nu vast. Nog in hetzelfde jaar stelden de provinciale staten een reglement vast voor de polder. In 1855 werd dit reglement door de Kroon goedgekeurd en was de oprichting van de "Veenpolder van Echten" een feit.

Het polderbestuur kwam te bestaan uit een door gedeputeerde staten te benoemen voorzitter en een viertal andere personen, gekozen door de ingelanden. Anders dan de boezemwaterschappen, kenden de veenpolders geen colleges van ingelanden c.q. volmachten. Dat betekende allerminst dat een veenpolderbestuur zijn eigen gang kon gaan. Voor vele bestuurshandelingen moest namelijk vooraf toestemming worden gevraagd aan gedeputeerde staten.

In 1856 werd begonnen met de uitvoering van de bepolderingswerken. Rondom de polder werden dijken gelegd. De nodige watergangen werden gegraven. In de hoofdvaar-wegen werd een drietal houten schutsluizen gelegd: een in de Oostelijke- ofwel Klijnsma's Vaart, een in de Midden- ofwel Sleeswijksvaart en een in de Westelijke- ofwel Gieterse Vaart. Aan het Tjeukemeer werd een stoomgemaal gebouwd. Als adviseur bij de bouw trad op civiel ingenieur jhr. W.J. Backer te Amsterdam.

Aanvankelijk was het de bedoeling de gehele polder in een keer droog te maken. Backer stelde voor om twee gemalen te stichten, een bij de Middenvaart aan het Tjeukemeer en een bij de Kooisloot in het diepste gedeelte van de polder. In 1858 kwam het bestuur hierop terug. De droogmaking zou in gedeelten moeten geschieden, omdat algehele ontwatering niet in het belang van de veenderijen was. Besloten werd het te bouwen stoomvijzelgemaal eerst zo in te richten dat het aan de bestaande eisen zou kunnen voldoen, en later, als de droogmaking een feit zou zijn, het gemaal aan te passen.

Met het oog op de toekomstige situatie werd daarom alvast een tweede stoomketel aangeschaft. Met de bouw van het stoomgemaal werd in 1859 begonnen. Het "stoomvijzelwerktuig" werd geleverd door Harmens en Penning te Harlingen. In 1861 werd het nieuwe gemaal in gebruik genomen.

Al in 1863 besloot het polderbestuur tot algehele droogmaking. Men wou het poldergebied daartoe in een aantal afzonderlijke kavels verdelen. Het stoomgemaal zou de ondergronden moeten gaan bemalen. Daarnaast zouden er windmolens aan het Tjeukemeer geplaatst worden ter bemaling van hoofdzakelijk de niet verveende gebieden. In 1864 werd het plan voor de droogmaking goedgekeurd door de provincie. Het voorzag in een droogmaking van de gehele polder in een tijdsbestek van ongeveer 10 jaar.

De uitvoering van de plannen werd echter op de lange baan geschoven, omdat er een geschil ontstond met de provincie over de invoering van maalgeld. De veenpolder wilde maalgeld gaan heffen van het te bemalen gebied. Het provinciaal bestuur stelde daarentegen dat de droogmaking betaald moest worden uit het slikgeld. Een maalgeldheffing kon ingevoerd worden, maar mocht alleen geheven worden van niet verveende gebieden of van gebieden die zonder betaling van slikgeld waren verveend.

Het polderbestuur besloot daarom de droogmaking op de lange baan te schuiven, totdat de polder weer over voldoende middelen zou beschikken om een en ander uit te voeren, of totdat het provinciaal bestuur van haar "kapitale dwaling" zou zijn teruggekomen. Wel besloot het polderbestuur de ingelanden te stimuleren tot het stichten van particuliere droogmakingen.

Het grote aantal aanvragen voor particuliere droogmakingen in de jaren na 1862, wijst erop dat dit niet aan dovemansoren was gezegd. Overigens besloot het polderbestuur in 1870 alsnog tot de invoering van een maalgeld, nu wel volgens het door de provincie voorgeschreven stramien.

