Home » Lemmer » Panden in 'De Lemmer' » De geschiedenis van de "Houtmolen" te Lemmer

De geschiedenis van de "Houtmolen" te Lemmer

Met medewerking van: Gerben D. Wijnja, Anne (Onne) Hoekstra en Jan Pieter Rottiné.


Afdruk van Hillebrand Visser.

Gerben D. Wijnja, vertelt het volgende: Deze afdruk laat de Lemster-houtwerf zien omstreeks 1860 gezien over het land richting polderdijk langs de Rien met daarboven de masten van schepen en natuurlijk de wiekendrager houtzager, een huis met twee woningen, de molenmakerij met woning, een boerenhuis met schuur, de woning van de bedrijfsleider (waarin zich een tegeltableau van de molen moet hebben bevonden !!!) en tenslotte helemaal rechts de houtschuur. Kortom een indrukwekkend ensemble. De molen moet ook op een gravure "attaque van de Engelschen op de Lemmer de 29 september 1799" staan. De windmolen is in 1895 stoomhoutzagerij geworden.

Attaque van den Engelschen op den Lemmer, den 29 September 1799. Op den voorgrond ziet men de gewapende schepen en andere vaartuigen der Engelschen. Wat verder twee brikken, welken langer dan een uur de haven beschoten hebben. Nog verder vertonen zich het hoofd der haven, en de kerktoren der plaats. De molen zien we hier nog net rechts afgedrukt staan.


Door Anne (Onne) Hoekstra.

Inleiding

Op uitnodiging van Roelie Visser, maker van de site, heb ik besloten een poging te wagen om iets te vertellen over de "Houtmolen". Het is uiteraard mijn visie, wel gevoed door het feit dat ik daar geboren ben en opgegroeid.

Op de genoemde site wordt enige malen gerept over de fabriek. Zo is er o.a. een stukje te lezen over de laatste grote brand op de fabriek in 1953, gemaakt door de bekende Lemster, Evert de Vries. Ten tijde van die brand was ik 5 dagen oud en lag te slapen, niets gemerkt.

De schrijver.

Mijn naam is Anne Theo Hoekstra, de 2e zoon van Andries Hoekstra. 1953 is mijn geboortejaar. Mijn vader (1921-1989) was de laatste directeur van de vestiging Lemmer, onderdeel van Halbertsma te Grou. Hij was begonnen als 12-jarige krullenjongen, in de fabriek van Halbertsma te Grou. Opgeklommen tot administratief medewerker en boekhouder tot de oorlog begon. In de oorlog ondergedoken, en kort na de bevrijding in 1945 als vrijwilliger, lid van Bataljon Friesland, uitgezonden naar Indonesië. Gerepatrieerd in 1949. Wederom bij Halbertsma in Grou verder gaan werken.

Werd benoemd in 1949 als boekhouder, in de vestiging Lemmer van Halbertsma onder leiding van de toenmalige directeur, Piet van den Bosch. Inmiddels getrouwd, ging mijn vader wonen in de directeurswoning op het bedrijfsterrein. Dit was een gedeelte van de onderste helft van het pand. Eind jaren 50 werd de directeur wegens een meningsverschil met de directie in Grou ontslagen.

Mijn vader werd benoemd tot directeur. Dit betekende dat we gingen verhuizen naar het bovenste deel van de woning. Hier was veel meer ruimte. De benedenwoning werd betrokken door de boekhouder Jan Visser, bij sommigen beter bekend als Jan Agesz, getrouwd met de vroegere schooljuffrouw Jopie. Haar vader werkte ook op de fabriek, Jacob de Slyper. Hij sleep alle zagen en beitels. Hij overleed plotseling na het eten ’s middags. Zijn vrouw is daar toen zo ondersteboven van geweest, dat ze daarna niet meer spreken kon, en ook nooit meer heeft gesproken.

Algemeen.

Om de geschiedenis van de "Houtmolen te beginnen ben ik eerst gedoken in een archiefpagina via internet. Hier staat een algemeen stukje over het ontstaan van de "Houtmolen". Het geeft een algemeen beeld van de eerste eigenaren en de laatste eigenaar. Ik kom hier later op terug.

