Lemsterland in verzet

Lupke Visser

Ingezonden: Cornelia Van Leeuwen-Visser, vertelt: Mijn vader Lupke Visser schipper en geboren in Lemsterland, woonde in de oorlog in Rotterdam en heeft met mijn moeder in het verzet gezeten. Hij heeft heel veel Joodse mensen bij de boeren onderduikadressen bezorgd waaronder mijn Opa de vader van mijn moeder. Omdat hij schipper was moest hij voor de Duitsers varen en moest zich steeds melden.

Op 9 Januari 1944 werd hij met een overvalwagen van huis gehaald, had zich niet gemeld om bij de geboorte van mijn broertje 2 dagen ervoor te zijn. Op die dag was ik precies 2.1/2 jaar en vanaf die dag kan ik mij alles herinneren. In November 1944 kreeg mijn moeder een brief van Het Rode Kruis dat mijn vader was overleden, zij is gewoon doorgegaan met het verbergen van mensen, illegale blaadjes, geweren voor de ondergrondse enz.

In die tijd hebben wij verschrikkelijke honger geleden en als de Canadezen een week later waren gekomen hadden we het niet overleefd. Ik heb P.T.S.S. omdat ik als kleuter verschrikkelijke dingen gezien heb en geloofde ook niet dat mijn vader overleden was en heb van Mei tot September voor het raam gezeten om te kijken of mijn vader terugkwam.

Hij kwam terug uit een dodenkamp vreselijk gemarteld en op tijd bevrijd. Mijn ouders zijn nooit bedankt, maar voor mij zijn zij als onbekende bescheiden mensen de echte verzetsstrijders.

Cornelia.


Lemsterland in verzet.
Door Frank Hemkes.

Opkomst van het verzet: hulp aan onderduikers.

De eerste oorlogsjaren verliepen betrekkelijk rustig in Lemsterland. Bij de Duitse inval was er geen schade geleden, de boeren hadden het goed en van onaangename maatregelen tegen joden merkte men niet veel aangezien de gemeente slechts drie joodse inwoners telde. Wel was er enig moreel verzet er waren de illegale bladen: in 1941 werd deels in verband met zijn medewerking aan het verboden 'Het Noorderlicht' de populaire Lemster communist Jacob de Rook opgepakt.

Het leven ging door, maar stilaan groeide de haat - nog versterkt door het toenemend aantal van door de bezetter uitgevaardigde verboden. Het verzet in Lemsterland begon werkelijk vorm aan te nemen in het najaar van 1942 met de komst van de eerste groepen onderduikers.

Dit waren mensen die aan Arbeidsdienst (verplichte dienst, waarbinnen arbeid verricht moest worden, aan de Duitse overheid met als doel jongeren te doordringen van het nationaalsocialistische gedachtegoed), Arbeitseinsatz (tewerkstelling van Nederlandse jongemannen in Duitsland) en natuurlijk de Jodenvervolging wilden ontkomen.

Er werd naar wegen gezocht om al deze voortvluchtigen uit handen van de Duitsers te houden, door voor betrouwbare schuiladressen en de noodzakelijke levensbehoeften te zorgen. Degenen die zich hier in een vroeg stadium mee bezighielden waren in Echtenerbrug Johannes Kraak, Pier Cuiper en Philippus Spits. In Lemmer werd dit gedaan door Fokelinus van der Wal en Willem Beijering, bijgestaan door Ynze de Jong.

Belangrijke contacten waren in Joure, waar Sjoerd Wiersma en Uilke Boonstra heel veel joden uit Holland haalden om hen in de Friese Zuidwesthoek te laten onderduiken. Lemsterland was uitermate geschikt voor het onderbrengen van onderduikers. Met name de Echtenerpolder, globaal het gebied tussen Lemmer, Echtenerbrug en Schoterzijl, leende zich daar door zijn onherbergzaamheid uitstekend voor. Mede door de onmiddellijke nabijheid van dit gebied kwam het brandpunt van de verzetsactiviteiten al gauw in het kleine dorp Echtenerbrug te liggen.
Door de vele joodse onderduikers kreeg Lemsterland benamingen als 'It Fryske Jeruzalim' en werd Echtenerbrug 'Klein Palestina' genoemd.

De onderduikers kwamen met de Lemmerboot; de 'Jan Nieveen', aan of werden van het station in Heerenveen of Wolvega gehaald. Meestal in het donker werden zij naar hun adressen gebracht. Aangezien de onderduikers in huis moesten blijven, gingen zij als tijdverdrijf garen spinnen of koffie malen. De kosten voor hun verblijf werden door de verzetsmensen en de gastgezinnen aanvankelijk uit eigen zak betaald. De benodigde bonkaarten - veel levensmiddelen waren op rantsoen en door middel van bonnen verkrijgbaar - werden in het geheim gedistribueerd.

Gaandeweg werden complete illegale netwerken opgezet en kreeg het verzet een steeds meer georganiseerd karakter. De LO (Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers) werd opgericht, alsmede het NSF (Nationaal Steunfonds, voor de bekostiging van de onderduikerhulp ) en de PB-centrale (voor het vervalsen van persoonsbewijzen; hoofd van district Sneek werd de Lemster Dirk Onderweegs).

Veel dorpelingen waren op de hoogte van de illegale activiteiten van hun plaatsgenoten en noemden hen 'De Geheime Dienst', maar zwegen tegenover de Duitse autoriteiten. 'Het was één grote familie in die tijd', aldus Johannes Kraak.

