Home » Lemmer » Visserij en schepen » Redders in storm en noodweer

Redders in storm en noodweer

Toen in 1918 een schip in nood verkeerde tussen Kuinre en Lemmer slaagde een toevallig passerende sleepboot erin de zeven opvarenden met moeite te redden. Een volgende scheepsramp liep slechter af: Omdat er geen hulp kwam opdagen eiste het ongeluk, drie mijl buiten de haven, acht slachtoffers. Voor de gemeente Lemmer was dit aanleiding om de Redding Maatschappij te verzoeken de Zuiderzeeplaats als reddingstation in haar organisatie op te nemen. In antwoord daarop kreeg Lemmer in 1919 alvast een roeireddingboot in bruikleen; in 1920 werd Lemmer een officieel reddingstation.

In 1925 kwam de eerste motorreddingboot, de Jhr.Mr.J.W.H. Rutgers van Rozenburg uit Scheveningen deze werd op haar beurt weer opgevolgd in 1930 door de Hilda.
Lemmer ontwikkelde zich tot een actief reddingstation. Acties als gevolg van strandingen waren geen uitzondering.

In de noordoostelijk hoek van de Zuiderzee lag Lemmer een groot deel van het jaar aan lagerwal. Schepen vanuit Amsterdam kwamen over het algemeen in deze hoek Friesland en Overijssel binnen, wat bij slecht weer nog al eens een stranding tot gevolg had. Zo ook op 29 september 1935. Omstreeks middernacht werd de bemanning van de Hilda gealarmeerd, omdat er bezuiden van de haven een schip in nood verkeerd. Er stond een holle zee bij een zware storm uit het westen.

Toen de reddingboot op de plek des onheils arriveerde bleek het schip inmiddels te zijn gezonken. De drie opvarenden hadden zich weten te redden door in de mast te klimmen. Langszij komen was onmogelijk. En dus zette de reddingboot zich tegen het wrak, het zoeklicht werd op de schipbreukelingen gericht en met een werpboei werden de drie verkleumde en dodelijk vermoeide zeelieden aan boord van de Hilda getrokken.

Na de komst van de Afsluitdijk veranderden de omstandigheden op de voormalige Zuiderzee. Het IJsselmeer werd een internationaal geliefd watersportgebied. Jaarlijks bevaren duizenden jachten het IJsselmeer.  Voor de KNRM betekende dit dat zij zich aan moest passen aan het nieuwe karakter van haar dienstverlening. Het reddingstation Lemmer behield een grote reddingboot voor eventuele strandingen (de Jansje Baart), maar kreeg daarnaast de beschikking over een snelle rubberboot.

Deze rubberboot, de Wouter Vaartjes, bleek een ideaal verlengstuk bij de grotere acties en was voor surfers en kleine bootjes een snel en doeltreffend hulpverleningsvaartuig.
In de jaren ’80 groeide Lemmer uit tot één van de drukkere KNRM-reddingstations. In 1995 werd het station nog eens uitgebreid met de Martijn Koenraad Hof. Met de komst van deze ruim acht meter lange reddingboot die volle kracht een snelheid van 37 knopen haalt, was Lemmer berekend op alle vormen van hulpverlening.

Inmiddels zijn alweer enkele jaren geleden de Jansje Baart en de Martijn Koenraad Hof vervangen door de Anna Dorothea. Deze Rigid Inflatable Boat (RIB) is van de zogenaamde Valentijn klasse, samen met rubberboot de Wouter Vaartjes is station Lemmer uitstekend in staat de gewenste vormen van hulpverlening op haar deel van het IJsselmeer voor haar rekening te nemen. De bemanning van de Lemster reddingboten bestaat voor 100% uit vrijwilligers.

