Home » Lemmer » Verhalen van en over Oud-Lemsters » Levensgeschiedenis van Jan Visser. » Levensgeschiedenis van Jan Visser (1)

Levensgeschiedenis van Jan Visser (1)

  •  LE 51: eigenaar Klaas Bijlsma “Zuiderzee”- later eigenaren Bouke Kuipers en Klaas Jongsma bijnaam: “De Mekken’.
  • LE 52: eigenaar Pier Schroor; eerder was deze van Lub Visser en Jou Spiering.
  • LE 53: eigenaar Jan Bijlsma – “Snelheid”.
  • LE 54: eigenaar Renze Hoekstra, bijnaam “Poedelsje” – “Jonge Renze”.
  • LE 55: eigenaar Aant Rieksma, bijnaam “Reade Aant” – “Kleine Rienk”.
  • LE 56: eigenaar Simon Seldenthuis (oom van mij, zwager van mijn vader, lustte graag een borreltje) – “Lytse Simen”.
  • LE 57: eigenaar Johannes Poepjes – “Jonge Hans”
  • LE 58: eigenaar Jelle Visser, bijnaam: “Bogaard”, “Jonge Andries”.
  • LE 59: eigenaar Douwe Poepjes – “Klaver Vier”.
  • LE 60: eigenaar Wietse v.d. Bijl – “Nooit Volmaakt”.
  • LE 61: eigenaar Fimme Bootsma, bijnaam “Fimme Betsje/Fimmieten”.
  • LE 62: eigenaar Willem Toering – “Jonge Aant”.
  • LE 63: eigenaar Wouter Hoekstra.
  • LE 64: eigenaar Renze Visser, bijnaam “Renze van Boukje”- “Jonge Andries”
  • LE 65: eigenaar Jan de Blauw Janz.
  • LE 66: eigenaar Gauke Bootsma, bijnaam “De Pekel” – “Jonge Poppe”.
  • LE 67: eigenaar Gerrit de Blauw – “Noordster”.
  • LE 68: eigenaar Lieckele Poepjes – “Schön Wieder Ein zal nooit de leste zijn.
  • LE 69: eigenaar Lieckele Poepjes”, bijnaam “de hardrijder”
  • LE 70: eigenaar Rottiné – 1913 Harm Wouda – “Zes Gebroeders”
  • LE 71: eigenaar Jan Visser, 1913 – Siebe Kooistra bijnaam “Siebe Wiets” – “De Jonge Huite”
  • LE 72: eigenaar Jelle Koornstra; bijnaam “Jelle Betsje – “Jonge Klaas”
  • LE 73: eigenaar Sake Zandstra (Sake van Ute) en Jan de Urker (Urker Aaltsje) – “Vrouw Aaltje”
  • LE 74: eigenaar Steven Visser, bijnaam “greate Steven”
  • LE 75: eigenaar A. Rottiné – “Jonge Schelte”; 1913 – Hermanus Wouda – “Zes Gebroeders”
  • LE 76: eigenaar Janus Coehoorn – “Jonge Jan”
  • LE 77: eigenaar Joh.Postma – “Anna Jacoba”, sleepboot.
  • LE 78: eigenaar Kl. Poepjes – 1946 eigenaar Andries Fleer (van LE 21)
  • LE 79: eigenaar Jacob Pilon – “Twee Gebroeders.
  • LE 80: eigenaar Gebr. Bijma.
  • LE 81: eigenaar Poppe Bootsma – “De Jonge Wietske”
  • LE 82: eigenaar onbekend.
  • LE 83: eigenaar Steven Visser, bijnaam “de Sliede”
  • LE 84: eigenaar Heiko Bootsma – “Vrouw Elizabeth”
  • LE 85: eigenaar Gouke Bootsma; bijnaam “Gouke de Scheg”
  • LE 86: eigenaar Jan en Bastiaan de Haan, bijnaam “de Haantjes”
  • LE 87: eigenaar Hendrik v.d. Zande.
  • LE 88: eigenaar Jilling Kingma – “Spessalutes”
  • LE 89; eigenaar Siebe Zandstra  - bijnaam “Siebe van Gepke” – “Nije tiid”
  • LE 90: eigenaar onbekend.
  • LE 91: eigenaar Jan Visser (voorheen LE 56), bijnaam “Sake de Rus”
  • LE 92: eigenaar onbekend.
  • LE 93: eigenaar onbekend.
  • LE 94: eigenaar Peke Wouda.
  • LE 95: eigenaar gebr. Ulke, Anne en Hennie Visser – “De bruorren”
  • LE 96: eigenaar onbekend.
  • LE 97: eigenaar Gouke Bootsma, Gouke van Ank.
  • LE 98: eigenaar onbekend.
  • LE 99: eigenaar Pieter J. Poepjes – “Feike”
  • LE 100: eigenaar Jan Poepjes – “Drie Gebroeders”
  • LE 101: eigenaar Hermanus Wouda – “Jonge Jan”- later LE 27.
  • LE 102: eigenaar Bouke Visser – “Nooit Gedacht”
  • LE 103: eigenaar Gauke Bootsma.
  • LE 104: eigenaar Arend Poepjes – “Morgenster”
  • LE 105: eigenaar Tjibbe Kuiper – later Kees Kok – “West Vries”.
  • LE 115: eigenaar Bouke Tijsseling – “Petrus”
  • LE 119: eigenaar Jan Poepjes, bijnaam “Reuze Jan of Jan met de pruim” – “Titanic”
  • LE 120: eigenaar Klaas Poepjes, bijnaam “tante Kaatje.

 

LE 102

Nu heb ik het over het stemmen voor de Tweede Kamer in 1928. “Stemt van Vuren minder loon en lange uren” werd er dan op de Schulpen geschreven met een witte kwast.

Op de Schulpen was er markt. Tjeerd Knol was altijd veilingmeester. Voor mijn geboorte heeft vader wel eens verteld, werd er ook wel bot op de markt verkocht. Grootmoeder, Jantje Poepjes, had dan aan de muur veel netten met bot hangen. Ze deed dat alleen. Grootvader was op zee. Ze was oersterk, want dan trok ze die grote hoepnetten met bot bij de wal op, de bot werd verkocht voor 8 of 9 cent per pond.

Siebe Zandstra, pake Siebe met zijn broer Sake, had een winkeltje in de Schans. Jan de Urker, zijn moeder was een echte Urker, ze had twee jongens, Leeuwke en Jan en vier dochters. Jan kon zo mooi zingen. Met Andries Bootsma, zat hij dan op de trambrug bij de haven te zingen. Over het kerstkindje. Als jongen luisterde ik er dan naar. Op een mondorgel spelen werd ook veel gedaan door Siebe Siebesma; Steven van grote Steven, oom Hendrik van Jan van Bouke en Sake van Manus Wouda. Later werd het verboden en je mocht ook niet roken beneden de zestien jaar.

Na de herfst kregen we in 1928/1929 een strenge winter. De Daniël Goedkoop van Amsterdam voer met de Lemster nachtboten en tramboten net zo lang door totdat het niet meer kon.
Ik werkte nog bij De Rook in de hang en ik herinnerde mij dat mijn vader twee paar spiering-hengsels had gemaakt, met kleine stukjes aal er aan. Het is wel interessant dat ik dit vertel. Mijn vader haalde een paar aaltjes uit Oosterzee bij Poepjes vandaan voor een dubbeltje per stuk. Feike Cnossen zijn pleegvader had varkensborstels gehaald bij Wimpelwey de schoenmaker.  Vader maakte aan de twee borstels twee lusjes en daar kwam een stukje aal tussen met een lang snoer.
Achttien snoertjes zaten aan de hengel, daar werd een lapje omgedaan, zodat de stukjes aal niet konden bevriezen. Op die zaterdag, waarover ik aan het vertellen was, ’s morgens om 7 uur op de schaats weggegaan richting Schokland met een kleine slee achter ons aan. Oom Steven en ik zei de gek vonden een bijt, hij had wel een uur werk om de bijt groter te maken. Vader had wel twee uur nodig voordat hij kon vissen.

Oom Steven gooide het snoertje in het water en ving aardig wat spiering, wel 70 tot 80 pond, een grote teil vol. Toen mijn vader klaar was met het hakken en hij zijn snoertje in het water gooide was het met Oom Steven zijn vangst gedaan. Met het hakken had vader alle spiering naar hem toe gehaald. Het ijs was wel 40 centimeter dik. In totaal hadden wij 170 pond spiering en kregen 14 cent per pond, de totale verdienste was f. 23,80. Vergeten doe ik het nooit, wij waren weer een paar dagen uit de brand.

