Archief van Evert de Vries (4)

Met:

  • Kerstmis
  • Kortestreek
  • Lemmer weer thuishaven schouw LE 86
  • Loodsen
  • Margrietsluis
  • Naar Medemblik
  • Oude sluis
  • P.E.B.
  • Postduif
  • Prijsuitreiking

Pake Meinze, (de vader van Evert) & Metsje Pen, (de moeder van Evert)

Kerstmis

Als we op huis aan gaan is het zowat donker. Als we op de Nieuwburen komen, branden de lichtjes in de grote kerstbomen. Het is de laatste maand van het jaar. Dat roept altijd weer weemoedige gedachten op. Ik zit alleen thuis. Anders niets te horen dan het tik-tak, tik tak van de klok, de kachel is lekker warm. Langzaam vallen mijn ogen half dicht en dan zie ik ze allemaal weer zitten bij ons thuis. Vader en Moeder, Griet, Elisabeth en ik. Koert was er nog niet, Clara, Roelofje en Janna waren als dienstmeisjes in Beverwijk en Amsterdam. Jan werkte in de rokerij en Ferdinand was bij de visserman. Vader werkte bij de tramboot maar was ook loods en bracht zeilschepen naar Amsterdam en Kampen.

Als hij 's avonds thuis is, staat hij voor het raam waar een spijker in het kozijn zit leiders te steken voor botsleep-netten (Heits hoek).

(Heits hoek)

Wij maken om de beurt de naalden vol. Dan kan vader doorgaan met knopen. Het loopt tegen kerstmis; het is avond en we zijn met ons allen thuis. Vader is aan het knopen en begint te zingen. 'Stille nacht, heilige nacht', Davids zoon, lang verwacht". Het duurt niet lang of we zingen allemaal mee. Dan ' O Dennenboom'. Ondertussen staan buiten de buren te luisteren, want het klinkt zo mooi door het Achterom. 'De herdertjes lagen bij nacht in 't veld', als dat lied uit is, is het zeven uur, het klokje van gehoorzaamheid. Het duurt niet lang dan is alles in rust. Morgen op school moet je uitgerust zijn. Ik ontwaak uit mijn sluimering en ga wat in oude verhalen lezen. Ik kom daarbij een verhaal * tegen, over hoe men in zulke feestdagen graag iets voor elkaar wil doen, daar ook wel iets voor wil opofferen, maar hoe dat soms heel anders kan uitpakken. Zodat het voor beide partijen een opoffering kan worden.

* Ergens belt een dame haar broer op, "kunnen jullie moeder deze week met de Kerstdagen nemen? Wij hebben haar met Pinksteren ook al gehad". Wat aarzelend komt het antwoord van de broer: "Ja, dat....dat is goed, maar nodigen jullie haar dan voor Oud en Nieuw uit. Wij willen op zulke dagen ook wel eens vrij zijn". Moeder neemt beide uitnodigingen enthousiast aan en zegt tegen een vriendin: "Met de kerstdagen ga ik naar Marie en Peter en met Oud en Nieuw naar Hans en Annelies. Ik zie er eerlijk gezegd wel tegen op. Voor een paar uurtjes vind ik het wel leuk, maar twee dagen is me wat teveel. Ik ben die drukte met die kleinkinderen niet meer gewend en dan kan ik toch merken dat ik een dagje ouder wordt". De vriendin bekent: "Ik zou die dagen ook liever thuis blijven, maar ik moet naar mijn zuster en zwager in Drachten. Als hij een boek of krant pakt zegt mijn zuster: "He toe nou, Herman het is Kerstmis" en dan gaat hij zitten geeuwen: ,, Nou leuk hoor". In Drachten vraagt Herman aan zijn vrouw: "Komt je zuster weer met de kerstdagen? Heeft ze nou nooit eens een ander adresje"?. Zo doen we tegen elkaar in deze tijd van het jaar

72476726a4a34a75860e707e51c341df.jpg

Kortestreek

Zondagmorgen.

Als ik in de winkel kom is het op de klok bij van der Wal, half negenen en speelt het carillon. De zon staat hoog aan de hemel en er waait een harde wind uit het West -Zuidwesten. In het Dok is het rustig, bij de brug in de luwte staan vier man en een zes tal auto’s gaat voorbij, vannacht schijnt het vrij rustig te zijn geweest.

Toch zijn de bloembakken deze nacht ook weer nagezien, wel erg. Maar wat er vorige week gebeurd is loopt de spuigaten uit, op het Rooms Katholieke deel van het kerkhof, waren bloemen verdwenen en een steen vernield. Zover is het nu dus al dat men overledenen in hun graf niet meer met rust kan laten.

We hebben een week met droog weer achter de rug, wel koud maar ook een paar zonnige dagen. Met de Pasen was het mooi weer om te wandelen. Toen ik nog ijs op straat verkocht was het de gewoonte om met Pasen te beginnen en met de Jouster kermis weer op te houden. Maar vaak als we met de Paasdagen begonnen kreeg ik bij wijze van spreken meer ijs in de bak door sneeuw en hagel, dan dat er door verkoop uit ging.

Maar deze week was het anders. Toen de Jan Nieveen in aantocht was zaten we in de zon te genieten. Ik heb de boot niet zien aankomen. Maar er wel veel over gelezen. Ook veel namen van mensen die op de Jan Nieveen voeren, kwamen weer naar voren. Een naam die ik daarbij miste was Linze de Boer. Wat die man voor de Lemsters in Amsterdam heeft gedaan is met geen pen te beschrijven. Ik had toen twee getrouwde zusters in Amsterdam wonen.