Bron: KNRM 

1923: Onze kloeke varensgasten. Zie hier liet beeld van een aantal stoere, kloeke kerels: de bemanning van de te Lemmer gestationeerde Reddingsboot der Noord- en Zuid-Hollandsche Reddingsmaatschappij, die nog niet in gebruik geweest is. — We kiekten de Friezen — allen eenvoudige visscherskerels uit Lemmer — tijdens een proeftocht bij stormweer op de Zuiderzee.

zGerben254.jpg

De eerste motorreddingsboot, de Jhr. Rutgers van Roozenburg 1927.

De beschermende kleding heeft lange tijd uit een zuidwester, oliekleding, een los zwemvest en laarzen bestaan.

Een reddingsboot doet haar werk 't meest bij storm en noodweer. Als de zeilen scheuren, het roer defect is of de ankerketting breekt. Als de schipper de koers kwijt is, te dicht op de kust zit en vast loopt op een bank. Of als het schip door hoge zeeën water maakt, moet pompen en het toch niet alleen redt. In al deze gevallen zijn er dan ook nog wel vrouw en kinderen aan boord. Dan zijn er noodsignalen. Dan staat de bemanning klaar om uit te varen om assistentie te verlenen. Dan willen zij het leven wagen om dat van anderen te redden.

Van wat er allemaal gebeuren kan tijdens zo′n reddingsactie hoor of lees je meestal niet zoveel. Maar je moest het maar eens weten dacht ik. Toen ik een dagboek las van 1935 op de Lemster reddingsboot, door W. Verhoef. In afleveringen in de Zuid Friesland in de 60er jaren. Zonder opsmuk wordt hier in verteld over moeilijke reddingen.

In 1919 werd de eerste reddingsboot in Lemmer gestationeerd. Dat was er nog een met zeiltuig. De aanschaf van de boot was geen overbodige luxe. In 1918 bleek hoe urgent de zaak was. Twee scheepsdrama′s vonden plaats in dat jaar. Een ervan eiste acht mensenlevens! Met de aanschaf van de motorreddingsboot Jhr. Rutgers van Roosenburg In 1920 werd Lemmer pas een echt actief reddingstation. In 1930 volgde De Hilda deze heeft dienst gedaan tot 1974, dus 43 jaar en heeft door die lange tijd natuurlijk ook veel naamsbekendheid gekregen.

In 1974 kwam De Jantsje Baart. In die tijd van de Hilda bestond de vaste bemanning uit twee man, namelijk de schipper en de machinist verder waren het de zogenaamde opstappers dat wil zeggen vrijwilligers zonder salaris. Een vaste schipper ontving f 125,- per jaar aan gratificatie.

Lemmer heeft reeds in de 20er jaren een roei en zeilreddingboot gekregen, maar dat is geen succes geweest. Daarna in 1925 kwam de Rutgers van Rozenburg. Verschillende Lemster vissers zagen in de reddingboot een lelijke 'concurrent', het heeft lang geduurd voordat zij sympathie kregen voor het reddingwezen. Die groeide geleidelijk toen de Rutgers, en van 1930 af de Hilda goede diensten verleenden aan Lemster en Blokzijler vissersvaartuigen.

Toen ik in 1930 te Lemmer kwam, trof ik daar als voorzitter van de gemeente een stokoude burgemeester aan, waarvan verteld werd, dat hij vele brieven ongeopend in de prullenmand deponeerde. Maar we hadden een goede schipper - Jelle Kolk - en een prima motordrijver Van Putten. Kolk, oud tjalkschipper, van huis uit zuinig, zorgde heel goed voor de Hilda - en ook het onderhoud van de motor liet niets te wensen over.

mrb Hilda (1922 - 1975)

In de zomer van 2002 stond de boot enige tijd op de helling in Harns (= Harlingen). In augustus 2003 lag zij in Frentsjer (= Franeker) en vanaf juni 2004 in Ljouwert (= Leeuwarden).

In februari 2008 is de boot verkocht naar It Amelân (= Ameland), bij SRF (Harlingen) weer opgebouwd en zomer 2009 weer in de vaart gekomen.