’s Middags kwamen wij thuis, mijn moeder stond onder het afwassen te huilen. Mijn zuster Hiltje lag met zware longontsteking in de bedstee. Mijn moeder zei tegen mij: “straks moet ik haar ook nog missen”. In de avond kwam mijn vader thuis en gaf Hiltje vier uitgeperste sinaasappels. Het was een wonder dat ze dit opdronk omdat ze van mijn moeder niets aannam. De volgende dag kwam dokter Eiseling op bezoek, onderzocht de zieke en gaf mijn moeder een hand en zei: “Mevr. Visser, uw dochter heeft het gered ze is de crisis te boven.

In die winter reden ze met vrachtwagens naar Urk en er zijn zes personen naar Amsterdam geschaatst. Eelke de Vries; Geert Feenstra; Laurens De Rook; zijn zuster Elisabeth, Wiebe van Lup; Teade Wouda en Rienk Rienksma. Ze zijn over het IJ gereden en bij Muiden aan wal gegaan. Op zondagavond, 3 maart, weer in Lemmer aangekomen. Ze gingen tot aan de knieën door het water omdat de dooi was ingevallen. Half april lagen er nog drie grote ijsbergen voor de Lemmer. Als de zon scheen kon je zien dat er stukken ijs afbrokkelden.

Auto's reden over het ijs van Lemmer naar Urk vice versa: Op vrijdag 1 en zaterdag 2 maart hadden de eerste auto's al de oversteek gewaagd en toen bleek dat het ijs dik genoeg was en dus betrouwbaar, wemelde het de daarop volgende zondag 3 maart van auto's en en andere voertuigen, waaronder arrensleden, die de tocht Lemmer Urk maakten.

1929: De eerste auto die de Zuiderzee overstak. Hier is de Lemsterhaven te zien. Nog dezelfde dag werd de terugweg naar Elburg ondernemen.

In de zomer van 1929 was mijn vader, oom Steven, Klaas van Sake, oom Egbert; Bouke Kuipers; Klaas Jongsma; Joost Kuipers en Tjalling Kuipers bij Albert Bosma aan het werk om met zolderschuiten zand te halen bij Spannenburg en naar Lemmer te brengen, in opdracht van de Gemeente. Ze hadden fietsen gehuurd bij Anton Beljon, daar achter woonde Jacke Lichthart met haar hond. Sietske Faber was haar helpster, haar scheldnaam was Sietske Flots, later was ze vriendin met mijn vrouw haar zuster Geesje. Vader had de fiets tussen de ramen gezet en ik wou ook wel even fietsen. Ging op de fiets zitten en viel door het raam. Vier ruiten kapot, dat was niet zo best.

Toen dat zandvaren was gebeurd hebben mijn vader en oom Egbert de vuurtoren ontroest en geverfd. Opzichter van Dijk was bij de gemeente en die ging over dat werk. De toren was voor de helft geverfd, de opzichter zei "Wat gebruiken jullie toch een verf Visser". Mijn vader zei "Zo dik strijken wij de verf er niet op". Steeds begon de opzichter weer over die verf. Mijn vader dacht bij zichzelf, onze Egbert zal toch geen verf stelen?.

’s Avonds ging hij naar de schouw van oom Egbert maar er was geen verf te zien. De grote bussen met verf werden in een schuur gezet, mijn vader had daar een sleutel van maar de lichtopsteker Roukema, had er ook één. Mijn vader dacht die man zie ik er niet voor aan, hij gaat naar de kerk. Maar toch de bussen eens merken en onder het deksel van de bussen werd een lucifer gelegd. Zodra iemand aan het deksel kwam zou de lucifer op de grond vallen.

Ja wel hoor, vader stond op de loer, zag Roukema er heen gaan en terug gaan. Daarna ging vader bij de bussen kijken en de lucifer van de grootste bus lag op de grond. De volgende dag alweer dat gezeur van de opzichter. Mijn vader had niets tegen oom Egbert gezegd. De opzichter zei: “ik zal de politie eens naar jullie schuiten sturen”. Vader werd zo kwaad, die zei ik ga nu naar de politie en wij zullen zien dat het recht zegeviert en wie de dader is. Vader heeft aangifte gedaan en er is proces verbaal opgemaakt tegen Roukema. Oom Egbert vroeg “Hoe weet jij, dat hij het gedaan heeft?”, dat komt straks wel aan het licht zei mijn vader. Mijn oom Egbert Visser werd opgeroepen om voor de kantonrechter in Leeuwarden te verschijnen.

Oom Egbert had niets te vertellen, daarna deed mijn vader zijn verhaal en Roukema viel door de mand. Mijn vader vertelde over de grote bus en de lucifer welke op de grond lag. De opzichter kon het niet geloven dat Roukema gestolen had. Roukema kreeg een boete van f. 350,= en zes maanden hechtenis.

Ja, in die tijd was het vissen en werken, je moest maar zien dat je te eten kreeg. We waren nog te arm om een slot in de kamerdeur te vervangen. Als er iemand aan de deur kwam moest je eerst het broodmes uit de broodtrommel halen om de deur los te maken.

Soms bij slecht weer konden de netten buiten niet gedroogd worden, die werden dan boven de kachel gehangen om te drogen. Het stonk verschrikkelijk, maar daar roken wij niks van.
Wij hadden ook wel ratten in de kelder en op zolder. Politie Verbeek woonde naast ons en had kippen. Elke dag kregen die kippenvoer en daar kwamen de ratten op af en zo kreeg je het ongedierte om en in het huis.

Voor politie Verbeek, woonde daar Eeckhoorn, de vrachtrijder. Ja nu schiet mij weer iets te binnen. Vrachtrijder Eeckhoorn; Vogelvanger van St. Nicolaasga; Dikken uit De Kuinre; Muurling, De Bruin; Kok en Ate Meisunne van Lemmer, stonden altijd bij het Nutsgebouw om te wachten op vracht. Wij waren met z’n zessen en  maakten een pakje klaar voor Stroband in de Parkstraat. Een stuk oud papier met poep erin en touw er omheen. De naam van Stroband erop en de afzender was iemand uit Sloten. De familie Stroband had veel familie in Sloten wonen, dus dat viel niet op. Wij het pakje overhandigen en vroegen om 30 cent vrachtkosten, zodat wij weer wat snoep konden kopen. Wij gingen onder de ramen zitten te luisteren. Stroband zei tegen Luppie zijn zoon, haal het mes even op. Het pakje werd opengemaakt en er bleek poep in te zitten. Ja dat was wat, mooie jongens waren wij.

Ook ben ik eens te logeren geweest in de Joure bij oom Franke De Boer en tante Fetje, een zuster van mijn vader. Ik was zo onwennig, dat ik brak daar in huis alles af en was binnen 24 uur weer thuis. Met de koffer die ik mee had, sloeg ik ’s nachts tegen de muur omdat de deur thuis op slot was. Buurvrouw Jantje, de baakster, vroeg mijn moeder wie er vannacht in de steeg was geweest. Er was zo veel lawaai, ik werd er wakker van. Mijn moeder antwoordde, dat is onze Jan geweest die was voor een week te logeren in Joure. Gisterenmorgen met de tram weggegaan en vannacht met de laatste tram weer teruggekomen. Ze konden hem daar niet houden want hij brak boven op zolder alles af, er bleef niks heel.

In de zomer van 1929 was er veel ansjovis te vangen. Met oom Egbert heeft mijn vader nog op ansjovis gevist. In die tijd is er een zoon van oom Egbert gestorven. Ik was weer in de rokerij van 'De Rook' aan het werk en ben daar tot en met de winter van 1930 blijven werken. In het voorjaar van 1931 zijn wij verhuisd naar de Nieuwe Dijk in het huis van Davidson, dichtbij Ynte Kingma.

Dat voorjaar heeft mijn vader van Jan de Wachter, van de Kuinre haringnetten gekocht en ben ik samen met hem aan het haringvissen gegaan. Eind februari was ons eerste schot 75 stuks. Onze netten stonden richting de dijk van de Lemster hoek. Het ijs lag dunnetjes onder de wal en wij moesten wachten totdat het ijs over de netten wegtrok, het had die nacht nog gevroren.
Daarna zijn we me de beug onder de Kuinderse wal gaan vissen, omdat Oom Bouke met het haringslepen een tal of zes per dag ving.

De wind was naar het oosten gegaan, het was mooi koud. De andere dag hebben wij de zon afgewacht en zijn naar de netten gegaan en hadden 15 tal haring gevangen voor f. 2,50 het tal. Er kwam weer wat geld in het laatje. Op Goede Vrijdag vingen wij twee last haring bij de Lemster hoek. Bij de Lemster hoek stond een kommetje. Of deze nu van mijn zwager Jelle zijn vader was of van oude Lyckele Poepjes, dat weet ik niet meer. Wij zijn met de twee last haring naar binnen gegaan, over Tacozijl naar Sloten en van Sloten naar Woudsend.