Op een morgen kwam Douwe Thijsseling, bij ons en zei "Ik heb gister een zwager van je gesproken in Amsterdam en die vroeg om eten op te sturen want ze creperen van de honger". Zo is het toen begonnen, we stuurden er zoveel mogelijk heen. Maar het was de vraag of het wel bij hen terecht kwam. Maar toen was ook daar een oplossing voor. We hoorde dat Linze de Boer wel meer eten voor Lemsters meenam, toen ik het hem vroeg was het direct breng het maar. Zo ging het de rest van de oorlog door en er heeft nooit iets aan ontbroken.

Als je tegenwoordig een aantal jaren voor een baas hebt gewerkt of een jubileum haalt als bestuurslid van een vereniging krijg je een oorkonde, een speldje, lintje of gratificatie en een bos bloemen voor de vrouw als die nog leeft. Maar wat krijgt Linze de Boer, die door het meenemen van eten voor de uitgehongerde Lemsters heeft gezorgd?

Deze week heb ik Jelle en Wiep niet veel getroffen, donderdag heb ik nog naar hen gezocht tot aan het eerste bruggetje toe, maar ben toen weer terug gegaan door Het Rienplan over de Gerben Bootsmastraat, de gedempte Rien overgestoken en zo naar de Markt. In het begin van de Schans is veel volk. Even werp ik een blik op de vroegere rokerij van De Blauw. Wat zijn we die deuren vele keren in en uitgegaan, om kistjes bokking op de kar te laden voor de tram of voor de visventers, die uit alle plaatsen uit de omtrek kwamen en dan met een kistje of wat Friesland in gingen te venten.

Er waren vaste venters bij: die kregen van vrouw De Blauw als ze moesten wachten een kop koffie met zoals toen de gewoonte was een stuk koek er bij. Als ik verder de Markt afloop valt het mij op dat er toch niet zoveel mensen zijn als het in het eerste stuk lijkt. Er is veel fruit, maar de kisten van de standwerker zitten nog vol. Bij de kippen-koopman is het wel druk. Zou dat komen van zijn wekelijkse advertentie in de Zuid-Friesland.

Zaterdag waren we weer voltallig Wiep, Jelle en ik. Met ons drieën zijn we door de straten bij de scholen gelopen en er is weer heel wat gelachen. Toen we zojuist van het kerkhof terugkwamen zijn we doorgereden naar het Friesland park, en hebben een ritje gemaakt over de nieuwe straten die daar worden aangelegd. Daar wordt veel werk verzet en Lemmer blijft zich maar uitbreiden. Dan nog even door naar de zeekant. Het eerste wat ons opviel was, dat mensen die naar het strand gingen en een fiets bij zich hadden, onder de deur van het hek moesten om op het strand te komen, die deur kan nu toch wel los nu het strand na zoveel jaren weer vrij toegankelijk is.

Deze week nog een kaartje uit de verzameling van P. van der Veen, de Kortestreek en een hoekje van de Oudesluis met een stuk van het oude Dok. Over een paar jaar wil men hier gaan herinrichten. Hoe of het ook wordt, zo mooi en rustig als op deze foto wordt het toch nooit meer. Want bomen zullen er wel weer terugkomen, en we kunnen zien hoe mooi dat kan zijn. In het Dok nog geen pleziervaartuigen maar een enkel schip. Voor de toren zien we nog de tweeling-huisjes, die het veld hebben moeten ruimen voor het verkeer.

Op de plaats waar Noppert een winkel met bovenwoning bouwde, zien we hier nog het huis van Euverman. Verder is dit hoekje nog vrij herkenbaar. De winkel van Gorter is hier nog een woonhuis, maar de bovenste helft is bijna gelijk aan wat er nu nog is. Wat ook nog gelijk is zijn beide torens. Die van de Hervormde kerk is de laatste jaren grondig gerestaureerd maar die van de Katholieke kerk moet volgens de berichten op het ogenblik erg gammel zijn. Het is te hopen dat daar een oplossing voor gevonden wordt, want zonder zijn drie torens zou Lemmer Lemmer niet meer zijn. Dat de vuurtoren verdwenen is is al erg genoeg, laten we er met elkaar er voor zorgen dat er niet meer verloren gaat in Lemmer.


Lemmer weer thuishaven schouw LE 86

Oosterzee

Als je op de grootste tankers alle wereldzeeën bevaren hebt, als je de proefvaart van de Lepton hebt meegemaakt, heb je dan nog interesse voor een oude schouw? Een schouw van 9.35 meter lengte, die met die lengte wel vijf keer in de breedte van die Lipton zou passen. Als die interesse er wel is moet zo'n schouw wel een bijzondere betekenis voor je hebben.

Die bijzondere betekenis heeft de schouw LE 86 voor Marten de Haan, uit Oosterzee. Het is de schouw die zijn vader Jan de Haan in 1930, ook het geboortejaar van Jan de Haan, in Terherne liet bouwen. Dat een visserman met een groot gezin zo'n schip kon laten bouwen, was te danken aan een erfenis van twee tantes die hij ontvangen had.

Zeilklaar bedroegen de bouwkosten achttienhonderd gulden, de hele erfenis verdween in het schip, maar de familie de Haan had een eigen boot op het water. Het werd een echt familieschip want alle zonen uit het gezin hebben met de LE 86 met hun vader de visserij bij Lemmer beoefend. Geen wonder dat in de oorlog, toen voor de registratie van de Duitsers, naast het zeil-teken ook een naam gevoerd moest worden, gekozen werd voor de "Zeven Gebroeders". Van die broers is alleen Marten nog in leven.

