Herinneringen uit mijn kinderjaren in Lemmer... vervolg

Herinneringen aan Lemmer (6)

Op een pagina van de site www.spanvis.com  staat een foto van de toren van de prachtige N.H. Kerk van Lemmer. Een toren met een lange geschiedenis vanaf 1716, zoals te zien is aan de muurankers, dus al bijna 3 eeuwen. Elders op de site staat ook zo het een en ander over deze N.H. Kerk met z’n iets wat scheve toren. Vanuit de achterkamer van ons huis aan de Schoolstraat 12, hadden we een prachtig uitzicht op deze toren

Markante toren van de Ned.Herv.Kerk van Lemmer.

Tijdens bepaalde feestdagen, zoals Bevrijdingsdag op 5 mei en op Koninginnedag, zagen we dat muzikanten van een van de muziekkorpsen van Lemmer, boven op de toren het Wilhelmus ten gehore brachten. En dat was dan heel in ons huis goed te horen. Maar ik vond het toch ook wel heel erg spannend om daar al die mannen te zien die als haringen in een ton daar boven opeen geperst stonden. En ze hadden natuurlijk al een hele klim, met hun instrument in de hand, achter de rug.

Ik herinner me nog dat het monument voor de gevallenen in de muur van de toren is geplaatst. Ik vond (en vind dat nog steeds) het een prachtig monument als eerbetoon aan hen die voor onze vrijheid zijn gestorven.

Het monument voor de gevallenen.

Zondags kerkbezoek.

De familie Bosma ging zondags ter kerke in dit oude godshuis uit 1716. Na mijn geboorte in 1943 hebben mijn ouders mij in deze kerk laten dopen. Na de doop kregen ze van de dominee Keuzekamp het doopbewijs, dat ik nog steeds heb. Bij die doopplechtigheid hebben ze de belofte gedaan dat ze mij naar eer en geweten zouden opvoeden in het christelijk geloof. Terugdenkend aan m’n kinderjaren kan ik alleen maar dankbaar zijn dat mijn ouders dat inderdaad hebben gedaan op een manier die bij hen paste en die zij zagen als de juiste voor onze opvoeding.

Mijn ouders zaten in die tijd, bij het ter kerke gaan, in een van de banken achter die van de ouderlingen, dus aan de kant van het trapje van de preekstoel. Als gezin hadden we die hele bank in gebruik. Ik herinner me dat ik als kleine jongen naast m’n moeder zat en gedurende zeker zo’n anderhalf uur onder haar arm zat opgesloten. Want ja, ik moest natuurlijk wel eerbiedig stilzitten. Hoe ik ook wurmde om los te komen, m’n moeder hield me in de greep en er was geen beweging in te krijgen.

Als ik er aan denk, voel ik het nu nog! Ik moest dus wel naar de dominee kijken en ving natuurlijk ook wel zo het één en ander op van wat hij zei. De naam van de dominee die toen in Lemmer de Ned. Hervormde Gemeente bediende, was Van Zijll Langhout (zijn zoon is later ook predikant geworden en heeft vele jaren in Enschede gestaan. Inmiddels is ook hij met emeritaat).

Het allermooiste vond ik de ceremonie als de dominee de kerk in kwam. Nee, ik moet zeggen, wanneer de dominee de kerk binnenschreed. Ik zat dan met open mond te kijken, want dat maakte toch wel indruk op mij als kleine jongen. De dominee met z’n lange zwarte jas (later leerde ik dat dat een toga was) met die witte bef onder z’n kin en zwarte baret op z’n hoofd, dat vond ik toch wel heel mooi en interessant. En dan ging de ouderling van dienst met hem mee tot vlak bij het trapje van de preekstoel. Daar gaf hij de dominee een hand, terwijl hij iets onverstaanbaars prevelde.

De dominee beklom dan het trapje tot halverwege, nam z’n baret af en ‘verzonk in stil gebed’ . Hierna ging hij verder het trapje op, deed het deurtje van de preekstoel open en stapte de preekstoel binnen. En daar hing hij met een prachtige admiraalszwaai zijn baret op de houten knop, in de vorm van een arm met vuistje, die uit de achterwand van de preekstoel stak.

Die preekstoel heb ik altijd schitterend gevonden. Deze had het model van een, in mijn beleving, prachtig wijnglas, met bijzonder houtsnijwerk en met figuren op de hoeken. De platte kap boven de preekstoel om het geluid de kerk in te verspreiden, hing als een soort afdak erboven. Want in die tijd was van een microfoon en geluidsversterking nog helemaal geen sprake.

De prachtige preekstoel.

Daarna begroette de dominee met een krachtige stem de gemeente in de kerk met de woorden van het ‘votum en groet’. Deze begroeting bestond uit een vaste tekst, waar ik meerdere jaren naar heb geluisterd en die nog steeds in vele kerken wordt uitgesproken.

