Lemsterland in verzet (2)

Verdere Acties.

 Jan Feenstra in zijn marechaussee-uniform, januari 1941.

We zijn in de BS-tijd aanbeland en de ploeg hield zich in hoofdzaak bezig met sabotageactiviteiten. Er werden dorsmachines vernield om stroleveranties aan de Wehrmacht te voorkomen.

Stro was belangrijk als verpakkingsmateriaal voor granaten en als grondstof voor cellulose, dat weer voor tal van doeleinden gebruikt werd, van plastics tot springstoffen. In het najaar van 1944 werd de KP-Echtenerbrug versterkt met Jan Feenstra (Piet) en Martin Olivier (Harry). In oktober werd de spoorlijn ter hoogte van Nijeholtwolde gesaboteerd. Men verwachtte een munitietrein.

Maar de Duitsers ontdekten de sabotage en hun wraak was verschrikkelijk: op 12 oktober schoten zij als represaille op de plaats van de sabotage, drie onschuldige burgers neer. Bij de nachtelijke acties fietsten meestal de beide marechaussees Feenstra en Olivier in hun uniform voorop, om de Duitse controle te misleiden. Als er onraad was, waarschuwden zij de rest van de ploeg door met de achterlichten te knipperen. Ook een Duits uniform, dat buitgemaakt was toen er een SS-officier in het ziekenhuis van Heerenveen lag, bewees de KP goede diensten.

Voorts was de KP- Echtenerbrug samen met een andere ploeg belast met de zorg voor twee vanuit Engeland gedropte officieren. Dit waren de marconisten Tazelaar en Faber, die een radioverbinding met Engeland tot stand moesten brengen. Zij installeerden zich later met de zendapparatuur in een bootje in de rietkraag van het Nannewijd, niet ver van het afwerpterrein bij Haskerhorne. De wapendroppings zelf gingen onverminderd door. De transporten leverden nogal eens moeilijkheden op, doordat paard en wagen herhaaldelijk in de modder bleven vastzitten. Ook moest men constant bedacht zijn op Duitse patrouilles.

Tijdens één van de droppings namen Feenstra en Olivier in strijd met de voorschriften een parachute van het afwerp-terrein mee. Textiel was schaars in die dagen, en de beide mannen wilden hiervan een trouwjurk laten maken voor Feenstra's aanstaande bruid. De leiding nam het hen niet bepaald in dank af en zette beide mannen uit de ploeg.

Rond de persoon van Jan Feenstra zijn altijd misverstanden blijven bestaan. Niettemin was de Lemster enkele maanden lid van de Knokploeg in Echtenerbrug. Hij had toen al een bewogen leven achter de rug.

Jan Feenstra werd op 2 november 1918 geboren als zoon van huisschilder Eelke Feenstra (in Lemmer beter bekend als De Moskjeferver). Jan was eerst schildersknecht, maar ging aan het begin van de oorlog op aanraden van één van zijn ooms bij de marechaussee. Toen tijdens de mei-staking van 1943 de politie van de Duitsers hard moest optreden tegen stakende arbeiders en boeren, besloot hij de politiedienst vaarwel te zeggen. Enige tijd later dook hij onder, met zijn uniform en dienstwapen nog in bezit. Nu had Rauter kort tevoren de maatregel afgekondigd dat wanneer een politieman onderdook, diens familieleden geïnterneerd zouden worden in kamp Vught.

Begin augustus werden de ouders Feenstra dan ook als gijzelaars naar kamp Vught getransporteerd, de zorg voor de rest van het gezin aan een tante overlatend. Kort daarop werd Jan zelf gearresteerd, toen hij bij een oom in Amsterdam persoonsbewijzen aan het vervalsen was. Hij werd opgesloten in het beruchte 'Oranje Hotel' in Scheveningen. Daarna kwam hij in kamp Amersfoort terecht, waar hij zware arbeid moest verrichten op vliegveld Soesterberg. Dit was voor hem niet vol te houden, zodat hij bij het aardappelschilcommando kwam. Een Benedictijner pater, met wie hij goed bevriend was geraakt, zorgde ervoor dat hij dit werk bleef doen en op diens advies voegde Jan zich bij een transport naar Riga (Letland), waar hij werken moest als frontarbeider. Inmiddels waren Jans ouders in december 1943 weer vrijgelaten.