De LE 86 bleek een snelle zeiler te zijn. In de verslagen van zeilwedstrijden in 1946 en 1953 die we de afgelopen weken memoreerden, kwamen we hem bij de winnaars tegen, toch was de snelheid soms nauwelijks genoeg om in de oorlogsjaren voor "spertijd" binnen te zijn.

Ook voor Jan de Haan kwam er een einde aan de IJsselmeervisserij. In de zestiger jaren werd het schip verkocht, de prijzen waren gestegen en de opbrengst van ƒ 5000,- was meer dan de bouw kosten 30 jaar eerder hadden bedragen. Toch was het maar net genoeg om alle kosten te betalen. Geen wonder dat de vroegere eigenaar de LE 86 met tranen in de ogen op het eindje van De Dam nastaarde.

In de jaren die sindsdien verliepen heeft de schouw verschillende eigenaren en thuishavens gehad o.a. in Urk en Makkum. Sinds een paar jaar is Hans v.d. Meide, tandarts in Midsland op Terschelling, eigenaar. Na Willemstad in Brabant ligt het schip nu in Gorkum waar de motor nagekeken wordt.

De bedoeling is dat de eigenaar samen met Marten de Haan en Henk Kampermans op 18 september naar Gorkum gaat om de schouw naar Lemmer te halen. Hun eerste doel is dan Spakenburg waar de mast zal worden opgezet, die is nu wel aan boord maar men wacht met opzetten tot verschillende bruggen waar men onder door moet, gepasseerd zijn.

Het IJsselmeer wil het drietal zeilend overkomen om dan omstreeks de 21-ste met de kampioenwimpel in de top Lemmer in te lopen. Van der Meiden wil het schip zoveel mogelijk in de oude staat terug brengen. Het schijnt dat er nog niet al teveel veranderd is.

Omdat deze tandarts de voorkeur geeft aan zeilen op het IJsselmeer boven toch de ruwere Waddenzee, wordt Lemmer in de toekomst weer de thuishaven voor de schouw LE 86.

Zie ook:  Friesscheepvaartmuseum.nl


Loodsen

Toen Lemmer nog aan de Zuiderzee lag, was het wat het aantal in en uitgaande schepen betreft, de drukste Zuiderzeehaven. De scheepvaart zorgde voor een goede drukte in Lemmer. Al die schepen moesten worden overgebracht door loodsen, toen nog sjouwerman genoemd.

Van de mannen, die de schepen naar Amsterdam Kampen enz brachten noem ik hier Hans Vlig, Marten Rottinè, Jan Scheffer, Jan Hottinga, (deze verkocht ook Groninger mosterd voor 1 a 2 cent per lik) en de broeders Evert, Koert en Meinze de Vries. Over deze laatste drie wil ik wel eens wat vertellen.

Evert was de jongste getrouwd met Jantje Bergsma. Ze hebben hoe slecht de tijden ook waren 13 kinderen groot gebracht. Evert mijn oom was een man uit een stuk, hij zei precies wat hij dacht. Hij heeft misschien wel 20 baantjes gehad. Nooit was hem iets te zwaar en bij de schippers was hij zeer gezien.

Koud was hij nooit, hij liep meestal met een trui met een vest er over heen. Als hij de wacht op de ijsbaan had, was er geen jongen die op de baan durfde te komen. De meeste van hun kinderen gingen naar Amsterdam en Zeist, waar ze het allemaal goed gemaakt hebben. Op latere leeftijd zijn enkele weer de kant van Lemmer op gekomen.

Oom Koert was getrouwd met Anna ter Heide. Deze kwam uit Kuinre, uit hun huwelijk waren 4 jongens en 5 meisjes geboren. Oom Koert bracht veel schepen over de Zuiderzee. Een van de jongens Jan, is met het scheepje varen in de Lemster Rien verdronken. Ook zijn zoon Meinze is later als loods werkzaam geweest. Hij is op de Oranje sluizen aan een hartaanval overleden.

Ook zijn zoon Karst, nu in Suderigge, bracht veel schepen over. Gisteren hoorde ik van zijn zuster Hendrikje dat hij op het ogenblik in het ziekenhuis in Sneek ligt. De andere dochters wonen in Holland. Roelofje en Metje zijn inmiddels overleden.

Nu over mijn vader Meinze de Vries. Deze was getrouwd met Metje Jan Jans Pen. Zij kregen elf kinderen. Mijn moeder stierf op 23 maart 1913. Zodat mijn vader op 46 jarige leeftijd met de negen kinderen, die toen nog in leven waren achterbleef. Dat is een zware weg voor vader geweest. Toch zijn wij met ons drieën  -die nog in leven zijn- trots op de goede wijze waarop vader ons heeft groot gebracht.

Het tarief voor het weg brengen van een schip naar Amsterdam was zes gulden. Dit kon heel verschillend verlopen. Met een mooie wind was het karwei soms wel eens in een dag geklaard, maar vader heeft ook wel eens 14 dagen met een schip onder Schokland gelegen als ze door storm overvallen werden.

