Archief van Evert de Vries (3)

Met:

  • Gedachten bij een oude foto
  • Gedicht van de Afsluitdijk
  • Hardrijderij
  • Haring in het zuur
  • Het eerste bruggetje
  • Historisch overzicht Lemmer
  • Historische schaatstocht, de oude Lemmer
  • Houtmolen brand
  • In Wouda's meel
  • It witte hûske

Gedachten bij een oude foto

In de Zuid-Friesland van 20 september zag ik een foto van de Schans "doedetiids" uit de collectie van Jouke Wagemakers. Geïnteresseerd in alles wat oud Lemmer betreft, zag ik hierop veel bekende zaken. Waarvan ik iets op papier wil zetten. In het eerste hoekhuis van links woonde Jan Pen en zijn vrouw Janke de Rook. Zij verkochten van alles, met name voor de visserij. Dat waren de grootouders van de econoom, Prof. dr. Jan Pen. Waar in een bijschrift sprake van is en een oom en tante van ondergetekende.

66-12.jpg

Een portret van professor Pen gemaakt door Matthijs Röling

Jan Pen prijs.

Een prijs voor profielwerkstukken op het gebied van Economie en Maatschappij, om scholieren te stimuleren en auteurs van originele en goed geschreven profielwerkstukken op het gebied van Economie en Maatschappij te belonen hebben we een prijs ingesteld. De prijs is vernoemd naar professor Jan Pen waarover je hieronder iets meer leest.

Wie is professor Jan Pen?

Jan Pen(1921) studeerde aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam waar hij in 1950 promoveerde op de theorie der collectieve loononderhandelingen.

In 1956 werd hij benoemd tot hoogleraar in de staathuishoudkunde en de leer der openbare financiën aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid en die der Economische Wetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen.

Pen heeft eveneens jarenlang onderwijs verzorgd aan studenten in de sociologie toen deze nog geen eigen faculteit hadden, men sprak indertijd wel van de Verenigde Faculteit.

Van zijn hand verschenen naast talloze artikelen een aantal boeken waaronder: Een overzichtelijke wereld (1998), Wie heeft er gelijk?(1989), Income distribution: facts, theories and policies (1971) en Moderne Economie (1958) dat vertaald is in vele talen waaronder het Japans.

Pen staat bekend als een maatschappelijk betrokken wetenschapper, een creatieve man die mooi en toegankelijk kan vertellen en schrijven. Jarenlang was hij columnist van het Parool.

Met deze prijs eren wij een RUG Emeritus hoogleraar die jarenlang op zijn eigen wijze wetenschappelijk inzichten toegankelijk heeft gemaakt voor het grote publiek. De Professor Jan Pen prijs wordt jaarlijks uitgereikt aan het beste profielwerkstuk op het gebied van economie en maatschappij.

Als we de steeg naast het tweede huis ingingen, kwamen we voorbij het werkplaatsje, waar mijn vader lood zat te smelten. Hij maakte hiervan loodjes voor de botnetten en sleepnetten. In het andere huis erbij woonde Geert Pen en zijn vrouw Janke. Later heeft Harm Duim er met zijn gezin gewoond. Weer terug naar de Schans, voor de deur van het tweede huis staan kisten, op de bovenste kist een W die zullen wel van visroker Scheffer zijn.

Dan het huis waar visser Jan de Blauw woonde. Drie kinderen poseren hier voor de fotograaf de jongen nog met korte broek en lange, wollen kousen en een ijsmuts op zijn hoofd, het meisje is leuk gekleed in een jurk met een wit kraagje precies zoals de meisjes er vroeger bij liepen.

Dan volgt de winkel van Bondiëtti, waar ook van alles te koop was. Dan krijgen we de boekwinkel van Terpstra, wiens zoon Pieter romans en toneelstukken met de eerste literator wordt bedoeld. Daarnaast woonde Gaasbeek. Dan volgde de wed, Scheffer. Deze had een fruitzaak en een visrokerij. Toen de tijden wat beter werden kregen we zondags een stukje Urker brok. Scheffer had het monopoly van de verkoop hier van.

Hier werd de tweede literator geboren, de roman schrijver Age Scheffer. Naast de steeg was een café. En daar woonde Hulscher de scheerbaas, ik was toen thuis de jongste van de jongens en ging er vaak met vader heen. 's Zaterdagsavonds zat het er geregeld vol en werden de nieuwtjes besproken. Het scheren kosten toen 5 cent. Verderop woonde Bernard Hulscher.

Deze verkocht klompen voor 35 cent en ook wel wrakke klompen met een kwast er in, voor 20 cent, bij de ingang lag altijd een grote jutte zak. Die was vaak een prooi voor ons. Er werd dan een fakkel van gemaakt, waar de jeugd dan zingend achteraan liep. Het duurde dan ook niet lang of de politie was erbij en sloeg er op in als je een flinke klap kreeg hoefde je thuis dat niet te vertellen, want dan kreeg je als antwoord, dan heb je ook wel wat uitgehaald. Want anders doet de politie je niets.

Dan woonde Andries de Blauw er en had Uilke Kooistra zijn café. Even terug naar de andere kant daar woonde bakker Auke Douma. Word zijn zoon Jan soms bedoeld met de hoge Officier bij het K.N.I.L.? In de beneden Schans woonde ook bakker Fortuin. Hier was mijn moeder Metje Pen, geboren in Oosterzee in betrekking. Mijn vader bracht hier altijd het meel op zolder.

Op de foto staat toevallig een kar voor de deur met meel er op. Zo kreeg hij ook kennis aan mijn moeder, en op 13 mei 1892 trouwden zij. Uit dit huwelijk werden 11 kinderen geboren. Hiervan zijn mijn zuster Griet (Beverwijk), mijn broer Koert (Lemmer), en ik nog in leven. Moeder overleed 23 maart 1913, en vader 21 november 1944. (geschreven in 1979)


Gedicht van de Afsluitdijk

Lemsters bliuwe altyd fiskers, har hert ivich nei de sé.

Fedde Schurer.