Ik weet nog dat de mensen uit Sloten met het kerkboek in hun hand naar huis gingen en kwamen met een schaal bij ons om haring te kopen, 100 stuks voor 50 cent. Daarna zijn we naar de Joure gegaan en hebben daar de laatste haring verkocht in de Krekelbuurt. We zijn nog bijna op de bon gekomen omdat wij geen licht op de kar hadden, het was al aardig donker. Toen heeft Lute Dijkstra, de veldprediker, nog een vleermuis lantaarn van zijn schuit gehaald en naar ons gebracht. ‘s Avonds zijn we naar Lemmer gevaren en waren die nacht pas om 2 uur thuis. We hadden f. 34,= overgehouden van de twee last haring. Wat een werk, wat een werk.

Met Pasen ging het wat beter en werd de vis weer gelost aan de visafslag. Als het warm was kreeg je van Libbelak (Libbe Bouma) 7 cent per tal. Paasmaandag, schrik niet, ben ik met mijn vrouw, ze was nog mijn vriendin, voor het eerst op de fiets naar Gaasterland geweest, ze was 14 jaar. Geesje en Jelle naar Oranjewoud.

Toen ik de volgende dag uit zee kwam en op bleef, vroeg mijn vader of ik het eten nu al op had. Nee zei ik, er is thuis onraad. Mijn vriendin haar moeder zat bij mijn moeder en vond dat haar dochter nog te jong was om verkering te hebben en wij hadden zo’n schik gehad in Gaasterland.
We lagen tegen een bosje en er kwam een man en vrouw aan, ze zagen ons niet liggen. De vrouw was moe van het drukken achter de kinderwagen door het rulle zand. Ze zei tegen haar man: “toe druk do ek efkes, wat der yn leit, is de helte fan dei. Een paar sparretjes mee naar Lemmer, genomen en mooi weer gehad.

Geesje en Jelle hadden erg slecht weer in Oranjewoud. Hun kleren hingen bij Gepke boven de kachel te drogen. Ja, zwager Jelle mocht al thuiskomen bij Geesje, die hadden even meer voorrang omdat ze wat ouder waren. Ja, ik liep ook al tegen de 18 maar ik stond nog net onder de rode streep.

Bij ons op de Nieuwe Dijk mocht grootvader graag over vroeger vertellen.

* over spoken.
* Oom Klaas; oom Pieter door bed gezakt.
* Bertus Poepjes zoveel jaar getrouwd, vader erheen en oom Steven aan het spelen.
* Baars vissen bij Tacozijl.
* Vader achter de sjoelbak bij Beljon.
* Zeventien jaar naast Trijntje gewoond.
* Broedje kievitseieren gevonden, alle jongens in de sloot.
* Lopen op zondag van Lemmer naar St.Nicolaasga en terug.
* Bertus Koornstra van de Lemmer kon al auto rijden.
* Hardrijders in de winter gereden naar Stavoren en Vollenhove.

Na het haringvissen gingen mijn vader en ik bij Jelle Visser aan boord, een neef van vader, om op ansjovis te vissen. In de LE 58 zat al een nieuwe Ford motor. Voor het ansjovissen had je wijde netten nodig en wij hadden een nieuwe beug. Er was niet zoveel ansjovis, wel waren ze erg duur, 80 cent per pond omdat het allemaal grote ansjovissen waren, waardoor de verdiensten toch goed waren.

Mijn eerste nieuwe pak heb ik toen gekregen voor f. 45,= bij Eppinga uit Heerenveen vandaan.
Jelle Bogaard (Visser) was een beste kerel, we hadden goede kost aan boord. Zijn zoon Bernhard was ook aan boord, zodat we met z’n vieren waren. Ze hadden thuis zestien kippen en als de kippen goed hadden gelegd, dan nam hij veertien eieren mee aan boord. Hij zei mijn vrouw Betje (bijnaam Rooie Bet) heeft aan twee genoeg. Bogaard mocht ook graag roken, dagelijks had hij tien sigaren bij zich. Als de sigaren op waren zei hij tegen mij  “Jongen maak even een sigaar voor mij”, je vader heeft wel pruimtabak en er ligt nog wel een Hepkema krant in het vooronder, en dan maakte ik een sigaar voor hem.

Jelle Bogaard (Visser)

Op een morgen konden we met de kruk de motor niet starten, het lag aan de stroomverdeler. Als Bernhard, dan moe was van het draaien met de kruk, zei hij tegen mijn vader: “Hendrik hast to ek ferstân fan dy masine? Mijn vader ging de stroomverdeler even anders zetten, ’t was geluk hoor, en dan liep de motor weer. Wij hadden goed verdiend die zomer, Bogaard was een beste visser. Wij schoten de netten nooit tussen de andere netten, altijd aan de vrije kant. Hij wachtte totdat het bijna donker was voordat de netten werden uitgezet. De Fimmieten konden het niet hebben als wij meer vis hadden.

Schipper Jelle Bogaard mocht ook graag Kermis vieren. Wij waren wel vier weken van huis en visten aan het eind van de teelt in de binnenzee. In Enkhuizen was kermis, meestal gingen we  eerst even naar Rozendaal een kroegje en kochten een paar borreltjes. Daarna nog even de kermis op en dan mocht Bogaard graag blijven staan bij zo’n degenslikker. Die deed dan een sabel in zijn mond of liet een horloge in zijn mond zakken. ’s Avonds weer aan boord en nog een kopje koffie genomen, zei Bogaard tegen mijn vader: “ik hoorde het horloge in zijn buik tikken”. Volgens mijn vader was het allemaal zwendel.

Mijn vader zijn neef “Grote Steven” was een andere man. Hij was bang voor krabben. Grote Steven was vaak te vissen op het strand bij Tacozijl. Jelle Bogaard mocht ook wel eens vissen westelijk bij het zwarte dammetje onder Gaasterland. Als de wind uit het oosten kwam dan ving je daar meestal veel bot en krabben.

DIENSTTIJD 1933

Op 16 februari 1933 vertrokken naar Gorkum om in dienst te gaan bij de Pontonniers en Torpetisten, onderdeel van de Marine, voor bruggendienst en om grondmijnen te leggen. Het hoofdkantoor was in Dordrecht. Gedurende 5 ½ maand was ik dienstplichtig schipper.
Naast onze boot lagen mosselvissers uit Bruinisse, Keyzer en Jumelets en een aantal binnenschippers, allemaal mensen van het water. De dienst was afgelopen om 17.00 uur, we verkleden we ons en gingen dan naar het Militair Tehuis.

Je kon daar sjoelen en andere spelletjes doen. Een “vader en moeder” (afkomstig uit Friesland) beheerden dat tehuis. Mijnheer Mulder kwam uit Gaasterland, hij heeft mooie boeken geschreven o.a. “De Deining; Mooi Gaasterland en Tjalling wil wat anders. In dat tehuis heb ik mijn geloof gevonden, daar heeft God het “Evangelie van de Heer” aan mij gegeven.

In de kantine van de Willems Kazerne was er op zondag kerkdienst. Het eerste versje dat ik leerde was Ps. 68 – “Gelooft zij God met diepst ontzag, Hij overlaadt ons dag aan dag met Zijne gunstbewijzen”.

Op 30 juli 1933 kwam ik uit dienst en bij mijn vader aan boord gegaan. We hebben met onze kleine schuit gevist op bot bij Enkhuizen en Breezand bij de Afsluitdijk . De vangst was wel goed. De prijs van bot was 20 cent per pond. Er waren meer Lemster vissers bezig, Op zaterdag gingen we terug naar Lemmer met de bus van Koehoorn.

In de winter ging ik naar de rokerij om ansjovis te fileren voor Duitsland.  In het voorjaar van 1934 hebben we een andere schuit gekregen, een Wieringer aakje uit Makkum, waarbij ons schouwtje werd ingeleverd en wij moesten nog f. 300,= toegeven. Een nieuwe beug, zeil en zwaarden werden aangeschaft. ’s Nachts konden we slapen in een ruime kooi. In de zomer werd het vissen weer minder en ben ik terug gegaan naar de rokerij en is oom Steven bij mijn vader aan boord gekomen.

In 1934 zijn Geesje en Jelle getrouwd en in Makkum gaan wonen. In het voorjaar van 1935 weer bij mijn vader aan boord en in juni ben ik naar mijn oom Jan in Makkum gegaan om op bot en met fuiken te vissen. Het vissen was in Makkum ook niet zo best. In de winter stuurde oom Jan mij weer naar huis. Maar ja, deze jongen wou graag wat verdienen, ik had een vriendin die later mijn vrouw is geworden.

Er kwam een schrijven, waarmee men mij vroeg om te helpen bij het komvissen, standplaats Makkum. Met de schippers J. en L. P. Poepjes, twee broers, ben ik in januari 1936 de Lemmer uit gevaren, overal lag nog drijfijs. ’s Middags om 5 uur kwamen we aan in Kornwerderzand, die nacht had het erg gevroren zodat we ’s morgens om de botter konden lopen. Daarna hebben we nog drie weken gewerkt in het nettenpakhuis, touw gesplitst, komnetten gemaakt enz.