Gegevens: Gebouwd op de werf van de N.V. Scheepsbouw Maatschappij Farmsum v/h Gebrs. Niestern te Delfzijl en vervaardigd van S.M. vloeistaal.
Genoemd naar de vrouw van de NZHRM-secretaris H. de Booy.

Lengte 14,20 m, breedte 3,90 m, diepgang 0,90 m. Waterverplaatsing 23 ton. 15 Waterdichte afdelingen. Een 3-cilinder Brons-ruwoliemotor van 48 pk. Maximum snelheid 8 knopen.
In 1929 werd de boot met 1,30 m verlengd en werd de waterverplaatsing 27 ton. Rondom de boot is een holle rubber fender aangebracht van 15 x 15 cm.
De Brons-motor werd in 1961 vervangen door een 6-cilinder Kromhout-dieselmotor, type 6TS 117 van 100 pk, uitgerust met een Brevo hydraulische keerkoppeling. De maximum snelheid bedroeg daarna 9 knopen.
In de 53 jaar van haar actieve dienst is de Hilda 411 maal uitgevaren en zijn er 540 mensen mee gered

Jelle Kolk schipper van De Hilda in Lemmer.

Sinds Mr H.J. Krijger burgemeester was geworden had je ook steun aan de gemeente, al was het secretariaat van de gemeente niet het sterkste punt. Een tijdlang is de palingvisser W. Bijl stuurman geweest.

Alleen Kolk was in vaste dient, de overige kregen de z.g. aanhoudpremie. Bijl, een onafhankelijk figuur was een goed zeeman, maar met de zeker ietwat eigenzinnige, ongetwijfeld ook autoritaire figuur van Kolk kon hij niet best overweg. Later is ook een zoon van Kolk opstapper geworden. Wel een geschikte jongen, leek hij aanvankelijk, maar hij bleek op den duur toch ook wel wat te eigengereid te zijn.

De oude Jelle en de jonge Jelle, vader en zoon Kolk, schipper en opstapper van de ´Hilda´.

November 1946. Vader Jelle Kolk vertrekt (Wouter Vaartjes, die hem zo nu en dan al assisteerde als brugwachter wordt zijn opvolger). — de zoon Jelle Kolk in dienst. Weer raakt de Noord- en Zuid-Hollandsche Redding- Maatschappij een stel vader en zoons kwijt.
Daar waren: vader en zoon Bot van de „Dorus Rijkers", vader en zoon Tot van de „Brandaris", vader en zoon Toxopeus van de „Insulinde" en vader en zoon Kolk van de „Hilda".

De eerste van dit jaar ging vader Coen Bot als spelbreker no. één met pensioen. Tegelijk met schipper Kolk vertrekt de stuurman van de „Hilda", Herbert van der Bijl, die 17 jaar onder hem gevaren heeft. Zij waren aan elkaar gewaagd, die twee en och, is het dan zo´n wonder, dat ze samen afzwaaien, Kolk naar zijn bruggaarders-woning en Van der Bijl naar zijn visserij en jagerij.

In intieme kring zullen Lemmer en de N.Z.H.R.M. Zaterdag afscheid nemen van den Friesen „binnenzeeredder" en dan zal ook de Nederlandse binnenvaart blijk kunnen geven van haar genegenheid voor dit eerste Nederlandse reddingstation in het binnenland, die in betekenis zeker niet onderdoet voor die aan de Noordzeestranden.

Er bleef nog geruime tijd enige rivaliteit bestaan met de 'vissers'; doch geleidelijk nam de Lemster vissersvloot in betekenis af, zeker na de inpoldering van de N.O.polder.
Een goede maatregel is het instellen van een waarnemingspost (een bij Mirdumerklif wonende boer) geweest.

De berichtgeving in deze hoek van het IJsselmeer was uit de aard der zaak gebrekkig. Bij de z.g. Steil Hoek kwamen herhaaldelijk schepen aan de grond, die bij mistig weer niet werden opgemerkt. Een aanhangvlet voor de Hilda om verbinding te maken met gestrande schepen bleek onmisbaar. De meeste diensten van de Hilda bestonden uit het vlotslepen van binnenschepen en jachtjes. Een hoogtepunt voor Kolk was de redding van drie opvarenden uit de mast van een bij Lemmer gezonken schip.