It regaear hat greate plannen, men wol meitsje in ôslûtdyk.
Yn us lytske fiskerdoaroke, wordt in elts sa mankelyk.
Fiske hat men al syn libben, 't joech oan folle deistich brea.
As dan aenst dy dyk dér ré leit, wurdt de Lemmer stil en dea.

Hwer moatte al dy fiskers hinne? Hwer fine hja nou in bestean?
Harkje, hwant sy hawwe plannen, sa sil it yn 'e takomst gean.
Fan hegerhân hat men te soargjen, komt 'r gjin fisk mear yn 'e beun.
Dat wy allegearre krije fan 't regear, in dofke steun.

Wier nou meitsje sy in mârke ûs, âlde Sudersé.
Aant giet nei Grins ta, om in arke foar de binnfiskeree.
Né i hoech gjin steun set hy tsjin Jaantsje, hwant hy is in goocheme muus.
Jow ûs Rienk mar in goed baentsje, by in brége of op in sluus.

Trije goune krijt Jelle van Betsje, mar dér kin dy man net met ta.
Hij hoecht neat mear, set de boarge master, hy bringt it dochs nei Lyklema.
Jan Mulder set: goaij droech dy rommel, hwat jowt langer sa'n geklauw.
'k Haw in draeimole en in skommel, dér reizigje ik de merken mei au.

't Wurdt in boel seit Jan fan Afke, mei dy droege Sudersé.
Ik stjûr myn jongens gauw nei Wafke, nei de boekdrukkeree.
Jelle Calsbeek dat is sa'n âlde struner, en derbei in hele menear.
Hy wurdt katecheseermeester op 'e Kunder, de jas mei slippen hinget al klear.

Gerard Platte sei tsjin syn Marijke: it hindert ûs neat, wy hawwe gjin bern, wy wurde vader en moeder fan it earmenhuis op 'e Jouwer, dat sille jim sjen.
Lytse Rienk dy hat gjin soargen, is alhiel net bang, o né.
Is 't fiskjen dien, dan sûtelje ik sa mar, mei in karre mei sûppenbree.

It swier wurk kin ik net mear tille, sa keimmenearret Gouke de Skeg, Yn 'e stien of yn de makade, haw ik daliks pyn yn 'e réch.
It is ek sa, set Gryt van de Sande, it losse wurk wurdt dy te swier.
Nim in koer mei allerhande, dan beskarrelst ek wol in deihier.

De hangen gean ik nei de miter, wurkeloas, o hwat in krûs.
Jakon, Harmen, Obbe, en Pieter bringe nou gjin cent mear thûs.
De selmakkerij fan Marten Folkerts giet oer de kop, da's sonder mis.
Jan Pen syn bean wol fan it selfde, as 'r gjin fiskeree mear is.

De Lemmer is ta stjerren opskreaun, aken, botters waerdeloas.
De reuk van fisk en taande netten komt, ûs net mear yn 'e noas
De beakens moatte wy forsette, al is dat û net nei 't sin.
Sa praette ek Leeuwke fan Jette, ik wurd mar boatsfeint as it kin.

Mar, hoe 't ek sil beteare, komt dy ôfslûtdyk ris ré.


Hardrijderij

Het was in het laatst van november 1911, mogelijk ook wel 1912. Storm, regen, hagel en mist doen het water in Friesland tot aan de lippen stijgen. Boerderijen staan al in het water. In Lemmer staat het water op Weverswal en Spinhuispolle zo'n 25 cm hoog op straat. In het Achterom staat het tegen de voormuur van het armenhuis. Vanaf ons huis tot aan timmerman Hillebrand Visser, is van planken een stelling gemaakt.

Laarzen konden de meeste mensen niet aanschaffen en om op klompen droog over te komen moest men over deze stelling lopen. De wind waaide uit het Zuidwesten en wakkerde tegen de avond nog wat aan. Het begon te sneeuwen. Terwijl de sneeuw geruisloos viel nam de wind af. Onder het afnemen werd de wind oost en nam weer toe tot hard. Het zeewater zakte en werden overal de sluisdeuren opengezet om het water kwijt te raken en binnen twee dagen was alle leed wat het water betreft geleden.

Nu begon het echter te vriezen. Op zee en overal op het binnenwater was alles gauw een ijsvloer. De eerste schaatsers waagden zich al naar andere plaatsen om daar als eerste hun naam bij een kastelein te kunnen laten inschrijven. Overal werden kortebaanwedstrijden gehouden. Toen wij 's morgens naar school gingen hingen er raambiljetten. Hardrijderij voor mannen "zonder onderscheid". Het ging om geldprijzen en men kon zich tot elf uur opgeven in de Wildeman, inleg 50 cent. Na elfen ging de omroeper door Lemmer "Voor de rijderij van mannen hebben zich 36 man gemeld, waaronder de toprijders uit Friesland". In school werd dit ook gehoord en we vroegen aan meester of we ijsvrij kregen. Dit ging door en met een gejuich werd weldra de school verlaten. Eerst eten en dan naar de ijsbaan.

Mijn buurman Jan Bergsma en ik gingen er samen heen. Jan kon door het gebrek aan zijn voet niet schaatsen en ik bezat geen schaatsen. Eerst naar de Schulpen. Daar stelde de muziek zich op en onder de tonen van de muziek ging het in optocht naar de baan. Daar was alles wat kon schaatsen, aanwezig. De rijderij begon... Met vele anderen die ook geen kaartje kunnen kopen staan we op de Polderdijk. Als de eerste rijders van start gaan, gaan de toeschouwers rond de baan staan en draven we gauw het ijs op. Als de rit is afgelopen, gaat het weer terug naar de Polderdijk. In de pauze na de eerste ronde gaat de muziek spelend over de baan, wat een gezelligheid!.