Op 20 februari, de geul was toen vrij van ijs, hebben we de botter uit Kornwerderzand gehaald en naar Makkum gebracht. De dag daarop palen gezet voor de haring vangst en we vingen berst wat haring, een keer 10 tal haring (is 2000 stuks) en een volgende keer 25 tal (is 2500) stuks. De prijs was f. 2,50 – f. 3,00 per tal, zodat we een mooie teelt hadden en zo kon ik goed sparen.

Na de haringvangst gingen wij het IJsselmeer op om fuiken te zetten langs de Afsluitdijk. De vangst was aardig, de prijs van de paling was 18 – 20 cent per pond. Zodra het palingseizoen afgelopen was gingen we terug naar Lemmer. Het jaar daarop weer naar Makkum om op haring te vissen. In februari 1937 hadden we de kommen staan en op 3 maart was de vangst twee grote zalmen van 26 en 28 pond, hiervoor kregen we uitbetaald f. 65,= per stuk.

De haringteelt en ansjovis vangsten waren ook goed. In maart van dat jaar zijn Hendrik en Maaike getrouwd, Maaike was de oudste zuster van mijn vrouw. In september werd ik opgeroepen voor herhaling militaire dienst van 17 dagen. Omdat de palingteelt toen in volle gang was heb ik uitstel gekregen en ben in december op herhaling geweest, dat kwam beter uit. Het was niet zo leuk tijdens de herhaling. In totaal waren er 17 militairen aanwezig, ook van andere lichtingen. Na de keuring bleven er nog 7 militairen over, de rest was al in juli geweest.

In 1938 weer ten haringvangst gegaan, er was volop haring. Omdat Duitsland geen haring kocht werd de haring in de puf (afvalbak) gedaan. Op een keer vingen we nog 17 last haring, een last was 50 tal en een tal 200 stuks. Door het gewicht zou de botter achter onder water lopen, omdat te voorkomen schopte ik met mijn voet het deurtje van het vooronder los. De haring liep het vooronder in, zodat het achtereind van de botter weer omhoog kwam. Dat was maar goed ook want wij moesten langs de spuisluizen varen. Er stond een sterke stroom en een dikke zee. Na het lossen van de vangst ontvingen we f. 700,= een mooi schot. Na het haringvissen nog op ansjovis gevist. Op tijd opgehouden om het want en fuiken weer heel te maken voor de fuikenvisserij.

Op 23 juni 1938 zijn we getrouwd en gaan wonen in Makkum aan de Grote Zijlroede, in een nieuw huis, dichtbij de oude werf van Amels.

Trouwfoto Jan en Luppie – getrouwd 23 juni 1938.

Jan en Luppie

Woning van Jan en Luppie in Makkum.

Jan en Luppie, achter hun huis op het Platte dak – Slotmakersstraat 3 Makkum.

Daarna hebben we palen gezet in het IJsselmeer langs de Afsluitdijk, er was helemaal geen paling te vangen. In september kwam er een storm opzetten van windkracht tien tot windkracht twaalf (september storm). We hadden 37 fuiken in zee en er stonden nog maar 2 fuiken op hun plaats. In die 2 fuiken zat 800 pond paling, dat was de hele vangst. Palen met fuiken van alle vissers dreven door de storm naar Hindeloopen, alles lag door elkaar en kapot. Dat was wel een tegenvaller. Door de storm zaten er in de Afsluitdijk grote gaten, daar konden wel 2 autobussen in.

Nog even terug. Voor mijn trouwen was ik bij mijn schipper in de kost, ’s nachts sliep ik in de botter. Het was 31 januari 1938 ’s morgens vertrok ik van Lemmer, het was op een maandag. Bij mijn schipper thuisgekomen werd er verteld dat prinses Beatrix was geboren. De schipper, zijn vrouw en haar oude vader, zijn naam was Kok en hij was 80 jaar, zaten in huis. De vrouw vroeg mij direct een grote ringstok halen, want daar moest een vlag aan. Zo gezegd, zo gedaan en ik ging naar de schuur om een ringstok te halen. Bij het huis teruggekomen zat oude Kok al op de zolder om de stok aan te pakken.

Kok was van de kerk, gereformeerd en erg koningsgezind. Hij was erg trillerig toen hij de vlag aan de stok bond en de vlag uit het raam ging hangen. Buiten gekomen en omhoog gekeken riep hij, moet je eens zien, de vlag hangt niet goed. De blauwe strook zat boven en de rode strook onderaan. Ik moest zo lachen en dat vond Kok niet mooi. Hij zei vlug de vlag andersom vastmaken want straks beginnen de kanonnen te schieten. De jongens van smid Lutgendorff, hadden de kanonnen al op het plein neergezet. Kok zou de vlag opnieuw uit het raam hangen, jammer genoeg niet onder het raam, hij stak de stok met vlag dwars door het raam. Het glas viel met veel lawaai naar beneden. Zo kun je wat meemaken. Later hebben we hierover nog vaak gesproken bij de schipper thuis, zoiets vergeet je niet.

Na het mislukte fuikvissen zijn we nog te botvissen geweest, ook weinig gevangen. Mijn zwager Jelle en ik zijn nog aan het “jouwvissen” geweest, vissen met een “totebel”, dat bracht ook niet veel op. Ik heb toen ook nog wat kou gevat maar was snel weer beter. (Een totebel, is een vierkant net die men in het water gooide dan kwam het aas op de totebel en na ongeveer 2 minuten had men ± 40 vissen)

In het voorjaar van 1939 zijn we in de Waddenzee palen gaan zetten en haringfuiken aangebracht. De fuiken hadden drie weken gestaan, we vingen maar elf haringen. Het was gedaan met de haringvisserij. Ik heb nog om financiële steun gevraagd bij de Sociale Dienst omdat ik niets verdiende. Elke morgen moest ik een stempel halen, ik kreeg echter geen steun omdat ik niet lang genoeg in de gemeente woonde.

Op een zaterdag ben ik met mijn vrouw op een tandem naar Lemmer gefietst, gehuurd bij smid Lutgendorff voor 50 cent per weekend. Er stond een dikke wind uit het Noordwesten, we hadden voor de wind en waren binnen 2 uur in Lemmer. De familie stond verbaasd omdat wij er al waren bij moeder Gepke aan de Weverswal. ’s Avonds zijn wij nog bij ds. Wessels op bezoek geweest (mijn vrouw had daar gewerkt), die vonden het ook mooi dat ze ons zagen. Wij waren een poosje bij ds. thuis, iemand belde aan. Voor de deur stond een mijnheer en die vroeg of er de volgende morgen in de kerk  “avond-maal” werd gevierd. Dominee zei kom maar even binnen, wij hebben nog meer bezoek. Die mijnheer ging naast mij zitten en vertelde dat hij ingenieur was bij de dienst Zuiderzeewerken.

Jan en Luppie. Op de achtergrond de Nieuwburen te Lemmer

Wij raakten wat aan de praat en ook over het vissen. Hij zei dat de vissers het nog niet zo slecht hadden. Ik zei men kan ook nog wel een dijk leggen van Ameland naar de Friese kust, dan hebben we buiten de Afsluitdijk de put er ook uit. We kregen hierover meningsverschil. De mijnheer zei tegen mij dat ik wel bij hem aan het werk kon komen, als waker op een baggermolen bij de Dienst Zuiderzeewerken. Daar schrok ik wel even van, altijd visserman geweest en dan zo maar waker.

Maandag kon ik wel met de sleepboot mee naar de bagger-molen. Je neemt beddengoed mee en een scheerapparaat. Mijnheer, zo snel kan ik niet beslissen. Hierover moet ik eerst nog nadenken en wat zal mijn vader en de vader van mijn vrouw er wel van zeggen? Nu mijnheer, ik kan niet eerder een besluit nemen dan maandag. Goed zij hij, maar maandag om 7 uur moet ik het weten. Mevr. Wessels vroeg nog of er nog wat aan verbonden was.

Ja, Visser kon dan later solliciteren bij de nieuwe sluizen in de Noordoostpolder, bij Lemmer, Urk en Marknesse, als die klaar waren. Mijn vrouw was blij, ze zei wij nemen het graag aan. We namen afscheid van dominee en zijn vrouw en gingen naar onze ouders om het te vertellen. Ze zeiden, aannemen, het vissen wordt is niks meer nu de haringvisserij op de Waddenzee ophoudt, zodat wij op maandagmorgen naar het kantoor van Ing. v.d. Bout (Schreef diverse artikelen in De Zuiderzeewerken; Zuidelijk Flevoland (1965). Ref.: AB, ED, LW 1967 n5 p239, WID5-6. (vdt069) gingen om te zeggen dat ik het werk aannam.

Op woensdag morgen kon ik om 7 uur vertrekken, samen met Ing. v.d. Bout op de sleepboot om naar de baggermolen te gaan. Eerst moest ik nog bij mijn school-kameraad S. Kuipers op de molen zijn want die kon mij inlichten hoe alles in zijn werk ging, hij was 14 dagen eerder als waker begonnen, dat was in maart 1939.