Cornelis Sleeswijk, dy't ûntfanger fan de gritenij en fan it wetterskip "De Zeven Grietenijen en de Stad Sloten" die, kocht yn 1849 de houtmoune oan de Rien". De aankoop van deze houtzaagmolen c.a. aan de Polle te Lemmer, vond plaats bij gelegenheid van de openbare verkoop van de onroerende goederen, van de familie Brandsma. Successievelijk werd het bedrijf in de volgende jaren uitgebreid, door aankoop van aangrenzend onroerend goed.

De feitelijke leiding lag in handen van Johannes Brandsma, die als bedrijfsleider in dienst was van Cornelis Sleeswijk, en na diens overlijden in 1857, van zijn weduwe Fettje Wegener. Nadat laatstgenoemde in 1862 was overleden, is het bedrijf aanvankelijk voortgezet door Frederik Wilhelm Wegener Sleeswijk en Johannes Brandsma, gezamenlijk in een vennootschap onder firma, genaamd "de Weduwe C. Sleeswijk".

Na de dood van Brandsma, in 1883 zette eerst genoemde firmant het bedrijf alleen voort. Nadat in 1893 zijn zoon André Wegener Sleeswijk, zijn intrede in het bedrijf had gedaan, volgde in 1895 modernisering van de onderneming. In dat jaar werd de oude houtzaagmolen vervangen door een stoomhout-zagerij. In 1905 werd de firma omgezet in een naamloze vennootschap "N.V. Stoomhoutzagerij en houthandel voorheen de Wed. C. Sleeswijk" geheten.

In 1916 vond een grote uitbreiding plaats, met een kisten-vaten-en palletfabriek. Na het plotselinge overlijden, in 1918 van directeur André Wegener Sleeswijk, ging het snel bergafwaarts met de onderneming en werd de vennootschap in 1925 geliquideerd. De nieuwe eigenaar N.V. De Friesche Bank, bracht het bedrijf onder in een commanditaire vennootschap "C.V. Stoomhoutzagerij" genaamd, waarvan B. Corée Lzn, bedrijfsleider werd. In 1934 vond wederom een omzetting plaats, waarna Halbertsma's Fabrieken voor Houtbewerking N.V. het bedrijf overnam. Als onderdeel van het concern werd het betrokken bij de overname door de Swedisch Match S.T.A.B. uit Zweden. In 1975 werd het bedrijf gesloten. De arbeiders werden naar Grou en Scheemda overgeplaatst.

B. Corée

Betekenis houtmolen voor Lemmer.

In de jaren 50, 60 en begin 70-er jaren was de fabriek de grootste werkgever in Lemmer. Er werkten meer dan 100 personeelsleden op de fabriek. Het aantal wisselde nogal in de zomer of wintertijd. ’s-Winters werkten er veel vissers uit Urk, als de visvangst vrijwel stillag. Dit was voor velen een meevallertje. Emmers vol vis werden wekelijks op maandagmorgen meegenomen vanuit Urk, naar liefhebbers op de fabriek. Ook wij werden regelmatig verrast op een emmertje tong of schol. Het hele huis stonk ernaar, maar … wat was dat lekker.

In de beginjaren 60 werkten bij ons op de fabriek ook vele Ambonezen. Deze woonden op een kamp in Gaasterland en waren na de machtsovername in Indonesië naar Nederland gekomen. Waarschijnlijk had mijn vader een zwak voor deze mensen. Hij had immers 4 jaar tussen hen geleefd. Deze Ambon-jongens hebben mij als kleine jongen Maleis geleerd. Ik ken zelfs nu nog de meeste woorden voor etenswaren. Er waren trouwens meer Indië-gangers op de fabriek. Er was destijds geen spoor te merken van de huidige allochtonenproblematiek.

Er kwamen met enige regelmaat allerlei "notabelen" bij ons over de vloer. Dit was in die tijd vrij normaal. De fabriek werd overal in betrokken. Zo zat mijn vader in vele besturen, het schippersinternaat, de woningbouwvereniging, openbare school, regionale omroep noord enz.

De fabriek was in die jaren vaak geldschieter voor allerlei zaken. Iedere vereniging in het dorp klopte aan voor een bijdrage. Ook de vrouw van de notaris (hijgend hert) kwam met enige regelmaat in huis, met weer een of andere reden voor geld voor iemand of vereniging. Aparte mevrouw! Ook werd veel (hobby) hout geleverd aan mensen in het dorp. Zeker als de afvalhoop weer metershoog werd, dan kon iedereen gratis hout ophalen. Een gamma bestond toen nog niet. Ook de scholen kwamen langs voor materialen.