Dat de wereld klein was, ervoer Jan in Riga: Jan liep in het kamp een oud-schilderscollega tegen het lijf, die destijds in één van de buitendorpen woonde. Met hem hernieuwde Jan de vriendschap en voortaan waren de mannen onafscheidelijk. De verassingen waren nog niet ten einde, want later bleek de de commandant van het kamp een Lemster, een vroegere vriend van zijn Jans vader. Deze man was natuurlijk wel in Duitse dienst, maar hij behandelde Jan goed en gaf hem licht werk.

Na een verblijf van enkele maanden in het kamp kreeg Jan van de commandant valse papieren en werd hem gelegenheid tot ontvluchten gegeven. Er volgde een lange treinreis dwars door Europa, tijdens welke Jan een jockeypet droeg om zijn kaalgeschoren hoofd te verbergen en eventuele herkenning te voorkomen. Hij belandde bij zijn oom Ynte in Amsterdam, maar bleef daar niet lang: via zijn verloofde in Wolvega, die koerierster was, vond Jan een onderduikadres bij de familie Slump in Echtenerbrug.

Een diepe, droge regenbak onder de vloer werd zijn schuilplaats. In Echtenerbrug ontmoette hij de aldaar woonachtige Martin Olivier, net als hij een ondergedoken marechaussee. Samen kwamen zij in contact met het verzet in deze plaats en sloten zich aan bij de Knokploeg. Na zijn huwelijk op 28 december 1944 trok Jan in gezelschap van Olivier naar Wagenborgen in Groningen.

Klik hier om een tekst te typen.

Arrestatie op 3 januari 1945.

Eind december 1944 kreeg de SD door verraad een aantal verzetslieden uit Noordwolde in handen. Na zware verhoren noemden zij namen van medestanders, waaronder die van hun contactman in Echtenerbrug: Wiepke Hof.

Destijds was Wim Reinders als onderduiker in huis bij Hof; Luitjen Mulder was rond de jaarwisseling nog even thuis, waar hij tegenover zijn vader zijn vermoedens van verraad uitsprak. Ondanks waarschuwingen vertrok hij Weer naar Echtenerbrug. Hij was gewoonlijk ondergebracht bij Albert Koopman, die tegenover de pastorie van de gereformeerde kerk woonde. Het ongelukkige toeval wilde echter dat de vrouw van Koopman enkele dagen daarvoor bevallen was, zodat Luitjen de nacht eveneens bij Wiepke Hof moest doorbrengen. Wim en hij gingen laat naar bed die 2e januari: ze hadden meegeholpen een voor de Duitsers varend roggeschip leeg te halen en de lading opgeslagen voor het verzet.

De mannen waren de volgende morgen net uit bed toen om 10 uur de SD het dorp binnenreed. Het drama voltrok zich bliksemsnel: nadat een arrestant uit Noordwolde Wiepkes huisje aangewezen had, stormde de SD naar binnen. Gelegenheid tot ontkomen was er voor de twee KP'ers en hun gastheer niet meer: de verraste mannen werden meteen onder schot genomen door de zwaar bewapende SD'ers. Deze begrepen al snel dat zij een goede vangst hadden gedaan. Wim en Luitjen werden direct verhoord, waarbij de SD'ers Wim in huis al mishandelden en zijn bril kapot trapten.