Op het laatst vroeg de schipper of vader niet met een Lemster visserman mee terug kon, omdat hij vader niet langer de kost kon geven, hij kwam toen zonder een cent terug en wij moesten ons maar zien te redden. Gelukkig hadden we bij de winkels wel credit als er weer wat verdiend werd konden we het weer afbetalen. Zo ging dat toen

Hierbij nog een foto, gezicht op de Lemster sluis en binnenhaven. Voorop de foto mijn beide ooms, links Koert en daarnaast Evert, op de achtergrond zien we links Jan Scheffer, met naast hem de schipper van de motor. Zij hebben de motor en het schip vast gezet. dat leverde meestal elk een kwartje op. Om dan deze 50 cent te verdelen werd af-geteld, een van de mannen draaide zich om en noemde een getal, bij voorbeeld 11 er werd dan afgeteld wie dan nummer 11 en 12 troffen, kregen elk 17 cent voor nummer dertien was 16 cent over.

Gezicht op de Lemstersluis en binnenhaven. Voorop de foto: links Koert de Vries, daarnaast Evert de Vries (de ooms van Evert de Vries van de bakkerij), op de achtergrond zien we links Jan Scheffer, met naast hem de schipper van de motor.


Margrietsluis

Zaterdag, de stoppen zullen heus niet doorslaan bij het verwijderen van enkele stoppers, schreef Hillebrand Lemstra, aan het eind van zijn artikeltje als reactie van mijn verhaaltje van 4 November. Je moet een beetje in de krantenwereld bekend zijn om deze zin te begrijpen. Elke krant is altijd precies vol. Dat komt niet omdat alle medewerkers op de letter af weten hoe veel ruimte de redactie beschikbaar heeft, maar omdat er altijd wat stoppers op voorraad zijn.

Algemene berichten die wel eens geplaatst kunnen worden maar niet zo aan tijd gebonden zijn. Op pagina 19 van vorige week staan er een paar voor beelden van. Onderwerpen waarvan je je afvraagt wat die in de Lemsterkrant moeten. Het heeft niets met nieuws uit Lemsterland of omgeving te maken, maar zulke stoppers zorgen er wel voor dat de krant altijd weer vol komt.

De reactie van Hillebrand, riep bij mij ook weer de nodige herinneringen op. Hij heeft het over bakkersvrouw Aukje Koopmans, die op de Visserburen met de schepen mee liep of soms draafde (op in Fotteldrafke zoals wij het in het Fries noemen) Goed omschreven maar onder die naam kende ik haar niet. Voor mij en bijna iedereen die bij de centrale bakkerij betrokken was, was zij Tante Aukje. Zo goed als haar man voor ons Omke Pieter, of meestal kortaf Omke was.

Dat deze mensen zo werden omschreven en aangesproken kwam omdat er niet alleen zakelijke banden maar ook verschillende familiebanden door het bedrijf liepen. Pieter Frankema, de opvolger van Koopmans, was een zoon van een broer van Aukje. Door hem en zijn gezin hoorden we hun dus als Omke en Tante aan te spreken. Van de andere kant hoorde we hetzelfde van de kinderen van Jan Koopmans, die bij de bom bij de sluisput omgekomen broer van Pieter.

Zo werden deze namen ook voor de andere medewerkers de gebruikelijke manier van aan spreken, dat gold ook voor de familie Loen. Ook twee broers in hetzelfde bedrijf. Door de kinderen van Hendrik Loen werden Lex en zijn vrouw voor iedereen Ome Lex en Tante Johanna. Omgekeerd ging dit niet helemaal op. De vrouw van Hendrik werd wel Tante Koos genoemd maar ik heb nooit iemand over Ome Henny horen spreken. Misschien bekte dat wel niet zo goed.

Dan hadden we in de banketbakkerij Menno van der Hoff. Zijn oudste dochter Afra verzorgde een jaar of vijf de boekhouding. Door haar werd Van der Hoff ook voor ons Papa. Op dezelfde manier wist iedereen als er over Pake gesproken werd dat daar mee mijn grootvader bedoeld werd. Maar een andere Pake, Haveman werd alleen door zijn kleinkinderen zo genoemd. Voor de andere was hij âlde Haveman. Dat zal wel gestamd hebben uit de tijd dat hij en zijn zoon Henny beide aan het bedrijf verbonden waren.

Dat brengt mij dan weer terug bij wat ik ook eens schreef over de bakkers die je vanaf de brug met een steen kon begooien. Hoe is het mogelijk dat ik Haveman daarbij vergat. Misschien wel omdat een steen vanaf de brug gegooid op de markt wel altijd doel moest treffen. Een fout die ik mezelf maar moeilijk kan vergeven. De contacten van mijn familie met die van Havemans zijn immers al heel oud, en ook nu is er nog wel eens een telefoontje tussen mij en de vrouw van Henny in Heerenveen. Bij het overlijden van vader kwam zij zelfs nog even op bezoek.

Hillebrand Lemstra, noemt ook de melkventers uit vervlogen tijden. Ook voor mij geen onbekende. Een heel andere volksstam dan onze bakkers. Zij waren voor en na het venten op de Gedempte gracht te vinden bij het "molkehokje". Daar werd de melk uit Oosterzee aangevoerd en onder leiding van Andries Eilers verdeeld.

Hoe vaak heb ik thuis niet horen zeggen: "Hwat wie der fan ’e moarn wer in rûzje by it molkehokje". Toch kregen deze mensen tenslotte klaar wat de bakkers nooit is gelukt een wijkverdeling. Wij kwamen nooit verder dan praten er over maar bleven door elkaar venten. Vijf bakkers van hetzelfde bedrijf in de Parkstraat was geen uitzondering. Het resultaat is dat van al onze ventwijken niets meer over is, terwijl er nog wel de rijdende winkels zijn, die we in feite moeten zien als de overblijfsels en opvolgers van de vroegere melkventers.