Dat er aan het illegale werk grote risico's verbonden waren, zal duidelijk zijn. Er werd meestal onder een schuilnaam gewerkt om bij eventueel verhoor medestanders niet in gevaar te hoeven brengen. Ook was het verzetswerk geen vrijblijvende aangelegenheid. 'Als je er één keer aan begint, dan kun je niet ophouden', stelde voormalig koerierster Willy van der Gaast, die naast het overbrengen van berichten ook dikwijls onderduikers naar hun adressen begeleidde.

De verantwoordelijkheid voor de onderduikers drukte zwaar op de verzetsmensen.
Hun beschermelingen wilden wel eens roekeloos zijn: Willy kon zich nog een voorval herinneren uit de winter van 1944, toen de onderduikers zich ter hoogte van de Otterweg bij tientallen op het ijs waagden om te schaatsen. 'Luit (Mulder) vond dat heel erg.

Als de Duitsers daar lucht van gekregen hadden, dan hadden ze er heel veel tegelijk kunnen pakken'. Maar over het algemeen behoorden deze dingen tot de incidenten en kan Lemsterland bogen op het feit één van de hoogste aantallen onderduikers per vierkante kilometer gehuisvest te hebben; volgens sommigen meer dan duizend op het totale grondgebied.

In de zogeheten ondergrondse werden uiteindelijk zo'n vijfentwintig mensen actief. Het was niet zozeer een kwestie van 'in het verzet gaan', alswel iets waarbij men geleidelijk steeds nauwer betrokken raakte. Of, zoals Ynze de Jong dit uitdrukte:"Wij vinden onszelf geen helden. Je rolde er eigenlijk vanzelf in. Iemand vroeg of je een adres voor een onderduiker wist. Daarna ging je zelf op pad en zo ging het verder."


Johannes Kraak.

Het LO-legitimatiebewijs van Johannes Kraak. Zijn schuilnamen waren 'Johannes van der Veen' en 'Jan Bosman'.

Eén van de verzetspioniers in Lemsterland was de op 16 maart 1906 geboren veehouder Johannes Kraak. Voor hem begon het allemaal in het voorjaar van 1942, toen hij een brief kreeg van een zwager uit Harderwijk. Daarin vertelde de zwager dat een neef van hem een oproep had gekregen voor werk in Duitsland en dringend een onderduikadres nodig had. 'Laat hem maar komen', schreef Johannes terug en zo gebeurde het. Er werd een spinnewiel aangeschaft en voor schapenwol gezorgd. In juli kreeg Johannes Kraak bezoek van twee mannen. Zij stelden zich voor als Libbe Smit, ingenieur bij Philips in Eindhoven en Herman Kiefit de Jonge, zoon van een notaris in Heerenveen en eveneens bij Philips werkzaam.

De mannen deelden Kraak mee, dat zij via een bevriende veehandelaar gehoord hadden van de onderduiker. Ze namen Kraak in vertrouwen en informeerden of hij nog meer onderduikers herbergen en verzorgen kon. Johannes Kraak verklaarde zich volmondig akkoord, en vanaf toen werd een grote stroom onderduikers vanuit het zuiden, des lands naar Echtenerbrug gedirigeerd, voor een al of niet tijdelijk verblijf op de boerderij, 'As ien de minste is, der hâld ik it mei', verwoordde Johannes Kraak zijn beweegredenen om zich om de onderduikers te bekommeren. 'En dan die verrekte rotmoffen, wat diene se hjirre'.

Met veekoopman Pier Cuiper, die vaak op de boerderij kwam, begon Kraak een duurzame samenwerking om de onderduikers ook op andere adressen in de omgeving onder te brengen. De beide mannen vonden enige tijd later een machtige bondgenoot in Sjoerd Wiersma uit Joure, die zich samen met zijn broer Gerlof en diens vriend Jaap Hilverda ook bezighield met onderduikers-hulp in Echtenerbrug. Libbe Smit bleef op de boerderij om mensen naar Engeland te helpen ontsnappen.

Sjoerd Wiersma, directeur van een wasserij te Joure en topman van het verzet in de Zuidwesthoek. Zijn schuilnaam was Sjouke van der Zee. Na februari 1944 kwam Wiersma zelf als onderduiker in Echtenerbrug terecht.

De onderduikers, onder wie veel joden, kwamen meestal van het station in Heerenveen en arriveerden 's avonds op de boerderij. Onder hen was ooit een joodse professor, bij wie gezegd was dat er goed op hem gelet moest worden: hij stond namelijk op het punt een belangrijke uitvinding voor Philips te doen. Het echtpaar kon zich zijn voormalige gast nog goed voor de geest halen. 'Het was een leuke man', vertelde mevrouw Kraak. 'Maar hij 'wilde eigenlijk niet zo graag onderduiken. Hij meende dat als hij zich zou laten castreren, hij wel vrij kon rondlopen. Hij is later toch gepakt natuurlijk'. Buiten veilig onderkomen voor onderduikers, werd de boerderij illegaal distributiepunt voor de benodigde bonkaarten.

Ook werden er regelmatig vergaderingen van de ondergrondse belegd. In de stal was een vernuftige schuilplaats gecreëerd: in het hooivak was een ruimte uitgespaard, die via een luik in de schutting toegankelijk gemaakt was. Het luik was door middel van een balk af te sluiten en alleen van binnenuit te openen. Precies voor de ingang had men een grote stier neergezet. De schuilplaats diende ook tot bergplaats voor kisten met bonkaarten en met wapens en munitie.

De onderduikersstroom ging nog steeds onverminderd door. Johannes was vaak samen met Sjoerd Wiersma op weg naar het zuiden om de zaken met betrekking tot de onderduikers te regelen. In Echtenerbrug was Johannes druk doende om geld in te zamelen voor het NSF; ook het verspreiden van de illegale bladen 'Trouw', 'Vrij Nederland' en 'Je Maintiendrai' nam veel tijd in beslag. Zijn vrouw Sietske had haar handen vol aan de verzorging van de onderduikers. Soms verbleven er wel 15 tegelijk op de boerderij; er werd in het wagenhok geslapen, in de paardenstal en op het zoldertje boven de varkenshokken.