Als het einde in zicht komt hebben we van de vertrekkende bezoekers een kaartje gekregen en staan vooraan bij elke rit. Om prijs en premie gaat het tenslotte tussen Holst en Arend Poepjes. Na twee kampritten is de derde rit voor Arend. Na afloop van de rijderij gaat alles weer in optocht terug naar de Schulpen. Rijders en toeschouwers gaan naar de Wildeman, waar de warme snert al klaar staat, voor de prijsuitreiking. Ze hadden die middag weer allemaal meegedaan, de rijders van naam, zoals de Bootsma's, Visser's, Poepje's, Steenstra's en Dijkstra's. Als jongens hadden we ondanks de kou een prachtige middag gehad.

Hardrijders Poepjes en Dijkstra

Links is Arend Poepjes en Ph. Holst is rechts te zien


Haring in het zuur

Het is net of het dorp verlaten is. Alles ligt nog in het duister. De kerstboom op het B.K. plein brandt, in die bij de brug zijn de lichten gedoofd. De straatverlichting brand nog. Verder mens nog dier te zien.

Deze stilte doet mij denken aan de Tweede Wereldoorlog. Na achten mochten we dan niet meer op straat. Dan ging ik ook 's avonds hier in de winkel uitkijken. Op een avond dat ik daar weer stond kwamen er wel veertig Duitse soldaten over de brug marcheren, recht op ons af. Ik dook vlug achter de toonbank weg, maar te laat, ze hadden me al gezien, een van de soldaten liep op de deur af en begon met zijn ring op de deur te trommelen. Ik ging naar de deur en deed open. In het Duits vroeg hij de weg naar het Nutsgebouw. Ik wees aan waar het was maar ik moest mee om hun erheen te brengen. Toen ik zei, dat ik de straat niet op mocht omdat het 'spertijd' was, kreeg ik ten antwoord: ,,Wir bringen dich zurück". Dus moest het wel doorgaan. Piet de Blauw die altijd wel wat risico wou nemen, stond in de deur van zijn winkel. ,,Hwat nou, Evert?" ,,Hja moatte by Jan Martens wêze". Toen de soldaten het Nutsgebouw in gingen bracht een van hun mij weer thuis.

Zo had ik ook de herinnering aan Willem van der Veen, ik had gezellig bij Willem en zijn vrouw koffiegedronken. Voordat ik wegging vroeg Willem mij, waarom de zure haring tegenwoordig zo zuur is. Nu, dat komt door het verschil in behandeling. In de tijd dat ik nog in de hang werkte maakten we gemarineerde haring en dat ging als volgt: de haringen lagen een of twee dagen, al naar gelang hoe zout of ze waren in het water. Ze werden uitgewassen, schoongemaakt, van binnen uitgeboend, weer gewassen en dan kwamen ze in water, bijgevuld met wijnazijn. Daar bleven ze een nacht in staan.

De volgende dag werden ze op deksel van manden uitgespreid en 's middags ingepakt in flessen van vier, acht of twintig stuks. Bij het inpakken kwamen onder in de fles vier haringen. In het rondje dat er over bleef kwam een schep uien, vier haringen er boven op met aan de zijkant Laurierblaadjes, nog vier haringen er boven op met aan de zijkant vier ronde stukjes ui, ieder met een rode pit. De laatste acht kwamen er dan boven op met aan de zijkant blaadjes. De fles was dan vol; nog wat uien en zwarte pitten er in en dan werden de flessen gevuld met wijnazijn en dan kosten ze vijf cent per stuk, los, per fles vol was de prijs een gulden en dan kreeg men bij inlevering van de lege fles een kwartje statiegeld terug.

Waarom is de haring in de flessen nu zo erg zuur? Voorheen werkte men zoals gezegd met wijnazijn. Iedere week kwam Hof, die Lemmer-Leeuwarden en Urk voer met zijn motorschip een vracht vaten vol wijnazijn van de firma Eizema afleveren. Nu gebruikt men extract, die wordt aangemaakt met water, wat de oorzaak is dat de haring zo zuur is.


Het eerste bruggetje

Af en toe komen je weer bepaalde zaken uit het verleden in de gedachten, soms met de bijbehorende beelden er scherp bij. Zo is het al vele jaren geleden dat ik van twaalf tot één moest invallen voor Jan Atsma, bij het spiering roken. Om één uur naar huis om te eten en om half twee liep ik alweer door het Achterom, over de brug en de sluis en zo weer naar de haven. Toen ik in de richting Schokland keek - het was nog Zuiderzee - dus nog geen polderdijk voor de havenmond om het uitzicht te belemmeren, kwamen daar met een flinke bries uit het zuidwesten met de de fok te loevend een span of acht langskuilders aan.

Aan de roodachtige zeilen was het te zien dat het Vollendammers waren. Om drie uur waren de eersten in de haven. De vis werd afgeslagen, en ik moest naar de haven om spiering. De haven lag nu vol, de Lemster sjouwerlui waren al druk mee aan het helpen. Van alle rokerijen was men met karren uitgereden en nu was het weer draven om de spiering in de rokerijen te krijgen.

In de rokerijen kwam de spiering op een lange tafel, de dikste werden er uitgezocht en die gingen zo vers in doosjes naar Engeland. De kleinere kwamen tien minuten in de pekel en werden dan aan het spit geregen; twee en dertig naast elkaar. Als de jongens en meisjes tien speten vol hadden werden ze weggehaald en kwam er een streepje achter hun naam en dat was dan goed voor drie cent. Terwijl dit werk in de rokerijen werd gedaan, liepen de Vollendammers in Lemmer de winkels af voor hun inkopen.

Allemaal dingen die jammerlijk genoeg voorbij zijn, de foto is een opname van de entree van Lemmer vanaf de Straatwegkant van een honderd jaar geleden, uit het stempel staat 1907 te lezen. De kaart is verstuurd door Tette R.v.d. Lende verzonden naar mej. Aaltje Fledderus die toen in het binnengasthuis in Amsterdam werd verpleegd. (Contact van Roelie met Piet van der Lende, leverde het volgende op; Het zou een neef van mijn vader kunnen zijn, die Tette Roelofs van der Lende heette en getrouwd was met een zuster van mijn moeder. De moeder van Tette Roelofs van der Lende was Margje Fledderus (en dus niet Aaltje) maar Aaltje zou een zuster kunnen zijn. Dus een tante van Tette. Echter, bij de kaart staat dat het stempel 1907 aangeeft. Dit kan dan niet kloppen, want Tette Roelofs van der Lende leeft nog, en is nu 101 jaar. Dus hij is geboren in 1905 en in 1907 kon hij dus nog geen kaarten sturen, en wellicht is het een vergissing en geeft de kaart 1927 aan?? Dus de 0 moet een 2 zijn? Dan zou het kunnen.)