Beide beroepsgroepen hadden gemeen dat zij graag probeerden om wat handel bij de schippers te doen. Niet alleen zoals Hillebrand Lemstra, al beschreef ’s Morgens voordat de vaste klanten bezocht werden, maar ook wel ’s middags na afloop van die rit in de hoop nog wat restanten aan de schippers te kunnen slijten.

Er kwam een omslag in die handel. Voor mijn gevoel heel lang geleden- het zou nog wel eens voor de oorlog geweest kunnen zijn - viel het besluit dat het nieuwe kanaal niet bij Stavoren maar bij Lemmer in het IJsselmeer zou uitmonden. De vlaggen gingen uit omdat Lemmer deze slag gewonnen had. Dit zou onze redding worden na de teruggang van de visserij als gevolg van de afsluiting van de Zuiderzee.

Toen de vaarverbinding na verloop van vele jaren uitgevoerd werd, viel het tegen. De afstand naar Lemmer was te groot. De provincie wilde ook niet te veel handelaren op de sluis. Voor de melkhandel kregen de broers Roel en Siemen Hoekstra toestemming. Van de bakkers werd het Pieter Frankema, zij kregen een winkeltje op de Prinses Margrietsluis, waar zij om beurten aanwezig waren.

Toen Frankema zijn bakkerszaak verkocht had, gingen de Hoekstra’s verder met de inmiddels vrij uitgegroeide handel. Totdat de provincie besloot dat het afgelopen moest zijn met deze soort verkoop. Er kwam toen een ark nabij de sluis te liggen. Dit sloeg niet aan bij de schippers, die de oude toestand hadden willen behouden. Hun oude bekenden waren vervangen door mensen uit de omgeving van Amsterdam die daar een jachthaven beheerd hadden. Beste mensen, maar de meeste schippers wilde hun reis zo vlak voor of na de sluis er niet voor onderbreken. De Ark was dan ook weer snel verdwenen.

Ondertussen zijn er al weer heel wat jaren verstreken en bij de Margrietsluis is ook weer het nodige veranderd. De brug over het kanaal is vervangen door een hogere en met de gratis passage is dit nu de grootste concurrent voor de doorvaart door Lemmer voor de pleziervaart geworden. Het is nu maar de vraag wie of indertijd de meeste reden hebben gehad om de vlag uit te steken de winnende Lemsters of de verslagen inwoners van Stavoren.

Hierbij een afgebeelde foto van sluis en brug - in 1952 verstuurd- is in mijn ogen nog niet echt oud, maar toch is het voor een deel een opname van iets dat alweer tot de historie behoort.


Naar Medemblik

12 april 1926 viel op een doordeweekse dag, het was de verjaardag van mijn zuster Liesbeth. ,,Vanavond met de hele familie gezellig bij elkaar, een grote pan met chocolade melk, misschien zelfs een stukje koek erbij", mooi gedacht, maar voor mij kwam het anders uit. Ik werkte toen in de rokerij en moest 's middags om 4 uur naar de haven naar Gauke en Poppe Bootsma en de Vollenhove 64, om haring.

Het was erg stil op de haven. Het grootste deel van de vloot was voor de ansjovisvangst naar Medemblik. De Bootsma's hadden ook haast, er werd hard gewerkt om de haringnetten aan wal te krijgen en de ansjovisbeug over te nemen. Zij telden de haring en ik bracht ze in de kar. Terwijl we daar mee bezig waren, kwam Laurens de Rook er aan met Jan Rottiné. Wat zou dat betekenen? Nu ik moest met Eelke de Vries met de 'Judith' de botter van de Rook, met een vracht lege tonnen naar Medemblik, iets waar ik niet veel trek in had.

Jan Rottiné, moest mijn werk overnemen. De klok sloeg half vijf. Vlug naar huis, wat kleren in een doosje en naar de sluis, waar Eelke de Vries al klaar lag. Aan boord gesprongen, de zeilen gehesen en de haven uit. Buiten de haven was het zonnig en met een matige Oostenwind, de fok te loevert, ging het avontuur beginnen. De wind wakkerde wat aan en voor de wind hadden we de Friese kust al gauw uit het oog verloren. Ik zag dat aan de achterkant het water over de botter sloeg. Ik was er niet erg gerust op; hoe dichter wij bij Medemblik kwamen, hoe holler de zee werd. Gelukkig kwamen we om 8 uur zonder ongelukken binnen.

De haven lag vol aken en botters uit alle Zuiderzeehavens, waaronder veel Lemsters. Al gauw had ik contact met mijn Lemster vrienden Jaap en Sake Wouda en Johannes Wijnands. Wij hebben er toen maar een gezellige avond van gemaakt. De volgende dag moesten wij vanaf Medemblik naar Kolhorn met lege tonnen. De wind was gaan liggen zodat wij de haven uit moesten bomen. Met de vloed mee dreven wij langzaam in de richting van Kolhorn. De zon scheen heerlijk en de meeuwen krijsten om ons heen om voedsel te zoeken. Wij zouden zo langzamerhand gaan eten. Eelke zei, dat er nog een dikke paling in de bun moest zitten. Die gingen we vangen. Een la vol as werd in de bun geleegd en toen hadden we hem ook meteen schoongemaakt en gefileerd, toen kwam de paling met een half pond vet erbij met de aardappelen in de koekenpan en toen maar bakken. Toen alles gaar was, werden paling, vet en aardappelen gestampt. Ik heb van mijn leven nog nooit zo heerlijk gegeten.

