Home » Lemmer » Oorlog Lemmer - Lemsterland » Straatnamen zijn ook Monumenten » Een kort verslag van ons koningshuis

Een kort verslag van ons koningshuis

Een kort verslag van ons koningshuis (ten tijde van de oorlog) in Lemmer.

Ir. Woudagemaal bij Lemmer. Koningin Wilhelmina, stelde het op 7 oktober 1920 in bedrijf.

Foto van Willem van der Veen.

De officiële opening.

De officiële opening van het stoomgemaal bij Lemmer door koningin Wilhelmina, is destijds een belangrijke gebeurtenis geweest voor Friesland. Er reed zelfs een extra tram met genodigden van Heerenveen naar Lemmer en behalve koningin Wilhelmina en prins Hendrik, waren er heel wat pommeranten bij de opening van het gemaal aanwezig, waaronder de minister van Waterstaat.

Zij konden in Lemmer kiezen uit twee mogelijkheden: te voet of per stoomboot van Lemmer naar het gemaal. Velen gingen lopen, want het was mooi weer en de weg van Lemmer naar het gemaal was feestelijk versierd met vlaggen en gepavoiseerde schepen. En bij de ingang van het laantje naar het gemaal stond een fraaie erepoort. Daar dromden uiteraard ook veel nieuwsgierigen samen, die de koningin en de prins wilden zien. De vorstelijke gasten arriveerden per auto (een open Spijker) uit Wolvega. Bij aankomst aan het gemaal werd de koningin een boeket bloemen (witte en rose cyclamen) aangeboden door het dochtertje van de heer J.E. Bos, de eerste chef van het gemaal.

Hoe het allemaal precies in zijn werk ging kunnen we misschien het beste laten vertellen door de verslaggever van de Nieuwe Rotterdamsche Courant, die er destijds bij aanwezig was: 'Eindelijk tegen half één - heel in de verte langs de kalen weg een paar zwarte stippen ... de auto's.
Ieder haast zich naar binnen. De genodigden nemen hunne plaatsen in, de 'koningin der aarde' wringt zich al bij voorbaat in allerlei bochten om zoo veel mogelijk met ooren en oog en te kunnen opvangen... Daar snort de auto aan. Ademloze stilte. De hoofddeur gaat open en H.M. verschijnt met den Prins en het gevolg, In een glimp van blauwe zijde, van bloemen, schrijdt zij langs de buigende rijen naar de erezetels, waar zij plaats neemt, terwijl de Prins voor den zijnen blijft staan.

Alles loopt vlot van stapel. Door het gegons van vele machines moeilijk te verstaan, houden de Commissaris der Koningin en de heer Wouda hunne toespraken, daarna de officiële aanbieding van de zilveren bel en dan klinkt helder op de melodieuze stem van H.M., als zij met een enkel welgekozen woord de openingsplechtigheid inleidt.

Het sein wordt gegeven, de machines beginnen met volle kracht te werken en onmiddellijk ontspant zich de stemming. De hoofden komen in beweging, stoelen schuifelen, de koningin praat ongedwongen met verschillende genoodigden. Na een kwartiertje is ook dit afgeloopen. Nog even zien we onze Landsvrouwe in gesprek met den heer Wouda voorbijkomen, dan den Prins met den Commissaris der Koningin.

Wij wandelen nog wat rond langs de galerijen van het gemaal, wij genieten nog eens van het wijde vrije gezicht vanaf deze hoogte over Frieslands boezemgebied, dan zien we nog even een blauwen glimp, zwarte jassen, hooge hoeden.... het Koninklijk bezoek behoort alweer tot het verleden.

De koningin stelde het gemaal in werking door op een knopje te drukken van een zilveren elektrische bel, die haar door de Commissaris der Koningin, mr. P.A.V. baron van Harinxma thoe Slooten, op een zilveren schaaltje werd aangeboden.

De koningin reed in een open Spijker, een warme autocoat was daarom geen overbodige luxe. Hier op de markt (nu Burg. Krijgerplein). Achter de auto Molenbergs atelier en winkel bakker Haveman.

 Hier tijdens haar bezoek aan de Rien-inlaatsluis op 7 oktober 1920.

Bouwjaar 1887, in 1957 verbouwd tot schutsluis, (nu geheten 'De Riensluis' (bij Slump BP-station) en in 1957 verplaatst naar het brug- en sluiswachterhokje waar het in de muur is geplaatst en vanaf de weg duidelijk zichtbaar is.