ENKELE HERINNERINGEN AAN DE K.N.Z.H.R.M., (Koninklijke Noord-en Zuid-Hollandsche Redding-Maatschappij: (In 1949 werd het predicaat Koninklijke verleend)

Opgeschreven in december 1972 door H.Th. de Booy

Toen ik in april 1930 bij de N.Z.H.R.M. kwam als adj.-secretaris, bestond de 'vloot' uit de motorreddingboten 'Rutgers van Rozenburg','Dorus Rijkers', 'Brandaris I', 'Insulinde, 'C.A. den 'Tex', 'Hilda.' en 'Zeemanshoop', benevens de motorstrand reddingboot 'Eierland' te De Cocksdorp. De 'Neeltje Jacoba' was in aanbouw.

H.Th. de Booy, adj. secretaris, secretaris, directeur van de Noord- en Zuid-Hollandsche Redding-Maatschappij 1930-1963.

Eeuwfeest oudste stalen motorreddingboot ter wereld op Terschelling.

In september van dit jaar is het honderd jaar geleden dat de eerste motorreddingboot van de toenmalige Noord & Zuid-Hollandsche Reddingmaatschappij in gebruik werd genomen. Dit was een wereldprimeur, want nooit eerder liep een ijzeren reddingboot met verbrandingsmotor van stapel.

Om de 100e verjaardag van dit historische schip te vieren wordt op 7 september in West-Terschelling een symposium gehouden over de betekenis van het behoud van voormalige reddingboten als cultuurbezit. Een dag later, op de Open Monumentendag, kan het publiek kennis maken met een keur aan historische reddingboten.

Het elfenhalve meter lange scheepje, de Jhr. J.W.H. Rutgers van Rozenburg, is nog steeds in de vaart. Na een lang leven als reddingboot, sleepboot en pleziervaartuig, heeft ze nu de status van museumreddingboot. Vier jaar geleden werd dit vaartuig vanwege de grote museale waarde als varend erfgoed naar Terschelling gehaald en in originele staat gerestaureerd. Sindsdien ligt ze in de haven van West afgemeerd naast de reddingboot Arie Visser van de KNRM en maakt educatieve rondvaarten onder de vlag van het gemeentelijk museum ‘t Behouden Huys.

Om het eeuwfeest luister bij te zetten wordt op 7 september een symposium gehouden over de betekenis van het behoud van voormalige reddingboten als cultuurbezit. Voor die gelegenheid komt een vloot van circa twintig historische reddingboten naar het eiland, waaronder legendarische en nog geheel authentieke schepen als de Dorus Rijkers, Neeltje Jacoba, Prins Hendrik, Bernard van Leer en Johan de Witt.

De aanwezigheid van deze bijzondere schepen wordt aangegrepen voor het houden van een vlootschouw op zaterdag 8 september (Nationale Monumentendag) en het maken van een aantal foto- en filmsessies op zee van de vijf generaties reddingboten. Dat moet unieke beelden opleveren, want nooit eerder deed zich de gelegenheid voor om een dergelijke verscheidenheid aan reddingvaartuigen in één shot te kunnen vastleggen.

Enkele operationele KNRM reddingboten zullen op 8 september eveneens acte de presens geven om het beeld te completeren. Voor het afnemen van de vlootschouw zal de legendarische Terschellinger zeesleepboot Holland worden ingezet. Het publiek kan op beperkte schaal met aan aantal schepen meevaren. De entree is gratis, maar een opstappremie ten bate van de KNRM wordt op prijs gesteld.