Intussen was er aardig wind gekomen en al gauw bereikten wij Kolhorn waar wij de lege vaten losten en er volle met ansjovis voor in de plaats kregen. Het ging nu weer op Lemmer aan. Na een voorspoedige reis waren wij weer in de thuishaven. Gelukkig was Rienk Rienksma, inmiddels weer beschikbaar voor deze reisjes en kon ik aan de wal blijven. Zulke zeereisjes lagen mij niet zo erg, ,,geen passend werk" voor mij zoals men tegenwoordig zegt, maar weigeren durfde je zoiets niet, want uitkeringen waren er toen niet! Dat was dan mijn reis met de Judith.

Lemster vissers in Medemblik. Dit is een foto uit een fotoboek van oud Medemblik. De foto is genomen zo tussen 1920 en 1925 en de vissers die de ansjovisnetten overhalen zijn Lemster vissers. Ik moet me al erg vergissen als dat Uilke en Anne Visser niet zijn. Het kan ook broer Henny zijn. De gezette heer vooraan met een kruisje is Andries de Jong (Pippie) van de LE 42. Die met de pet links naast de boom is Wiebren Visser (Wiebren van Kleis) (een kruis boven zijn hoofd). Bij de linkse boom met 'n hoed is Dries de Vries. Ook de man die naast Uilke staat was een goede bekende van de Lemsters, Chris van Doorn. De foto is genomen aan de Oosterhaven dicht bij de visafslag.

Lemster vissers in Medemblik. Dit is een foto uit een fotoboek van oud Medemblik. De foto is genomen zo tussen 1920 en 1925 en de vissers die de ansjovisnetten overhalen zijn Lemster vissers. Ik moet me al erg vergissen als dat Uilke en Anne Visser niet zijn. Het kan ook broer Henny zijn. De gezette heer vooraan is Andries de Jong (Pippie) van de LE 42. Die met de pet links naast de boom is Wiebren Visser (Wiebren van Kleis) Bij de linkse boom met 'n hoed is Dries de Vries. Ook de man die naast Uilke staat was een goede bekende van de Lemsters, Chris van Doorn. De foto is genomen aan de Oosterhaven dicht bij de visafslag.

Detailfoto van bovenstaande


Oude sluis

Nu dan maar eens een kaart van Oudesluis en omgeving die in 1936 uit Lemmer naar Munnikenburen werd verstuurd. We zien hier op de linkerkant een deel van de vroegere Andringastate. Het gedeelte dat door Mevr. De Vries werd bewoond, later de winkel van Expert-Bijlhout. De bakkerswinkel van De Haan, met reclame van Ringers aan de muur. De drogisterij van Boonstra met de steen van de watersnoodramp van 1881. Nog altijd moeten we Siemen v.d. Wal, dankbaar zijn dat hij die steen uit het puin heeft gered en gezorgd dat die weer in de nieuwbouw van de Amro Bank werd geplaatst.

Op de hoek van de Schulpen en Oudesluis, de sigarenzaak van Propsma die meteen schippersbeurs was. Daarnaast de bakkerij van de familie Oldendorp en het pand van Beljon. Toen waarschijnlijk nog als fietsenzaak. Dan de bakkerswinkel van Van der Geest en het pand van steenkolenhandel Wierda. Duidelijk is te zien dat het daarvoor nog breder was. De Tijsselings zouden wel willen dat het nog zo was, dan hadden zij ruimte voor een groter terras.

In de oorlogsjaren werd de doorvaart daar verbreed. Opdat de schepen van de bezetters meer ruimte zouden hebben. Hun nakomelingen hebben daar nog iedere zomer genot van. Van de Kortestreek is de hoek van de smederij van Van Putten te zien met daarnaast het gymnastieklokaal en de ULO school. Aan de waterkant de oude muziektent, de voorganger van de tent die later aan het eind van de straat werd gebouwd. Het huis van Th. Visser, de tegenwoordige SNS Bank, is nog net te zien.

Aan de andere kant van de Oudesluis al weer een bakkerszaak, die van Loen. De doorvarende schepen met vaak grote gezinnen waren graag geziene klanten. Geen wonder dat de bakkers zich het liefst rond de vaarweg vestigden. Er werd dan wel eens gezegd dat je vanaf de bruggen een stuk of acht bakkers met een steen kon raken. Immers even verderop de Kortestreek was dan nog De Bruin te vinden, vooraan in de Schans Jan Koopmans, aan de Vissersburen zijn broer Pieter Koopmans en hier vooraan op de Nieuwburen mijn Grootvader, Johannes Schirm.

Naast de bakkerij van Loen staat nog een hokje. Naar ik meen was dat in het verleden het onderkomen van de nachtwachten. In later jaren werd dit gebouwtje voor 50 gulden door Hendrik van Loen van de Gemeente Lemsterland gekocht. Voor een beter uitzicht en een wat groter tuintje. Dan zien we Noppert's bazar, een zaak waar praktisch geen nee te koop was. Op de hoek van de sigarenzaak van Piet Zwart, met de toepasselijke naam "t Hoekje" Daar kon men ook terecht voor sportartikelen. Dat zal in die jaren wel hoofdzakelijk het tenue van de V.V. Lemmer zijn geweest en misschien een paar voetballen.