 Hier zien wij het koninklijk gezelschap op de inlaatsluis 'De Rien'.

Begeleid door ir. D.F. Wouda, onder wiens oppertoezicht het gemaal werd gebouwd, bezichtigt koningin Wilhelmina hier het bouwwerk. Achter haar prins Hendrik en mr. Van Harinxma thoe Slooten.

Foto LC: Koningin Wilhelmina bezoekt de Lemmer in September 1920.

Koningin Wilhelmina in de Tweede Wereldoorlog.

Door: Broer de Boer, uit Wons.

Wilhelmina zal 2 wereldoorlogen meemaken, als koningin van een klein land, terwijl zij sterk verwant is aan het land dat de oorlog beide keren ontketende: Duitsland. Dat bracht haar ongetwijfeld in een moeilijke positie.

Maar met verve heeft zij haar taak als koningin van een vrij en onafhankelijk Nederland vervuld. Zij was een heel dappere vrouw en spaarde Duitsland haar kritiek niet! Ouderen herinneren zich dat nog goed uit de laatste oorlog, toen de koningin via Radio Oranje het volk toespraak en op allerlei manieren leiding gaf aan het verzet. Zij werd niet voor niets "Moeder van het verzet" genoemd. En de V van Victorie werd tot de W van Wilhelmina.

Zij was vanuit Engeland, vooral achter de microfoon van Radio Oranje, een levende kracht die vanuit haar heilige verontwaardiging de Nederlanders opriep zich tegen de vijand te weer te stellen.

In de oorlog in Engeland met een landkaart voor zich.

H.K.H. Prinses Wilhelmina, de Moeder van het Verzet, bij het standbeeld van 'De Dokwerker' op het J.D. Meyerplein in Amsterdam, door Mari Andriessen ontworpen, ter herinnering aan de Februaristaking van 1941.

Toespraak Nederlandse Koningin 10 mei 1940.

Mijn volk,

Nadat ons land met angstvallige nauwgezetheid al deze maanden een stipte neutraliteit had in acht genomen en terwijl het geen ander voornemen had dan deze houding streng en consequent vol te houden, is in de afgelopen nacht door de Duitse weermacht zonder de minste waarschuwing een plotselinge aanval op ons gebied gedaan. Dit niettegenstaande de plechtige toezegging dat de neutraliteit van ons land zou worden ontzien zolang wij haar zelf handhaafden.

Ik richt hierbij een vlammend protest tegen deze voorbeeldenloze schending van de goede trouw en aantasting van wat tussen beschaafde staten behoorlijk is. Ik en mijn regering zullen ook thans onze plicht doen.

Doet gij den uwen, overal en in alle omstandigheden, ieder op de plaats waarop hij is gesteld, met de uiterste waakzaamheid en met die innerlijke rust en overgave, waartoe een rein geweten in staat stelt!

Koningin Wilhelmina, "de Moeder van het Verzet", heeft een inspirerende rol gespeeld voor het verzet in Nederland en Nederlands-Indië en was door haar houding en die van het gehele Oranjehuis een bindende kracht. Zij was in de strijd van de geallieerden tegen Duitsland, Italië en Japan een standvastig bondgenoot, ook in de ogen van F.D. Roosevelt, president van de Verenigde Staten, en in die van W. Churchill, premier van Groot-Brittannië.

Koningin Wilhelmina was een toonbeeld van onverzettelijkheid, die daardoor een beslissende invloed in de oorlog gehad heeft.

 Opmars door Friesland. De Duitse opmars in mei 1940 door Groningen, Drenthe en Friesland.

Duitsers rukken op naar Stavoren. De foto is waarschijnlijk in de omgeving van Parrega genomen.

Een met paarden bespannen wagen met Duitse soldaten nadert het dorp vanaf de Wildinghelaan. Deze zijn Kromdijk gepasseerd en gewaarschuwd voor in de weg gelegen landmijnen. Je kon ze van verre zien liggen. (... ) Toch proberen die kerels daar zigzaggend met paarden en voertuig, om daar doorheen te komen. Een paard wordt schichtig en trapt op een der mijnen. De uitwerking is verschrikkelijk. Paarden, wagen en manschappen gaan de lucht in. (... ) Eén dode soldaat meer zeggen de moffen niet, dode paarden. gewonde soldaten een kapotte wagen. Tegen de avond (... ) begint een aanval op Kornwerderzand, voorafgegaan door een zware artilleriebeschieting vanaf het Zuricheroord