Op een gegeven moment werd het zo vol met onderduikers, dat het teveel werd voor het zenuwgestel van mevrouw Kraak. Er moest op korte termijn raad geschaft worden. Eén van Kraaks arbeiders bewoonde een huisje aan de Heksloot, gelegen temidden van de weilanden in de buurt van het huidige Bantega. Johannes stelde voor, dit huisje van diens vader te kopen en het wagenhok van de boerderij te vertimmeren en geschikt te maken voor bewoning. De arbeider zou dan zijn intrek kunnen nemen in het wagenhok, terwijl in het huisje aan de Heksloot 4 joodse echtparen ongestoord konden verblijven.

Men vond het een prima idee en het plan werd uitgevoerd. Alles ging goed, tot in de nacht van de 14e mei 1944 het noodlot toesloeg. In de nanacht werd het gezin Kraak plotseling gewekt doordat er hard op het raam getikt werd. Het was veekoopman Jan de Vries, die niet ver van het huisje aan de Heksloot woonde. Buiten adem kwam hij vertellen dat de 8 joden zojuist door de Duitsers opgehaald waren.

Een in het land achter het huisje wonende man had de joden aan een NSB'er verraden, die op zijn beurt de Duitsers verwittigd had. 'Ik zou maar gauw vertrekken', waarschuwde De Vries, 'want jullie naam is genoemd!' De familie verliet hals over kop de boerderij en zocht haar toevlucht bij de vader van Johannes in Echten. Tegen de verwachting in bleef alles de volgende dagen rustig, zodat het gezin weer op de boerderij terugkeerde. De weduwe De Jong, bewoonster van een naburige boerderij, stond er wel op dat het gezin de eerste tijd bij haar overnachten zou.

 Johannes Kraak, voor zijn boerderij aan het Krompad te Echtenerbrug. De foto is enkele jaren voor de oorlog gemaakt.

Op een ochtend kort daarop kwam een man uit Echtenerbrug op de boerderij van Kraak, en vertelde dat er bij iemand die dominee was in Groningen een onderduiker was gepakt. Men was bang dat er gezegd zou worden dat er in Lemmer ook onderduikers zaten bij de familie, zodat er snel bericht heen moest. Nu moest Johannes toch die richting uit, dus hij bood aan dit op zich te nemen.

Johannes was al op de terugweg toen bij Oosterzee, Kerst Koopmans, opzichter van de Veenpolder, hem tegemoet kwam. Deze riep hem in paniek toe: 'De moffen zijn op je boerderij!' Geschrokken haastte Johannes zich naar de boerderij van weduwe De Jong. Hij stond duizend angsten uit, want hij wist dat zijn vrouw en dochtertje nog op zijn boerderij waren.
Maar Annie Oord, de oudste dochter van Pier Cuiper, had al vernomen dat de Duitsers onderweg waren en had mevrouw Kraak gewaarschuwd. Deze slaagde er nog wel in dochtertje Janneke de weg over te sturen naar buurvrouw Diever, maar om zelf te vluchten was het te laat: de Duitsers smeten hun fietsen al langs de kant van de weg neer. Zij verborg zich snel in de schuilplaats, waar ook een motor stond die voor koeriersdiensten gebruikt werd.

Mevrouw Kraak nam plaats op de buddyseat en wachtte trillend van angst de gebeurtenissen af. De Duitsers doorzochten de boerderij grondig, waarbij ze de schutting om de schuilplaats op eventuele oneffenheden aftastten en met vorken in het hooi staken.
Inmiddels was de Knokploeg paraat en verzamelde zich bij de boerderij van De Jong.

Er hadden zich ook wat andere verzetsmensen bij gevoegd en er werd druk beraadslaagd. Wiepke Hof, een man die een winkeltje in klompen en landbouwgereedschappen had, bood aan om poolshoogte te gaan nemen. Onder het voorwendsel dat hij een hark kwam brengen, keek hij op de boerderij rond en constateerde dat de Duitsers mevrouw Kraak niet gevonden hadden. Hij meldde de mannen bij weduwe De Jong dat alles voorlopig in orde was. Er zat toen niet anders op dan af te wachten totdat de Duitsers de huiszoeking zouden staken.

In de schuilplaats was mevrouw Kraak haar zenuwen nagenoeg de baas geworden. De uren verstreken en zij zat nu al tweeënhalf uur in de schuilplaats. Vanuit de boerderij van weduwe De Jong, volgden de mannen nog steeds met spanning wat er zich op de boerderij van Kraak afspeelde. Op zeker ogenblik zagen zij de knecht met paard en wagen naar buiten komen.

In zijn gezelschap waren enkele Duitsers, die iets op de wagen laadden. 'Als de vrouw erbij is, Kraak, dan schieten we die Duitsers erachter weg!'. - 'Wacht even! Je past toch wel een beetje op mijn vrouw, hè?' Maar toen de kar passeerde, bleek dat het alleen de radio van de boerderij was die van de Duitsers naar Lemmer gebracht moest worden. Johannes slaakte een zucht van verlichting en nadat de laatste Duitsers vertrokken waren, spoedden de mannen zich naar de boerderij.

Mevrouw Kraak kwam geradbraakt uit de schuilplaats en Johannes nam de beslissing om ditmaal definitief naar zijn vader te verhuizen. Men bleef echter op alles bedacht. Toen na een nieuwe huiszoeking de knecht kwam vertellen dat de Duitsers geïnformeerd hadden naar zoontje Geert, hield Johannes deze voor de zekerheid een week van school thuis.