In 1863 werden met het oog op het droogmakingsplan, alvast twee windwatermolens overgenomen, staande aan de Gieterse Vaart en aan de Middenvaart. Ze werden verplaatst naar het Tjeukemeer ten oosten van de Gieterse vaart en bij de Oostelijke vaart aan de Pier Christiaansloot. De vele droogmakingen maakten al snel extra bemalingscapaciteit noodzakelijk. In 1871 werd ten westen van de Gieterse Vaart een nieuwe molen gebouwd en in 1873 verrees ook aan de Kooisloot een molen.

Enkele jaren later, in 1876, vond het polderbestuur dat de tijd gekomen was om alsnog tot algehele droogmaking van de polder over te gaan. In 1878 werd het plan daartoe goedgekeurd door gedeputeerde staten en begon men met de uitvoering van de werken. Men volgde het oorspronkelijke plan, dat een kavelsgewijze droogmaking inhield. De verschillende kavels werden door kavelstroken van de hoofd- en dwarsvaarten gescheiden. Men streefde ernaar om alle kavels zoveel mogelijk tegelijk droog te maken.

In verband met de droogmaking werd het stoomgemaal in 1877 voorzien van een geheel nieuwe machine en van een "dieptastende" vijzel. In 1866 had men al de bestaande slechte stoomketels vervangen door één nieuwe.

In het gebied stonden toentertijd 14 molens die voor overname in aanmerking kwamen. Het polderbestuur was niet erg genegen tot overname van deze molens, maar wou anderzijds ook niet overgaan tot het stichten van b.v. een tweede stoomgemaal om de taak van de bestaande molens over te nemen. In 1879 besloot men toch tot overname van één van de bestaande molens, de zogenaamde "Kampermolen", staande aan de Kampervaart. Daarnaast werd een nieuwe molen gesticht aan de oostkant van de Gieterse vaart.

In 1880 kwam er nog een molen bij, die men had overgenomen van de Wassenaarse polder in Zuid-Holland. Deze werd geplaatst bij de Middenvaart. Vier van de in totaal zeven molens werden gebruikt voor de bemaling van de algemene polderboezem (de twee ter weerszijden van de Gieterse Vaart aan het Tjeukemeer, de molen aan de Pier Christiaansloot bij de Oostelijke Vaart en de molen bij de Kooisloot). De resterende drie molens en het stoomgemaal dienden voor de bemaling van de ondergronden.

Om de financiën van de polder na de uitvoering van de droogmaking weer gezond te maken werd in de jaren tachtig een nieuwe heffing ingevoerd, de "algemene polderlast". Na verloop van tijd was er weer ruimte voor de uitvoering van nieuwe werken. De veenpolder besloot eind negentiger jaren iets te gaan doen aan de ontsluiting van het poldergebied. In 1899 werd begonnen met het aanleggen van wegen. Na aanleg kwamen deze in onderhoud bij de gemeente Lemsterland.

Begin 20e eeuw wogen de inkomsten steeds minder op tegen de uitgaven. De bestaande bemaling was inefficiënt. Het stoomgemaal was duur in onderhoud en had te weinig vermogen. Toen in 1911 een van de vier molens die de algemene polderboezem bemaalden, afbrandde en een andere molen in een toestand van algeheel verval bleek te verkeren, besloot men tot een reorganisatie van de bemaling. De plannen daartoe werden opgesteld door polderopzichter E. Lourens. Aanvankelijk wou deze het stoomgemaal en de windmolens vervangen door een tweetal dieselgemalen.

Later kwam hij met een nieuw plan, dat voorzag in de stichting van een nieuw stoomgemaal. Dit nieuwe gemaal zou zoveel vermogen krijgen dat de windwatermolens buiten gebruik zouden kunnen worden gesteld. Het polderbestuur koos voor het tweede plan. In de jaren 1913-1915 werd het reorganisatieplan verwezenlijkt: alle molens en het oude stoomgemaal werden afgebroken en, ongeveer op de plaats van het oude, werd een nieuw stoomgemaal gebouwd.