Op de voorgrond het "eerste bruggetje", één van de vele gelijkvormige bruggetjes die je op weg naar Sneek tegenkwam. Links en rechts staat een meisje en een jongen; misschien was dit het punt waar zei niet verder mochten, het kan ook zijn dat ze er alleen maar staan omdat er gefotografeerd werd. Aan de linkerkant is het dak te zien van de boerderij waarin de fa. Visser later zijn timmerbedrijf had met het jaartal 1879 in het dak. Rechts zijn de bomen te zien van het oude lage gedeelte van het kerkhof. De ingang daarvan was toen nog in het midden maar werd in de dertiger jaren bij de aanleg van het hogere gedeelte verplaatst naar de uiterste rechterkant waar een nieuwe toegangsweg werd aangelegd. De foto was in bruikleen van Wilt de Boer.


Historisch overzicht Lemmer

De historisch gegroeide structuur van Lemmer is in belangrijke mate bepaald door de ligging aan de Zuiderzee. Lemmer was niet alleen een havenplaats maar bood tevens doorvaartmogelijkheden, van Sloten en het Tjeukemeer en daardoor naar heel Friesland. Vandaar dat de belangrijkste bebouwing niet alleen aan de binnenhaven en de Nieuwburen wordt aangetroffen, maar ook langs de Oudesluis en de Zijlroede. Langs de Vissersburen is de historisch bebouwing van ondergeschikte betekenis gebleven. In dit oostelijk deel van Lemmer, was de wegverbinding naar Oosterzee en Kuinre over de Schans en de Zeedijk van meer belang.

De veranderingen in de scheepvaart, zoals die zich na 1850 deden gelden, zijn terug te vinden in de structuur van het centrumgebied. In de route Sloten, Zijlroede, Zuiderzee, werd de sluis te klein. Een verbreding of verlenging ter plaatse was niet mogelijk, zodat een verlegging in Zuidelijke richting werd overwogen. Op de route Tjeukemeer, de Rien, Zuiderzee deden zich andere problemen voor.

Ter plaatse van de Nieuwburen en de Kortestreek moesten twee bruggen worden geplaatst. Tesamen met de vernauwing van de Gracht ter plaatse van het gemeentehuis gaf dit problemen. De schepen konden namelijk moeilijk de bocht naar de sluis maken. Samen met het ruimteprobleem in de sluis was dit aanleiding tot het verleggen van de sluis in Zuidelijke richting en het scheppen van een nieuwe en ruimere doorvaart mogelijkheid, van de Rien naar de Zuiderzee.

Hiervoor werd de Markt (thans het Burgermeester Krijgerplein) doorgraven en moest een 10 tal panden worden gesloopt. Tegelijkertijd werd de Gracht gedempt. Toch waren nog niet alle waterstaatkundige problemen op gelost. Het afwateringsprobleem bleef nog over. Via de oude sluiskolk werd overtollig regenwater gespuid. Wanneer bij sterke noordoostelijke wind werd gespuid, veroorzaakte dat in de nauwe sluiskolk een dergelijke stroomversnelling, dat het voor de schepen onmogelijk werd om hier tegenin te varen.

Daarom werd aan het einde van de Schans een spuisluis gebouwd. Toen in de vijftiger-jaren het tracé voor R.W 50 definitieve vorm kreeg, betekende dit dat de Lemster Rien als scheepvaartroute verviel. De Visserburen werd gedempt en de doorgraving van de Markt werd ongedaan gemaakt. Om de bedrijven aan het open blijvende deel van de Rien voor schepen bereikbaar te houden werd de spuisluis vervangen door een schutsluis.

Door deze verandering werd de doorgaande route via de Schans richting Oosterzee verlegd naar de Visserburen. Gelukkig is het gemotoriseerde verkeer op veel plaatsen binnen het aanwezige profiel opgevangen, zodat de beslotenheid van de historisch gegroeide structuur op veel plaatsen aanwezig is. De beslotenheid wordt echter op een aantal plaatsen bedreigd door grootschalige nieuwbouw en parkeer voorzieningen.

Demping Markt en Vissersburen. Evert is zien bij zijn ijskraam, met het witte jasje aan.

Het einde van de Schans met de spuisluis.


Historische schaatstocht, de oude Lemmer

Door: Jan Wouda

Het betreft de historische schaatstocht in de strenge winter van 1929. Die tocht was in de hele historie van de Zuiderzee nog nooit gemaakt. U moet weten dat de afsluitdijk er toen niet was, die was er pas in 1932. Dus zo'n tocht kan nooit meer plaats vinden in dezelfde omstandigheden, want eb en vloed is er niet meer. De afstand van de Lemmersluis en de Oranjesluizen door het val van Urk was 73 km, er was geen gladde ijsvloer, maar veel ijsbergen en schotsen. de 2e maart 's morgens om 7 uur ging men van start met zes mannen en een vrouw en ze waren 's middags om 3 uur in Amsterdam

De 3e maart ging men bij de Oranjesluizen om 7 uur weer op de schaats om 's middags om 3 uur weer in Lemmer te arriveren. De 4e Maart begon het te dooien. Nu gaan we eens wat verder in op de mensen die er aan deel namen. Er zijn nog wel oudere Lemsters die die mensen gekend hebben, maar ook velen niet.