In nabijgelegen woningen werden eveneens invallen en huiszoekingen gedaan. De Duitsers waren ook in de bakkerswinkel van Harm Bootsma. Fedde Kalsbeek, BS'er Willem de Jong en hij namen de vlucht door de achterdeur en doken door het raam de christelijke school binnen. Via een betonnen stortkoker voor kolen klommen zij naar boven en konden door een raampje het gebeuren gadeslaan. Zij waren er onder meer getuige van dat ook het huis van buurman De Vries doorzocht werd en dat de Duitsers diens hond doodschoten. Wim Reinders, Luitjen Mulder en Wiepke Hof werden naar de overvalwagen gebracht. Zij werden afgevoerd naar Heerenveen, waar zich achter gemeentehuis Crack-State de beruchte gevangenis van de SD bevond.

 De arrestatie door de Sicherheitsdienst van Wim Reinders, Luitjen Mulder en Wiepke Hof. De mannen werden geboeid naar de overvalwagen gevoerd en naar Crack-State gebracht.

Het huisje van Wiepke Hof in Delfstrahuizen werd geplunderd en diverse malen op wapens doorzocht. De wapens waren in de nacht na de arrestatie door mevrouw Hof en een andere vrouw al weggehaald. Na de laatste huiszoeking wierpen de SD'ers enkele handgranaten naar binnen. Het huisje van Hof is later opgenomen in kledingcentrum Roest.

Het leeghalen van het roggeschip. Buiten de KP waren onder andere nog aanwezig Pier Cuiper, Johannes Kraak en Fedde Kalsbeek. Het graan werd naar de zolder van de christelijke school gebracht, de latere meubelzaak Bruin. De tekeningen zijn kort na de oorlog gemaakt door Hendrik Bangma, een schoonzoon van Pier Cuiper (hij was getrouwd met Gelske) en lid van de BS van Lemsterland.


Nachtmerrie in Crack-State.

De Belg Emiel Steijlaerts, één van de wreedste beulen van Crack-State. Ook de SD'ers Nauhein en Paarmann misdroegen zich ernstig en zijn waarschijnlijk de hoofdverantwoordelijken voor de dood van Luitjen Mulder.

Sinds 14 oktober 1944 was in de gevangenis te Heerenveen het Kommando Kronberger van de Sicherheitspolizei en SD gevestigd. Het gebouw had de reputatie gekregen van verschrikkingsoord, waar Vlamingen als Emiel Steijlaerts en Gerard Verbrugghe de Duitsers soms nog in barbaarsheid overtroffen als het ging om arrestanten tot spreken te dwingen.

Onder leiding van de Duitser Hermann Rosenthal werd de waarheid er letterlijk uitgeslagen: men gebruikte een karwats met knopen erin, waarmee men zo tekeerging dat de bloedspetters op de muur zaten. Verder sloeg men met een stok, de kolf van een revolver en een zware sleutelbos. Tot slot van het verhoor werd de arrestant op een gloeiend hete kachel gelegd.

De gevangenen uit Echtenerbrug werden die nacht duchtig aan de tand gevoeld. Toen Luitjen Mulder hierbij niets wilde loslaten, besloot de SD tot een tweede, nog zwaarder verhoor. Dit duurde de volgende nacht van 7 tot 2 uur en doordat hij bleef zwijgen, werd Luitjen gruwelijk mishandeld. Zijn door merg en been gaand geschreeuw was ook in andere cellen te horen en dreef zelfs een medegevangene tot zelfmoord.

Luitjen werd nadat hij met ontbloot achterwerk over een ijzeren krib had moeten gaan liggen van zijn rug tot aan zijn knieholten helemaal blauw geslagen.
Voorts schopten de beulen hem met hun zware laarzen in de lendenen en drukten hem tegen de kachel tot er bijna geen vel meer op zijn rug zat. Maar geen naam kwam over zijn lippen. Terug in de cel bleek dat de beulen hun verwoestende werk grondig gedaan hadden: Luitjens nieren functioneerden niet meer.