A. Mulder te 't Meer was de aannemer van het bemalingsgebouw, terwijl de bemalingsinstallatie, waaronder de toentertijd grootste centrifugaalpomp van Friesland, werd geleverd door de Gebr. Stork & Co. te Hengelo. In 1913 werd het nieuwe gemaal in gebruik genomen. In 1925 werd het gemaal geëlektrificeerd.

In 1954 werd het grondgebied van de veenpolder uitgebreid met een gebied, dat voorheen had behoord tot het in bovengenoemd jaar opgeheven waterschap De Kampen. Dit betekende een toename van het grondgebied van ca. 2376 tot ca. 2882 ha. Een aanpassing van de bemaling werd hierdoor noodzakelijk.

Men stichtte in 1950 een tweede gemaal naast het bestaande. Het diende ter bemaling van de bovengronden. Moest het water van de onverveende gronden voorheen eerst afvloeien op de ondergrondskanalen, nu kon dit water rechtstreeks door het nieuwe gemaal worden uitgeslagen op het Tjeukemeer.

De bedijking van de veenpolder kwam er nu ook anders uit te zien. Langs de Tjonger werd de oostelijke polderdijk doorgetrokken. Een deel van de westelijke polderdijk verviel. De functie ervan werd overgenomen door de polderdijk van het naburig waterschap Oosterzee, die in onderhoud kwam bij de veenpolder.

De vaarwegen hadden inmiddels hun betekenis geheel verloren: sinds 1969 hoefden ze ook niet meer als vaart te worden onderhouden. De schutsluizen in de vaarten werden gedempt, voorzover ze nog aanwezig waren, en vervangen door duikers. Een drietal bruggen werd overgedragen aan de gemeente Lemsterland.

Per 1 januari 1970 werd de veenpolder opgeheven en gingen de rechten, plichten, bezittingen en schulden over op het waterschap De Stellingwerven. Vóór 1970 werd al enige jaren nauw samengewerkt met een van de fusiepartners, de Groote Veenpolder in Weststellingwerf. Zo hadden de beide veenpolders een gezamenlijke secretaris en opzichter.

Bron: Archiefnet

Foto van Sjoerd de Haan: "5 december 1943 of 1944 kreeg ik dit cadeau van Sinterklaas. Mijn ouders hadden veel mensen uit Lemmer, die in de oorlog om melk bij ons kwamen, vaste melkhaalders zo werden ze genoemd, Willem de Blauw woonde in Lemmer in de Beneden Schans, was timmerman en getrouwd dacht ik met Trijntje (Trijntje Jongsma). Deze man heeft voor mij een prikslee gemaakt, kreeg ik van Sinterklaas, natuurlijk later is mij wel vertelt hoe het zat. Geweldig cadeau in die tijd, jongens op de Otterweg vonden het ook mooi als ze de slee even mochten proberen. Hier zitten onze kinderen er op en hebben er ook nog lang van genoten, helaas heb ik hem niet meer. Als ik het plaatje zie, denk ik nog steeds aan Willem de Blauw..."

Foto van Sleat Eartiids : Mevrouw Van dei Wolf—Dijkstra bij haar prachtig bloeiende vingerplant „Myn man sil wol sizze: hastou nou dyn sin?"

LEMSTER HUISVROUW KREEG VINGERPLANT IN BLOEI

(Van een onzer verslaggevers)

LEMMER — Mevrouw K. van der Wolf—Dijkstra in de Bantegastraat in Lemmer, heeft in haar voorkamer een prachtige, grote vingerplant, die op het ogenblik in volle bloei staat. Deze plant, de Fatsia Japonica (zoals de Latijnse naam luidt), is afkomstig uit Japan en China en het gelukt slechts weinige particulieren haar in ons koude klimaat tot bloei te brengen. Vandaar dat wij grote bewondering hadden voor de prestatie van mevrouw Van der Wolf.
De bloei begon een week of drie geleden met een dikke prop (de bloeiknop) in de top van de plant. Uit die prop kwam een crèmekleurige stengel tevoorschijn, die zich vertakte. Aan het eind van elke vertakking zit een trosvormige bloem, die is samengesteld uit heel kleine, wittige bloemetjes met vijf puntige blaadjes en lange meeldraden. Op ieder bloemetje liggen als diamantjes druppeltjes honing, die in de zon helder schitteren. De honing druipt nu langzamerhand op de bladeren af. Het is geen bloem die opvalt door kleur of geur, maar als men de bloemetjes van dichtbij bekijkt, ziet men dat zij heel mooi en teer gemaakt zijn.

