Home » Lemmer » Visserij en schepen » De Oostzeevaarders uit De Lemmer

De Oostzeevaarders uit De Lemmer

De Oostzeevaarders uit De Lemmer in de 18de eeuw.

Door Jaap van der Zwaag. j.s.vanderzwaag@planet.nl


Eeuwenlang is de vaart op de Oostzee (ook Baltische Zee genoemd) voor de Nederlandse koopvaarders zeer belangrijk geweest, zelfs belangrijker dan de vaart op Oost-Indië. Er bestaan geen betrouwbare statistische gegevens uit de middeleeuwen over het totale scheepvaartverkeer op de Oostzee. Er kan slechts een globale indruk worden gevormd uit diverse verspreide gegevens en wat cijfers over aantallen schepen in een bepaalde haven, als daar bijvoorbeeld een heffing per schip was gedaan en de lijsten daarvan toevallig bewaard zijn gebleven. Noord-Nederlandse schepen, zowel die uit Holland als van de Zuiderzeesteden hebben in ieder geval een belangrijke rol gespeeld in het goederenverkeer tussen West- en Noord-Europa.

Vanaf 1497 bestaan de eerste betrouwbare cijfers over het totale scheepvaartverkeer tussen Noord- en Oostzee. Deze stammen uit de beroemde Sont-tolregisters, een schitterende statistische bron welke thans, volledig tot lijsten gerangschikt, is uitgegeven. Niet alle informatie is goed te interpreteren. Zo is voor de periode 1497-1557 niet uit te maken of de schepen oostwaarts of westwaarts voeren, hun tonnage niet is opgegeven en voor deze vroege jaren evenmin de aard van de geladen goederen.

Noord-Nederlandse schippers zorgden voor 70% van het totale aantal doorvaarten in 1497 en voor 71% in 1505. Hieruit blijkt dat de Noord-Nederlandse scheepvaart een sterk overwicht op zijn concurrenten in de Oostvaart had. De Sont-tollijsten laten zien dat het niet de IJssel- en Zuiderzeesteden waren die voor dit overwicht hebben gezorgd. Van het totaal van de 567 Nederlandse doorvaarten in 1497 kwam 78% voor rekening van Hollandse (grotendeels Amsterdamse) schippers en slechts 18% van de IJssel- en Zuiderzeesteden. Na 1557 groeide het aantal Sonttoldoorvaarten verder en zien we op de tollijsten Friese schippers uit Hindeloopen en Molkwerum met grote aantallen voorkomen.

Een vrije en ongestoorde vaart door de Sont was een aanhoudende zorg voor Nederlandse kooplieden en reders. Al sinds de middeleeuwen werd deze “bottle-neck” door de Deense koning geëxploiteerd als bron van inkomsten. Vlotjes ging de vaart naar het Oostzeegebied dan ook niet altijd. In 1510 bijvoorbeeld had Holland de vrije doorvaart door de Sont bedreigd gezien, toen de Hanzesteden tijdens een oorlog met Christiaan II van Denemarken bekend maakten dat geen enkel schip de Sont mocht passeren. De Hollanders beschouwden dit als een oorlogsverklaring, te meer omdat Lübeck acht grote Hollandse schepen kaapte. Onmiddellijk brachten Amsterdam, Hoorn, Enkhuizen, Edam en Monnickendam vier oorlogsschepen in zee om de koopvaarders te konvooieren en de Deense koning te helpen. Binnen een jaar kwam er een bestand.

Later was er weer een conflict met Denemarken en Lübeck en werd de Sont gesloten. In september 1533 stuurde Nederland een vloot naar de Oostzee. De Sont werd enige tijd bezet en slechts Nederlandse schepen mochten passeren. In 1534 werd een bestand met Lübeck en een handelsverdrag met Denemarken gesloten. Dit zijn slechts enkele voorbeelden. Gelet op de doorvaarten en schepen waren de jaren 1585-1620 een bloeiperiode. De top lag tussen 1591-1600, toen gemiddeld 5554 schepen per jaar de Sont passeerden. Daarna daalde het aantal tot gemiddeld 2593 in de periode 1671-1680. Maar dit zegt niets. De schepen waren in de loop der jaren steeds groter geworden. Aanvankelijk lagen de tonnages beneden de 60 ton, maar omstreeks voeren er alleen nog maar schepen van meer dan 200 ton naar het Oostzeegebied.