Zijn lijdensweg duurde nog drie dagen en toen stierf hij, zonder medische hulp ontvangen te hebben. Kronberger gaf opdracht het zwaar mishandelde lichaam weg te werken door het in de buurt van Langweer met een auto-as verzwaard onder het ijs te laten zakken.

Ook Wim Reinders werd het vuur na aan de schenen gelegd. Maar deze koos een andere tactiek: hij liet voorzichtig enkele namen vallen van mensen die al ondergedoken waren. Zo noemde hij de naam van Johannes Kraak. De volgende morgen in alle vroegte moest hij mee om diens boerderij aan te wijzen. Maar toen gebeurde er iets waarop Wim niet gerekend had.

Op de boerderij trof de SD Johannes broer Jouke, die samen met zijn gezin en enkele anderen daar ondergedoken was. De SD'ers zagen Jouke eerst voor een Amerikaan aan en vroegen wie hij was. Jouke antwoordde dat hij Van Kessel heette en evacué was. Zijn beide zoontjes dreunden ook braaf hun lesje op: 'Wij zijn Arnout en Roeland van Kessel. 'Wij komen uit Nijmegen. Hoe het daar uitziet? Nou, allemaal water, net als hier!' De SD nam daar echter geen genoegen mee.

Zij sloegen Jouke Kraak en de andere onderduikers in de boeien en dwongen hen tegen de muur te gaan zitten. Wim Reinders werd bij hen gebracht, maar deze haastte zich de SD'ers ervan te overtuigen dat Jouke nergens mee te maken had. Om Jouke te redden, zag Wim tenslotte geen andere uitweg dan te verklaren dat hij de SD'ers maar wat op de mouw gespeld had.

De Duitsers ontstaken in toorn en sloegen Wim ongenadig met een stok op het hoofd. Jouke Kraak en de onderduikers werden in de overvalwagen geladen en men reed naar het huisje van Wiepke Hof, waar men aan het plunderen sloeg. Nadat de SD'ers alles wat van hun gading was hadden meegenomen, keerde men met de gevangenen op de boerderij terug.

Daar waren de overige SD'ers Wim Reinders nog aan het afranselen. Jouke Kraak moest samen met de arbeiders van de boerderij de hele mesthoop overhoop halen om te kijken of er ook wapens in zaten. Maar gevonden werd er niets. De Duitsers waren zo kwaad op Reinders, dat zij Jouke Kraak en de andere onderduikers lieten gaan.

Terug in Crack-State ontlaadde de woede van de SD zich pas goed. Wim werd zo geslagen en getrapt dat hij nauwelijks meer staan of zitten kon. Na afloop werd hij in een cel met allerlei houtrommel gegooid. Omdat hij stug bleef zwijgen, kreeg hij de eerste vijf dagen vrijwel geen eten en drinken. Naderhand werd hij naar een andere cel gebracht. Daar kreeg hij na een tijdje gezelschap van Jan Tuut ('Joop van Wijk'), die van de ziekenzaal kwam.

In de cel was als bodembedekking alleen een dun laagje stro. Tuut zei wel een stukje op te willen schuiven, zodat Wim ook op de brits uit de ziekenzaal kon. Maar 's avonds sloop Steijlaerts altijd op sportschoenen langs de celdeuren en toen hij Wim op de brits zag, joeg hij hem eraf en zei dat hij op de grond moest liggen. 'De volgende keer schiet ik!' De treiterpraktijken van de SD vonden voortgang: Wims eten werd af en toe zonder bestek om de hoek gegooid en als de gevangenen eens een kopje thee kregen mocht hij niet meedrinken.