Geërfde gave

Mevrouw Van der Wolf kreeg de vingerplant als beginnelingetje, ongeveer anderhalf jaar geleden met Pasen van haar zoon. omdat in de strenge winter haar kamerlinde bevroren was. Zij heeft nooit iets bijzonders gedaan om hem in bloei te krijgen. Alleen altijd veel water, iedere morgen en toen het warm was ook 's avonds nog. En verder wat kunstmest. Overigens heeft zij aan deze plant niet méér aandacht besteed dan aan de vele andere, die haar kamer sieren. Planten in bloei krijgen is vermoedelijk een gave die mevrouw Van der Wolf van haar moeder heeft geërfd.
“Alde búfrou skuonmakker", zoals de oude mevrouw Dijkstra genoemd werd, had namelijk ook veel mooie planten, die even welvarend waren als die van haar dochter nu. Maar wij moeten er eerlijkheidshalve aan toevoegen dat de heer Van der Wolf ook een grote liefde heeft voor planten en daar tijdens de afwezigheid van zijn vrouw voortreffelijk voor zorgt, zoals zij ons vertelde.

Foto van Koop Bosscha, met de namen: Het is een opname van een groepje boerinnen uit Bantega, Echten, Oosterzee en net over de grens richting Tjonger. De grootmoeder van Koop Bosscha is Abeltje Jongsma, getrouwd met Koop Bosscha. Zij woonden op de boerderij “Zathe Buitendijksveld” aan de Zeedijk te Bantega. Deze boerderij is een week na de bevrijding van Lemmer afgebrand.

Staand van links naar rechts: Grietje van der Lende, geboren op 23 september 1874 te Oldetrijne, overleden op 24 februari 1957 te Scherpenzeel, dochter van Koendert Heines van der Lende en Trijntje Hendriks de Vries. Gehuwd op 13 mei 1893 te Wolvega, Weststellingwerf met Harm van der Lende, geboren op 30 augustus 1870 te Spanga, overleden op 11 mei 1957 te Scherpenzeel, zoon van Tette Alberts van der Lende en Hasseltje Harmens Pen.

Dit is de oude Zeedijkplaats te Bantega. In deze boerderij, destijds bewoond door de familie Andries Bosscha, hadden vlak voor de bevrijding Duitse soldaten hun intrek genomen. Ook waren hier Mussert en Seys Inquart. Vlak voor de bevrijding op 17 april hebben ze het bruggetje over de dijksloot de lucht in laten vliegen. Op 24 april 1945 's avonds onder melkers-tijd werd de boerderij door brand verwoest, naar men vermoed door achtergebleven oorlogsmateriaal van de Duitsers. Er vielen geen slachtoffers, maar wel vonden enkele koeien hier de dood.

Hier zijn de werkzaamheden bezig voor het dempen van de Middenvaart.
De heer Feike de Haan, uit Bantega wil graag weten in welk jaartal deze foto gemaakt is. Kan iemand de heer de Haan helpen? feikedehaan@gmail.com

● Dagblad het Volk dd 6 mrt 1941. De eerste verharde weg.

In 1894 besloot de raad van Lemsterland tot aanleg van een verharde weg van de grindweg van Echten tot de zeedijk bij de boerderij van het waterschap „De Zeven Griete neyen en Stad Sloten".

Doch eerst op 3 Februari 1899 had de aanbesteding plaats van de weg, die in 1900 in gebruik kon
worden genomen. Tot op dat ogenblik hadden de boeren onder alle omstandigheden zich moeten behelpen met allerlei modderpaden.

En als het boezemwater in de winter hoog was moesten de paarden tot aan hun buik door het water waden om op de verharde weg langs de zeedijk te komen.