In de 50- en begin 60-er jaren draaide de fabriek nog echt op stoom. Er was een enorme machinekamer in het hart van de fabriek, genaamd het 'tsjetelhûs'. Als klein kind was ik behoorlijk onder de indruk van dat enorme monster, met zijn grote draaiende wielen. Alle machines werden aangedreven door assen, die verbonden waren met het grote wiel aan de stoommachine. De assen lagen allemaal onder de grond.

Onlosmakelijk met een stoommachine is een schoorsteen. Hij was ruim 30 meter hoog en was gezichtsbepalend voor de Lemmer. In de jaren 60 is hij helaas afgebroken. Het was gevaarlijk om hem te laten staan, en restauratie was in die tijd niet in de mode. Hij is met de hand van bovenaf afgebroken door twee specialisten. Het puin ligt nu nog waarschijnlijk onder de grond, op het achterste deel van het fabrieksterrein, genaamd "de Kolk" een destijds gedempt stuk water.

Zoals ergens al op deze site staat weergegeven had de stoomfluit van de fabriek meer betekenis, dan alleen het sein voor de arbeiders om aan het werk te gaan of naar huis te gaan. Hij fungeerde als tijdsbaken voor het hele dorp. Kinderen moesten naar huis komen als de fluit ging. Hij was tegelijkertijd ook het horloge voor het hele dorp.

De bediening van de fluit was simpel, in het 'tsjetelhûs' hing een stuk touw, eraan trekken … en de fluit ging oorverdovend af. Ik heb dat als kind regelmatig mogen doen, alleen onder toezicht en niet te vroeg. Later, toen het stoomtijdperk ter ziele was gegaan, kwam er een sirene. Ook deze had nog wel enigszins dezelfde functie, maar het was geen stoomfluit.

Ook de stoommachine werd eruit gesloopt, inclusief de twee ketels. Ik dacht dat ze naar de schroothoop waren gegaan, maar ik heb recent ontdekt dat ze in het stoommuseum staan in Hoorn. Op een Duitse internetsite kwam ik de foto’s tegen van "mijn" stoommachine.

Maschinenfabrik Buckau R. Wolf AG Lokomobile.

Dit is de stoommachine, gebouwd in 1933 uit de fabriek uit de Lemmer.

De technische details voor de geïnteresseerden onder ons.

Producten van de fabriek.

Was de fabriek eerst vooral de fabrikant van voornamelijk allerlei soorten kisten, later volgde ook de grote productie van pallets. Elke dag, het hele jaar rond, gingen 1á 2 grote vrachtwagens vol pallets naar de Hoogovens in IJmuiden. Dit waren pallets voor hoofdzakelijk éénmalig gebruik voor transport van, inderdaad, ijzerproducten.

In eerste instantie werden de pallets met de hand gespijkerd. Twee man maakten één pallet. Er werden gedraaide spijkers ingeslagen. Volgens mij was dit redelijk zwaar werk. Later kwamen zogenaamde spijkervuisten, aangedreven op lucht. Nog later waren er complete spijkermachines, planken erin leggen, op voetknop drukken, en alle spijkers zaten er in één keer in.

Ook allerlei soorten kisten werden machinaal gespijkerd. Zo werden er veel emballage kisten gemaakt voor de Friesche Vlag, hierin zaten goudband koffiemelk flessen en allerlei andere melkproducten, zoals o.a. Rivella. Kratten voor Heineken, Amstel, Grolsch, noem maar op. De onderdelen van kratten, waar een naam op moest komen, werden afzonderlijk in een apart gedeelte van de fabriek bedrukt. Hiervoor was een heuse roldrukpers aanwezig, waarin de koperen, later loden, letters werden gezet.

Verder werden er ook veel kratten gemaakt voor de landbouw, kiemkratten voor aardappels, bedrukt met de naam van de boer, kuubskisten voor allerlei producten.

De kratten werden veelal ook afgelakt geleverd. Hiervoor was een lakstraat gemaakt die de halve fabriek rondging. Aan het ene eind werd de krat ondergedompeld, aan het andere eind werd hij droog van de haak gepakt en opgestapeld, gereed voor transport.