In augustus kroop de familie nog eenmaal door het oog van de naald. Op de 14e toog het hele gezin op de fiets naar Zwartsluis, naar de verjaardag van Johannes schoonvader. Ter hoogte van Schoterzijl, kwam men de vrouw van een NSB'er tegen, een vroegere vriendin van een zuster van mevrouw Kraak. Men sloeg er verder geen acht op en vervolgde zijn weg. 's Avonds na de visite vroeg mevrouw Kraaks zuster uit Harderwijk of het gezin met haar mee wilde gaan naar haar woonplaats.

Een verstandig besluit, want die nacht deden de Duitsers een inval in het huis van de schoonvader. Een zwager die er nog was, Botte de Boer, werd met een ketting aan een boom gebonden en de Duitsers zetten hem een pistool op de borst.

De Duitsers bekeken de foto, die zij bij de eerste huiszoeking hadden meegenomen en zagen dat Johannes Kraak er niet bij was. De Boer gaf uiteraard voor van niets te weten maar had het wel even benauwd. De Duitsers lieten De Boer nog een poosje zo vastgebonden staan en verdwenen toen weer. Het gezin Kraak was na Harderwijk doorgefietst naar Lichtmis, later kreeg men een strooibiljet onder ogen met een foto van Johannes Kraak.

De familie realiseerde zich dat zij aan een groot gevaar ontsnapt was. Toen in januari 1945 de boerderij nogmaals doorzocht was, vond men het te riskant worden om langer bij Johannes' vader te blijven. Het gezin vond eerst onderdak bij Bernardus Holtrop boven Bantega, daarna bij de familie De Haan aan de Otterweg.

Er volgde een reeks van onderduikadressen, waarbij men zelfs in Langweer en Woudsend terechtkwam. Een periode die door mevrouw Kraak omschreven werd als 'een vreselijke tijd'. Het echtpaar kwam gelukkig de oorlog heelhuids door en ontving in 1982 de Yad Vashem-medaille.


Het Ambtenarenverzet - Fokelinus van der Wal.

Fokelinus van der Wal.

De Friese belastingambtenaren waren al vroeg betrokken bij het verzet. Zij gingen bovendien een voorname rol spelen bij de financiering ervan. Hun aanwezigheid in het verzet werd pas massaal, nadat één van hen de dood had gevonden in kamp Vught. Zijn naam was Fokelinus van der Wal uit Lemmer.

Om van voren af aan te beginnen: deze Van der Wal was in 1899 in het Groningse Stedum geboren. Hij werkte aanvankelijk als boerenknecht, doch haalde in 1922 zijn examen tot kommies: dit was een ambtenaar van de belastingen voor de buitendienst. Hij verhuisde naar Gennep en daarna naar Vlagtwedde, waar hij in het huwelijk trad met Alke van Steenwijk. Het echtpaar vestigde zich in 1925 aan de Parkstraat in Lemmer. Fokelinus werd kommies-dienstgeleider en was een druk bezet man in het Lemmer van die dagen.

De Duitse inval van 1940 was voor de rechtlijnige Van der Wal een onrechtmatigheid die hij maar moeilijk accepteren kon. Als lid van het schoolbestuur drong hij aan op een compromisloze houding jegens de bezetter, toen deze het onderwijs onder zijn invloed trachtte te brengen. In de loop van 1942 begon hij samen met zijn assistent Willem Beijering met het zoeken naar veilige adressen in de gemeente voor onderduikers; tevens voorzagen de beide mannen hen van voedsel en kleding.

Toen begin 1943 ambtenaren van de belastingdienst personeelsleden moesten aanwijzen voor tewerkstelling in Duitsland, was Van der Wal furieus. In Leeuwarden en Heerenveen was reeds bij wijze van protest een handtekeningenactie op touw gezet en Fokelinus belastte zich in Lemmer hiermee. Op een avond kort daarna, het was 10 februari, kwam Van der Wal net voor spertijd thuis. Er werd aangebeld. De familie hoorde op hetzelfde moment mensen rennen aan de zijkant van het huis. 'Dit is mis', zei Fokelinus en boven, in de slaapkamer aangekomen zag hij dat het huis omsingeld was. Zijn vrouw wierp snel bezwarende papieren in de schoorsteen.

Toen de Duitsers binnen waren, doorzochten zij een uur lang het huis. De hele familie moest met de handen tegen de muur gaan staan. Van der Wal werd meegenomen naar het hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst (SD) te Leeuwarden. SD-handlanger Frans Lammers verzekerde de achtergeblevenen, dat hun man en vader binnen veertien dagen weer terug zou zijn. Maar Fokelinus werd via Groningen naar kamp Vught gevoerd. Inspecteur Olsman in Heerenveen ondernam verwoede pogingen om zijn ondergeschikte vrij te krijgen, maar zonder resultaat. Na verscheidene weken kwam er pas opnieuw bericht. 'Ik kan nu weer schrijven ....,' stond er intrigerend in Fokelinus' brief.

Op 22 april ontving de familie via ds. Wessels de tijding van het overlijden van Van der Wal. 'Longontsteking', luidde' de officiële verklaring. De nabestaanden twijfelden aan deze lezing - was het niet allemaal wat al te snel gegaan met Van der Wal? Pogingen om de juiste toedracht te achterhalen leverden niets op. Fokelinus van der Wal liet een vrouw en tien kinderen achter. Zijn collega's zorgden ervoor dat er in Friesland een eigen fonds voor verzetsfinanciering tot stand kwam, dat spoedig werd opgenomen in het Nationaal Steunfonds (NSF).