Geleidelijk ontstonden er nu ook wegen langs de Otterweg, Bandsloot, Kooisloot en meer wateren en verdween het isolement, waarin de polder en zijn bewoners zo lang hadden verkeerd. Door de betere verkeerstoestanden groeide de bevolking sterk. Overal verrezen langs de wegen boerderijtjes en andere woningen.

Doch nergens was de vooruitgang zo sterk als op de driesprong Nieuweweg—Bandsloot. In 1909 stonden hier slechts twee boerderijen. In 1910 verrees op deze plek een nieuwe openbare school.

Er kwam een kerkgebouw, een café, enige flinke winkelhuizen, de bouwvereniging „Volksbelang" stichtte een aantal arbeiderswoningen, en weldra vormde zich in zeer korte tijd een nieuw dorp. Dit dorp heeft eigenlijk tot nog toe geen officiële naam.

Enkelen noemen het Nieuw-Echten; anderen Rodenburg.

  • Ingezonden door: Simon Tjaarda

School: Later, het sociaal-cultureel centrum te Bantega, genaamd 'De Pomp'.

Onderwijs en schoolmeesters te Bantega.

Te Kooisloot, gelegen onder Oosterzee en onder Echten, is onder het beheer van Echten in 1854 een armenschool opgericht. Het eerste gebouw was van hout. Als eerste hoofd werd toen Jelte Klazes Post, derde ranger en ondermeester te Lemmer, aangesteld. Het inkomen bedroeg f 200,- en werd betaald door de gemeente. Op 1 okt. 1859 kwam Andle Andringa, tweede ranger en tijdelijk hulponderwijzer te Lemmer. Hij is op 1 jan. 1862 naar Follega vertrokken.

Op 31 okt. 1863 werd Klaas H. Kluwer benoemd. In 1874 werd de school naar het noorden verplaatst en daar in steen opgetrokken en werd de school te Middenvaart of Echtenerpolder genoemd. In 1875 kwam A. Kooistra als hoofd en in 1877 werd hij opgevolgd door K. Kramer.
Op 1 mei 1883 kwam D. Wijma, die sedert 1 nov. 1879 onderwijzer te Moddergat was geweest. Hij was eerder als kwekeling werkzaam te Drogeham, Kooten, Gerkesklooster (omstr. 1870), daarna onderwijzer te Hantum, Hardegarijp en Gerkesklooster, Oostrum en dus Moddergat. In 1880 is hij getrouwd met Tietje Tamminga. Op 20 febr. 1921 vierde hij zijn 50-jarig jubileum in het onderwijs. Op 1 juli 1922 ging hij officieel met pensioen. Hij is gestorven op 20 juli 1922, terwijl hij nog in een tijdelijke functie werkzaam was.

In 1925 kwam S.A. Beeksma; hij werd op 1 april 1929 onderwijzer te Amsterdam. In 1929 kwam J. Hazelhof van Goïngarijp, die op 16 febr. 1932 naar Ilpendam vertrok. In 1932 werd H.H. van Limburg tijdelijk aangesteld. Op 16 juni 1932 kwam D. Bun van Etten; hij werd op 1 jan. 1935 hoofd van de RK-school te Steggerda.

In 1935 werd G. Bosma benoemd; hij was waarschijnlijk van Nijehorne afkomstig. Hij werd op 1 april 1947 onderwijzer te Assen. Het dorp Echtenerpolder (Middenvaart) is in jan. 1947 omgedoopt tot Bantega. In 1947 kwam K. Jansma van Drogteropslagen (Dr.) als hoofd. Hij vertrok op 1 maart 1952 naar Tjalleberd. Zijn opvolger werd toen J. Bethlehem, onderwijzer te Vollenhove.

Bijzonder onderwijs.

Begin 1952 werd A.J. Klijnsma, hoofd van de christelijke school te Bantega, benoemd tot hoofd van de christelijke school te Brunssum (Limb.) Op dat moment had hij een diensttijd van 22 jaar; hij was hier dus sedert 1930 als hoofd geweest. In juni 1952 kwam R. Jagersma, onderwijzer te Blokzijl, als zijn opvolger.

Bron: www.fryske-akademy.nl

School Bantega met meester Wijma


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.