Eind 60-er jaren kwam de klad in de krattenfabricage. De kunststof kwam op. Van de ene op de andere dag werden bestellingen geannuleerd. Ik weet dat er nog jaren honderden kratten Heineken op de fabriekszolder hebben gestaan, die niet meer werden afgeleverd en uiteindelijk als brandhout werden gebruikt.

Transport.

Alle benodigde hoeveelheid hout werd aangevoerd vanuit Finland en Zweden met zogenaamde coasters. Dit waren middelgrote zeeschepen, die nog net in de Riensluis pasten. Later, toen deze schepen steeds groter werden, werden ze gelost op het nieuwe terrein van de fabriek, tegenover de fabriek.

Regelmatig kwam het destijds voor dat bij hout uit Finland, kogels in het hout werden gevonden, overblijfsel uit de tweede wereldoorlog. Ik heb er nog een paar liggen. Dit veroorzaakte altijd een hoop trammelant, de zagen gingen erop kapot. U moet zich voorstellen dat de grote balken, machinaal door lange meterslange lintzagen werden gezaagd, plotseling van de geleiders sprongen als er metaal = kogels in het hout zaten. De zagen spatten dan van de machine af met alle gevaren van dien.

Het hout uit de schepen werd overigens voornamelijk met de hand op stapels gezet, en buiten boord gehesen. Vervolgens op een karretje en naderhand op stapels gezet, waarbij belangrijk was dat tussen elke balk een dunne stok zat. Dit om een droogproces goed te laten verlopen.

Zo stonden deze houtstapels vaak een jaar te drogen of soms nog langer, voordat het verder verwerkt werd. Voor ons kinderen ideale klimrekken. Regelmatig kwam je vol splinters thuis, waar je vervolgens op de kop kreeg, want je mocht er niet op klimmen.

De gerede producten werden door eigen vrachtwagens afgeleverd aan de kopers. Destijds had de fabriek twee chauffeurs in dienst, in – jawel – uniform met pet. Dit waren Tete de Vries en Auke Coehoorn. Er zijn ook nog andere chauffeurs geweest, o.a. ene Piet. Er waren twee grote vrachtauto’s, een blauwe Volvo en een blauwe Ford. Ook destijds gingen de meeste producten op pallets weg.

Ik ben vroeger als kind regelmatig met de chauffeurs mee geweest naar de klanten toe. Dit waren o.a. de Heineken, Amstel en Grolsch fabrieken. Deze waren zeker geliefd bij de chauffeurs. Als de lading gelost was, stond er meestal in de cabine van de vrachtauto een aantal volle flessen. Dit was normaal in die tijd. Ook werden er veel kachelkratten afgeleverd aan kachelfabrieken in Deventer. Zo kwam je nog eens ergens. Er werd verder in het gehele land afgeleverd. Veel in Noord-Holland bij de tuinders en in de Noord Oost polder bij de boeren.

Uitbetaling loon.

In de jaren 50 en begin 60 werden de lonen nog wekelijks uitbetaald, op vrijdagmorgen om 12.00 uur. Alle personeel verzamelde zich voor de deur van het kantoor aan de Rienzijde.

De hele vrijdagmorgen was het kantoorpersoneel bezig om geld in halfdoorzichtige papieren zakjes te doen, voorzien van een urenbriefje. Vervolgens kwamen alle zakjes in een houten kistje. De hoofdboekhouder ging voor de deur op de stoep staan, en riep vervolgens de naam af van iedereen. De genoemde kreeg een zakje geld overhandigd, en vaak werd dit zakje onder de pet gestopt, en op huis aan naar moeder de vrouw. Destijds ging iedereen nog tussen de middag op de fiets naar huis voor de warme hap.

Kantine.

Later werd een kantine gemaakt in het oude 'tjsetelhûs'. Als de fluit ging was er een kwartier pauze. Iedereen de kantine in voor de koffie. Er was een kantine medewerker, de laatste was dacht ik Schelte de Vries, timmerman. Hij zette koffie, schonk hem in porseleinen kopjes en deelde hem uit. Binnen de kortste keren stond de kantine blauw van de rook. In de fabriek zelf mocht niet gerookt worden, in verband met brandgevaar. Overal hingen in de fabriek zinken emmers met water, voor als er eens brand mocht uitbreken. Overigens werd er ook op de toiletten gerookt, stiekem, maar iedereen deed het.

Beveiliging.