De woorden ervan waren: ‘Onze hulp is in de Naam des Heeren, die hemel en aarde gemaakt heeft; die trouw houdt tot in Eeuwigheid en niet laat varen de werken Zijner handen. Genade, barmhartigheid en vrede zij u van God de Vader, en van Jezus Christus onze Heere in de gemeenschap van de Heilige Geest’. Amen.

Natuurlijk snapte ik toen helemaal niets van wat ds. Van Zijll Langhout daar zei, maar het klonk wel heel indrukwekkend! En ik zat met open mond te luisteren en met grote ogen te kijken wanneer hij die woorden uitsprak en dan zijn armen in die enorme mouwen van z’n zwarte toga uitspreidde, want dan leek het net of hij zou gaan vliegen. Wat vond ik dat prachtig.

In de loop van m’n kinderjaren , toen het gezin groter werd, begon mijn moeder te kwakkelen met haar gezondheid. Ze moest nogal eens worden opgenomen in het St. Anthonius ziekenhuis in Sneek en heeft meerdere operaties ondergaan. Gevolg was ook dat onze ouders zondags niet naar de kerk gingen, maar thuis bleven. Wanneer m’n moeder weer eens in het ziekenhuis lag en het was mooi weer, gingen we met vader op onze eigen fiets naar Sneek om onze moeder te bezoeken.

Wij, als oudste kinderen gingen dus meestal alleen naar de kerk en als de dienst was afgelopen, gingen we natuurlijk naar de zondagschool. Dat was toen zo heel gewoon. De jongste klas van de zondagschool zat in de consistorie bij de kerk en de oudere kinderen moesten een stukje lopen naar het Achterom waar de zondagschool werd gehouden in een pand vlak naast het gemeenschapshuis Us Honk. Ik koester warme herinneringen aan de zondagschool. In de jongste klas hadden we een zondagschool leidster, waarvan ik de naam helaas niet meer weet. Het was een lieverd!

We kregen altijd een blaadje mee waar een tekst op stond. Zodra we als kinderen weer buiten waren, werd dat blaadje dubbel gevouwen en een heel klein gaatje op de vouwrand erin gebeten. Dan hielden we het iets opengevouwen gedeelte tegen de mond en dan maar ontzettend hard blazen. Het gaf een gillend fluitgeluid. Tegen de tijd dat we weer thuis waren, was er van het blaadje nog maar weinig over, laat staan van de tekst…….En die moesten we leren voor de volgende zondag….

De ouderengroep, die dus in het Achterom naar de zondagsschool ging, had als leider meneer Bron. Hij was ouderling van de kerk. Hij had zelf geen kinderen. Ook herinner ik me dat zijn vrouw een beetje mank liep. Wat was dat een fijne en lieve man en wat had hij een geduld met dat stelletje ongeregeld dat hem zo nu en dan tijdens de zondagsschool het leven zuur maakte. Wanneer de zondagsschool uitging, gaf hij altijd iedereen een hand.

Meneer Bron heeft, naast mijn ouders, heel veel voor mijn, toen kinderlijk, geloof betekend. Meer dan wie ook, heeft hij ons in begrijpelijke taal verteld van de liefde van God. Ik had graag nog even met hem willen praten over hoe mijn eigen leven zich later heeft ontwikkeld en welke rol het geloof daarin is gaan spelen.

1948

Wanneer ik, samen met m’n oudere broer Jannes naar de kerk ging, zaten we meestal onder het orgel in de bank tegen de buitenmuur, schuin tegenover de preekstoel. Naast ons zat dan een boer die aan de Straatweg naar Sneek woonde. Tijdens de preek, die wij als kinderen niet zo interessant vonden, viel de boer meestal in slaap en dan zakte zijn hoofd langzaam maar heel zeker voorover. En wij maar hopen dat hij met z’n voorhoofd de puntige bovenkant van de lessenaar van de bank zou raken.

Ja, dat was pas interessant. We zaten dus echt een beetje te gniffelen als het weer zover was dat hij in slaap was gevallen en het hoofd weer voorover zakte, totdat die de bovenkant van de bank zou raken. Maar…helaas, meestal vlak erboven ging zijn hoofd weer met een ruk omhoog. En wij maar weer wachten op het volgende voorover zakken van zijn kale hoofd.. En dat ging zo door totdat de dominee ‘amen’ zei, en dan was hij ineens weer klaarwakker. En wij hadden in ieder geval genoten en gegniffeld, dus een leuke kerkdienst beleefd.