De twee dames en een heer met hoeden horen er niet bij, maar we kwamen ze tegen, die maakte een autotocht van uit Vollendam. De man links met de witte trui is Eele Visser later notaris ik meen in Hoogeveen. Hij had een zus Hinke die in Apeldoorn woont. Hun ouders waren Gerrit Visser en moeder was meen ik ook een Hinke. Gerrit was hofmeester op de Lemmer-nachtboot en ik weet nog dat hij in de vlieger tijd, mooie vliegers mee nam uit Amsterdam die een dubbeltje kosten.

Zij hadden een kruideniers winkel in de schans naast bakker Douma. Later kwam Albert Reijenga in de winkel, die ook werkte op de werf van de Gebr de Boer. De tweede is mijn zwager Johannes Wijnand. In zijn jonge jaren een goed sportman. In de Lemmer was zijn bijnaam Joffre je zou zeggen hoe kom je aan zo'n naam (Jofre was getrouwd met (Ansje de Bels, haar echte naam is niet bekend)  Dat zat zo, in de eerste wereldoorlog was er een Franse generaal die hete Joffre en daar leek Hannes sprekend op. Hij was een goede voetballer en koppen was zijn specialiteit hij heeft eens van af het middenveld de bal in het doel gekopt. Daar zou Atsma U nog veel meer over kunnen vertellen.

Dan krijgen we Geert die de beste keeper was van de Lemster voetbalclub en jaren in het doel heeft gestaan. Zijn vrouw heb ik niet gekend. Hij was de jongste uit een gezin van tien kinderen. Zijn vader was Wiebe Veenstra en moeder was Kaatje, haar meisjes naam was denk ik Spijkholt, zelfs haar ouders kan ik mij nog herinneren, ze woonde bij Pieters Antsje bij de pomp in de schans.

Ik heb vroeger wel eens voorgesteld dat er een standbeeld van Kaatje in de Lemmer moest worden opgericht ter herinnering aan de vroegere vissersplaats wat Lemmer is geweest met zijn visrokerijen, waarin Kaatje veel heeft gewerkt want zij was behalve moeder ook gedeeltelijk kostwinner, en altijd ging zij zingend en trots door het leven, wat moet die vrouw een levensmoed hebben gehad.

Hun oudste dochter was getrouwd met A. van Elsloo, die conducteur was op de tram. De tweede was Lupkje en haar man was Teade Wouda, die was vernoemd naar Lytse Teade van de LE 2 waar ook Teade uit Leeuwarden naar vernoemd is en ik heb zelf ook een broer met de zelfde naam. Ook Teade heeft jaren bij mijn vader gevist. Dan volgt een Afke, die is meen ik altijd thuis gebleven, de vierde was Pieter en zijn vrouw was Elske Zandstra een dochter van Sake Zandstra van de LE 73 en zijn vrouw de bekende Urker Aalstje. De vijfde was Reesje en haar man Steven Visser, zoon van Andries en Wiets zoals ze genoemd werden. Dan volgt Jan en zijn vrouw Rees Visser, dochter van de bekende Sake Visser bijgenaamd Sake de Rus en Akke Koornstra.

Toen ik 3 jaar oud was zei ik toen ik hem eens tegen kwam "Dag Sake de Rus" hij keek mij met een paar felle ogen aan en zei niks, ik was nog onder de wet. Jan was in de eerste wereldoorlog (bij ons mobilisatie) in dienst als soldaat. Het verveelde hem en hij was hem gesmeerd naar Duitsland. Hij kwam na de oorlog weer thuis maar wel met TBC, en heeft lang in een sanatorium gelegen in Joure, ze zijn later naar Zaandam vertrokken.

Dan volgt zijn vrouw Oeke Bootsma, dochter van (in de volksmond Gerben van Oeke. Gerben was als zo velen in Lemmer slikloods. Dan komt Geesje aan de beurt, haar man was Feite de Jong, vroeger machinist op de tramboot. Zij vader is nog brugwachter geweest in Lemmer. Voor zover ik weet is Geesje nog de enige levende. zij is van onze leeftijd.

Dan krijgen we Wiebe die was getrouwd met Grietje Zandstra een zus van Elske dus, dubbele familie en als laatste Geert zijn vrouw heb ik niet gekend. Je zou zeggen hoe is zo'n groot gezin in de barre omstandigheden van die tijd opgegroeid en nog allemaal keurige mensen geworden ook, velen hebben nog een hoge leeftijd bereikt. Heeft zo'n moeder geen standbeeld verdiend?

Dan komt op de foto voor de enige dame Lies de Rook, een dochter van hangbaas Poppe de Rook. Haar broers waren Jurjen, Tiese, Henny, Louwrens en Otto. Louwrens en Otto waren getrouwd met de zusters Martha en Annie de Vries. De vierde man links is mijn neef Wiebe Wouda uit Sneek. Die moest oom zeggen tegen Geert Feenstra, maar het zal wel Geert geweest zijn, ze verschilden niet veel van leeftijd, maar Geert was de jongste broer van Wiebe zijn moeder. Maar doordat Wiebe in Sneek woonde hadden ze weinig contact met elkaar.

Dan met de alpino-pet op is Eelke (Evert?) de Vries zijn vrouw was een Rottinè. Ze woonden op de Polle bij de houtzagerij. In de ansjoopvisserij was hij wel schipper op de botter "Judit" van Poppe de Rook waarmee hij ook wel vaten ansjoop ophaalde o.a. uit Kolhorn. Kees Dijkstra was wel bij hem aan boord. Die werd slachtoffer van de Spaanse griep. Eelke was ook een snelle schaatser op de korte baan. In die tijd maakte Lemmer de dienst uit op alle wedstrijden in Friesland en daar buiten.

Zwarte Liekele Poepjes was getrouwd met een zus van mijn vader tante Jansje. Hij is nu 99 jaar en word verpleegd in Wolvega. Ome Liekele was ook zeer snel. Dan had je oude Liekele die niet oud was maar wel een Poepjes, hij had een botter de LE. 69 dan had je nog Arend Poepjes en Eelke, ze deden niet voor elkaar onder. Dan was er nog een Holst uit Amsterdam die ze wel eens lieten winnen, maar de centen gingen mee naar Lemmer.