Echtenerbrug als basis der Ondergrondse.

Philippus Spits, In november 1939 gefotografeerd met zijn bruid IJtje.

De vrijgevochten Spits was sinds het najaar 1942 actief. Toen hij zijn verzetsloopbaan begon, verbaasden zijn familieleden zich over zijn nieuwe hobby: het houden van konijntjes, waarmee hij zelfs naar tentoonstellingen toog. Wat zij niet wisten, was dat Philippus de konijnenhokken gebruikte om in de dubbele bodem bonkaarten, wapens e.d. te smokkelen.

Spits hield zich in hoofdzaak bezig met het onderduikers-werk; als groenteman had hij vele contacten in de omgeving om onderduikers onder te brengen. Ook deed hij af en toe mee aan KP-acties. Dit alles nam zoveel tijd in beslag, dat zijn knecht de groentezaak dreef. Als Philippus de onderduikers op ging halen, vermomde de ras-toneelspeler zich vaak en liep hij bijvoorbeeld mank.

In het najaar van 1943 vonden drie joden, die in Lekkum hadden moeten uitwijken voor de verrader Vergonet, een veilig onderdak in huize Spits; na vijf weken wist hij hen in Langelille te plaatsen. Binnen het onderduikers-werk ging hij zich toeleggen op pilotenhulp; hij werd daarbij van tijd tot tijd geassisteerd door zijn vrouw IJtje, die de piloten naar de trein in Heerenveen bracht.

Deze deden zich dan voor als doofstommen. Verdere hulp verleenden vader Spits, die als postbode bonkaarten tussen de brieven vervoerde en Leen Koeman, een bij de familie Koopman ondergedoken student oude talen, die vakkundig persoonsbewijzen, Ausweise etc. vervalste. Spits illegale contacten buiten de gemeente waren Uilke Boonstra en Sjoerd Wiersma; in Echtenerbrug waren dit vooral Fedde Kalsbeek en Harm Bootsma. Toen Philippus na de rampzalige gebeurtenissen van januari 1945 onderduiken moest, schreef hij op zijn deur: 'Volgens plan ontruimd'.


Pier Cuiper.

Pier Cuiper en zijn vrouw Koba.

Zijn huisje aan de Hoofdweg fungeerde meestal als doorgangshuis voor onderduikers. 's Avonds was Pier dikwijls met de fiets op pad om de onderduikers in de Echtenerpolder onder te brengen. Hij werd hierbij geholpen door zijn dochter Annie; soms stak ook dochter Gelske een handje toe door koeriersdiensten te verrichten. Van zijn vrouw Koba kreeg Pier grote morele steun. Zoon Sijmon was gedurende de oorlog lid van verschillende Knokploegen, die vaak in huize Cuiper vergaderden. Zijn pistool had Sijmon in een holle balk in de slaapkamer verborgen. In het varkenshok achter het huis bevond zich een turfbult, waarin een schuilplaats was gemaakt voor onderduikers.

Een ruimte onder de vloer van de gang diende ook voor dat doel. Als de onderduikers in het Tjeukemeer gingen zwemmen, hing moeder Cuiper bij wijze van waarschuwing in het geval van een razzia een witte doek op bij het schuurtje. Voorts konden de onderduikers zich verbergen in een schuilhut in het hooi bij de tegenoverliggende boerderij van Visser. Wanneer het er teveel waren voor het huis van Cuiper, vonden ook de bonkaarten voor onderduikers in deze schuilhut een plaats. Bij onraad stopte mevrouw Cuiper de bonkaarten in de vakken van haar schort.

In februari 1945 werd Pier Cuiper gevangengezet in Crack-State te Heerenveen. Zijn familie behield nog contact met hem door briefjes in een gebakken ei naar binnen te smokkelen. Waarschijnlijk dankzij het feit dat hij niet betrokken was geweest bij wapenvervoer, ontkwam hij aan de fusillade op 17 maart 1945. Pier Cuiper hield niet van opsmuk en behoorde tot diegenen, die zich na de oorlog niet op de borst sloegen. Hij had gewoon zijn plicht gedaan, vond hij.


Sijmon Cuiper.

Sijmon Cuiper. Vals persoonsbewijs op naam van 'Libbe Marten van Es'. Zijn andere schuilnamen waren 'Marten' en 'Willem Boomsma'.

Sijmon was de zoon van Pier Cuiper en had zijn werkterrein hoofdzakelijk buiten de gemeente. Hij was sinds 1943 actief in diverse Knokploegen; met de ploeg van Uilke Boonstra overviel hij op 10 september 1943 het distributiekantoor in St.Jansklooster. Op 7 juli 1944 deed hij ditzelfde in Workum voor de KP van Sneek. Grootste wapenfeit was zijn deelname aan de fameuze gevangeniskraak in Leeuwarden, 8 december 1944. Sijmon Cuiper speelde ook nog een rol als BS-commandant bij de bezetting van de brug in Scharsterbrug aan het einde van de oorlog.

Verder waren in Echtenerbrug werkzaam Wiepke Hof en diens zwager, meubelmaker Albert Koopman. In de omgeving van Langelille opereerde nog de te Delfstrahuizen woonachtige Hendrik Wind op het gebied van de onderduikershulp; de bij diens ouders in de kost zijnde Apeldoornse waterpolitieman Gerrit Jan Niesing ('Chris') was actief als KP'er en was zowel aanwezig bij de overval op het distributiekantoor van Workum als bij die op de gevangenis te Leeuwarden.


Fedde Kalsbeek.

Fedde Kalsbeek.