Wanneer de collecte werd gehouden in de kerk, dan kwamen de diakenen langs met de collectezak (’t jildponkje) die aan een lange steel was bevestigd. Aan de collectezak waarop ook nog een letter was geborduurd, zat een prachtige kwast. Wanneer nu de diaken voorbij kwam en met de lange steel de collectezak aanreikte, hielde we soms de collectezak eventjes vast aan die kwast. En dat gaf bij ons natuurlijk weer hilariteit, en bij de diaken een wat zuur gezicht.

Mijn broer Jannes en ik hadden niet altijd zin om naar de kerk te gaan. En daar hadden we dan een creatieve oplossing voor. Vlak voordat de collectezak voorbij kwam, gingen we heel resoluut de kerk uit met een of ander smoesje aan degenen die vlak naast ons zaten, zoals : ‘we moatte nog ierpelskylje’. En héél soms was dat nog waar ook!

Maar meestal als we de kerk uitslopen, met de stuiver collectegeld nog op zak, gingen we naar het voetbalveld, waar de jeugd van vv Lemmer aan het trainen was. Dat was toch wel een stuk leuker en interessanter dan naar die lange preek luisteren. We zorgden er wel voor dat we weer op tijd op de zondagsschool waren, want anders zouden thuis de aardappelen wel helemaal gaar zijn!

Wat ik me nog herinner van het zingen in de kerk was, het zingen van de heer Gaastra, onze groenteman die aan het begin van het Turfland, nog iets vóór bakker Vonk, zijn groentezaak had in dat heel oude grote pand met de kogel in de muur. Wat een stem had die man. Het geluid van zijn stem bulderde door de kerk. En dat niet alleen, hij zong met vertraging! Als de gemeente een lied had gezongen, dan ijlde hij de laatste zin nog een tijdje na, als een soort bulderende echo, maar dan in de kerk.

Ik noemde al eerder het ‘votum en groet’ dat de dominee uitsprak aan het begin van de dienst. Daarin kwamen de woorden voor: ‘De Heer laat niet varen het werk van zijn handen’. Met m’n kinderlijke verstand dacht ik: Hoe zou de Heer dat nu toch doen. Want in gedachten zag ik het water van het Dok vlakbij de kerk, en mijmerde over het ‘niet laten varen van het werk van Zijn handen’. Hoe kan dat nou, dacht ik toen. Hoe zou de Heere zijn werk nu wel of niet laten varen. Ik snapte er helemaal niets van.

Later ben ik deze betekenisvolle woorden en belofte uit het Oude Testament gaan verstaan. Nu weet ik dat God het werk wat Hij eenmaal in een mensenhart is begonnen, nooit zal loslaten, wat er ook gebeurt. Ik heb dat in mijn eigen leven zo mogen ervaren.

De jaarlijkse kerstvieringen van de zondagsschool in de kerk waren altijd een feest. Er was dan een, in mijn beleving en herinnering, een enorme kerstboom in de kerk vóór de preekstoel neergezet. De top van de boom was vastgezet aan de steunbalken in de kerk. En in die uitbundig met kralenslingers en engelenhaar versierde kerstboom brandden dan echte kaarsen. Wow, wat was dat mooi.

Als ik dan m’n ogen een beetje toekneep, dan was het net of de boom versierd was met sterren. Vanwege het brandgevaar liep er ook altijd iemand bij de kerstboom om de bijna afgebrande kaarsjes te doven met een kaarsendover aan een lange steel. Ook het kerstverhaal, waar altijd een stuk spanning in zat, was prachtig. De juffrouw (haar naam weet ik niet meer) die dat vertelde had het talent om ons als kinderen te boeien door de manier waarop ze het verhaal doorgaf.

In de laatste klas van de zondagschool kregen we bij het afscheid een echt Bijbeltje, met zwart kaft, in de vertaling die toen gebruikelijk was: NBG 1951. De tekst die ik meekreeg en voor in het Bijbeltje is geschreven, luidt: Johannes 6: 37: Wie tot Mij komt zal ik geenszins uitwerpen. Kerstfeest 1954. Het Bijbeltje heb ik nog, al is het wel flink beschadigd.

Nu ik de naam van het water langs de Korte- en Langestreek, het Dok (verderop ging het Dok over in de Zeilroede) heb genoemd, schiet me te binnen dat ik als kleine jongen gedurende enkele zomers heb meegemaakt dat het Leger des Heils naar Lemmer kwam met hun evangelisatieschip ‘Febe’. Het schip lag tijdens die paar dagen afgemeerd aan de Langestreek. De heilssoldaten zetten dan een tent op, ergens in de buurt van de haven en hielden daar evangelisatiediensten.