Dan rechts Louwrens de Rook, broer van Lies. Dit waren dan de mensen van de schaatstocht van 1929 met als achtergrond hun families. Ik hoop dat ik U niet heb verveeld. Nog een bijzonderheid, een zoon van ome Liekele en tante Jansje is getrouwd met zijn buurmeisje Saakje de Vries, ze wonen in Zaandam. Saakje haar moeder is 99 jaar geworden en Jaap zijn moeder ook 99 jaar dat zal ook niet vaak gebeuren.

Dan heb ik weer ondervonden hoe klein de wereld is. We waren onlangs op bezoek bij een schoonzus die verpleegd word in het nieuwe ziekenhuis in Den Helder. Daar troffen we een familielid aan die we in geen jaren hebben gezien. Tegenover onze schoonzus ligt een dame met bekende trekken in haar gezicht, ik hoorde dat zij Fries sprak met haar jongste dochter. Ik loop naar haar toe en vraag bent U Ymke niet? Ik had haar in geen 60 jaar gezien, maar het was Ymke wel.

Ze is de oudste dochter van Evert de Vries en zoals we haar beter kende Jansje van Tijne, haar meisjes naam was dacht ik Bergsma Ymkje was getrouwd met Klaas Bijlsma. Die in 1923 de schouw van Andries Fleer de LE.21 heeft overgenomen en toen de LE 29 werd. Dat is de zelfde schouw die nu in het gemeentehuis staat. Maar Klaas is al 10 jaar geleden overleden, Ymke is nu 86 jaar. Ze hebben vijf kinderen en zijn in 1932 naar Den Oever vertrokken.

Onze stukjes schrijver Evert is vernoemd naar haar vader en dus een volle neef, we krijgen net een telefoontje van mijn zwager dat zijn vrouw die wij onlangs in Den Helder bezochten is overleden, zo is het leven lieve mensen het kan zo maar af breken.

Eelke de Vries.

Een foto van een historische schaatstocht in de strenge winter van 1929. Die tocht was in de hele historie van de Zuiderzee nog nooit gemaakt. De man links met de witte trui is Eelke Visser, Johannes Wijnand (Joffre), Geert Feenstra, Lies de Rook (dochter van hangbaas Poppe de Rook), met alpinopet op is Eelke (Evert?) de Vries en dan rechts Lourens de Rook.


Houtmolen brand

Lemmer, 12 Augustus 1953.

De fluit van de houtmolen was niet alleen een teken voor de mensen die daar werkten, dat het tijd was om met de arbeid te beginnen of te stoppen. Het was ook het sein voor vele anderen dat de tijd van de dag aangaf. Als iemand te horen kreeg dat hij te laat was en hij antwoordde dan, "de mole noch net fluite hie" dan was dat een doorslaand argument. Geen wonder dat het verslag van de brand die het bedrijf en de omgeving op woensdag 12 augustus 1953 trof begint met enkele regels over dat signaal.

Woensdagmiddag om half vijf klonk plotseling de fluit van de houtmolen zoals iedere dag gebeurt, doch toen dat sirenegeloei langer aanhield dan normaal wekte dit de belangstelling van iedereen die dit hoorde.

Brand bij de NV Stoomhoutzagerij zoals het bedrijf officieel heette. Grote dikke rookwolken dreven over Lemmer. De plaatselijke brandweer repte zich naar de plaats van de brand, die snel om zich heen greep. In korte tijd was de brand uitgegroeid tot wat in brandweer termen grote brand heet. Voor de burgemeester mr. Marinus Krijger was dat de reden om ook de omliggende gemeente te alarmeren.

Onze plaatselijke brandweer, die achter op het terrein met het blussingswerk was begonnen, was niet bij machte iets tegen deze vlammenzee te doen. De woningen op de 'Polle' van Hidde van der Bijl, branden al en ook de wagenmakerij van Atte Wierda, een gebouwtje waar veel hout verwerkt was, vatte vlam en lag al gauw tegen de grond. Bij de smederij van Harm van der Wolf (later Slump) de woningen van directeur P.van de Bosch en boekhouder A. Hoekstra, als mede de kantoren ontstond al een begin van brand. De fabrieksbrandweer wisten de woningen nat te houden en dit vuur te doven.

Ondertussen was ook de brandweer van de Noordoostpolder aangekomen. Deze richten zich op de panden van van der Wolf en diens buren. Waardoor de vuurzee tot de houtloodsen beperkt kon worden. Toen de brand zo was ingesloten en het duidelijk werd dat de woningen en kantoren behouden konden worden was dat een verademing. Met de komst van de brandweer van Gaasterland, Sneek, Heerenveen, Wijmbritseradeel, en Haskerland, was het gevaar voor uitbreiding geweken.

Ongeveer 25 stralen werden ingezet om het vuur te bestrijden om water uit de Vluchthaven te halen waren brandslangen over de weg gelegd waardoor het verkeer naar de Noordoostpolder en richting Oosterzee stilgelegd werd.

Matige wind voorkwam erger.

De brand vond zijn oorsprong in of bij de houtloodsen. Gretig vond het vuur voedsel in de daar in aanwezige houtvoorraad, het hout was zo opgestapeld dat het overal kon door tochten. Die ruimten werkten als even zoveel schoorstenen, wat de snelle omvang van de brand na de ontdekking verklaart, al heel gauw waren de woningen aan de Polle een prooi van de vlammen. De bewoners konden alleen zich zelf in veiligheid brengen, van het meenemen van enig huisraad was geen sprake.

Door de windrichting liep het eigenlijke Fabriekscomplex geen gevaar maar de vonken gingen wel over de Rien in de richting van de bedrijven van, Van der Neut en zeilmakerij de Vries, die juist onder de wind lagen. Deze panden werden geruime tijd nat gehouden. Volgens zeggen heeft het dak-hout bij van der Neut even gebrand, ook handdoeken die in de buurt op een haag lagen te drogen hadden schroeiplekken. Als er een straffe wind had gestaan zouden de gevolgen op de Polderdijk veel ernstiger geweest zijn.