Voor de deur van Zwart loopt iemand met een viskar. Dat lijkt mij Andries Visser (Panne) op weg naar zijn standplaats naast de brug op de Schulpen. Op de voorgrond het brugwachter-hokje met wat mensen er omheen. De beide mannen aan de waterkant zouden wel eens twee van de gebroeders Rottiné kunnen zijn. Aan de walmuur hangt een ladder om gebruikt te worden voor het geval er eens iemand te water zou raken. Men was toen nog beter op een ongeval voorbereid dan tegenwoordig, want vorige week hoorde ik dat bij de brug helemaal geen reddingsmiddelen voorradig zijn.

De brug is nog de oude Blokjesbrug die uit twee kleppen bestond. Aan de mechaniek van die brug mankeerde nog al eens wat en Van Putten was daar de vaste onderhoudsman. Vaak heb ik de opmerking gehoord dat de man daar wel van kon bestaan. Geregeld werk voor de Gemeente, mooier kon het immers haast niet.


P.E.B.

Het is in de twintiger jaren. Op de klip bij de Blokjesbrug zit Steven Visser in de voorjaarszon. Er stopt een motor bij hem, en de man die er afstapt vraagt of er ook nog mensen zijn die werk zoeken. Hij kan namelijk twee man gebruiken om bij het P.E.B. te werken, maar er zijn op dat moment geen werklozen te vinden in Lemmer. Visser weet dat er bij het stoomgemaal nog twee jonge mannen aan het spiering vissen zijn.

Dat waren Wiebe Feenstra en ondergetekende. Even later stopt de motor vlakbij ons, de motorrijder kijkt even naar het vissen, en vraagt ons dan of we bij hem aan het werk willen. Het is wel even een moeilijk besluit te nemen, want wij vangen juist mooi wat spiering. Vast werk is overigens ook wel wat waard.

De afspraak word gemaakt dat we tegen de avond uitslag zullen geven. Het stoomgemaal draait nog, maar de wind gaat naar het oosten. Als het gemaal word stop gezet trekt de spiering naar zee terug, het is met onze goede vangsten gedaan. We besluiten dan maar om het werk aan te nemen.

De man heeft ons zijn adres gegeven hij is in de kost bij Siebe Kooistra, op de Vissersburen. Wij zoeken hem op en worden het al gauw eens over de voorwaarden. De volgende ochtend moeten we om 7 uur bij het transformatorhokje zijn bij de brug van het stroomkanaal. Om 7 uur waren we op het werk geen mens te zien. Het werd half tien voordat onze werkgever verscheen.

Morgen mannen dus jullie waren er al, ja om zeven uur waren we er al. Daar kun je dus twee en een half uur voor op schrijven, was het laconieke antwoord. Er lag een haspel. We kregen opdracht om die naar Lemmer te rollen, daar konden we zeven gulden voor rekenen. Dat was het voor de eerste dag. Morgen maar weer verder, was het parool.

Zo'n gemakkelijke baas hadden we nog nooit gehad, we zagen hem bijna nooit. Hij zat liever bij zijn kostbaas. Wij hebben dit werk een paar maanden gedaan. Toen werd het weer druk op de rokerij en daar voelde we ons beter thuis, dan achter de massapost en in het grondwerk. Zo eindigde ons werk bij de P.E.B.

Enkelen jaren later, ik was toen aanvoerder bij Lemmer 11, stelde ik mij voor aan de scheidsrechter. Wie was dat? Hartman, de man waar wij bij gewerkt hadden, het eerste waar hij naar vroeg was het gezin Kooistra, waar hij in de kost was geweest. Ik kon hen vertellen dat de familie Kooistra uit Lemmer waren vertrokken.

Foto van Merten en Sjoukje de Vries de Jong. Het is bij het verdeelstation van de vroegere P.E.B in de buurt van het Pasveer waar nu de gemeente zit.


Postduif

Na 6 jaar elders, waarschijnlijk in het westen van ons land, te hebben vertoefd, is zaterdag 21 maart 1981 doffer 31, een dood gewaande postduif van de gebroeders Johannes en Klaas Visser uit de Schans, op de oude stee teruggekeerd.

De doffer deed in 1975 mee aan een door de Friese afdeling georganiseerde vlucht uit de ca. 500 Km te zuiden van Lemmer gelegen Noord Franse stad Saint Dizier. Volgens Klaas Visser werd die vlucht voor vele Friese postduiven houders een rampvlucht, vele duiven keerde niet terug naar hun hokken.

De negen jaar oude doffer 31 werd op het dak van de Familie Visser in de Schans ontdekt door Johannes Visser en wel 's middags om half één. De broers zouden eieren zoeken, toen Johannes nog een duif op de nok van het dak waarnam. Hij waarschuwde zijn broer, dat die nog een duif zou hebben buiten gelaten.

Broer klaas was er van overtuigd alle duiven binnen te hebben. Toen beide broers de duif observeerden, vloog hij weg in de richting van de Roomse kerk, maar keerde onmiddellijk terug en vloog zo het hok in. Hij ging regelrecht naar de voerbak. Hij had honger als een wolf, vertelt Klaas Visser, die vermoedt, dat de vogel uit een hok in Holland is ontsnapt.

Hij zegt zeker te weten, dat de duif zes jaar geleden in een kweekhok heeft gezeten, omdat de duif zo'n mooie verenpartij had. Hij moet goed voldaan hebben als kweekduif, want anders houd je zo'n duif geen zes jaar, concludeert de Heer Visser, voor wie de 31 altijd al een beste was. Ook de vader van deze doffer was van een goed soort.