Op de tweede oorlogsdag zette de vijand zijn opmars met grote snelheid voort. Hij trok daarbij in de richting van de Afsluitdijk, met uitzondering van zijn 22e Regiment, dat de IJsselmeerkust in de sector Stavoren-Lemmer moest bezetten. Hier en daar ondervond men hinder van brug-vernielingen en wegversperringen, die onze troepen tijdens hun terugtocht nog tot stand hadden gebracht. Om het tijdverlies tot een minimum te beperken zonden de Duitsers hun pantserwagens vooruit. Die konden dan tijdig de obstakels melden of een andere route verkennen voor de nakomende hoofdmacht. De noordelijke gevechtsgroep van Von Edelsheim meldde o.a.:

'....De opmarsweg voert over Groningen-west, dat nog in de nacht door de pantser verkenningsgroep vrij van vijand was gemeld, en verder over de brug bij Slaperstil, die onbeschadigd wordt aangetroffen. De pantserwagens verdrijven echter eerst met mitrailleurvuur een afdeling burgers en geüniformeerden, die met de aanleg van een boomversperring bezig zijn ....'

Het laatste incident wordt nergens in de Nederlandse verslagen gemeld. Wat met 'geüniformeerden' wordt bedoeld is onduidelijk; militairen kunnen het niet geweest zijn.
Verder zuidelijk kregen pantserwagens van het 1e Cavalerie Regiment een ontmoeting met een terugtrekkend Nederlands detachement op 10 mei voor zijn troep een tweetal autobussen gevorderd van de Veendamse maatschappij 'Far Away'. De goed geleide terugtocht werd beveiligd uitgevoerd door enkele groepen steeds sprongsgewijs te verplaatsen en stelling te laten nemen, om eventuele achtervolgers op afstand te houden.

Van 19.00 uur 's avonds tot 03.00 uur 's nachts was de mannen wat rust gegund in het Drentse Rhoden. Toen de mars werd voortgezet ging kapitein Kriegsman per auto vooruit om te zien of de wegen veilig waren. Onderweg werd van burgers vernomen dat vijftien Duitse pantserwagens op de weg Groningen-Leeuwarden waren gezien. Dat klonk alarmerend, want met geweren en mitrailleurs kon men zich hiertegen niet verdedigen. Kriegsman besloot daarom, meer naar het zuiden af te buigen en kwam zo in het plaatsje Roordahuizum (Friesland) terecht.

Daar hoorde hij dat ook tussen Heerenveen en Akkrum pantserwagens waren gesignaleerd. Hij gaf toen opdracht de weg Heerenveen-Leeuwarden ten noorden en ten zuiden van de zijweg naar Sneek met enkele zware mitrailleurs af te sluiten, zodat de twee autobussen naar laatstgenoemde stad konden doorrijden. Deze voorzorg was terecht genomen, want op het moment dat de auto's wilden passeren, naderen drie Duitse pantserwagens, vergezeld van motorrijders met grote snelheid uit de richting Akkrum!

De vijand opende onmiddellijk het vuur. De voorste pantserwagen reed door en botste letterlijk op de eerste bus; van de tweede werden de voorbanden kapot geschoten.
Onze beide mitrailleurs lieten zich in de verwarde situatie niet onbetuigd. Twee Duitsers werden van hun motoren geschoten, maar op het pantser hadden de kogels geen effect. De vijand concentreerde nu zijn vuur op een van de wagens, waardoor de dienstplichtig soldaat De Rooij dodelijk werd getroffen. De rest van de bediening verdween daarop in het terrein.

Ondertussen ratelden de kogels van de andere mitrailleur onafgebroken op de pantserwagens. Ook de mannen uit de autobussen namen met hun geweren aan de strijd deel en hoewel ze in feite machteloos waren, weken ze niet van hun plaats. Deze felle tegenstand onthutste de aanvallers zo zeer, dat ze onder het leggen van een rookgordijn het hazenpad kozen!
Dat betekende een onverwacht einde van het gevecht. Als de Duitsers zich niet hadden laten overbluffen, zouden ze er ongetwijfeld en zonder enig risico in zijn geslaagd het gehele detachement uit te schakelen.