Fedde Kalsbeek werkte in de kruidenierszaak van zijn ouders in Delfstrahuizen. In 1943 werd hij door Sjoerd Wiersma en Uilke Boonstra uit Joure benaderd om verzetswerk te gaan doen. Boonstra bezorgde hem een legitimatiebewijs van de luchtbeschermingsdienst, opdat hij ook na spertijd op pad kon. Fedde ging zich niet alleen bezighouden met de plaatsing van onderduikers, maar ook met de distributie van bonkaarten en de verspreiding van illegale bladen (Vrij Nederland').

Het plaatsen deed hij meestal met de fiets: overdag was hij alleen, in de nachtelijke uren werd hij regelmatig geholpen door zijn zwager Harm Bootsma. Soms verleende ook ene Hoogeveen assistentie, die een auto met gasgenerator had. De joden werden soms in een bootje in de Tjonger verborgen. Fedde kreeg de onderduikers vaak via Joure; een enkele maal arriveerden zij zelfs per ziekenwagen. Zijn contact in Lemmer was Dirk Onderweegs. Als zijn ouders hun zoon wilden waarschuwen voor onraad, plaatsten zij een bepaalde plant in een pot voor het raam.


Henk Akse, alias Arie van der Pol.

Henk Akse, alias Arie van der Pol.

Deze Meppeler bakkersknecht geboren op 2 juli 1919 te Kolderveen, speelde een jaar lang een belangrijke rol in het Lemsterlandse verzet. Hij werd op 20 maart 1944 te Steenwijk gearresteerd, omdat controlerende landwachters zijn papieren niet in orde bevonden. De dag daarop werd hij aan de SD te Arnhem overgedragen, waarna op 31 augustus te Utrecht zijn veroordeling tot 2 jaar tuchthuisstraf volgde.

Hij werd weggevoerd naar Duitsland en kwam in de strafinrichting van Ziegenhain terecht. Door de slechte omstandigheden daar liep hij pleuritis op. Van der Pol overleed op 10 april 1945 in een ziekenhuis te Marburg. Twee mannen uit Meppel gingen ook deelnemen aan het verzet in Echtenerbrug. Lemsterland kende hen onder de namen Wim Reinders en Arie van der Pol. Zij heetten in werkelijkheid respectievelijk Roelof Knol en Henk Akse: Roelof had enige tijd de boekhouding gedaan in de textielzaak van zijn ouders; na zijn tewerkstelling in een vliegtuigfabriek in Duitsland was hij gevraagd voor het Meppeler verzet. In maart 1943 was hij samen met zijn oude schoolvriend Henk Akse naar Lemsterland gekomen.

De beide mannen zaten eerst ondergedoken bij de familie Bakker; in het najaar van 1943 verhuisden zij naar Wiepke Hof. Deze had zijn winkel aan de Duimstraat, waar ook zijn ouders verbleven. Elke dag liep Wiepke het korte stukje dat hem van zijn woning aan de Marwei in Delfstrahuizen scheidde. Het najaar van 1943 was ook het tijdstip waarop het verzet in Echtenerbrug op aandringen van Sjoerd Wiersma besloot om de krachten te bundelen. De rustige, bedachtzame Reinders werd samen met Van der Pol hoofd van het rayon Lemsterland van de LO. Helaas werd op 20 maart 1944 Arie van der Pol op het station van Steenwijk gearresteerd. Zijn plaats werd ingenomen door Luitjen Mulder uit de Brekkenpolder.


Verzetsman Luitjen Mulder.

Het uit Gaasterland afkomstige echtpaar Mulder vestigde zich in 1910 aan de Doraweg in de Brekkenpolder. Pachtheer was baron Van Welderen Rengers. Als derde zoon werd op 25 juli 1918 Luitjen geboren. De jonge Luitjen bleek een leergierige knaap te zijn.
In zijn vrije tijd las hij veel en was een fervent schaker. Hij stond bekend als een vredelievende jongen die op zijn tijd wel plezier kon maken (hij was lid van de jongerenvereniging te Eesterga), maar zeer gesloten was van aard. Luitjen bezocht na de MULO de kweekschool in Sneek, alwaar hij de onderwijzersakte behaalde. Tijdens de vervulling van zijn dienstplicht werd hij geselecteerd voor een administratieve functie, op de school voor onderofficieren te Middelburg.

Enige tijd later was hij weer terug in Lemsterland en aangezien het in de crisistijd niet gemakkelijk was om als leraar aan de slag te komen (hij stond slechts veertien dagen voor de klas), besloot hij een cursus boekhouden te gaan volgen. In deze hoedanigheid werd hij aangenomen op de werf van Arie de Boer. Daar de Brekkenpolder toentertijd nog moeilijk bereikbaar was, verbleef hij 's winters in de kost bij zijn oudste broer Igge in Lemmer. Luitjen kon uitstekend overweg met De Boer, die in hem al een toekomstige compagnon zag. Als er tenminste niet de oorlog geweest was.

Toen in 1943 de Arbeitseinsatz een veelomvattend karakter kreeg, moest ook Luitjen Mulder zich melden in Amersfoort. Hij weigerde en dook onder bij zijn oudere broer Hendrik, die inmiddels zelf een boerderij had, naast die van zijn vader. Dirk Onderweegs, hoofdcommies op het gemeentehuis en actief in de illegaliteit, kwam wel eens melk halen op de boerderij. Via Onderweegs legde Luitjen de eerste contacten met het verzet. Wat waren, daarbij zijn motieven? Zijn broer Hendrik verklaarde: 'Er waren in die tijd nog meer onderduikers in de Brekkenpolder en Luut trok zich hun lot aan.