Verlies woonruimte bijkomend probleem.

De houtopslag en de garages van de houtmolen waren verloren gegaan, maar ook vijf gezinnen waren dakloos en berooid van alles. Een zesde gezin dat van Dirk Ham, had ernstige waterschade op gelopen. Terwijl de woningsituatie al heel krap was, stonden er nu in eens ook nog een aantal slachtoffers van de brand op straat. Zij werden wel opgevangen maar zouden toch voor de opbouw van hun woning een meer permanent onderkomen moeten hebben.

Het gezin van Hidde van der Bijl, verbleef tot hun huis hersteld was, op de bovenverdieping van de hoedenwinkel van de dames van der Bijl, zusters van Hidde, het nablussen duurde nog de hele nacht. In het droge hout werden steeds weer nieuwe brandhaarden ontdekt.

Vuurtje stoken mogelijke oorzaak.

Er stond een strak vermoeden dat de brand is ontstaan doordat kinderen vuurtje hadden gestookt. De toen bij de houtmolen werkzame H. Bergsma, zag tegen half vijf enkele jongens een vuurtje stoken tegen de houten wand van de Westelijke houtloods. Hij trapte het vuur uit, en joeg de kinderen weg. Het schijnt dat het vuur zich toen al in de houtvoorraad had genesteld. Een ogenblik later werd er al een vlammetje op het dak van de loods ontdekt, en was het in de loods al een vuurzee. Reden om de sirene in werking te zetten.

Een vertegenwoordiger van de fabriek, de Heer A. Postma, probeerde nog de bewoners van de Polle te waarschuwen maar hij moest vanwege de vuurzee terug. De families Klaas Verbeek en Van der Bijl, wisten nog enkele geldswaardige papieren te redden. Het gezin van Winters raakte alles kwijt, de vrouw was Lemmer in om boodschappen te doen.

Niet meer verzekerd.

Een paar spaarbankboekjes en wat geld was het enige wat Atte Wierda en zijn zuster Jantje, wisten mee te nemen. De wagenmakerij was meer door de ontwikkeling van de tijd een herstelwerkplaats geworden. Met gereedschappen houtvoorraad en een machine ging alles verloren. Ook het hier opgeslagen materiaal van Kaats vereniging Sûdwâl overleefde de brand niet.

Het vervelende voor de familie Wierda was dat Atte zich een jaar te voren uit de brandverzekering heeft laten royeren. De verzekeringsmaatschappij wilde toen de premie verhogen, maar die verhoging wilde Wierda niet betalen. Wierda was niet alleen eigenaar van de wagenmakerij, en de eigen woning maar ook van die van Winters.

De schade.

Er ging ongeveer 600 kuub hout verloren. Daaronder was ook een gedeelte dat nog maar net was aangevoerd, en nog op het terrein opgeslagen was. Omdat dit hout telkens opnieuw begon te branden is het tenslotte op bevel van de brandweer commandant Meije Bosma in de Rien gegooid. Het meest was waardeloos geworden, op het terrein stond een kleine garage van golfplaten. Een auto en een paar vaten olie konden in veiligheid gebracht worden. Gereedschap en een electro-dynamo gingen hier wel verloren. De schade werd geschat op twee ton.

In de Zuid Friesland van 22 augustus vinden we een advertentie van Teake Huitema, een dankbetuiging voor het bergen van hun inboedel tijdens de brand. Tussen de boerderij van de familie Huitema en de smederij van, Van der Wolf was nog een behoorlijke afstand. Toch kwam ook de boerderij door de vonkenregen in gevaar.

24e8780e19024885b5efe322eced347c.jpg

Drie foto's van de brand, die waarschijnlijk genomen zijn vanaf de zeedijk. Op dat moment is het meeste kwaad al geschied. Het grootste deel van de houtloodsen is ingestort, de damp van het bluswater ontneemt het zicht op de directeurswoning. Het hoofdgebouw loopt geen gevaar meer. Brandweercommandant Bosma, liet het hout dat op het terrein lag in de Rien gooien. Zo was niet alleen het verkeer op de Zeedijk stilgelegd door de vele slangen maar ook het scheepvaartverkeer kon niet meer door Lemmer.

Op de voorgrond de platgebrande houtloods. Daarachter de volkomen uitgebrande huisjes van de families Verbeek, Van der Bijl, Bijma, Winters en Wierda. Links het huisje van de heer Ham, dat ernstige waterschade kreeg. Tussen dit huisje en de houtloods bevond zich de wagenmakerij van de heer Wierda, rechtsonder ziet men het waterkanon van Haskerlands brandweer in actie.

● Jan Braaksma vertelt/vraagt: Ik zoek informatie over het volgende: Gerrit Jelles Wierda 1-3-1854 - 30-1-1941 (de spekbakken bouwer) X Marie Attes Veldman 9-11-1850 - 27-2-1922.

Hebben 10 kinderen gehad. De meesten overleden op jonge leeftijd. 2 van de kinderen: Jantje 9-3-1882 en Atte 17-5-1895 overleden ja, maar geen idee wanneer.

Laatste brief gedateerd 21 dec 1967

Zaten volgens jouw ‘site’ te theedrinken op 13 aug 1953 (brand houtmolen)

quote: Anderen beletten inmiddels de oude wagenmaker Atte Wierda, die nog eens door het raam naar binnen wilde gaan om enige kleren te halen. "Dit is alles hwat ik noch ha", zei hij ons en hij wees op zijn werkpakje, dat hij droeg. "Wy sieten, myn suster Jantsje en ik, to thédrinken, doe't ynienen de fluit fan it febryk alderheislikst bigoun to razen. Ik roun nei de timmerwinkel, dy't tsjin de houtloods oan stie, en och hearkes, dér wie 't ien stik fûr. Ik werom en gau hwat jild en de beide spaerbankboekjes byinoar pakt en dat is alles hwat wy rêdden hawwe". Zijn wagenmakerij waarin hij voornamelijk reparaties verrichtte aan boerenwagens, lag volkomen plat. Voorraden, gereedschappen en een machine gingen alle verloren. unquote.