Behalve in de winter, wanneer grote delen van de Oostzee toevroren, waren honderden schepen voortdurend bij de Sontvaart betrokken. Vele van deze schepen waren onbewapend en zij voeren aan het begin van het voorjaar, wanneer vijandelijke oorlogsschepen en kapers werden verwacht, vaak in grote vloten bijeen en onder bewapend geleide tot in het Kattegat en soms tot in de Oostzee zelf. In 1644 zeilde de beroemde admiraal Witte de With met tweeënveertig oorlogsschepen uit en hij zorgde ervoor dat negenhonderd (!) koopvaarders door de Sont kwamen. Het jaar daarop begeleidde hij met vijftig oorlogsbodems circa achthonderd schepen naar de Oostzee. Een en ander moet een indrukwekkend schouwspel hebben opgeleverd. De Witte de With zou later tijdens een slag in hetzelfde gebied omkomen.

Ook onze beroemde admiraal Michiel de Ruyter heeft vaak slag moeten leveren bij de Sont om deze open te houden. Het leverde hem zelfs eeuwige roem in Denemarken op. Overigens begonnen niet alle schippers hun reis in de Republiek, sommige haalden eerst zout in Frankrijk, Spanje of Portugal, dat rechtstreeks naar de afnemers in de Oostzee werd gebracht (“deurgaende vaert” of “voorlangsvaart”) , waarna deze schippers met graan of hout naar de Zuiderzee terugzeilden. Kern van de Nederlandse Oostzeevaart was het verkeer van de Zuiderzeehavens met Polen en Pruisen. Daar waren Dantzig en Koningsbergen de hoofdplaatsen, waar koren en hout werden geladen en zout, wijn, haring, textiel en op den duur ook tabak (een mengsel van Virginia- en eigen inlandse) werden afgezet. Naast deze kern was er het verkeer met Zweedse, Finse en overige havens aan de Oostzee, maar dit was altijd van minder omvang en betekenis. Overigens zou dat aan het eind van de 17de eeuw wat gaan veranderen.

Het Oostzeegebied met boven Kopenhagen Elseneur, waar de Nederlandse commissarissen verbleven.

Van een onbekommerde zeevaart van en naar de Oostzee was er feitelijk nooit sprake. In de tweede helft van de 17de en begin 18de eeuw had de Nederlandse koopvaardij vele oorlogen te doorstaan. Ook de Oostzeevaart ontkwam hier niet aan. In de zogenaamde Noordse Oorlog tussen Zweden en Denemarken-Rusland (1701-1721) verscheen slechts sporadisch een Nederlands eskader in de Sont en de Oostzee om handel en scheepvaart te beschermen. Nederlandse koopvaarders moesten vaak wachten op Engelse konvooien om naar havens als Danszig, Riga en later Sint Petersburg te kunnen varen. Met de Vrede van Nystad (1721) erkende Zweden dat het de strijd om de Baltische provincies had verloren.

Alle Oostzeehavens van Riga tot Wiborg waren nu in Russische handen. Hierbij kwam een nieuwe haven, Sint Petersburg, genoemd naar zijn schepper, Peter de Grote. Vanaf die tijd ontwikkelde de Sontvaart zich voorspoedig voor de Nederlanders. Hieraan kwam echter voorgoed een einde tijdens de zogenaamde Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) toen de Britse marine de hegemonie ter zee op de Republiek veroverde. Tijdens deze oorlog, maar ook daarna ging praktisch geen enkel schip uit De Lemmer meer naar de Oostzee. De meeste schepen werden verkocht. Het begin van de Franse overheersing (1795) betekende de doodsteek voor de Nederlandse koopvaardij.