Ook het fysieke geweld tegen Wim werd voortgezet. Jan Tuut vertelde over de mishandelingen: 'Hij kreeg zoveel slaag dat hij zijn ontlasting liet lopen. Zijn linkeroog zat dicht, zijn neus was kapot en je kon zien dat ze hem met de sleutelbos op zijn hoofd hadden geslagen. Ook waren er rottende wonden onder zijn knie en aan zijn kuiten: zo erg zelfs, dat Kronberger zei dat er een dokter bij moest komen. Namen heeft Wim nauwelijks genoemd, maar soms deden anderen dat wel. Dan was het 'Kommen Sie mit! Schnell bitte!' en als hij dan wist dat hij huizen moest aanwijzen, trok hij helemaal wit weg. Dat vond hij verschrikkelijk'.

De enige versoepeling in het beleid was dat de beide gevangenen eens een boek mochten lezen. Zij vroegen om 'Hollands Glorie' van Jan de Hartog, maar moesten voor ze dit kregen eerst verschillende Duitse boeken doorworstelen, te beginnen met 'Mein Kampf'. Al met al trachtte Wim het hoofd koel te houden en zon op manieren om mensen te waarschuwen. Hij maakte briefjes, die hij tussen het vuile wasgoed probeerde weg te smokkelen. Een medegevangene, die in Drenthe tewerkgesteld werd, gaf hij een boodschap mee voor Philippus Spits.

Intussen was ook Wiepke Hofs beurt gekomen voor een 'behandeling'. Hij had tijdens de martelingen van zijn makkers de hele tijd hun gegil gehoord en verstijfd van angst werd hij uit zijn cel gehaald. Deze zachtaardige man, wiens deur voor iedereen uit het verzet altijd openstond en bij wie 'alles kon', was nu geestelijk volkomen murw gemaakt. 'Sla me alsjeblieft niet', smeekte hij zijn ondervragers. Hij zei dat hij bereid was het een en ander te vertellen als hij maar niet mishandeld zou worden. Toch bleef ook Wiepke op zijn hoede en zag eveneens kans enkele namen naar buiten te smokkelen.

De inspanningen van de mannen werden tenietgedaan op 3 februari: die nacht arresteerden de Duitsers te Tjerkwerd Gewestelijk Operatieleider van de BS kapitein Pander en zijn adjudant Wierda. Dit was een zware slag voor het verzet, want hiermee viel een enorme hoeveelheid informatie over wapenopslag in Duitse handen. Toen deze onheilstijding de volgende dag Lemsterland bereikte, stuurde Willem Beijering onverwijld de koeriersters Willy van der Gaast en Lena Koopmans op weg om mensen in de omgeving te waarschuwen om onder te duiken.

De SD liet de hele mesthoop op het erf van Johannes Kraak overhoop halen op zoek naar wapens.


De tweede arrestatiegolf.

Gewapend met nieuwe adressen en gegevens trok de SD er op 8 februari op uit om een volgende reeks arrestaties te verrichten. In twee groepen stroopten zij het grondgebied van Lemsterland af.
In Echtenerbrug was hun eerste slachtoffer Pier Cuiper. Hij was toevallig net even thuis om zijn kleinzoontje, op wie hij erg gesteld was, te zien toen omstreeks 9 uur de overvalwagen voor zijn deur stopte. Voor de wagen stilstond, sprongen de Duitsers er al af en omsingelden de woning. Pier werd achter het huis gebracht, waar men ook schoonzoon Jan Oord uit het WC-hokje haalde. 'Wie is het, de oude of de jonge?' snauwden de SD'ers en voor de zekerheid besloot men allebei de mannen mee te nemen.

Dochter Annie wilde haar vader nog om wat geld vragen, maar een Belgische SD'er in een lange leren jas joeg haar weg: 'Donder op!' Pier Cuiper en zijn schoonzoon werden in de overvalwagen geduwd, maar bij het huis van de afwezige Albert Koopman liet men Oord weer gaan. De SD ging vervolgens op zoek naar BS-groepscommandant Vrieling. Deze was in huis bij iemand met een vrijwel gelijkluidende naam, caféhouder Berend Vrielink. Bij ontstentenis van zijn kostganger werd de caféhouder meegenomen.