Blij gingen we op de tandem terug naar Makkum, ook wel een beetje zorgen omdat je het vissen vaarwel ging zeggen. We woonden nog maar 10 maanden in een mooi nieuw huis en we waren al aardig ingeburgerd in dat kleine Makkum. In Makkum aangekomen hebben we meteen de schipper op de hoogte gebracht van mijn vertrek. De schipper vroeg mij of ik voor hem ook een baantje kon regelen, want met de visserij zag hij het ook niet meer zitten. Hij vond het mooi dat ik werk gekregen had en zei dat ze het wel een poosje met z’n drieën konden redden.

Wij aan de slag om de huisboel in verhuiskisten te doen. De inboedel kon wel bij ds. Wessels in de pastorie op zolder. Dinsdagavond gingen we al naar de Lemmer omdat ik woensdagmorgen om 7 uur bij de sleepboot moest zijn om naar de baggermolen te varen.

Ds. L. W. Wessels.

We gingen aan het werk om het hoofdkanaal aan te leggen van Lemmer naar dorp A, dat later de naam Emmeloord kreeg. ’s Nachts op de baggermolen blijven. Als het werk ’s avonds om 6 uur klaar was dan uitrekenen hoeveel zand we hadden gebaggerd en hoeveel meter de baggermolen vooruit was gegaan.

Overdag was er ook wel eens vertraging omdat de ankers verzet werden en dan lag de baggermolen ongeveer 15 minuten stil. Bij dit werk kwam aardig wat kopwerk bij, het bijhouden en opschrijven van het verbruik van gas- en smeerolie; steenkolen; poetskatoen enz.
Eveneens werd bijgehouden, hoeveel uur er gebaggerd was. Met mist kon er niet gebaggerd worden, omdat we de bakens niet konden zien. De verwerkte bakken met grond werden ook opgeschreven. Elke bak had een nummer, per bak werd de inhoud opgenomen en op een staat geschreven. Soms waren er wel 30 bakken in bedrijf, per dag werden die wel 6 keer opgemeten met behulp van een peilstok.

De lagere school had ik wel gehad maar dit rekenwerk viel de eerste week niet mee. Je brein werkte wel maar alle begin is moeilijk. Later had je er geen werk meer van. Mijn verdiensten waren f. 21,80 in de week, dit verdiende beter dan met vissen. Er was veel toezicht. Elke dag leerde je weer meer. Als er een week om was moest je op woensdagavond het werkboekje, waar alle gegevens instonden, overgeven aan opzichter Verkerk. Op zijn kantoor zag hij alles na of het wel in orde was.

Lekke bakken kwamen ook voor, die moest je er dan uitgooien en nazien. De kleppen zaten meestal niet goed tegen elkaar. De waker en de schipper waren de hoofdpersonen, zij moesten zien of de mannen van de baggerbak de grond wel naar de stortplaats brachten van dorp A. Er op toezien of de bakens van het hoofdkanaal nog wel goed stonden. Was dit niet goed dan werd de peilploeg gewaarschuwd.

De peilploeg bestond uit 6 man met een vletschipper, deze plaatsten dan de bakens weer op de goede plek. De sparren met vlaggetjes eraan. We moesten een breedte van 60 meter baggeren op een diepte van 7 tot  8 meter. Om de 8 tot 10 kilometer lag weer een andere baggermolen. Er lagen zo’n 15 tot 20 baggermolens en zuigers voor het maken van de straten. Later toen de molens klaar waren met het werk en de polder droog was, lagen de straten er al en konden de stratenmakers direct aan het werk. Later ben ik nog naar Schokland geweest, Zuiderbuurt. Het oude Schokkerhaven heb ik nog gekend.

Aan boord waren ook mensen uit Sliedrecht en Hardinxveld, deze lui hadden ook al in het buitenland gewerkt. Ze hadden veel last van astma (borstziekte). Vreselijk was dat, ze lagen ’s avonds met de mond boven een schaaltje met poeier, daardoor kwam er veel slijm los. Met zonnig weer hadden ze minder last, maar met mist was het astma heel erg.

Toen wij uit Makkum gingen omdat ik waker werd, zijn mijn vrouw en ik een poosje bij de ouders van mijn vrouw, op de Weverswal, gaan wonen. Later zijn wij in het Waaigat gaan wonen, een leuk huisje. Teun de Klepperman was onze buurman, fijne mensen. Hij was vrachtrijder bij Ykema, onze buurman van vroeger op de Nieuwe Dijk.

Luppie bij het water

Luppie zittende op een stoel en twee buurmeisjes op een regenwater bak. Op het Waaigat te Lemmer.

Het Waaigat 1937

Na een poosje als waker gewerkt te hebben, kreeg ik bericht dat ik onder de voormobilisatie viel en moest eind april opkomen, omdat ik dienstplichtig schipper was. Dit ging echter niet door, dus dat trof ik nog. In juli voor herhaling 17 dagen in dienst geweest, we waren toen weer met de oude lichting.

Net 4 weken uit dienst, brak op 25 augustus de algemene mobilisatie uit. ’s Nachts op de molen, midden in de Noordoostpolder, kwam de opzichter Verkerk naar de molen om mij op te halen omdat ik onder de wapens moest. Dat was wat. Heel Nederland in rep en roer. Ik was erg beroerd, ik had de zenuwen op mijn maag. Mijn vrouw was niet naar bed, die wist al dat ik thuis zou komen. Verder die nacht niet geslapen. ’s Morgens de dienstkleren opgezocht en om 9 uur met de tram vertrokken. Half Lemmer stond bij de tram om ons uit te zwaaien. Wij dachten dat we nooit terug zouden komen, het was een toestand. Duitsland maakte zich klaar om oorlog te voeren, vandaar alle Nederlandse soldaten zich dienden te melden.

Jan Visser in militaire kleding.

Dus daar ging Jan, met de tram naar Heerenveen, per spoor via Zwolle, Utrecht, Geldermalsen, Leerdam naar Gorkum. Wij werden ondergebracht in een groot schoollokaal, waar we op stro sliepen. De volgende dag met een Rijnaak naar het haventje van Dalen een halfuur buiten Gorkum. Daar kregen we allemaal een geweer, want daar gaat het om, om een ander dood te schieten, die je nog nooit hebt gezien.

Wij hebben daar heel wat beleefd. Acht weken hebben we als beesten in het stro, op de vloer van de rijnaak geslapen, waarmee kort tevoren nog steenkool was vervoerd. ’s Morgens zagen we er uit als negers, vanwege al het gruis van de steenkolen. Daarna kregen we een zogenaamde krib met een strozak er in. Wij waren er al een tijdje geweest toen we 2 dagen verlof kregen en naar huis konden gaan. Dat verlof was ook zo maar om. Mijn vrouw kreeg maar f.11,= kostwinnersvergoeding. Later, toen minister de Geer aan het roer kwam kreeg mijn vrouw f.18,= dat was even beter.

De dag van Sinterklaas brak aan, wij waren al geruime tijd onder dienst.  ’s Zondags moesten we met ons tenue aan, naar de vluchthaven van Gorkum, daar zou de Sint aankomen vanaf Sleeuwijk, dicht bij Werkendam. Daarna  feest in de kazerne, want daar zou Sint ook komen. Er stond een muziekkorps op de kade en er liep een mooi paard van de huzaren, hierop moest de Sint zitten. De boot met Sint en zwarte pieten kwam er aan. Veel burgers van Gorkum stonden op de dijk bij de haven te wachten. De boot meerde af aan de kade, de loopplank werd uitgezet.

Matrozen van de Marine presenteerden hun geweer en bajonet toen de Sint over de loopplank liep naar de vaste wal. Het paard stond klaar en Sint werd er op geholpen. De rode mantel van de Sint, fladderde voor de ogen van het paard, daardoor deed het paard een kontstoot en de Sint vloog als een heks de lucht in en kwam terecht op de kant van de kade. Gevolg hiervan, de Sint naar het ziekenhuis, waar bleek dat hij 6 kapotte ribben had, zijn staf lag in 12 stukken.
Alle burgers stonden op de kade te lachen, want dit was nog nooit gebeurd. Snel werd een andere Sint klaar gestoomd en ging de optocht naar de kazerne. ’s Middags kwamen wij weer aan boord met een pakje. We hadden een fijne dag gehad en veel plezier.

In het jaar 1940 kwam mijn vrouw naar Gorkum, zij kon een voorkamer in een huisje huren van vrienden van mevr. Wessels. ’s Avonds ging ik naar haar toe, maar er ’s nachts blijven mocht niet. Tezamen hebben wij heel wat kennissen van de familie Wessels opgedaan. We liepen vaak langs de Merwede, daar was het erg druk met de scheepvaart. Maar aan alle goeie dingen komen een einde. Ik kreeg weer eens verlof en mijn vrouw vond dat wij toch maar weer eens in Lemmer moesten kijken. Na een paar dagen ging ik terug en mijn vrouw bleef in Lemmer, vanwege dat Duitsland, Nederland binnenliep en aan Nederland de oorlog verklaarde. Al mijn spullen had ik al naar Spijk gebracht en was wel blij dat mijn vrouw bij haar ouders was.