De handelsvaart kwam grotendeels in handen van de Engelsen en Amerikanen. Het heeft na de Franse periode dan ook héél lang geduurd voordat de koopvaardij er weer bovenop kwam. Met Hindeloopen en De Lemmer als belangrijke Friese koopvaardijhavens was het echter voorgoed gedaan. De periode van bloei voor de Nederlandse Oostzeevaarders is dan ook tussen 1714 en 1780 geweest. Enkele voorbeelden maken duidelijk hoe imposant de Nederlandse positie in de Sontdoorvaart is geweest. In 1731 vonden 2004 doorvaarten plaats, waarvan ruim de helft (1114) door Nederlandse schepen, tien jaar later, in 1741 was dat respectievelijk 4709 en 2050.

Nederlandse schippers hebben in die tijd verreweg de meeste reizen door de Sont gemaakt, op afstand gevolgd door de Britse schippers. Dit illustreert het belang van de Oostzeehandel voor de Republiek in de 18de eeuw en de dominante rol die de Nederlandse schippers daarbij speelden. Amsterdam heeft bij de Oostzeehandel altijd een dominerende rol gespeeld, maar ook de andere Zuiderzeeplaatsen hebben geen onbelangrijke positie gehad in deze handel en scheepvaart.

In de jaren 1721/23 waren het nog maar 56 schippers die een haven in Groningen, Friesland en Zeeland als eindbestemming van hun Oostzeereis opgaven, tussen 1761 en 1763 was dit aantal gestegen naar maar liefst 448. Friese schippers zijn altijd te vinden geweest in de Oostzee, waarbij vooral die uit Hindeloopen èn de De Lemmer moeten worden genoemd. Omstreeks die jaren voeren jaarlijks bijna 100 Lemster schippers door de Sont, wat ongeveer 8 procent was van alle Friese Sontdoorvaarten. Vooral hout uit de Oostzeelanden is voor de Lemster economie van groot belang geweest en volgens Durk Hak (Lemmer. Forneamde haven oan ‘e Sudersé) is uit deze houtvaart de plaatselijke houtzagerij, de “Houtmolen” voortgekomen.

Om de Oostzee te bereiken, moesten de Nederlandse schepen eerst de niet ongevaarlijke tocht over de Zuiderzee maken om vervolgens langs de westkust van Denemarken naar de noordkust van dat land te varen en daarna weer naar het zuiden, naar de Sont, de zee-engte tussen het Deense eiland Sjaelland en het vaste land van Zweden. Hier moest tolgeld worden betaald. Van de schepen werd zowel de vaarroute als de lading geregistreerd, om zodoende de hoogte van de verschuldigde tol vast te stellen. Dit werd door drie Deense tolbeambten in registers bijgehouden. Het kasteel Kronborg diende als tolkantoor. Met kanonnen werd de smalle doorgang, de Sont, bewaakt. Passeren zonder tol te betalen was onmogelijk.

De Sontregisters beslaan een enorme periode, namelijk vanaf 1547 tot halverwege de 19de eeuw+ in 1857 werd de heffing opgeheven. De registers geven een goed beeld van het handelsverkeer tussen het Oostzeegebied en de rest van Europa en dat over een zee lange periode. Voorts zijn ze belangrijk omdat van elke schipper kan worden nagegaan, welke reizen hij heeft gemaakt, wanneer hij dat deed, wat zijn lading was en wat de herkomst en bestemming van die lading was.