In Oosterzee wachtte Sybren Bangma hetzelfde lot. Hij deed zelf geen illegaal werk, maar de avond tevoren had zoon Jelle zonder zijn vaders medeweten wapens en munitie in de schuur begraven. De SD had de wapens snel gevonden en arresteerde vader Bangma.
Diezelfde dag was de beurt aan koerierster Willy van der Gaast. Zij was de dag daarvoor kletsnat geregend en toen ze even thuis was om een droge jas te halen, zag ze plotseling een luxe auto het erf oprijden.

Op de spatborden stonden Duitsers met geweren in de aanslag. Willy vluchtte naar de stal en wist nog een tas met spullen in de koeiengoot te verbergen. Maar de Duitsers waren al achter bij de deur en hadden haar vader te pakken. Zij moest toen wel tevoorschijn komen. 'Er zit iemand in de auto die je heel goed kent,' grijnsde de Nederlandse SD'er Post. 'Kijk maar, het lijkt sinterklaas wel': Tot haar schrik zag Willy Wim Reinders zitten; hij had een wit gezicht en een baard van enkele weken. Zij moest naast hem plaatsnemen en de auto zette koers richting Follega.
Bij het tolhuis van Samplonius ving de SD bot, want illegaal werker Koos Mebius was al dagen afwezig. De auto keerde om en reed naar de Langestreek in Lemmer, naar slagerij De Jong. Het pand werd omsingeld, maar Ynze de Jong was al gewaarschuwd en ondergedoken bij meester De Boer in Wyckel.

De gevangenen werden naar het gebouw van de Feldgendarmerie aan de Kortestreek gebracht.
Daar kregen zij gezelschap van Jelke van der Pal van het distributiekantoor: hij was gearresteerd omdat hij de ondergrondse regelmatig van bonkaarten had voorzien. Na enkele uren wachten verscheen de overvalwagen, met daarin onder meer Pier Cuiper en de vastgeketende Wiepke Hof. Gezamenlijk ging het naar Crack-State. Onderweg moest men nog onder een boom schuilen omdat er ter hoogte van Haskerhome Engelse vliegtuigen rondcirkelden.

Op 19 februari werd ook nog de eerder ontkomen Albert Koopman gepakt. Naast het LO-werk had Albert zich als lid van het zogenoemde 'Duif-detachement' beziggehouden met het geven van onderricht in het hanteren van stenguns. Kennelijk had men het in Echtenerbrug te gevaarlijk gevonden om hem als onderduiker in huis te nemen, want hij had in het dorp geen deugdelijk schuiladres kunnen vinden.

Half februari was de vrouw van een gewezen onderduiker van hem nog even in Echtenerbrug en had vertwijfeld geprobeerd hem te bewegen om met haar mee te gaan, maar Albert had geweigerd: 'Myn plak is hjirre'. In de vroege ochtend kwam de SD en doorzocht het huis, maar men kon Albert niet vinden.

De Duitsers liepen om de woning heen en één van hen stootte met zijn geweerkolf tegen de wand van een kleine houten uitbouw aan de achterzijde van het huisje. Er klonk een hol geluid en de SD'ers begrepen dat erachter een ruimte moest zijn.

Binnen vond men Albert Koopman op de WC. De Nederlandse SD'er Wamelink sommeerde hem zich aan te kleden en mee te gaan naar de gereformeerde kerk, waarvan Alberts vader Jelte koster was. Maar de wapens die de SD daar hoopte aan te treffen, waren al ver van tevoren door de overige verzetslieden weggehaald. Als zesde gevangene uit het Lemsterlandse verzet werd Albert Koopman naar Crack-State gebracht.

Pier Cuiper, werd op de tweede dag van zijn gevangenschap, toen hij tijdens het wassen even opkeek om een medegevangene te begroeten, hevig door Steijlaerts, met de sleutelbos op de blote rug geslagen. Bovendien diende Steijlaerts, hem twee harde stompen in het gezicht toe. Maar het geluk van Pier Cuiper, was dat de SD niet veel over hem wist. Toen bovendien bleek dat hij bruikbaar was als slachter, lieten de Duitsers hem verder met rust.