Nooit zal ik vergeten dat hun muziekkorps (brass-band) door Lemmer marcheerde en dat kinderen met of zonder ouders er achteraan liepen naar de ‘tent der samenkomst’. Ook ik ging er op m’n klompen achteraan. Er gebeurde in Lemmer meestal niet zoveel, dus dit was een heerlijk en spannend verzetje voor iedereen.

Voor de kinderen was er overdag een speciale kinderdienst en voor de volwassenen ’s avonds. Maar ook herinner ik me dat er op de Schulpen een openluchtdienst was, waarbij ook de muziekkorps een grote rol speelde. En van die muziek genoot ik. Oh, wat was dat mooi. De warme klank van die brass-muziek maakte een onvergetelijke indruk op me.

Ik weet nog dat in die kindersamenkomst er een grote thermometer op het podium stond. Hoe harder we zongen , hoe hoger die thermometer ging. We zongen liedjes in het Nederlands , maar ook in het Fries. Ik herinner me het liedje: ‘Boppen is mien kroan’, maar de rest weet ik niet meer. Ook zongen we : ‘Jezus laat nooit alleen, neen, o, neen.’

In Lemmer woonde één heilssoldatengezin, dat was de familie Dijkstra die toen in de Zuiderzeestraat woonde. Twee van hun dochters zijn later officier bij het Leger des Heils geworden. Dat het Leger des Heils later in mijn leven zo’n grote rol zou gaan spelen, wist ik toen uiteraard nog helemaal niet.

Want nadat we als gezin waren verhuisd naar Enschede, ben ik een paar jaar later opnieuw in aanraking gekomen, met het Leger des Heils. Het heeft me nooit meer losgelaten, en inmiddels ben ik al meer dan een halve eeuw lid er lid van en speel ook al vele jaren (als ik niet op zee zat) mee in een LdH-brassband. Overigens heb ik dat spelen op een koperinstrument nog in Lemmer geleerd bij de christelijke fanfare ‘Crescendo’.

Evangelisatieschip ‘Febe’ van het Leger des Heils.

In mijn kinderjaren was het eerst ds. Van Zijll Langhout, als predikant van de N. H. Kerk in Lemmer. Daarna kwam ds. Plenter. Ik was, zoals ik al eerder heb geschreven zo onder de indruk van de wijze waarop de dominee daar bovenop die mooie preekstoel stond . Maar ook het voorlezen uit de Bijbel, soms uit de oude Statenbijbel die op de kansel lag, vond ik prachtig. En in mijn fantasie stond ik zelf daar boven op de kansel gekleed in die mooie zwarte toga en witte bef en preekte dat het een lust was. En zo gebeurde het dat ik als kleine jongen op de zolder van ons huis aan de Schoolstraat studieboeken van mijn vader uit een kist tevoorschijn haalde, die op de kist legde en daaruit begon te ‘lezen’ en te preken. Ik kon toen echter nog geen woord lezen, daar was ik nog te jong voor, maar toch…jong geleerd…..

Na de lagere school hield ook voor mij de zondagsschool op. Gelukkig was er de jeugdkerk, die onmiddellijk aansluit op de gewone kerkdienst. Er waren ‘echte jeugd-ouderlingen’, zoals mijn goede vriend Haye Dijkstra. En de voorganger was meneer Bron, die we ook op de zondagsschool al hadden meegemaakt. Er zaten heel veel kinderen in de kerk. En wat heb ik van die jeugdkerk genoten. Meneer Bron preekte ook echt vanaf de mooie preekstoel. Hij had de gave om, met wat hij vertelde, onze harten te raken.

Vele jaren later, na m’n carrière als loods mocht ik de studie Theologie afronden aan de Prot. Theol. Universiteit in Kampen. Ik was die lange en moeilijke studie al in deeltijd begonnen toen ik nog actief loods was in het Rotterdamse.. Van het loodsen van schepen mocht ik nu verder gaan met het loodsen van mensen.

Ik wil dit stukje eindigen met iets te vertellen over de kerktoren, waar ik mee begonnen ben.
Op zondag werd om, ik meen om negen uur, de klok van de N.H. Kerk geluid en kort voordat de dienst zou beginnen, nog een keer. Ik ging meestal al heel vroeg naar de toren en wachtte daar tot degene kwam die de klok moest luiden. Dat ging toen nog met de hand. Door aan een lang touw, waar aan het eind een dikke knoop zat, te gaan kwam de grote klok daar boven in de toren in beweging.

En je raadt het al, Leendert Bosma wilde natuurlijk graag die klok luiden. En dat mocht meestal wel. Vooral het in beweging zetten en het later weer afstoppen van de klok was prachtig. Dan ging ik aan dat touw hangen. Als de klok eenmaal in beweging was, dan ging alles heel gemakkelijk. Bij het afstoppen ging je weer aan het touw hangen als dit weer omhoog ging en zo kwam de klok weer tot stilstand. Je ging dan natuurlijk wel eerst een flink eind aan het touw mee omhoog bijna tot aan de zoldering! En dat vond ik prachtig.