’s Avonds kwam ik aan boord, we moesten direct weg om mijnen te leggen in de rivier. Tijdens dit werk vlogen de Duitse vliegtuigen over ons heen, maar ik zeg maar zo, ze hebben ons nog gespaard. De volgende dag was het oorlog. Allemaal soldaten die zich terug trokken in de vesting Holland en mensen die vluchten uit hun huizen. Ze hadden een karretje of een kruiwagen bij zich met wat huisraad er op, ook veel vrachtwagens met mensen uit Nijmegen, maar wij bleven bij de mijnen. Kwam er een vijandelijke voertuig langs dan lieten wij de mijnen springen. In elke mijn zat 150 kilo trotyl. Met deze mijnen hadden wij voor de oorlog nog ijsdammen laten springen, daarvoor kregen we 50 cent extra loon. De winter van 1939/1940 was zo hevig, de mensen liepen zelfs over de rivier.

Nederland gaf zich over op 10 mei en 15 mei was het gebeurd. Nadat de Duitsers half Nederland hadden leeg gestolen, gingen ze verder naar België. Op de Afsluitdijk bij Kornwerderzand en bij de stelling Wons, hebben de militairen nog geruime tijd stand gehouden. Op de kop van de Afsluitdijk zijn veel Duitse soldaten gesneuveld.

Maar afijn, de oorlog was voor ons afgelopen, wij konden wel weer naar huis, maar wanneer? Ik ben nog een maand krijgsgevangene geweest en op 30 mei ben ik thuisgekomen. Gereisd via Stavoren, daar een fiets gehuurd en gefietst naar Lemmer zonder de grond aan te raken, zo snel gefietst.

Wij hadden ons huisje in het Waaigat aangehouden. Een week ben ik thuis gebleven en daarna weer naar de Noordoostpolder gegaan, waar ik zo weer aan het werk kon. Eind 1941 waren de kanalen in de polder gebaggerd en de baggermolens waren niet meer nodig.

Ook heb ik nog een tijdje gewerkt in de Noordoostpolder, op de dijk met Stienstra en Komen, bij opzichter Verwijs, er mocht niemand over de dijk lopen. Daarna kreeg ik ontslag.  Er bleven nog 3 wakers over, Siebe Kuipers, T. Prins en nog een Urker. Toen ik nog waker was vielen er drie kettingbommen op de schutsluis bij de polder, even daarvoor waren wij er nog langs gelopen. Door die kettingbommen waren er 7 mensen gedood, waarvan 4 personeelsleden van het Waterleidingbedrijf, die daar aan het werk waren. Het was wel wat. Later ben ik nog bij mijn vader wezen vissen met snoekbaars- en met sleepnetten, Wiebren Visser was ook knecht bij mijn vader.

Op een gegeven moment kwam een bericht uit Makkum of ik knecht wou worden bij Jelle Poepjes (mijn zwager), Gradus Mulder en Abe v.d. Bijl, dat heb ik toen aangenomen, het vissen werd al wat beter. Op 13 maart waren we weer terug in Makkum gekomen. Ons huisboel kwam te staan bij bakker De Hoop, op zolder. Wij kwamen te wonen bij mijn vrouw haar zuster Geesje, totdat we een huisje konden huren.

Palingvisser Poepjes, Makkum.

Het was erg gezellig bij Geesje, Jelle en de kinderen, bij het schoolplein van de Openbare Lagere School. We hebben ook veel plezier gehad en ook nog geslapen op de garage zolder van notaris Faber. Dat kwam omdat ik mij moest melden in Amersfoort vanwege mijn soldaat zijn. Hitler wou ons allemaal hebben. Velen hebben zich gemeld in Amersfoort, ik ben gewoon blijven vissen. Als er onraad was hield ik mij gedekt. In Makkum waren er nog al wat mensen die ook in Amersfoort waren geweest, daar moest ik wel voor oppassen, ze konden mij eens verraden.

Wij hadden een kennis, boer Abma, en die had wel een schuilplaats voor mij. Abma was voor ons een goeie boer. Alle dagen konden we melk bij hem halen en ook nog wel eens wat vlees als hij een kalf of een varken had geslacht. Van ons kreeg hij dan wel paling. Van Jelle en Geesje kreeg ik veel vis, meestal gerookte paling.

In de winter hadden Jelle en ik een kaar met paling, zodat we een mooi voorraadje achter de hand hadden en daarmee konden ruilen. Er is door ons wat afgerookt op het schoolplein. Dikke blei gekookt en we kochten voor 10 cent per stuk meerkoeten van jager Kooi. Wij hadden ’s avonds onze buik vol. Zo langzamerhand was er minder eten te koop en alles was op de bon. De Duitsers vraten alles van de Nederlanders op. Anderhalf jaar hebben wij bij hen ingewoond, toen zij wij in de Slotmakersstraat gaan wonen, daar kwam een huis leeg. De erfgenamen vroegen f. 4,= huur, dat vonden wij nog al wat. Gemeenteopzichter v.d. Meer vroeg ons wat voor huur wij betaalden, f. 4,= vond hij ook te veel. Hij nam contact op met het makelaarskantoor uit Sneek en heeft voor ons geregeld dat de huur f. 2,50 werd, dat was aardig goedkoper.

In de Slotmakersstraat woonde het ook mooi. De kinderen van de Christelijke school hadden wij ’s morgens voor de deur, ons huis stond tegenover de school. Daardoor was er veel leven in de brouwerij.

Onze buren waren, buurman Schelte en buurvrouw Jantje, buurman v.d. Veen, die was school-schoonmaker, buurvrouw Krooienga, buurvrouw Magdalena en buurvrouw Fennema. Zij was onderwijzeres aan de Christelijke school. Meester Pruiksma was het hoofd van de school.
De omstandigheden werden al slechter in Makkum. De radio moest worden ingeleverd, zodat we niet konden horen wat er zoal in Engeland gebeurde. Een ondergrondse werd in Nederland opgericht. Engelse vliegtuigen kwamen ’s nachts aanvliegen en die dropten dan wapens in de Friese weilanden, ja door heel Nederland. Ook hoorde je ’s nachts de bommenwerpers overvliegen van Engeland naar Duitsland. Dan was er weer een vliegtuigen gevecht in de lucht. Gewone burgers werden door Duitsers neergeschoten.

Joden uit Amsterdam en uit geheel Nederland werden naar Duitsland gebracht en naar Warschau. In Nederland waren er ook strafkampen. Met het vissen werd het ook gevaarlijker, ’s avonds om 9 uur mocht je niet meer buiten zijn. Onderduikers werden opgepakt. De bezetter begon er aardig aan te trekken.

N.S.B.’s, dat waren de minste van de minste mensen. Zij gingen naar burgers toe waar Joden zich verborgen hielden. In Makkum werden 9 mensen doodgeschoten omdat ze bij de ondergrondse waren, ook weer verraad in het spel. Er was bijna geen eten meer te krijgen, wij hadden gelukkig vis om voor eten te ruilen.

Alles werd duurder en er werd “zwart” verkocht. Sigaretten waren niet te betalen, vet en suiker was er bijna niet meer. Overal moest je zuinig mee omgaan. Gelukkig dat wij boer Abma hadden, we konden melk krijgen, rogge en weet om brood te bakken. Het brood lieten we dan bakken bij bakker Dijkstra. Veel blei werd er gekookt en gegeten bij Jelle en Geesje, zodat wij wel te eten hadden. In Holland kwamen veel mensen om van de honger. Sommigen kwamen lopend uit Amsterdam of op een oude fiets bij de boeren langs voor aardappelen en vlees. Veel geld moesten ze daarvoor betalen.

Ook werd er wel tulpen bollen gegeten in Holland en witte en rode koolsoep. Steenkool en ander brandstof was er ook niet meer. In de bossen werden er heel veel bomen omgezaagd voor brandhout. Wij gingen naar de zeedijk om oude zeepalen om te zagen, zodat wij hout hadden om de kachel brandende te houden. Zwager Jelle, zwager Hans en ik zei de gek gingen bij boer Abma turf van het land halen. Wij kregen een paard en wagen van Abma mee en zo hadden wij turf om te stoken. De turf lag bij ons op de keukenzolder. In de turf zaten veel vlooien, zodat wij veel vlooien in huis hadden.