Een tweede aanleiding voor de feestelijkheden is de ingebruikname van de roeireddingboot Secretaris Schumacher. Dit scheepje uit 1900, dat model staat voor het tijdperk waarin het reddingwezen slechts beschikte over door spierkracht voortbewogen materieel, wordt momenteel op Terschelling gerestaureerd. Met deze boot zijn maar liefst 65 personen gered. De Schumacher, genoemd naar de toenmalige secretaris van de Zuid-Hollandse Reddingmaatschappij, is straks de enige nog varende roeireddingboot in Nederland. Op 7 september vindt de herdoop plaats.

Sprekers tijdens het symposium zijn de heer S. Wiebenga, directeur KNRM, Drs. F. Loomeijer, directeur Scheepvaartmuseum Rotterdam, mevrouw Drs. J. Perryk van het Prins Bernhard Cultuurfonds, de heer H. Beukema, maritiem publicist en projectleider replicabouw loodskotter Eems in Delfzijl, de heer H. Van der Smissen, publicist watersport en zeehistorie, en de heer G. de Weerdt, conservator ‘t Behouden Huys op Terschelling.

Het symposium wordt gehouden in het Maritiem Instituut Willem Barentsz en is toegankelijk voor een breed publiek. Vlak voor de deur van dit instituut liggen tijdens het jubileumweekend de voormalige reddingboten in een gereserveerd deel van de jachthaven afgemeerd.

De organisatie van dit maritiem evenement is in handen van de Stichting Behoud Oudste Motorreddingboot ter Wereld Jhr. mr. J.W.H. Rutgers van Rozenburg op Terschelling, in samenwerking met de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij, Maritiem Instituut Willem Barentsz, Vereniging Oude Reddings Glorie, Nationaal Reddingsmuseum Dorus Rijkers, Stichting Zeesleepboot Holland en Stichting Passantenhaven Terschelling.

Iets over de stations: Nijkerk, Harlingen, Hindelopen, Gaast, Lemmer en Enkhuizen.

Over Nijkerk valt niet veel te zeggen, we hebben daar op verzoek van de burgemeester van Nijkerk enkele jaren een reddingboot gehad. Eerst de C.A. den Tex. De entree van deze boot op dit station was minder fortuinlijk. Er haperde wat aan de motor toen wij bij Nijkerk kwamen en moesten zeilend de haven binnenlopen!

Schipper Kedde was een goede schipper, maar in feite niet zo'n makkelijke kerel; ik heb eens grote moeite gehad hem te weerhouden ontslag te nemen (wegens persoonlijke bezwaren tegen enkele bemanningsleden of de iets anders, ik weet het niet meer precies), maar Kedde bleek koppig te zijn. Tenslotte kwam de zaak wel weer in orde. Dit soort 'conflictjes' zijn onvermijdelijk, je hebt met mensen te maken en die reageren dikwijls op zeer onverwachte wijze. Er zijn nu eenmaal veel, die gevoelige tenen hebben.

Te Harlingen was Sipke Wielenga de man, die ik jaren lang heb meegemaakt. Hij werd een goede vriend, een beste kerel. Veel heeft dit station niet hoeven te presteren, maar het is toch een onmisbare post. Verschillende Directeuren-Loodswezen heb ik daar leren kennen - zij waren meestal voorzitter van de gemeente. Harlingen kreeg de ' Twenthe', het geschenk van Twentse industriëlen.

't Was in de oorlogsjaren een grote verbetering voor dit station. Gaast heeft verschillende jaren een roei- en zeilvlet gehad - en daar enkele aardige reddingen verricht. Daar leerde ik Van Kalsbeek kennen; 't was geen interessant station, maar wel een aardig, flink stel mensen.

Schipper Kedde, mrb C.A. den Tex te Nijkerk.

Sipke Wielenga, schipper mrb. Twenthe Harlingen.

Motorreddingboot Twenthe gestationeerd 1942 in Harlingen.

Van Kalsbeek, schipper roei en zeilvlet te Gaast.

Ook Hindelopen heeft jarenlang een roei- en zeilreddingboot gehad. Enkele mooie reddingen, maar 't was geen erg actief station. Verbetering kwam eerst toen de Johan de Witt, onze eerste stalen motorstrand reddingboot daar werd gestationeerd met als schipper J. Mulder, een goed zeeman, die erg was ingenomen met zijn Johan de Witt. Hij noemde dit een 'nobel schip'.