In het Sontgebied waren Nederlandse vertegenwoordigers (“commissarissen”) aanwezig om de belangen van de Republiek te behartigen. Ze zetelden in Elseneur in Denemarken. In 1714 besloot commissaris Arent van Deurs voortaan eenvoudige lijsten van de Sont passerende Nederlandse schepen naar de Staten-Generaal te sturen. Hij noteerde datum, naam van de schipper, thuishaven van de schipper, herkomst van het schip en bestemming van de lading. Deze indeling is door alle volgende commissarissen overgenomen. In vergelijking met de Deense Sonttolregisters is de indeling van de Nederlandse lijsten, de Nederlandse Sontregisters, zeer eenvoudig; slechts één regel per schip en veel globalere aanduiding van de lading zonder vermelding van volume of waarde. De Nederlandse Sonttolregisters liggen opgeslagen in de archieven van de Staten-Generaal in het Nationaal Archief in Den Haag. Hierdoor is het mogelijk geworden een indruk te krijgen van de Nederlandse Oostzeevaart.

En deze gegevens hebben gediend voor mijn verhaal, waarbij ik mij heb beperkt tot de schippers, die De Lemmer als thuishaven opgaven. Daarnaast heb ik ook gebruik gemaakt van andere bronnen. De Oostzeelanden waren leveranciers van goederen, die doorgaans grote laadruimten vergden. Behalve granen en stokvis waren het grondstoffen voor diverse takken van nijverheid: hout, koper, teer, huiden, hennep, vlas en potas. En in deze landen was altijd vraag naar haring, zout, textiel, wijnen en specerijen. Deze goederen vroegen relatief minder scheepsruimte, zodat menig schip op weg naar de Oostzee maar gedeeltelijk beladen was. Veel schepen voeren overigens in ballast (bakstenen, dakpannen en/of zakken zand) naar de Oostzee. Zout was een belangrijk artikel voor de Oostzeelanden. Het zout kwam uit Portugal en Frankrijk. Uit Frankrijk en met name uit Bordeaux kwamen ook veel wijnen. Veel Nederlandse schepen haalden zout en wijn uit Frankrijk en voeren daarmee rechtstreeks naar bijvoorbeeld Rusland, Polen of Letland.

Fluitschepen omstreeks 1671. Deel van een tekening van Nicolaes Witsen.

Aanvankelijk werden voor de Sontvaart fluitschepen gebruikt, later ook kofschepen en weer later ook smakschepen. Het fluitschip was van oorsprong een Nederlands koopvaardijschip uit vooral de 17de en 18de eeuw, dat ook buiten Nederland heel populair was. Het type was zó succesvol, dat het uitgroeide tot één van de voornaamste koopvaardijschepen in Europa. Het kon zee economisch gevaren worden door een kleine bemanning.

Kenmerkend voor het schip was het sterk ingetrokken boord van het achterschip, waardoor het dek zeer smal werd. Deze opzettelijk smal gehouden dekbreedte was bedoeld om een voordelige tolberekening in de Sont te verkrijgen. Toen in 1669 een nieuwe meetmethode werd ingevoerd, werden de dekken breder gebouwd. Zo is de `hekboot` ontstaan. Het fluitschip kende verschillende variaties. Naast de fluiten die werden gebruikt voor de vaart op Oost-Indië kende men de “Oostvaerdersfluit” voor het vervoer van granen en “Noorts-vaerders” voor het houttransport.

De Friese schippers, vooral die uit Hindeloopen maar ongetwijfeld ook die uit De Lemmer, gebruikten veel fluiten voor de Oostzeevaart. De kofschepen waren schepen die vanaf het eind van de 17de eeuw werden gebouwd. Het waren evenals de fluiten ronde schepen met platte bodem. De smakschepen waren zware, zeegaande hektjalken, de meeste voorzien van zwaarden. Lourens Synes Hottinga uit De Lemmer bijvoorbeeld was een smakschipper.

Smakschip. Anoniem Nederlands tegeltableau, 18de eeuw.

In de 17de en 18de eeuw sprak men niet over een “kapitein” van een koopvaardijschip maar over de “schipper”. In veel gevallen was de schipper ook de eigenaar van het schip of bezat een part in het schip. Maar in veel gevallen waren de schepen bezit van een rederij. Ik heb niet kunnen nagaan in hoeverre dat laatste in De Lemmer het geval is geweest.