De fabriek werd in de avonduren bewaakt door een heuse bewaker. Dit was Age van der Bles, een bekend figuur uit de Lemmer (. Naast dit werk deed hij ook de was in het halve dorp, ophalen en schone was terugbrengen, voor wasserij 'De Blinde' in Heerenveen. Hiervoor had hij de beschikking over een gemotoriseerde bakfiets, waarin kinderen overigens graag meereden, waaronder ook natuurlijk zijn kleinzoon Steven van der Bles. (Zoon van Willem van der Bles (overleden in sept 2007) en Tiny van der Bles Visser. Hun ouders waren Age van Der Bles en Regina de Jong en Steven Visser (Slide) en Trijntje Vleeschouwer).

Regina de Jong en Age van der Bles.

De beveiliging bestond uit het op gezette tijden in z’n eentje, rondjes lopen in de donkere fabriek en op het donkere fabrieksterrein. Op speciale plaatsen moest hij een soort klok opwinden, die hij bij zich droeg, dit ten bewijze dat hij er op gezette tijden was geweest. Dit had te maken met de brandverzekering.

Toen ik wat ouder was, heb ik hele avonden met hem meegelopen, en zijn verhalen over Lemmer aangehoord. Ik hoorde destijds heel wat lief en leed van het personeel.

Personeel.

Er werkten op de fabriek heel wat markante mensen, althans in mijn ogen. Er werd veel gebruik gemaakt van bijnamen. Op deze site staat daar een aantal van genoemd. Ook werkten er veel voormalige vissers. Na het sluiten van de Afsluitdijk, en later, is de visvangst in Lemmer sterk achteruit gegaan. Heden tendage zijn er nog maar twee originele Lemster kotters.

Zo werkte ook Steven Roet (Visser) in zijn latere jaren bij ons. Hij heeft mij het nodige bijgebracht hoe paling te vangen, en hoe palingkistjes te maken. Ik heb nog jaren in de wateren rond Lemmer gestroopt met een fuik van hem. Jonkje, zei hij, "must wol even de pjealtjes ûnder wetter slaen, oars sjogge ze dien fûke".

Er werd veel gepruimd door de heren. Als kinderen kreeg je dan de vraag van zo’n oudere zeebonk: Jonkje, wost wat hewve? Hâld dyn hân mar even op. Vervolgens kreeg je een uitgekauwde natte tabakspruim in je hand gedrukt. Wat een lol hadden ze dan, de krinkjesspuiers!

Zo was er ook een voorman Anne Visser, hij woonde tegenover ons aan de rien. Als het in de winter donker was, riep hij onder mijn slaapkamer, Oane, doch ut leucht es oan, we sjogge hjir neat. Dan moest ik het bed uit en de grote lamp onder het kantoor aanmaken, zo konden ze wat zien als ze aan de voorkant aan het werk waren.

Auke Coehoorn, ook wel in die tijd genaamd Auke Pot, heeft mij geleerd in een vrachtwagen te rijden. Dit was een heel oude Bedford, die alleen op het fabrieksterrein werd gebruikt om wagens te verzetten die geladen werden. Ook op heftrucks reden wij als kind vaker rond, mocht meestal niet, maar ja, was wel verleidelijk.

De plaatselijke politieman, Buitenga, zag dit nog wel eens, en sprak mijn vader daar wel eens op aan. Buitenga deed dit vroeger wel vaker, als wij in het dorp iets uitgehaald hadden. Hij wist toch wel wie je was. Als hij je niet te pakken kon krijgen, kwam ie naar je huis. Werd je vervolgens door je vader alsnog bestraft. Buitenga was zelf ook niet vies van een opvoedende tik of schop onder je kont. Er was een zeker respect voor hem, daar was niets mis mee.

Dan was er nog Reade Okke, Andries Bergsma. Ook hij werkte onregelmatig op de fabriek. Wel ging hij steevast mee met het jaarlijkse personeelsuitstapje. Ik hoorde dan de verhalen naderhand.

Zo zat Reade Okke eens op een bankje in Amsterdam, samen met een kompaan, met een kratje Heineken, mijn moeder vroeg hem dan of het goed met hem ging. Reade Okke zei toen, mevrouw Hoekstra, ik ha ut nog nooit sa goed han. Ik gean direct wer mai de bus op hûs oan, d’r kin mij niks gebeure. Prachtige man.