Het is interessant om kennis te nemen van het verslag dat de commandant van de pantserwagens indiende. Hij weet niet alleen een merkwaardige verklaring voor zijn terugtocht te verzinnen, maar ook de Nederlandse verliezen (één gesneuvelde soldaat) tot forse proporties op te blazen:

Om 12.00 uur vertrekken we uit Heerenveen. Enige Nederlanders vroegen ons daar of we Engelsen waren. Hun verbazing over onze aankomst kent geen grenzen. Met plankgas nemen er de weg over Akkrum. Plotseling schittert er iets voor ons: de ruiten van enkele autobussen.
We naderden tot een 50 meter en zien Nederlandse soldaten! Ze rennen de wagens uit en zoeken dekking voor ons mitrailleurvuur in de sloten aan beide zijden van de weg. Onze drie pantserwagens rijden met volle snelheid op de autobussen af. Eén kan niet meer stoppen en stoot via de eerste bus naar voren.

De chauffeur zit nog achter het stuur en probeert onze wagen af te snijden door zijn voertuig dwars op de weg te plaatsen. Hij wordt neergeschoten. De tegenstander verloor naar schatting tien doden en talrijke gewonden. De andere autobussen zijn weggereden. Wegingen terug naar de rand van Akkrum om de brug veilig te stellen. Plotseling kraken twee schoten die als antitankgeschut klinken. We trekken terug en nevelen ons al rijdende in. De brave burgers van Akkrum begrijpen dat niet. Als we - een rookgordijn trekkend - door de straten stuiven, vluchten ze hun huizen in en schreeuwen: Gas! gas! .....'

De Nederlandse afdeling vervolgde nu zo snel mogelijk haar weg. De beschadigde autobussen werden achtergelaten; de auto van kapitein Kriegsman was slechts éénmaal getroffen en kon nog goed rijden. Al vlug ontmoette men enkele politieagenten die namens de burgemeester van Sneek kwamen waarschuwen dat ook in die plaats pantserwagens waren gesignaleerd.

Wederom werd de route verlegd. Daarna verliep de tocht zonder incidenten, tot omstreeks 17.00 uur de Wonsstelling werd bereikt, aan de oostzijde van de Afsluitdijk. Daar hadden de verdedigers op de 10e en in de vroege morgen van de 11e mei de terugtrekkende troepen opgevangen en grotendeels naar Noord-Holland doorgezonden. Door het ontbreken van mobiele verbindingsmiddelen wisten ze niet waar de nog ontbrekende detachementen zich bevonden.

Met het verstrijken van de tijd werd de toestand gevaarlijker, want of een naderend onderdeel uit vriend of vijand bestond, kon alleen met het blote oog worden geconstateerd. Daarbij kwam, dat op enige afstand de Nederlandse en Duitse uniformen moeilijk waren te onderscheiden. Het gevaar was dan ook niet denkbeeldig dat de vijand door een vergissing plotseling in de stelling zou doordringen.

Toen het in de loop van de dag stil werd, moest men aannemen dat de ontruiming van de noordelijke provincies voltooid was en dat de nog ontbrekende troepen verloren waren gegaan. De versperringen werden gesloten en aan de militairen werd bekend gesteld dat alle troepen in het voorterrein als vijandelijk moesten worden beschouwd. zo kon het gebeuren dat het detachement van kapitein Kriegsman bij het naderen van de stelling prompt werd beschoten. In allerijl zocht men dekking, maar helaas had het vuur al één zwaar en één licht gewonde veroorzaakt.

Door schreeuwen en zwaaien met witte lappen wist men tenslotte het misverstand op te heffen, waarna de troep alsnog door de stelling kon trekken. Bijna gelijktijdig verschenen de eerste Duitsers; ze werden door ons vuur verdreven. Later bleek dat het verkenningspatrouilles waren geweest die tot de noordelijke gevechtsgroep van Reichsfreiherr Von Edelsheim behoorden. Deze strijdmacht was de eerste die voor de Wonsstelling arriveerde. In het Duitse rapport lezen we:

'.... Tegen 11.30 uur stoot de over Dronrijp. Lutjelollum en Achlum oprukkende voorhoede even voor Arum op een wegversperring die uit een dwars over de straat gegraven gracht bestaat en waaraan nog door burgers wordt gewerkt. Een vooruit geschoven stoottroep vindt het dorp Arum zelf vrij van vijand. De groep pantserwagens meldt achtereenvolgens dat alle naar Pingjum en Zurich leidende wegen versperd zijn. Pioniers worden ingezet om de versperringen op te ruimen, terwijl ook nieuwe verkenningen worden verricht.