Wij kregen ook nog een onderduiker, de broer van mijn vrouw. Eerst was Jan bij ons, daarna bij Hans en Alie en tenslotte nog bij ds. Julius in de Ned. Hervormde pastorie. Er kwamen ook nog twee passagiers uit Lemmer, mijn schoonouders Age en Gepke. Zij waren het hele eind van Lemmer naar Makkum gelopen om te zien hoe het met hun zoon Jan ging die ergens was ondergedoken.

Op een keer kwamen dokter Bogtstra en ds. Julius bij zwager Jelle en zijn mede compagnons Gradus Mulder en Abe v.d. Bijl om te vragen of we een kotter met aardappelen naar Bunschoten konden brengen, daar was helemaal geen eten. Douwe Amels is er eerst naar toe geweest en wij met ons kottertje hebben er nog 3 vrachten naar toe gebracht. De laatste reis vergeet ik nooit weer. We kwamen ’s morgens in Huizen aan. Vliegtuigen van de tommies vlogen boven Huizen en onze kotter om bommen te werpen op een hotel vol met hoge Duitse gasten. Tommies waren Engelse vliegtuigen en de Duitsers hadden net het hotel verlaten.

Die laatste reis waren er nog 2 mensen van de N.B.S. (Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten) aan boord. Die moesten, zodra ze in Huizen aan wal waren, 50 speurhonden van de Duitsers dood maken. Die honden zochten op onderduikers in de bossen rondom Huizen. Zoals Joden; jongens uit het verzet enz. Wij waren blij dat wij ’s morgens om 7 uur aan wal konden, want het was het nachtje wel. Allemaal Duitsers met boten onderweg van Lemmer naar Amsterdam, die trokken zich terug omdat de Canadezen en Engelsen al in Zutphen en Kampen waren. Wij hoopten dat ze maar niet op ons schoten, wij voeren zonder licht. In de Lemstervaart boven Enkhuizen voeren grote transport konvooien, we zijn door het oog van de naald gegaan. Dokter Bogtstra en ds. Julius waren ook bij ons aan boord en gingen mee terug naar Makkum.

In de geul (kanaal van Makkum) kwam een man met een kleine boot ons tegemoet varen. Hij vertelde dat de Duitsers mijn huis in beslag hadden genomen. Daarna overlegde ik met dokter Bogtstra wat ik zou doen. Voordat we bij de wal kwamen kroop ik naast de zijbun van het schip. Mijn vrouw stond al te wachten op de haven en zei dat er veel Duitse soldaten werden ingekwartierd in de Christelijke school. Vijf officieren moesten in een huis in de buurt van de school wonen om de soldaten in de gaten te houden, vandaar dat ze ons huis hadden gevorderd.
Die soldaten waren allemaal uit Leeuwarden gekomen. De inboedel werd door omwonenden uit huis gehaald en kreeg een plaatsje op zolder bij buurtgenoten. Alleen de kachel en een kastje stonden nog in ons huis.

De Duitsers zijn zo’n drie á vier dagen in ons huis geweest en toen heb ik ze er weer uitgekregen met een valse ausweis. Op de ausweis stond vermeld dat er geen militaire maatregelen met mij mocht gebeuren omdat ik werkte voor de voedselvoorziening. Met dat papiertje ben ik naar het hoofdkwartier van de Duitsers in de Rooms katholieke kerk gegaan. Daar zaten hoge Duitse officieren, ik sprak met de commandant en die vroeg waar ik deze ausweis vandaan had. Ik zei van de Orz commandant uit Leeuwarden. Jullie eten onze paling maar op en ook nog een arme vissersjongen zijn huis in beslag nemen, dat kan niet.

Ausweis.

De Orz commandant ging naar de sergeant officier en sommeerde dat de officieren voor twaalf uur uit mijn “hause” (huis) weg moesten zijn. Inderdaad waren ze vóór twaalf uur vertrokken. Daarna zou er een Duitse dokter in mijn huis gaan, ik zei: “vooruit er uit, niks te maggen, foetsie. Daarna konden we weer in ons huis. Ik had nog een geluk dat ze mijn dienstfoto’s niet hadden gevonden. Die had ik verstopt achter de waterput in de grond bedekt met as uit de kachel, zodat het niet opviel.

Toen kregen we 2 meisjes bij ons in huis. Het ene meisje was met een botter uit Bunschoten gekomen en het andere meisje uit Oosterbeek. De Canadezen en Engelsen waren vanuit vliegtuigen gedropt tussen Arnhem en Oosterbeek. De soldaten moesten onderdak hebben en er werden huizen gevorderd van de inwoners van Arnhem en Oosterbeek. De familie De Roode en nog meer bewoners uit die plaatsen zijn naar Bunschoten gegaan en met schepen o.a. naar Makkum gebracht. Het andere meisje kwam met de bus uit Hilversum met nog 30 andere meisjes, deze kinderen waren ondervoed.

Ds. Julius bracht deze 2 meisjes, Rietje de Roode en Tinie Kool bij ons. Rietje was 10 jaar en erg knap. Rietje haar ouders waren ook in Makkum en haar broertje Jan was bij bakker de Hoop ondergebracht. Tinie Kool haar vader was postbode. Zij kreeg ook niet wat haar toekwam, in Holland was te weinig voedsel. Tinie had erge heimwee, ze wou weer naar huis. Mijn vrouw heeft haar even aangepakt en de volgende dag was de heimwee over. Beide gingen ze naar de Christelijke school en ze lusten graag gerookte paling. Ik zie ze zaterdags allebei nog zitten op het aanrecht met hun lange haar, om gewassen te worden. Rietje had niet veel kleertjes bij zich, Tinie had wel wat kleertjes van huis meegekregen. Om voor Rietje kleren te halen ben ik naar Workum gefietst om kleertjes te ruilen voor gerookte paling, dat was snel voor elkaar.

In die tijd zijn we nog aan het botvissen geweest. De oorlog liep al naar het einde. De Duitsers verloren overal. Tot het laatst van de bezetting stonden er Duitsers in groepsverband op het schoolplein bij het huis van Jelle en Geesje, twee aan twee moesten ze wacht houden. De Canadezen waren al bij Makkum en begonnen op Makkum te schieten. Wij hebben wel spannende dagen gehad. Met onze 2 logeetjes zijn we over het dak van ons huis gegaan naar de kelder van slager van der Meer. In die kelder zaten we op een morgen toen er weer flink geschoten werd.

Overal was het zwart van de puin en rook. Daarna was het heel stil en ben ik even uit de kelder weggeslopen. Ik zag dat drie Canadezen de katholieke kerk ingingen en uit die kerk kwamen wel 100 Duitsers met de handen omhoog. Zeventien april in het jaar 1945 waren wij bevrijd van 5 jaar onderdrukking. Er viel een stuk spanning weg maar bij anderen was er droefenis.
Makkum had 8 á 9 gesneuvelden te betreuren, allemaal bekenden. Een meisje uit Hilversum, die tegelijk met Tinie Kool in Makkum was gekomen, logeerde bij postbode Doede Zijlstra. Het huis van de familie Zijlstra werd getroffen door een granaat en Doede Zijlstra en het evacueetje verloren hierbij hun leven. De scherven zaten bij ons in het ledikant op de slaapkamer. We hadden maar op bed moeten liggen.

Maar de Heer heeft ons in leven gehouden. Overal waren er slachtoffers. Op de Afsluitdijk zijn veel Duitse soldaten gesneuveld, zij waren onderweg naar Noord Holland. Er werd verteld dat er nog Duitse soldaten in Kornwerderzand waren en van daaruit konden ze Makkum nog gaan beschieten. Een groot kanon werd in Makkum bij de leugenbank geplaatst, hij zakte bijna door de grond. De loop werd gericht op Kornwerderzand, zodat ze eventueel Kornwerderzand konden beschieten. Veel Makkumers vertrokken naar Workum, ze werden ondergebracht in de grote kerk of bij de Workummers thuis. Wij zijn met de viskotter naar Allingawier gevaren. Officieel was Nederland op vijf mei bevrijd en werd er feest gevierd.

De 'leugenbank' te Makkum.

Na de bevrijding zijn we weer aan het vissen gegaan. Met netwant en palen aan boord zijn we binnendoor via Bolsward, Wommels en Franeker naar Harlingen gevaren omdat de haven van Kornwerderzand gestremd was vanwege een gezonken rijnaak in de mond van de haven.

We waren al wat laat voor het vissen op ansjovis, de Harlingers hadden al aardig wat ansjovis gevangen. ’s Avonds gingen we met de boot in de buitenhaven van Kornwerderzand liggen en zagen dat heel veel Duitse soldaten uit Holland kwamen om weer terug te gaan naar hun heimat. Duizenden met auto’s en karretjes er achter met gestolen goederen moet je maar den-ken. De Duitsers hebben heel wat meegenomen van de Joden uit Amsterdam.

Die arme mensen uit Amsterdam, Lemmer en andere Nederlandse plaatsen zijn naar Duitsland gedeporteerd en de meesten hebben de dood gevonden in de gaskamers. De joden uit Lemmer hebben we goed gekend, Davidson, Jacobs, Blok en Heiermans.