De bemanning was klein, praktisch nooit meer dan achttien man. Aangenomen mag worden dat de bemanning uit plaats- of streekgenoten bestond, die de schipper zelf wierf. Zo is van de Hindelooper Oostzeevaarders bekend, dat ongeveer negentig procent uit Friezen bestond en van deze Friezen tweederde uit Hindeloopers.

Net als Hindeloopen heeft De Lemmer een belangrijke rol gespeeld in de Oostzeevaart. Veel Friese schippers hadden De Lemmer als thuishaven, wat niet betekende dat ze ook in dit dorp woonden. Uit mijn onderzoek blijkt, dat ze vaak in Sneek, Joure, Woudsend woonachtig waren, maar De Lemmer als thuishaven voor hun schepen hadden gekozen, voor langere tijd, maar ook wel incidenteel.

De schepen die De Lemmer als thuishaven hadden zullen daar weinig geweest zijn. De haven was te klein om zulke grote schepen te kunnen herbergen en als ze in De Lemmer waren zullen de schepen net als bijvoorbeeld Hindeloopen op de rede hebben gelegen. Maar nog waarschijnlijker is dat de schepen uit De Lemmer net als die uit Hindeloopen ’s winters in Amsterdam lagen.

Uit onderstaande tabel blijkt hoe belangrijk de rol is geweest van schippers uit Friesland en die van De Lemmer.

Tienjaarlijkse gemiddelden en het aantal Sontdoorvaarten van schippers uit:

Uit deze tabel blijkt, dat het hoogtepunt van de Sontdoorvaart in de jaren 1761-1770 lag. Daarna is het snel bergafwaarts gegaan om vervolgens nooit meer goed te komen. Hindeloopen heeft altijd de meeste Friese schippers geleverd, maar in de periode 1761-1770 leverde De Lemmer méér schippers dan Ameland en méér dan Hindeloopen. Alleen Dokkum leverde in dat tijdvak meer schippers. De bestemmingshavens in de Oostzee waren vooral Dantzig, Stettin en Koningsbergen, op de terugweg in Nederland hoofdzakelijk Amsterdam.

Sontpassages Lemster schippers. Alfabetisch gerangschikt. Gegevens op basis van een steekproef van 12 jaar uit de periode 1721-1770. Als bronnen werden gebruikt www.nationaalarchief.nl  voor Maritieme Historie en de Rijksuniversiteit Leiden, alsmede het Fries Archief in Leeuwarden.Het betreft schippers, die De Lemmer als “thuishaven”noemden, maar niet altijd in dat dorp woonden. De meeste schippers maakten in de onderzochte perioden niet meer dan één reis. Omdat het hier om steekproeven gaat kunnen schippers méér reizen naar het Oostzeegebied hebben gemaakt dan bij hun namen is aangegeven.