Willy van der Gaast zat de eerste 11 dagen van haar gevangenschap moederziel alleen in cel 8, slechts één cel verwijderd van het verhoorkamertje. Duidelijk kon zij het gekerm en geschreeuw van de gemartelden horen, hetgeen soms de hele nacht voortduurde. Ook Willy werd diverse malen verhoord, maar niet mishandeld: Rosenthal zat achter de typemachine en Post fungeerde als tolk. Steijlaerts zat met een pistool te spelen, waarmee hij keer op keer dreigend in Willy's richting wees. 'Ik zou het maar vertellen Willy, want anders .....' Willy werd eveneens mikpunt van de pesterijen van Steijlaerts. 'Hoeveel paarden heeft je vader? Twee? Nu heeft hij er niet een meer, want we hebben de hele boerderij platgebrand!' loog hij bijvoorbeeld.

Na de nieuwe razzia op 19 februari werd Willy naar boven gebracht, waar in cel 19 meer vrouwen opgesloten waren. Tijdens één van de verhoren werd zij nog geconfronteerd met Wim Reinders: hij zag bleker dan ooit en trilde over zijn hele lichaam. Voor Reinders volgde op 8 maart nog een laatste beproeving. Toen de SD aan de weet was gekomen dat zowel de distributieleider als de brandkast achter de boerderij van Toering begraven waren, moest hij mee om de juiste plaats aan te wijzen. Wim werd aan het graven gezet tot het lijk zichtbaar was. Hij werd toen gedwongen om met zijn blote handen het in verregaande staat van ontbinding verkerende lijk verder op te graven en het met een borstel schoon te maken.

Tijdens een nieuwe razzia op 19 februari werd de boerderij van Jan Toering te Echtenerbrug in brand gestoken. Dit was ook al gebeurd op de 8e, maar ditmaal brandde de hoeve geheel uit. Toering zelf wist beide keren te ontkomen, maar een gedeelte van de wapens werd wel gevonden.

Foto's, die in opdracht van de SD zijn gemaakt als bewijsmateriaal. Hierboven de door de Duitsers ongeldig verklaarde bonnen, die met de brandkast mee werden begraven. Er werden ook twee foto's van het lijk van Huls gemaakt, daaronder was ook een close-up van zijn gezicht. De foto's werden de gevangenen onder de neus gewreven: 'Das hast du gemacht, du Terrorist!'

 Eén van de gaten waarin het lijk of de brandkast was begraven, op het erf van Jan Toering.

De familie Postma, waar de KP indertijd een nacht onderdak gekregen had, was er ook bij en moest de kluis uit de drassige grond opgraven. Er werd een fotograaf opgetrommeld om de bewijsstukken van de 'terroristische daden' vast te leggen (zie boven). Op de terugweg bij het passeren van de kerk van Delfstrahuizen zei een van de SD'ers tegen Wim Reinders: 'Kijk maar eens goed, het zal de laatste keer zijn dat je dit ziet.'

Voor de gevangenen in Crack-State kropen de weken voorbij. Buiten de mishandelingen had men te maken met erbarmelijke hygiënische omstandigheden, zoals lekke kiepeltonnen. Toen de SD eens een oefening met traangas hield, voelden de gevangenen hun ogen hevig branden en moesten zij naar adem happen.

Om de moed er in te houden, werd soms gezongen. Via een ruimte tussen de verwarmingsbuizen en de muur was nog enige communicatie met elkaar mogelijk. De geallieerde opmars vorderde intussen gestaag. Toen de Canadezen Heerenveen naderden, dreigde de SD Crack-State in de lucht te laten vliegen. 'Ze krijgen jullie niet, over mijn lijk!' aldus cipier Steijlaerts.