In de doorgang van de toren zat, zoals ik me dat herinner, ook een kastje waarin het einde van een schietlood zichtbaar was. Dit was daar aangebracht om de verzakking van de al ietwat scheve toren in de gaten te kunnen houden. Ook ben ik een paar keer in de toren naar boven geweest met degene die het uurwerk van de toren moest ‘opwinden’. Ik meen dat hij postbode was, maar ik ben zijn naam vergeten. Dat was ook heel mooi en interessant, niet in het minst omdat je door de galmgaten over Lemmer kon uitkijken.. Hij wees me dan ook op inscripties in de balken die daar waren ingekrast door onderduikers (?) in de 2e wereldoorlog.

Herinneringen aan Lemmer (7)

Een koude winter.

Het zal halverwege de vijftiger jaren geweest zijn. Welk jaar weet ik niet meer, maar ik herinner me dat het een ontzettend koude en lange winter was. Meerdere binnenschepen lagen in Lemmer ingevroren en konden dus niet meer verder. Alle kanalen en meren in Friesland waren met een dikke ijsvloer bedekt en er werden verschillende schaatstochten georganiseerd.

In de haven van Lemmer kwam een schip aan, dat na een kouden tocht van onder tot boven met ijs was bedekt...is de tekst die bij deze oude afdruk hoort.

Maart 1955.

Ik heb zelf ook een paar tochten gemaakt. Een tocht die ik me nog heel goed herinner was zo’n vijftig kilometer lang. Heel veel mensen reden deze tocht. Ik had geen jekker aan, maar alleen een trui met een krant eronder tegen de kou. Ook om de voeten en benen stukken krant gewikkeld en Leendert was er helemaal klaar voor. Via de Rien naar het Tjeukemeer, toen bij de Brette Haene rechtsaf naar Echtenerbrug en weer terug en verder over het verbindingskanaal langs Follega naar de Grote Brekken, rechtsaf naar Spannenbrug . Daar omgekeerd en weer terug naar Lemmer.

Er stond op de Grote Brekken een stevige tegenwind en ik moest echt ploeteren op m’n houten schaatsen om vooruit te komen richting Lemmer. Plotseling haakte ik met een van m’n schaatsen in de strik van de andere schaats. Ik maakte een flinke smak op het ijs. Ik werd, voor zover ik me dat herinner, overeind geholpen door andere schaatsers. Wel ontzettend veel pijn gedaan. Toch moest ik verder en veel later dan de bedoeling was, kwam ik weer thuis met wat schaafwonden en blauwe plekken. Diezelfde winter zijn we met een groepje kinderen uit de klas naar Sloten geschaatst en hebben daar, naast de stadsgracht, het museum bezocht.

Omdat mijn vader sterk betrokken was bij de binnenvaart, heeft hij samen met anderen, voor de schippers en hun gezinnen een, zeg maar, bonte avond georganiseerd. Nou dat was natuurlijk een groot feest voor deze mensen, die meestal weinig vertier hadden in hun dagelijks bestaan. Er werd veel gevaren, maar slechts weinig verdiend. Voor zover ik me kan herinneren, speelde ook de mondharmonicavereniging ‘Chromatica’ tijdens die avond (maar, dat weet ik niet zeker meer)

Mijn vader die een talent had voor het rijmen van gedichten, heeft toen een lied geschreven voor deze bijzondere gebeurtenis. Het lied werd gezongen op de wijs van : “Aan d’oever van IJssel staat een veerhuis”.

De tekst van het eerste coupletten ging als volgt:

In Lemmer ligt een vloot van binnenschepen
Er ligt nu ijs, dus varen doen ze niet
De één is leeg, de nader zwaar beladen
Hoe lang ’t nog duurt, dat weet de schipper niet (2x)

Twee schepen die belaân met zware bomen
Die braken het ijs, maar toe ineens was ’t stop
Toen moesten er veel grote auto’s komen

Die namen toen die zware bomen op (2x)

Er waren nog enkele coupletten, maar die weet ik niet meer. Zou iemand die dit verhaal leest de tekst nog weten, dan houd ik me van harte aanbevolen.

Ik mocht die avond ook mee naar dit feestje en herinner me ook nog dat er een vraag moest worden beantwoord, waarmee een rookworst kon worden gewonnen. De vraag was: Hoe heet de keuken aan boord van een schip. Het staat me nog bij dat de moeder van Janke, het meisje dat ik al eerder heb genoemd, die superprijs toen heeft gewonnen.