  • 1. Ages, Simon. Was ca 1749 getrouwd met Oetske Ages in Hommerts. Woonde daar ook waarschijnlijk. Maakte één reis.
  • 2. Alles, Age. Woonde waarschijnlijk in Workum. Trouwde op 28 juni 1726 met Sibbeltje Reins in Workum. Maakte één reis.
  • 3. Alles, Jan. Waarschijnlijk uit Workum. Trouwde op 2 sept. 1735 met Sjoukje Hoites, afkomstig uit Exmorra, in Workum. Maakte één reis.
  • 4. Alsicock, Jelle. Woonplaats onbekend. Maakte één reis.
  • 5. Annes, Benedix. Uit Terhorne, Utingeradeel. Maakte één reis. Was smakschipper.
  • 6. Annes, Siebe. Woonde in De Lemmer. Trouwde in De Lemmer op 1 febr. 1756 met Greeltje (Greultje) Walles. Siebe Annes kwam uit Joure, Greeltje uit De Lemmer. Maakte drie reizen.
  • 7. Annes, Ulbe. Woonde in De Lemmer Maakte zes reizen. Behoorde bij de meest actieve Oostzeevaarders. Was kofschipper.
  • 8. Ansches, Foppe. Woonplaats onbekend. Maakte twee reizen. 
  • 9. Beens, Isbrand. Woonplaats onbekend. Maakte één reis.
  • 10. Boer, Anne Pieters de. Woonde in De Lemmer, waar hij ca. 1712 trouwde met Lijsbet Luitjens. Maakte twee reizen.
  • 11. Boer, Sibold Pieters de. Woonplaats onbekend. Maakte drie reizen.
  • 12. Broers, Cornelis. Woonde in Joure. Maakte één reis.
  • 13. Claesen, Sibold. Woonplaats onbekend. Maakte één reis.
  • 14. Coenen (Cones), Sitse. Woonplaats onbekend. Maakte drie reizen.
  • 15. Cornelis, Sibrand (Siebrand). Woonde in Workum of Staveren. Hij trouwde op 8 jan. 1713 in Staveren met Jantien Jans uit deze plaats. Maakte twee reizen.
  • 16. Cuijper, Ede (Kuiper?). Woonplaats onbekend. Maakte één reis. 
  • 17. Cuijper, Oege Jans (Kuiper?). Woonplaats onbekend. Maakte twee reizen.
  • 18. Dirks, Isbrand (Ysbrand). Woonde in De Lemmer. Was ongehuwd. Overleed 1 aug. 1808. Maakte één reis.
  • 19. Douwes, Tabe. Woonde in Workum. Maakte één reis.
  • 20. Drijfhout, Pieter. Woonplaats onbekend. Maakte vier reizen.
  • 21. Eilkes, Boote. Woonplaats onbekend. Maakte één reis.
  • 22. Engeles, Jacob. Woonde in De Lemmer. Trouwde ca 1722 met Aukje Siebrens in De Lemmer. Was “schuiteschipper”.
  • 23. Euwes (Eeuwes), Gosse. Woonde in De Lemmer. Trouwde daar ca. 1743 Antje Jans. Maakte één reis. Was kofschipper.
  • 24. Falkema, Jan. Woonplaats onbekend. Maakte één reis.
  • 25. Feijkes (Feijtses), Hilke (Hielke, Hilcke). Woonplaats onbekend. Maakte vier reizen.
  • 26. Feijkes, Tialk (Tialling). Woonplaats onbekend. Maakte één reis.
  • 27. Fickes (Fockes?), Sietse. Woonplaats onbekend. Maakte één reis.
  • 28. Fokkes (Foukes?), Wiebe. Woonplaats onbekend. Maakte één reis.
  • 29. Geerds, Sijmon (Simon). Woonde in De Lemmer. Werd daar gedoopt op 7 nov. 1706. Vader was Geert Jans. Maakte één reis.
  • 30. Gerbens, Hans. Woonde in De Lemmer. Trouwde daar op 6 okt. 1765 met Fettie (Fetje) Willems. Maakte twee reizen.
  • 31. Gerbrands, Abel. Woonplaats waarschijnlijk De Lemmer. Maakte drie reizen.
  • 32. Gerbrands, Gauke. Woonde in De Lemmer. Was getrouwd ca 1773 met Tet Leukes (Lieuwkes). Gauke overleed in De Lemmer op 28 juni 1808. Maakte vier reizen.
  • 33. Gerrits, Lubbe. Woonde in Sneek. Lubbe kwam uit Heerenveen, maar trouwde in Sneek op 26 april 1738 met Aaltje Pyters van der Werff, gedoopt op 15 december 1715 te Sneek, overleden op 14 april 1800 te Sneek. Zij was toen weduwe. Lubbe is overleden op 7 december 1769 te Sneek.

Een blad uit het Sontregister, waar Lubbe Gerrits vernoemd wordt 

De reizen van Lubbe Gerrits (-1769) door de Sont.

PDF
sontvaart lubbe
PDF [259.1 KB]
Download (11 downloads)