Op de avond van de 13e april vertelde hij de gevangenen dat de lonten beneden al klaar lagen. De hele nacht hoorden de gevangenen schieten en het opblazen van bruggen rond Heerenveen. Toen de volgende morgen om 11 uur een oudere Belgische cipier de deur van de vrouwen-cel opende en zei: 'Jullie moeten alles meenemen wat je hebt', dacht Willy van der Gaast dat haar laatste uur geslagen had.

Met kloppend hart pakten zij en de andere vrouwen hun spullen bij elkaar. Maar tot ieders verbazing vervolgde de cipier: 'Jullie gaan naar huis.' Hij ontsloot de gevangenisdeur en zei dat er met niemand gesproken mocht worden. De vrouwen werden vrijgelaten en de Duitsers maakten zich klaar om te vluchten. Ook Pier Cuiper overleefde zijn verblijf in Crack-State. Hij behoorde tot degenen die na de aftocht van de Duitsers door bakker De Wolf en zijn knecht bevrijd werden. Over de andere drie gevangenen uit het Lemsterlandse verzet had het lot anders beslist.

Crackstate te Heerenveen, gevangenis.

In de Prinsentuin/Noorderplantage in Leeuwarden staat sinds 4 mei 1981 een beeldje opgesteld dat een vrouw op voedseltocht symboliseert. Het werd op de nationale herdenkingsdag overgedragen aan de gemeente Leeuwarden door een voormalige onderduiker die onbekend wenst te blijven. Het in brons gegoten beeldje van kunstenaar Tineke Bot is geschonken uit dankbaarheid aan alle vrouwen en meisjes die onderduikers in de oorlog van voedsel voorzagen.

Het monumentje is ook een eerbewijs aan mevrouw Haanstra-Twijnstra, die onderduikers in haar huis had opgenomen. Het werd onthuld door haar drie dochters, die vooral tijdens de Hongerwinter van 1944/'45 voedsel haalden uit de provincie voor onderduikers in Leeuwarden.

Foto J. v.d. Werf - Beeld van een een fietsende vrouw. Dit beeld is gemaakt ter herinnering aan de voedseltransporten in de Hongerwinter van 1944-1945. 

Als de dag is verdronken in donkere nacht,
De loodgrauwe wolken in flarden verwaaid
Langs de regenlucht drijven in vliegende jacht,
Wordt langs eenzame wegen de boodschap gebracht.
Ze trapt en ze zwoegt, diep gebogen op 't stuur,
Langs de eind'looze straat, door het troost'looze land.
Ze staart voor zich uit. Ondoordringbaar en guur
Is de nacht om haar heen en zoo dicht als een muur.
De striemende vlagen slaan fel in 't gezicht
Van het meisje, dat vecht tegen regen en wind.
Haar oogen zijn star op de boomen gericht,
Die als schimmen verglijden langs glimpen van licht.

Zoo doet ze haar plicht in de strijd voor haar land,
Voor haar volk, dat verdrukt wordt door duivelsche macht,
Door Nazi-gespuis, dat met wurgende hand
Al het leven verstikt en de huizen verbrandt.
De strijd van het licht tegen duister geweld,
Tegen onrecht en wreedheid en loerend verraad,
De strijd voor haar volk, dat in banden gekneld,
Wordt verguisd en vertrapt en door honger gekweld.
Zoo vecht ze als vrouw, in haar zwakheid toch groot,
In het vaste vertrouwen op Hem, die haar leidt.
Zoo doet ze in eenvoud wat God haar gebood
In de strijd om de vrijheid op leven en dood.
Ze gaat vol vertrouwen door donkere nacht,
Het is Tiny, of Rigtje, of Aly of Jo.
En al is de verrader voortdurend op jacht
Toch wordt door het Meisje de boodschap gebracht.

P. van Loo.

Dit gedicht is ontvangen van Mevr. W. Schilstra-v.d. Gaast.

TOP