Uiteraard schaatsten we ook over de Zijlroede, het Dok, onder de beide bruggen door naar de Rien en weer terug en hadden dan de grootste lol. Ik herinner me dat op de Rien in de bocht bij de brug de vrouw van schilder Poppe, moeder van Kerst, op het ijs een zware val had gemaakt en met haar hoofd op het ijs terecht was gekomen. Ze bleef daar buiten kennis op het ijs liggen. Natuurlijk een oploop van mensen er omheen. Ze is toen, dacht ik, op een brancard weggedragen naar dr. Weber aan de Nieuwburen. Blijkbaar is alles weer goed gekomen, want later kwam ik haar weer tegen in hun verfwinkel.

Zijlroede

In Lemmer was Evert de Vries al een heel bekende verschijning in de tijd dat ik in Lemmer woonde. Toen hij nog niet gepensioneerd was, verkocht hij ijsjes in z’n stalletje vlakbij het begin van de Vissersburen en later na de demping van de Rien aan de overkant tegenover het (oude) gemeentehuis.

In de winter verkocht hij allerlei snoepgoed en als er ijs lag en er kon worden geschaatst, dan stond Evert met z’n snoepkraam ergens op de Rien of op de Zijlroede. Tijdens een winter, toen er weer ijs op de kanalen door Lemmer lag, stond Evert met z’n snoepkraam op het ijs ter hoogte van de oude gymnastiekzaal. Hij deed daar goede zaken, want heel wat mensen kwamen even bij hem buurten.

Evert verkocht in z’n kraam ook van die dikke Mars-repen. Heerlijke stukken Mars met een verrukkelijke karamelvulling. Maar helaas gingen die stukken Mars aan mijn neus voorbij, want zonder centen kon je niks kopen. Ook niet bij Evert. Gelukkig was er een promotieactie voor die Marsrepen. Op elke verpakking zat namelijk een ster gedrukt. Wanneer je tien sterren inleverde, dan kreeg je een stuk Mars gratis. Dus, wie geen geld heeft moet slim zijn en Leendert Bosma en ook anderen waren dus steeds in de buurt van Evert z’n snoepkraam te vinden. Zodra iemand een stuk Mars had gekocht, vroeg ik of ik die ster mocht hebben. En zo scharrelden we stukken Mars bij elkaar. Dit tot grote ergernis van Evert, want die vond dat helemaal niet leuk om zomaar stukken Mars weg te geven. Hij probeerde ons dan ook weg te jagen en gebruikte dan woorden als: ‘Soademieterje toch op!’

Evert de Vries, op het ijs van ‘t Dok.

IJsbaan.

Er was in Lemmer ook een nieuwe ijsbaan, met verlichting, aangelegd, vlakbij de boerderij Villa Nova. Op de ijsbaan was een buitenring en een binnenring. De binnenring was alleen bedoeld voor wedstrijden en was officieel afgesloten voor de recreatieschaatsers. Op enkele plaatsen was dan ook een touw dwars over de binnenbaan gespannen om te voorkomen dat er door onbevoegden op geschaatst zou worden.

Het vervelende voor ons kinderen was, dat je om op de ijsbaan te komen, entree moest betalen. Maar ja, dát hadden wij dus niet. Dus, dachten mijn broer en ik, wie niet rijk is, moet slim zijn en een creatieve oplossing zoeken om er toch op te komen. Toen wij op een avond, het was erg donker, naar de ijsbaan mochten, zijn we niet via de ingang waar je moest betalen, maar helemaal naar de andere kant gegaan en daar de ijsbaan op gekropen. En maar net doen of we van niets wisten.

Mijn broer en ik op de schaats, maar wel op de streng verboden binnenbaan. Flink de vaart er in gezet op het prachtige ijs. Helaas hadden we niet het touw gezien dat er ergens dwars overheen was gespannen. Ik zag het net op tijd, maar m’n broer niet en hij maakte een enorme klap achterover met z’n hoofd op het ijs. Daar bleef hij een poos verdwaasd liggen. Maar hij klauterde weer op en even geheimzinnig als we waren gekomen, verdwenen we weer naar huis. Onderweg was hij behoorlijk beroerd en thuis gekomen moest hij onmiddellijk het bed in. Hij bleek een flinke hersenschudding te hebben en is er dagen behoorlijk ziek van geweest. Deze gebeurtenis heeft me lang achtervolgd en ik had er behoorlijk spijt van. Voor ons beiden was dit een goede les: eerlijkheid duurt het langst.

Weer zomer.

Gelukkig kwam, ook in Lemmer, na de koude winter weer de lente en de zomer. Het IJsselmeer bij Lemmer was ook toen al een lustoord voor waterliefhebbers. En ik hield van water. Met vriendjes zwom ik in het water van het IJsselmeer ter hoogte van de vuurtoren. Daar kon je tot ver in zee, tot voorbij de fuiken die daar waren neergezet door beroepsvissers, nog staan. Maar ook zwommen we aan het ‘einde van de dam’. Daar was het behoorlijk diep en kon je lekker duiken.