De indienststelling, ook al in oorlogsjaren, werd een waar Hindelopens feest: met de dochter van bakker Elzinga, secr. van de gemeente in Hindeloper dracht. Dank zij de aanwezigheid van deze boot kon Gaast worden opgeheven. Aanvankelijk was na de oorlog het aantal jachten nog maar gering. Geleidelijk kwamen er meer en meer - maar de 'explosie' volgde pas jaren later, toen 'iedereen' ging zeilen en de IJsselmeer reddingboten het meest te doen kregen.

Een onvergetelijke figuur te Hindelopen was Van Meekeren, oud-roeier in de roei-reddingvlet. De VIESTE man van Hindelopen en misschien wel van heel Friesland. Hij leefde met hond en papagaai in een zeer eenvoudig huisje waar het stof der eeuwen zich in vette lagen had verzameld. In deze onbeschrijfelijke zwijnenstal bouwde hij aan de hand van oude tekeningen en modellen, 17e eeuwse schepen en andere zeilvaartuigjes, met groot geduld en intense toewijding.

Werumeus Buning, beschreef zijn bezoek aan Van Meekeren op onnavolgbare wijze, in "Ik vaar ik vaar waar Gij niet vaart". Toen ik in 1930 voor 't eerst Hindelopen bezocht als adj.-secretaris was een zekere Kooy omstreeks 90 jaar oud nog lid van de gemeente -Half blind. Oud zeeman, later barbier, maar wegens zijn achteruitgaand gezichtsvermogen, schoor hij alleen nog maar zijn klanten "waarvan hij het gezicht" kende..Siep Amsterdam was de trouwe motordrijver van de Johan de Witt.

Later kwam hier de 'Arthur'. Hindelopen, een van Frieslands elf steden, heeft een oude geschiedenis: het Hidde Nijland Museum is de moeite van het zien waard. Lange tijd een zeer gesloten gemeenschap met een eigen dialect van het Fries. Nu speelt het toerisme ook in Hindelopen, althans in de zomer, een voorname rol.

Van Meekeren roeier van de roei-reddingsvlet Hindelopen.

Siem Amsterdam, motordrijver motorstrand-reddingboot Johan de Witt, Hindelopen.

J.W.F. Werumeus Buning , schrijver en dichter (Links ) en Jo Spier tekenaar. Zij deden veel voor de naamsbekendheid van de N.Z.H.R.M.

Lemmer was een van de stations waar ik graag kwam. Zowel Kolk als Van Putten leefden met hart en ziel met het Reddingswezen mee en hadden veel belangstelling voor de geleidelijk ingevoerde verbeteringen in het materieel van de NZHRM.

Over W. Vaartjes, die Kolk opvolgde kan ik kort zijn. Ook een 'figuur', hij schreef unieke reddingrapporten. Toen te Urk stemmen opgingen om daar een reddingboot te stationeren ging ik er met de Hilda naar toe om een onderhoud te hebben met de burgemeester. De indruk was, dat de Urkers zelf over voldoende schepen beschikten om hulp te bieden en het heeft nog geruime tijd geduurd voordat Urk een station werd. En zelfs een zeer druk station, toen de Hilda in Urk lag ging Kolk de wal niet op. Hij vertrouwde "de Urkers" niet en vreesde dat ze wel iets van boord zouden meenemen als hij z'n hielen lichtte.

Station Lemmer kwam herhaaldelijk in de gelegenheid' lucratieve' bergingsdiensten te verrichten en ongetwijfeld hebben Kolk c.s. wel eens pressie uitgeoefend op een premie voor geborgen schepen, zij het dan via hun assuradeuren. Maar dan alleen in het voordeel van de NZHRM.; dat zij er zèlf voordeel van wilden plukken heb ik voor zover ik mij althans kan herinneren, nooit iets van gemerkt.