Een aantal voorzichtige conclusies hieruit zouden zijn: Dat deze twee bij elkaar woonden in het ouderlijk huis (niet ongewoon in deze dagen). Beide niet getrouwd zijn en dus geen nageslacht hebben. Dat Atte in de zaak is gebleven en het na vaders dood heeft overgenomen.

Dat de boekjes die deze Atte in zijn brieven vermeld alleen nog maar in zijn geheugen bestonden want alles ging met de brand verloren. Dat deze Atte na de brand naar de Joure is verhuisd.

of ?

Mocht er iemand zijn die wat verdere informatie heeft dan hoor / zie ik dat graag.

j.g.braaksma@kpnmail.nl


In Wouda's meel

Het is op een middag in het begin van de jaren twintig, Bijna half één. Klaas Wouda roept me:"Ga je mee Evert?" In het Achterom maakt iedereen zich weer klaar voor het werk, want om één uur is de schafttijd om. Buurvrouw Geesje hangt oliegoed, dat zij voor de vissers maakt aan de lijn. Friso is ijs aan het maken. Heiman heeft een kar vol oud ijzer voor de deur staan. Op de markt (of zoals de volksmond het noemde, de Bakkershoek) spant Andries Eilers een paard voor de wagen.

Leefsma staat in de deur. Er komt een heer op ons af. "Ik wil graag een foto van jullie maken", zegt hij, Nu, dat kan. Hij vraagt, of wij wel vaker meelkost eten. Dat treft goed, want we kunnen hem vertellen, dat we van pannenkoeken ,"Jan in de zak", stro en vooral "potstro" groot geworden zijn. Intussen zijn er nog wat mensen bijgekomen, we worden opgesteld en de foto wordt gemaakt. We krijgen elk een sigaret, en gaan de haven langs, waar de vloot vertrekt naar de visgronden. Om precies één uur zijn wij weer terug op ons werk bij S.A. de Blauw.

Er gingen maanden voorbij. Op een zekere dag werd ik geroepen door onze buurvrouw Kaatje Feenstra-Spiekholt, zij liet mij een foto zien. Het was de foto, die op de bewuste middag was gemaakt. Waar kwam die nu ineens vandaan? Wel, zij zou Jan in de zak eten. Uit het meel van Wouda, Sneek, dat zij hiervoor wilde gebruiken, was deze foto te voorschijn gekomen. Ik kreeg hem van haar. Helaas zit hij erg vast in het album. Ik hoop, dat hij vanuit het album kan worden overgenomen, dan hoeft er geen waarheidszegel van Willem Rinsma bij.

Op de foto zien we Vis en Rokersknechten...van links naar rechts: Jilling Kingma, Klaas Wouda, Jan Atsma, visrokers knecht, Evert de Vries, kijk hoe leuk Evert met zijn hand op mijn vaders haar staat; Jan Visser, visser; Jan Duim, Sake Visser ( Reade Sake; de vader van Roelie) visrokers knecht. Op de brug, achter Klaas Wouda, Maarten Kokje, postbode. Op de achtergrond zien we de huizen van Piet Zwart, sigarenhandel; Jelte de Jong, stoffeerder en brugwachter met daarnaast een hoedenwinkel. Na de afsluiting van de Zuiderzee moest iedereen ander werk zoeken. Klaas en Evert zijn gebleven, de anderen zijn uit Lemmer vertrokken. In de zeilweek zullen ze wel weer even in de thuishaven komen.


It witte hûske

Toen ik weer even zat te dagdromen, moest ik aan Geesje Semplonius, denken die in de alternatieve Elfstedentocht was geëindigd Haar moeder vertelde later dat zij op de 50 km voor vrouwen goed was geëindigd, en nog een beker had gewonnen.

Bij de 200 km lag zij weer op een goede plaats, maar toen kwam ze langs de plaats, waar een van de mannen een hartaanval had gekregen. Zij is arts in een ziekenhuis in Deventer en heeft met een daar aanwezige dokter geprobeerd om de patiënt te helpen, dat is mislukt omdat het een ernstige hartaanval was. Toen de man overleden was heeft zij de tocht voortgezet, en volbracht. Maar was intussen natuurlijk kansloos geworden. Later las ik nog in de krant dat een Lemster bij de mannen 42e was geworden.

Zo kwam ik even later een foto tegen van het It wite húske, het boerenspultje dat op het boerenland stond, even eerder waar nu de kampwinkel staat. Volgens de aantekeningen die bij de foto staat woonde hier omstreeks 1900 Lucas van der Meer, later woonde hier een van de zonen van Teake Huitema. Over Lucas van der Meer, nog het volgende, in de oorlog woonde hij aan de Spinhuispolle, vlak achter mijn werkplaats. 

In de bevrijdingsnacht werd zijn huisje ook geraakt en grotendeels vernield, van mijn werkplaats werd een stuk van de achterkant vernield. Het opvallendste was dat Lucas weinig of niets van het gebeurde had gemerkt, en 's Morgens ongedeerd onder het puin vandaan kwam.

Nog een mooie opname gemaakt vanaf de Lemster kant van de brug, de voorganger van de brug die er tegenwoordig ligt. Aan de overkant van de Follegasloot een mooi gezicht op de boerderij van U. Winia, die er uiterlijk al volkomen gelijk uitziet als op dit ogenblik. Op de voorgrond zien we een man en een vrouw bij een kar. Dat zijn Arjen Koning en zijn vrouw Mintje. Zij hadden een turfhandel en vervoerden de turf met een snikke, waarna de koopwaar met de kar werd uitgevent. Hun woonplaats was Follega, en fantaserend op de achternaam Koning, werd hun woning een vorstelijk verblijf dat de bijnaam Het Loo kreeg, een naam die bij iets oudere inwoners van Follega nog wel bekend is. De woning zou later bewoond worden door Bart en Connie Vellinga. (Bron: Gerben Huitema)