Hij zag het als zijn christenplicht ze te helpen. Bovendien, had hij nog geen gezin en vond daarom dat er voor hem weinig te verliezen was. Maar ik heb het hem afgeraden. Hij had bij mij kunnen blijven, hij had kunnen doorleren. Ik wilde hem sparen. Maar hij was wel een jongen die wist wat hij wilde. De neef van Luitjen, Benjamin Steegenga, zat al bij de ondergrondse in Gaasterland. Door diens bemiddeling kon Luitjen zich bij de LO-afdeling in Echtenerbrug voegen. Zijn schuilnaam werd Louis Molenaar.

Het gezin Mulder voor de boerderij, ± 1929. Uiterst links staat Luitjen.


Het gewapend verzet.

Door de aanzwellende onderduikerstroom steeg ook het aantal benodigde bonkaarten. Toen de aanvoer via medewerkende ambtenaren niet meer toereikend was, ging het verzet gewapende overvallen plegen op de distributiekantoren.

Dit was het werk van de Knokploeg (KP), die verder tot taak had verraders het zwijgen op te leggen. Hierbij handelde men met groot verantwoordelijkheidsgevoel: de verraders werden gevonnist door het zogenaamde Veemgericht, dat alleen in Friesland bestond en samengesteld was uit drie leden van de rechterlijke macht. Op deze manier was een waarborg gevormd tegen eigenrichting en willekeur.

Het uiterste vonnis dat uitgesproken kon worden was liquidatie; soms werd ook volstaan met een waarschuwing. Hier is een geval van bekend: een bakkersknecht, die eerst in Echtenerbrug werkzaam was en daarna in Kuinre, was na een verbroken verloving zichzelf niet meer. Blind van woede en verdriet wilde hij mensen gaan verraden, om te beginnen de onderduikers bij de ouders van het meisje.

Daar kwam nog bij, dat hij al een tijdje ondergedoken zat en zich uit verveling wilde aanmelden bij de NSKK, de Duitse transportorganisatie. De bakkersknecht werd zodoende de belangrijkste informant in een zaak die in het volgende hoofdstuk aan de orde zal komen. Hij kreeg een dusdanig ernstige waarschuwing, dat hij afzag van verder verraad. Naar de oorlog is de man geëmigreerd.

Gezien het aantal onderduikers kwamen gevallen van verraad in onze gemeente niet vaak voor. De voornaamste bezigheid van de Lemsterlandse Knokploeg was het vervoer en de opslag van wapens. Deze werden in containers aan parachutes uit Engelse vliegtuigen geworpen.
Dit gebeurde vanaf oktober 1944: de voor Lemsterland belangrijke afwerpterreinen lagen onder Haskerhorne en in het Katlijker Schar. De Knokploeg heeft ook wel eens een partij wapens met een bootje opgehaald uit Eernewoude, waarbij men zich voordeed als vissers. 's Middags kwam eerst via de radio een slagzin in code door: voor Haskerhome luidde deze 'Wie de schoen past, trekke hem aan'; voor Katlijk was die 'Hoe gaat het met Sjaak en zijn vrienden'. Werd de slagzin 's avonds herhaald, dan ging de dropping die nacht door.

Op het afwerpterrein verscheen de KP samen met andere ploegen en seinde met sterke witte en rode lantaarns naar de piloot. Na de dropping werden de parachutes begraven en de containers op boerenwagens geladen. Onder het hooi verborgen bracht de KP van Lemsterland ze naar de boerderij van Jan Toering te Echtenerbrug. Bij deze zwager van Philippus Spits werden de containers geopend en de dik in het vet zittende wapenonderdelen schoongemaakt.
Van daaruit volgde verdere verdeling: men verborg ze bij andere boeren in het hooi of in droge gierkelders. De wapens vonden zelfs een plaats in kerken, onder de preekstoel. Wapeninstructie werd ook gegeven aan de KP. Tegelijk met een dropping sprong eens een instructeur af, een zekere De Koning. Nadat hij lesgegeven had in Sondel, brachten Wim Reinders en Luitjen Mulder hem naar Echten. De instructie vond plaats in het gemaal van de Veenpolder. De dag erna begeleidde koerierster Willy van der Gaast de wapeninstructeur naar een volgend adres.


De KP-Echtenerbrug.

De Knokploeg van Lemsterland was, in het voorjaar van 1944 door Haitse Wiersma ('Wytse'), neef van Sjoerd en hoofd van district Sneek) opgericht, te Echtenerbrug. De leden waren gerekruteerd uit de plaatselijke verzetsbeweging, aangevuld met wat KP'ers van buiten de gemeente als 'Lange Jan' Hoornstra en Jan Sustring. De leiding viel toe aan Wim Reinders.

De eerste gelegenheid om in actie te komen diende zich al snel aan. Tegen het einde van april kreeg kassier Waardemateriaal van distributiekantoor Langweer, Jan de Jong, te horen dat hij niet was vrijgesteld voor de Arbeitseinsatz. Maar Luitjen Mulder, die hij goed kende, regelde vlug een onderduikadres voor hem.

Daar De Jong uit hoofde van zijn functie gemakkelijk bij de kluis kon komen, werd een plan beraamd. In de ochtend van de 29e april begaf Jan zich als gewoonlijk naar de kluis. Onder de ogen van de nietsvermoedende bewakers van het gemeentehuis haalde hij de kluis leeg en deed de inhoud in postzakken.

Op de afgesproken plaats wachtte de KP met een auto. De buit bleek indrukwekkend: maar liefst 6583 bonkaarten, 1325 tabaksbonnen en talloze coupures. Deze kwamen onderduikers en verzet goed van pas. Jan de Jong dook onder in het noorden van Overijssel en beleefde de bevrijding.