Dan was er nog Sjoerd Brandsma, of te wel Philipshave. Hij had een wat vooruitstekende kin, die glom als hij pas geschoren was. Hij was de machinale bankwerker, meester in het bedenken van de meest creatieve oplossingen. Hij had de beschikking over een heuse smederij, waarin nog vuur gloeide. Er was daar maar één iemand de baas daar, en dat was onmiskenbaar Sjoerd. Volgens mij was hij ook nog de laatste machinist van de stoommachine. Ook hij heeft mij de nodige kneepjes bijgebracht van het smeden van ijzer.

Voormannen of ploegbazen en andere markante personen.

Een fabriek als de Houtmolen, kon alleen maar bestaan dankzij een aantal ploegbazen. Ik ken er nog een stuk of acht:

Anne Visser, afdeling houtwerf, waar al het ruwe hout was opgeslagen.

Wytze van der Bijl, afdeling spykerij/drukkerij. Hier werden de kisten en alle andere materialen machinaal in elkaar gespijkerd, geniet enz. Ook de drukkerij was hier gevestigd, waar de planken werden bedrukt met allerlei tekst, logo’s en afbeeldingen. Destijds was alle drukmateriaal nog uit koper en lood. Zijn dochter kwam ik later in Limburg tegen, zij was toen Officier van Justitie.

Geert Lammers, afdeling schaverij. Hier werd ruw hout glad gemaakt.

Marten Vlig, afdeling zagerij. Dikke balken werden hier tot de kleinste benodigde plankjes gezaagd. Dé duivenmelker van Lemmer.

Siene de Vries, afdeling zagerij, en deels de houtwerf.

Sjoerd Brandsma, chef van de smederij, machinekamer, onderhoud en ontwerp machines, tevens trainer, aanvoerder van het bedrijfsvoetbalteam.

Pieter de Boer, beheerde de garage en de vervoersmiddelen, mogelijk was hij vroeger ook stoommachinist.

Schelte te Vries, fabriekstimmerman, maakte van alles van hout en verrichte alle klussen die niemand anders kon. Later was hij werkzaam in de kantine.

Ate Postma, de vertegenwoordiger van de houtmolen. Reed in een auto van de zaak, een heuse VW-kever. Wat kon die man praten.

De chauffeurs, voorzien van uniform, reeds genoemd: Auke Coehoorn, Tete de Vries en later Piet Winia. Tete stond eens boven op de vrachtauto, riep naar mij beneden, stil staan! Ik liep toch door, ondertussen gooide hij een pallet naar beneden, jawel op m’n kop. Vooruit, even naar dokter Weber, paar krammen in de kop, Tante Jo verbond je, en terug naar huis. Tegenwoordig krijg je een trauma team erbij, er wordt een onderzoek ingesteld door de arbeidsinspectie, en na drie maanden hoor je niets meer.

Ook kwam regelmatig de 'grote' baas uit Grou op bezoek. Eerst was dit altijd nog een Halbertsma. Ik herinner me Pieter Goslik Halbertsma, zo doof als een kwartel en hij sprak als een doofstom iemand. Hij reed destijds een Jaguar, een grote glimmende auto. Naderhand had hij een Mercedes-Benz. Altijd netjes een hand geven, zei mijn moeder.

Dit is maar een kleine bloemlezing uit de vele personeelsleden die op de fabriek werkten of gewerkt hebben.

Een oude foto van een personeelsuitje van de houtmolen, daterend uit de jaren 50. Ik ken lang alle namen niet meer. Mijn vader, Andries Hoekstra staat ongeveer in het midden (met de H op zijn colbert). Daarnaast zie ik bekenden zoals Wytze van der Bijl, Marten Vlig, Tete de Vries, Pieter de Boer, Sjoerd Brandsma, Schelte de Vries, Ate Postma, Jan Visser, Siene de Vries en Anne Visser.

Harm Duim vertelt in een reactie: Harm Fimke en Peke Duim in rood. Op deze foto, die ik voor het gemak voor deze actie even van je website leen, zag ik ook Pa Harm (fan us Oate) en Ma, Fimke :).

Hij kwam thuis van de langere school en was 14, met zijn diploma onder de arm, dit vertelde hij vaak, "Oate/Pake, ik heb my opjoun foar de ULO", dat is moai sei Pake, ik ha dy opjoun foar de "Houtmolen".....

TOP