Ja, die oude vuurtoren. Daar ben ik heel vaak in naar boven geklommen. Het onderste deel van de trap was om ‘veiligheidsredenen’ weggehaald. Maar dat weerhield ons als kinderen er niet van om na enkele capriolen toch op die trap te komen en naar boven te gaan. De ruimte waar vroeger het vuurtorenlicht stond, was nu leeg. En ook werd het gebruikt als een openbaar toilet, zoveel viezigheid lag er soms. Toch was het uitzicht over het IJsselmeer en de Noordoostpolder schitterend.

Verder zwommen we veel langs de IJsselmeerdijk naar Tacozijl, bij wat toen heette de eerste en de tweede duikplank. Niet al te diep, je kon er goed staan, en heerlijk om te zwemmen en om te duiken. Daar was het ook dat ik met verbazing zag dat iemand kon drijven zonder ook maar in het water te bewegen. Het was bakker Loen, die daar rustig met gespreide armen en benen en z’n dikke buik boven het water uit, doodstil ronddreef in het water.

Ik snapte daar niks van en heb hem toen gevraagd hoe hij dat toch deed. Hij begon te lachen en zei: Nou gewoon…. Ik het dus ook proberen, maar het enige wat gebeurde was dat ik een hap water naar binnen kreeg en dat m’n benen naar beneden zakten tot ik weer grond onder de voeten kreeg. En nu, zoveel jaren later, drijf ik ook in het zwembad rond en kijken m’n kleinkinderen hoe opa dat toch doet. Of zou het dan toch aan die wat dikkere buik liggen?

’It eintsje fan ‘e dam’, nog voor de inpoldering van de NOP.

Het was aan het einde van de dam dat ik heb leren zwemmen. Poedelen in het water met grond onder de voeten, was heerlijk en niet moeilijk. Maar het diepe water trok mij niet zo erg en ik was wel een beetje bang. Toch wist ik dat het er een keer van moest komen.

En zo gebeurde het dat ik, samen met anderen, aan het einde van de dam op de houten balk van de beschoeiing zat te kijken naar voorbijvarende schepen. Naast mij doken de wat grotere jongens in het water. Dat wilde ik ook wel, maar ik durfde dat echt niet. Gelukkig werd ik een handje geholpen toen iemand mij een duwtje gaf en ik, in m’n verzet, uit balans raakte, en uitgleed op die gladde balk. En daar kukelde ik in het diepe water, ging kopje onder en kwam weer proestend boven. Maar, ineens kon ik zwemmen!

Er ging een zwemwereld voor me open en de angst was weg. Het is later zelfs wel voor- gekomen dat we van het einde van de dam helemaal naar de dijk van de Noordoostpolder zwommen, daar even uitrustten en dan weer terug zwommen. Ook wanneer er schepen, zoals bijvoorbeeld de Jan Nieveen, wanneer deze er overdag voorbij voeren, zwommen we er op af. Niet te dichtbij natuurlijk, maar je kon wel het geluid van de schroef in het water horen. Nog steeds als ik een foto zie van ‘it ‘eintsje fan ‘e dam’ moet ik terugdenken aan het moment dat ik daar in het water kukelde en leerde zwemmen.

Ook vonden we het prachtig om van de boeg van schepen, die aan de remming lagen, te duiken. Dan ging je lekker diep, soms wel tot aan de bodem. Toen de Waalstroom of de IJsselstroom daar een keer lag, klauterden wij aan boord en om van de boeg af te kunnen duiken. Dat was nog eens lekker hoog. Toen ik aan de beurt was, nam ik een duik. Maar dat ging niet goed, want ik kwam bijna plat op het water onder mij terecht. Ik had toen het gevoel dat mijn tanden zo’n beetje in m’n nek zaten. Wat deed dat zeer. Ben toen het water uitgekropen en halverwege het talud van de dijk maar eens gaan zitten om wat bij te komen.

Zo nu en dan gingen we met ons hele gezin zwemmen bij het strandje van Tacozijl. Dat was ook altijd een feest. Eigenlijk was het niet toegestaan om daar naartoe te gaan, maar het werd gedoogd. Het was voor ons een heerlijk plekje waar je lekker in het water kon ravotten. Velen wisten de weg daar naartoe te vinden.

Er lagen daar ook een paar enorme betonnen blokken waar je heerlijk vanaf kon duiken.
Voordat je bij het strandje kwam moest je langs het Ir. Wouda Stoomgemaal. Je kon dan mooi naar binnen kijken en zag dan de grote wielen draaien en hoorde het gesis van stoom. Indrukwekkend en onvergetelijk. Bijzonder fijn dat dit stuk Nederlands erfgoed nog steeds functioneert en in goede staat wordt gehouden.