Doffer 31 vond ondanks het feit dat de gebroeders Visser tussentijds verhuisden van het Achterom naar de Schans, zijn hok terug. Het huidige onderkomen van de familie Visser aan de Schans was de doffer trouwens niet onbekend, want zij zat daar, toen ze nog in Lemmer verbleef, regelmatig op het dak.

Johannes Visser raakte in 1975, net als zijn broer ook een duif kwijt, die deel nam aan de vlucht uit Saint Dizier. Deze duif werd een jaar na de vlucht ontdekt in Zutphen, en toen door Johannes opgehaald. Het komt vaker voor dat een postduif een jaar of twee jaar weg blijft, maar na zes jaar afwezigheid zelf weer naar de oude baas terug vliegen is een zeldzaamheid.

Johannes Visser met de doffer 31.


Prijsuitreiking

Nu ik zo naar buiten kijk, staat de zon hoog aan het gewelf en er is een mooie Noord-Oosterkoelte. Deze week was ik op een avond weer aan het zoeken naar een geleende foto die verdwenen is nadat ik hem een speciaal plaatsje had gegeven. Al mijn zoeken was voor niets. Wel vond ik een verhaaltje dat ik eens op papier heb gezet maar niet heb laten plaatsen.

Het speelt in de tijd dat ik nog volop in de handel zat van vis en ijs. Dan was je 's morgens in weer en windt al vroeg op weg. Het was op een vrijdag avond om zeven uur, wij mijn neef Andries en ik, hadden het viskarretje net gevuld, zodat ik de volgende morgen om half zeven meteen op weg kon naar Echternerbrug.

Evert samen met zijn viskar

Er werd op de deur geklopt, die toen op slot zat."Eist der noch yn"? "Bis tou dat Jurgen, kom der maryn" It sit sa, vertelde Jurgen "ik sit mei een soadsje spierrings mar sûnder iis, ik tink Evert kin my der miskien van ôf helpe. Moandei binne se net mear tot forkeapjen. Kinst se foarritselde jild net fan my oernimme"?

Ik overlegde even met Andries want als het door ging moesten ze 's avonds nog schoongemaakt worden en in de pekel gezet worden. Toen zei ik tegen Jurjen dat hij ze wel kon brengen. Toen hij ermee kwam was er tweehonderd en negen pond spierring. Ik haw der ƒ 17.40 foarbitelle zei Jurjen, hjir is tweintich goune en sa litte wy it mar.

Een tobbe met water, de spiering daarin uitwassen en toen de koppen en de grim er uit en de rest in de pekel, zo was het elf uur geworden voor we thuis kwamen. Zaterdag morgen vertrok ik om zes uur naar Echternerbrug, eerst bij een paar boeren langs te venten, een beker melk met een stuk koek erbij, en dan naar Echternerbrug naar de Fabriek van Schuitmaker, daar is het net schafttijd en het weekloon word meteen uitbetaald iedereen kocht wat vis en ik ging uit verkocht naar huis.

Als ik 's middags het eten op heb en in de visbakkerij kom heeft Andries de vis en de schalen klaar staan, zodat ik zo kan beginnen te bakken. Maar eerst ga ik Jan Bergsma vragen, er waren toen geen officiële omroepers meer of hij voor mij kon omroepen "Foar dy altyd" zegt Jan. Zo zijn we al vroeg aan het bakken.

Als Jan van het omroepen terug komt zeg ik dat er nog geen mens is geweest, niet zo erg pak mij maar wat spiering in, en geloof mij maar straks vreten ze jou er nog bij op. Zo is het ook uitgekomen om zes uur was alles uitverkocht. Dit was de laatste keer dat een omroeper door ons dorp kwam.

Maandag een zwakke oostenwind bewolkt en nevelig. 's middags tref ik voor de deur mevrouw Argricola, waar ik even mee praat. Toen wij nog met ons drieën liepen trof ik haar vrij geregeld omdat we dan bij haar voor de deur langs kwamen. Dinsdag kwam er een brief uit Groningen van Jennie Hof. Ik schreef laatst dat ik mij haar herinnerde als werkend bij Piet de Blauw, zij omschreef in haar brief hoe zij op verschillende kantoren in Lemmer gewerkt heeft waarbij zij ook lange tijd bij Wiero Sterk op kantoor zat. In die tijd rekende ik alle weken de vis die ik gekocht had met haar af.

Van Marten Haagsma, kreeg ik de bij gevoegde foto of eigenlijk een kranten knipsel, van de prijsuitreiking van een vlucht van postduiven vereniging de Snelle wieken, van uit Bordeaux over een afstand van 1100 km. Voor deze grootste en zwaarste vlucht die de vereniging organiseerde volgens de berichten op de achterkant zal het in de jaren 50 zijn geweest had dokter Van der ham een prachtige beker beschikbaar gesteld. Hier zien we dat hij die uitreikt aan de winnaar Bram de Jong. Zijn duiven waren 1e en 4e geworden, terwijl de vogels van K. Scholten en W. de Jong de 2e en de 3e plaats in namen.

Twee bestuursleden van de Snelle wieken zijn bij de uitreiking aanwezig , Geheel links Sjoerd de Wreede, Dokter Ham, Bram de Jong en geheel rechts Cor Visser. De Foto is gemaakt door Hollander.

TOP