Ondertussen wordt het gros van de afdeling in Achlum, Kimswerd en Arum ondergebracht. na het opruimen van de versperringen wordt het 3e eskadron naar Pingjum vooruitgeschoven. Uit de verkenningen - die tot na het vallen van de duisternis worden voortgezet blijkt dat de plaatsen Zurich en Gooium door de tegenstander zijn bezet, terwijl Witmarsum vrij van vijand wordt gemeld. Door de uitgebreide onderwaterzettingen kan 's nachts niet meer tegen Wons worden verkend ..... '

Aan het einde van de dag hadden de Duitsers zich met een sterke troepenmacht voor de Wonsstelling genesteld. Achter de gevechtsgroep Van Edelsheim legerde het 2e Cavalerie Regiment in het gebied direct ten oosten van Leeuwarden. Ten zuiden en zuidoosten van Makkum, lagen het 1e Cavalerie Regiment en een deel van het marine commando van korvettenkapitein Stein. Overeenkomstig zijn opdracht had de vijand het stadje Makkum dat binnen de Wonsstelling lag, nog op de 11e mei moeten veroveren.

Daarbij moesten marine troepen alle in de haven liggende schepen onmiddellijk in beslag nemen. Volgens de Duitsers is dit door de vele wegversperringen niet meer gelukt. Hun oorlogscorrespondent en propagandist Leo Leixner verhaalt hier hoe die opmars naar Makkum eindigde. Uit zijn verslag blijkt tevens dat er ook wel eens Nederlanders waren die er niet tegen op zagen de vijand behulpzaam te zijn:

' .... Onze pantserwagens zijn al vooruit. We bereiken de rand van Workurn. Daar nadert iets verdachts. Een Nederlandse politieagent denken we, en we maken ons gereed hem te ontwapenen. 'Alle mensen, dat was bijna te laat!' zegt onze wapenbroeder, nadat we hem op het laatste moment hebben herkend.
Enkele uren geleden heeft onze Kriegsmarine deze plaats al bezet. Burgers, een man, een vrouwen een paar meisjes, komen ons 'Heil! roepend tegemoet. Het meisje toont ons een 'Berliner Illustrierte' met voorop een portret van de Führer.

'Heil Hitler' roepen ze steeds. De man wijst naar het dak van zijn huis en zegt dat hij daarmee veel moeilijkheden op de hals heeft gehaald. 'N.S.B.', de afkorting voor de Mussert-beweging is daar in letters van gekleurde dakpannen te lezen. De dappere man biedt ons vol vreugde zijn diensten aan, waar we onmiddellijk gebruik van maken. Ook deze weg, verklaart hij, is niet meer te berijden. Maar nu verder; we moeten het laatste daglicht benutten. Om 21.15 uur (19.35 uur Nederlandse tijd) bereiken we de IJsselmeerdijk. Over de weg langs deze dijk rijden we gedekt in de richting Gaast. Daar komen we de terugkerende pantserwagens tegen. We horen: 'De vijand heeft Makkum sterk bezet' we reden tot op 600 meter van het stadje - toen hoorden we plotseling een hoornblazer het alarmsignaal geven. We konden de bunkers duidelijk zien; één heeft minstens zes schietgaten. We moesten terugtrekken.'

Het 22e Cavalerie Regiment was niet naar de Afsluitdijk getrokken, maar had de opdracht de kuststrook Stavoren-Lemmer te bezetten. Het ging daarbij vooral om de havens van de genoemde plaatsen. Hiervan wilde de vijand immers gebruik maken, indien een invasie op de Noord-Hollandse IJsselmeerkust zou worden bevolen. Ook het marinecommando Stein concentreerde zich om die reden op de havens.

Aan Nederlandse zijde had men iets dergelijks echter voorzien en zover de tijd dit toeliet, waren tegenmaatregelen genomen. Vele schepen waren bijtijds weggevaren en de havenmonden had men versperd door vaartuigen tot zinken te brengen. Het Duitse regiment toonde zich nogal teleurgesteld over deze acties en begon al voorzichtig bezwaren te opperen tegen een eventuele opdracht om zee te kiezen:

'.... De haven van Lemmer is door middel van gezonken schepen onbruikbaar gemaakt en kan daarom voorlopig niet voor een invasieoperatie in aanmerking komen. Tegen de avond kan het Regiment nog een torpedobootjager waarnemen, die voor de haveningang kruist en daar naar de mening van het Regiment mijnen legt. Dit wordt aan de divisie doorgegeven en brengt daar allesbehalve vreugde teweeg. Vooral Korvettenkapitein Stein is weinig enthousiast over het vooruitzicht een operatie over een deel van het IJsselmeer te moeten leiden, dat bezaaid is met mijnen .....'.