In 1945 ging het al wat beter met de visvangst. Op 23 september werd onze dochter in de Slotmakersstraat geboren, haar naam was Gepke, Clara, mijn vrouw had het erg zwaar tijdens de bevalling want Gepke, Clara wou niet bij haar moeder vandaan. Maar toch kwam ze ter wereld en begon al snel te huilen. Vader Jan had het er maar druk mee om alles te beredderen. Geboorte aangifte gedaan in Witmarsum.

Geppie met doopjurk waar zij gedoopt is in de Hervormde Kerk te Makkum

Jan en Luppie met dochter Geppie (Gepke Clara)

Geppie in de kinderwagen.

In die tijd moesten we ons laatste beetje geld nog naar de bank brengen en de bankrekening werd geblokkeerd. Daardoor konden we niets kopen. Maar als de nood aan de man is, is redding nabij. Die week vingen wij aardig wat paling en kregen toen handgeld van de Directeur van de visafslag om de baakster te betalen. Zij was al lang blij dat ze centen kreeg. Haar naam was Neel Drendt, ze kwam uit Oudega-W.

Het jaar 1946 was een goed jaar voor de visserij. In 1947 was er veel paling te vangen, die zomer was het erg warm. De verdiensten waren goed. In de jaren 1948 en 1949 werd de vangst minder. De prijs van de paling werd in 1950 hoger. In 1951 was er weer een weekgeld te verdienen, ansjovis werd er ook nog gevangen. In dat jaar hebben wij op 18 mei in één dag 3000 kg. gevangen in de Boontjes bij Kornwerderzand, die dag werd er ’s morgens en ’s avonds gevist. Doordat er zoveel ansjovis werd aangevoerd was er geen vraag meer naar, de vis gelost en in de pufbak gedaan. Ook hebben we ansjovis zelf nog schoongemaakt, ingezouten en in tonnen gedaan, met de bedoeling ze later te verkopen. Daar hebben we niets mee verdiend. In 1952 was er weinig vis te vangen en in 1953 was er helemaal geen vis.

In 1954 en 1955 zijn we nog aan het werk geweest op de Makkumer waard, om sleuven te graven voor de afwatering, dit in opdracht van de gemeente. De vissersknechten kregen wat financiële ondersteuning van de gemeente omdat ze te weinig verdienden. De schippers adviseerden de gemeente om werk voor deze mensen te zoeken, zodat ze wat meer konden verdienen en niet zo snel om een andere baan gingen zoeken. Een enkeling had al werk gevonden bij de Rijkspont in Amsterdam.

Nadien ben ik eerst bij Ooms aan het werk geweest met het aanleggen van de riolering in Sneek en definitief het vissen vaarwel gezegd. In 1956 in Oostelijk Flevoland dijken aangelegd. In het jaar 1957 nog opperman geweest bij mijn zwager Hans Poepjes, bij de bouw van zijn nieuwe woning aan de ds.Touwenlaan. In mei 1957 ben ik naar Kornwerderzand gegaan als werkman bij het onderhoud van de spuisluizen, dit werk heb ik anderhalf jaar gedaan. Daarna 1 jaar gewerkt als sluisknecht.

Ook zijn we nog aan het krukkelen geweest (alikruiken zoeken) om wat bij te verdienen omdat het uurloon niet zo hoog was. Het uurloon was 57,50 cent per uur. Door overuren te maken en krukkels te zoeken kwam ik toch op een weekloon van f. 70,=, dat ging nog wel. Moeder Lupkje was ook niet lui, met dochter Gepke hielpen zij ook bij het krukkels zoeken. De krukkels lagen aan de Waddenzeekant, onderaan de dijk. Met laag water (eb) werden de krukkels tussen de basalt stenen één voor één weggehaald en in een bakje gedaan. Dat was toen een heel gesjouw. We brachten de zak met krukkels achter op de fiets naar de Gebr.v.d. Berg, vishandel en palingrokerij in Makkum. Voor een kilo werd 20 cent betaald, soms verdiende je daarmee f. 5,=, daar moest je drie uren voor zoeken en nog fietsen naar de Afsluitdijk en weer terug naar Makkum. De macht van het kleine.

Op een gegeven moment kwam er een vacature voor sluisknecht op Den Oever, waarop ik solliciteerde. Ik had een goeie kruiwagen in Den Oever. De sluismeester zijn naam was 'De Visser', was vroeger ook visserman geweest. Mijn werk als waker bij de Dienst Zuiderzeewerken van 1939 tot 1942 telde eveneens mee voor mijn benoeming. Deze jongen was al een beetje bekend in Den Haag. Op 1 november 1960 werd ik aangesteld als Sluisknecht B.

Na nog een aantal maanden op de sluizen van Kornwerderzand gewerkt te hebben zijn wij op 13 januari 1961 verhuisd naar Den Oever. We lieten wel wat achter in Makkum. Ik was lid van de mannenvereniging, bestuurslid van de ijsvereniging, penningmeester van Plaatselijk Belang  en samen met mijn vrouw gaven wij leiding aan de Zondagsschool vanaf 1946 tot en met 1960. In Makkum hadden wij ook veel vrienden en kennissen. In Den Oever kwamen wij te wonen in één van de huizen bij de Afsluitdijk, tegenover het standbeeld van Lely, de ontwerper van de Afsluitdijk. We hebben de vlag vaak halfstok gehad, maar nu ging deze weer hoog in top.

Wie kreeg er nu zomaar een baan bij het Rijk. We woonden nog maar een week in Den Oever en werd ik al gevraagd voor diaken/ouderling van de Evangelisatie Gemeente te Den Oever. Van 1961 tot 1978 hebben mijn vrouw en ik nog leiding gegeven aan de Zondagsschool.

Het werk bij de sluis heb ik altijd met plezier gedaan. In 1978 ging ik met pensioen. Tijdens mijn dienstjaren heb ik op vrije dagen nog wel eens gevist met dobbers of een spieringnetje in de haven tussen de brug en sluis. Want al ben je Rijksambtenaar, het vissen gaat er niet uit, daar ben je mee geboren.

De A.I.D. (Algemene Inspectiedienst) heeft mij tweemaal een bekeuring gegeven. Ik moest tweemaal f. 50,= boete betalen omdat ik geen visvergunning had. Ze meenden zeker dat ik er een vermogen mee verdiende, maar het was mijn hobby. Het eerste proces was omdat ik met een fuik viste, die hebben ze meegenomen naar Den Helder. Toch kreeg ik de fuik weer terug omdat ik een brief gestuurd had naar de Inspecteur in Alkmaar, maar moest wel de boete betalen. Maar, alla zei mijn grootvader Jan van Fetje altijd, ik had toch mijn fuikje terug.

Omdat ik viste met een spieringnetje werd ik voor de tweede keer bekeurd. Toen kreeg ik de schrik wel te pakken en ben met het vissen opgehouden, ook omdat ik een beetje last had van mijn rikketik en te hoge bloeddruk. In dat jaar heb ik in het ziekenhuis gelegen en het jaar daarop weer. Maar nu gaat het goed met mij en doe als hobby netjes, kubben en fuikjes maken, maar het vissen is gebeurd.

’s Nachts droom ik nog wel eens over het vissen en ga terug naar wat ik allemaal heb beleefd. Bij nacht en ontij met mijn vader zijn schouwtje op het water en ’s nachts slapen in een klein vooronder. We gingen te vissen bij Broekerhaven; Breezanddijk bij de Afsluitdijk; op het strand bij Tacozijl of bij Laaksum in Gaasterland. Overal waar wat te verdienen was waren wij.

Bij mijn vader Hendrik (Dennebos was zijn bijnaam) aan boord ben ik door de mosterd gehaald. Om spiering te vangen met een totebel stond ik ’s winters op het ijs met een lijn om mijn lichaam, omdat ik lichter was dan mijn vader. Met een bijl op het ijs te hakken om een bijt te maken, meestal in de buurt van het stoomgemaal van Tacozijl. Dat heb je dan allemaal nog in je hoofd zitten, daarom schrijf ik het ook op omdat mijn koppie nu nog goed is. Want je weet niet hoelang je nog leeft.

Nu ik dit schrijf ben ik 71 jaar. Mijn vertrouwen heb ik in de Lieve Heer dat hij mij nog een gezegende ouwe dag mag geven, samen met mijn vrouw, kinderen en kleinkinderen, LUPKJE; HENDRIK; GEPKE; LIANDA; ANDRIAAN; JAN.

Jan en zijn vrouw Luppie

Het gezin van Geppie Visser en Henk Boer. Genomen t.g.v. hun 25 huwelijksjubileum. Links naar rechts – Jan Hendrik – genoemd naar opa Visser; Adriaan; Geppie en Henk, Lianda (Lia Jolanda)

Fenny Poepjes, oomzegger en de inzendster van dit levensverhaal.