Ir. Wouda Stoomgemaal Tacozijl.

74-15.jpg

Het kantoor van mijn vader.

Het scheeps-bevrachtingskantoor waar mijn vader werkte, stond vlakbij de sluis, net voorbij de kolenhandel van Gosse Wierda. Het kantoor op zich was niet zo groot, maar het pand waar het in was gevestigd, was dat wel. Later werd dan ook een deel ervan verhuurd aan aardappelhandel Pars.

De aardappels die daar binnenkwamen werden gecontroleerd, en met een speciale machine gesorteerd op grootte. Ik hoor nog het typische geluid van de schudzeven, waardoor de klei die nog aan de aardappels vast zat eraf werd geschud en de aardappels in verschillende maten in zakken terechtkwamen. Deze klei, waarin nog heel veel krielaardappeltjes zaten en waarin ook de afgekeurde, beschadigde aardappels terechtkwamen, werd naar buiten gekruid en daar achter het gebouw op hopen neergegooid.

De sluis met rechts het pand, met zadeldak en omheinde tuintje, waarin mijn vader z’n kantoor had. Later kwam de aardappelhandel van Pars er bij in.

Voor ons als kinderen waren deze bulten klei met afgekeurde inhoud, goudmijnen. Want wij gingen die aardappels eruit halen en verkopen aan de boeren in de omgeving van Lemmer. Dat bracht dus voor ons als kinderen een aardig zakcentje op. Maar het waren niet alleen kinderen die dit veevoer ontdekten.

Er was een wat oudere man die in het Waaigat woonde, die ook deze kleibulten ontdekt had en daar ook druk aan het graaien was. En als wij als kinderen na schooltijd daar kwamen en ook enthousiast begonnen te verzamelen vond hij dat niet zo leuk en meende een soort alleenrecht te hebben. Wij als kinderen dachten daar natuurlijk heel anders over. Maar die man bleef ontzettend vervelend en lelijk doen. En niet alleen daar bij de aardappels, maar ook als je hem ergens tegenkwam, begon hij te schelden.

Op een dag zagen we hem ergens bij de sluis op z’n fiets rijden en hij zag ons. En daar kregen mijn broer en ik weer een scheldpartij over ons heen. Hij moest blijkbaar bij de sluis zijn en zette zijn fiets neer tegen het hek bij het kantoor van m’n vader. Hij liep weg en de fiets stond daar onbeheerd. M’n broer en ik keken elkaar aan, overlegden even en slopen naar de fiets en draaiden de ventielen los, zodat de banden leegliepen. Wij naar het kantoor van onze pa en hebben hem het hele verhaal verteld. Hij vond het niet zo geslaagd, maar begreep het wel.

Even later kwam de man weer terug bij z’n fiets, wilde opstappen en ontdekte dat hij twee platte banden had. Wat ging die man daar tekeer, want hij voelde wel wie hem dat geleverd hadden: die twee rotjongens die hem bij de aardappeltjes ook steeds in de weg zaten. Maar wij zaten in het kantoor bij onze vader weggedoken, en konden door de vitrage alles zien wat zich bij die fiets afspeelde. Nu had de waterpolitie een kantoor een eindje verderop. Hij naar de politie, blijkbaar om daar z’n beklag te doen.

Intussen hadden wij van onze pa een fietspomp gekregen met de opdracht om als een wiedeweerga die banden weer op te pompen. Wij met bonzend hart dat gedaan en als een speer weer terug naar pa z’n kantoor. Maar daar mochten we niet blijven, want pa wilde geen ‘gedonder’.

Wij gauw de aardappelloods van Pars ingegaan en daar naar boven naar de zolder. Aan de voorkant van die zolder zaten twee ronde ramen, vol met stof en spinnenraggen. En achter die twee ramen zaten wij en konden tussen de viezigheid en het stof door precies die fiets zien.
En ja hoor, daar kwam de man hevig met de armen zwaaiend, geflankeerd met één van de waterpolitieagenten, ik meen agent Deinum, aanlopen.

En bij de fiets gekomen, wist hij niet wat hij zag. Dat kon toch niet waar zijn…….. Je zag het gezicht van de man rood worden. En aan de gebaren van de politieagent te zien, die het natuurlijk niet leuk vond om voor zoiets te moeten opdraven, kreeg hij een flinke uitbrander.
En wij beiden als kinderen lagen krom van het lachen, want tenslotte was onze naam haas en wisten we van niks.

Klaas Deinum, was waterpolitie-agent en woonde aan de Bantegastraat.

TOP