Meer spectaculair was de overval op het distributiekantoor in Kuinre op 13 juli 1944. Men had politieman Frans Hylkema bereid gevonden tot medewerking. Hij verstrekte inlichtingen omtrent het kantoor en met zijn hulp kon Wim Reinders zich op de zolder, achter een stapel ingeleverde radio's verbergen. Toen de duisternis inviel, sloop Reinders de trap af en liet de rest van de ploeg binnen. De twee bewakers werden in een handomdraai gekneveld en omdat geschikt gereedschap ontbrak, werd de gehele brandkast op een bakfiets geladen.

Men nam tevens een gedeelte van de radio's mee, want dat ging toch in één moeite door. Wiepke Hof stelde nog voor de, deur in te trappen, opdat het zou lijken of de overval van buitenaf had plaatsgevonden. Vervolgens nam Hof achter het stuur van de bakfiets plaats. Het transportmiddel werd achter de personenauto gebonden en zo reed men naar Echtenerbrug. Op het erf van Jan Toering aan de Kempenaersweg opende men de brandkast.

Half augustus kwam er een nieuwe opdracht van Wiersma: de distributieleider van datzelfde kantoor in Kuinre, ene Harm Jan Huls, moest zo spoedig mogelijk overgebracht worden naar een plaats waar men hem kon verhoren. Wat was er namelijk aan de hand? Naar verluidt had het Gelders verzet in de bossen bij Apeldoorn, een verrader opgewacht en geliquideerd. Toen men het lijk fouilleerde was een lijst gevonden, welke bestemd was voor de SD te Arnhem. De lijst bevatte namen en adressen van mensen die in Lemsterland en de kop van Overijssel in het verzet werkzaam waren of onderduikers herbergden.

Onderaan de lijst was onvoorzichtig geschreven: 'Bovenstaande gegevens zijn afkomstig van de heer Huls te Kuinre', maar er was wel aan toegevoegd dat deze Huls tegenover derden onbekend wenste te blijven. De lijst was in allerijl bezorgd aan de in Kuinre wonende dokter Bouman, wiens naam als tweede op de lijst voorkwam. Deze had de lijst ook anderen die er op vermeld stonden onder ogen gebracht en men besefte dat er ingegrepen moest worden.

De KP nam opnieuw contact op met politieman Hylkema, maar deze weigerde ditmaal medewerking: Huls sympathieën waren bekend, maar desondanks stond hij in Kuinre zeker niet als onbetrouwbaar te boek. Wat stond de Knokploeg nu te doen? Als de distributieleider zijn plan alsnog ten uitvoer bracht, zouden niet alleen vele verzetsmensen, maar ook talloze onderduikers in groot gevaar komen te verkeren. Gelukkig kreeg de KP van Dubbeld Postma, gelegenheid om vanuit diens boerderij de situatie op te nemen en hun auto daar onder te brengen.

Na rijp beraad werd beslist om Huls op klaarlichte dag te ontvoeren. Op 17 augustus rond kwart over één sleurden de KP'ers Huls tijdens zijn wandeling tussen het distributiekantoor en zijn kostadres in de auto. De distributieleider werd geblinddoekt en buiten het dorp aangekomen vernielde de KP eerst de telefoondraden. Men zette vervolgens koers naar de boerderij van de ondergedoken Johannes Kraak, waar de distributieleider aan een lang touw werd vastgelegd. Bij het verhoor bracht Philippus Spits hem aan het touw op.

De aanvankelijk ontkennende Huls werd daar geconfronteerd met de harde bewijzen van zijn schuld. Buiten een lijst met telefoonnummers van de SD, vonden de KP'ers nog onder andere een briefje op hem met de naam D.J. Hoekstra: deze bleek een politieman uit Ede, die in Friesland gewerkt had. Huls bekende dat Hoekstra drie weken geleden bij hem was geweest om te praten over de overval. Huls had toen een aantal mensen genoemd die hij van medeplichtigheid verdacht. In samenwerking met twee landwachters te Kuinre hadden Huls en Hoekstra toen een complot gesmeed om op grote schaal zaken betreffende de illegaliteit te gaan verraden.

Hiertoe had men een fors aantal informanten geraadpleegd, onder wie de eerder genoemde bakkersknecht, een paar NSB'ers uit Lemsterland en de waarnemend burgemeester van Kuinre. Uiteindelijk legde Huls een volledige bekentenis af, waarbij hij tevens zijn lidmaatschap van de landwacht en zijn deelname aan razzia's toegaf.

Om vergeldingsmaatregelen op de bevolking van Kuinre te voorkomen, werd Huls gedwongen een brief te schrijven waarin stond dat hij in goede gezondheid verkeerde. Als resultaat werden de meeste mensen die in verband met de ontvoering waren opgepakt weer vrijgelaten. Huls werd vanwege de veiligheid steeds verder van Kuinre gebracht en kwam op de boerderij van Jan Toering terecht. Intussen had de Knokploeg het proces-verbaal getypt en wachtte de uitspraak van het Veemgericht af.

Op 20 augustus werd over Huls het doodvonnis uitgesproken; de KP'ers brachten hem die nacht hiervan op de hoogte. Huls mocht nog kiezen op welke manier hij ter dood gebracht wilde worden. Uiterlijk onbewogen koos de distributieleider voor de kogel: 'Doe maar in de nek'. Geestelijke bijstand werd door hem geweigerd. Op de vraag of hij berouw had, antwoordde Huls zonder aarzeling: 'Neen'. Ongeveer een uur nadien, om half twee, werd het vonnis door Toon met een enkel schot voltrokken. Het lijk van Huls werd naast de lege brandkast achter de boerderij begraven.

Het gebouw waarin het distributiekantoor van Kuinre gevestigd was.