Natuurlijk was er op het IJsselmeer geen enkele torpedobootjager. Zulke grote schepen zouden daar nauwelijks kunnen varen. Er waren evenmin mijnen gelegd. Wat de Duitsers zagen was de oude kanonneerboot Friso, die in de omgeving kruiste om een oogje in het zeil te houden.

In de samenvatting van het Nederlandse verdedigingsplan lazen we dat het IJsselmeer bewaakt werd door een flottielje marineschepen. Het bestond uit de gepantserde kanonneerboten Friso en Brinio, de torpedoboot Z-3 en acht gevorderde motorbootjes. Het waren alle schepen van betrekkelijk kleine afmetingen en geringe diepgang. De Friso bewaakte de Friese kust, de Brinio de sector tussen Medemblik en de Afsluitdijk en de Z-3 voer op en neer tussen het Kampereiland en Enkhuizen. De met een lichte mitrailleur bewapende motorbootjes hadden tot algemene taak de bescherming van de Noord-Hollandse IJsselmeerkust.

Een viertal legde echter in de avond van de 11e mei een verkenningslinie voor Stavoren. De aanwezigheid van talrijke Duitse vliegtuigen betekende een voortdurend gevaar, waartegen weinig ondernomen kon worden. Wel slaagde de luchtafweer rond Den Helder er in om enkele machines neer te halen. Eén daarvan trachtte een noodlanding te maken op het wad bij Terschelling. Een uitgezonden vaartuig nam een officiersvlieger en twee onderofficieren gevangen. Een vierde man kon niet meer worden gered en verdronk.

Met het bovenstaande zijn de belangrijkste ontwikkelingen op de 11e mei beschreven. De Duitsers voor de Afsluitdijk maakten zich nu gereed om op de volgende dag de Wonsstelling aan te vallen.

Foto nl.wikipedia.org De Brinio werd samen met het zusterschip de Friso en de mijnenvegers de Abraham van der Hulst en de Pieter Florisz in de meidagen van 1940 toegevoegd aan het IJsselmeerflottielje, dat als doel had te voorkomen dat de Duitse strijdkrachten het IJsselmeer zouden oversteken. Op 12 mei werd de Brinio aangevallen door drie Duitse bommenwerpers, waarbij geen directe treffers werden geïncasseerd. De schade opgelopen door de bommen langszij was wel zo ernstig dat de Brinio naar Enkhuizen moest voor reparatie.

Nadat de gaten waren gedicht met cement en spek was de Brinio in de ochtend van 14 mei weer vaar-gereed. Op die 14 mei kreeg de Brinio de opdracht om bij Den Oever het IJsselmeer te verlaten en naar het Verenigd Koninkrijk op te stomen. Maar toen de Brinio eenmaal was doorgeschut in Den Oever kreeg het schip de opdracht weer terug te keren naar Enkhuizen. In Enkhuizen aangekomen kreeg de Brinio de opdracht naar Edam door te varen en daar moest het schip tot zinken worden gebracht, maar omdat het ondertussen al donker was geworden werd besloten de Brinio tot zinken te brengen in de haven van Enkhuizen.

Voor Friesland is de Tweede Wereldoorlog op vrijdag 10 mei 1940 begonnen. 's Nachts vliegen Duitse vliegtuigen in westelijke richting over de Noordzee. Daarna vallen Duitse troepen Friesland binnen. Nog diezelfde dag veroveren Duitse troepen de verdedigingsstelling bij Wons. 's Avonds is het vaste land van Friesland in Duitse handen. De Duitsers proberen zo snel mogelijk bij de Afsluitdijk te komen om de sluizen van Kornwerderzand te veroveren. Zo willen ze voorkomen dat de Nederlanders delen van Friesland onder water laten lopen om de Duitse opmars te vertragen. Twee dagen lang bestoken Duitse soldaten en Duitse luchtaanvallen de militairen in Kornwerderzand. Het lukt de Duitsers niet om de dijk te bereiken. De capitulatie van het Nederlandse leger op 14 mei betekent het einde van de strijd bij Kornwerderzand. De bezetting van Friesland begint.

De Torenwachters _ 22 juni 1940.

Tot voor korte tijd behoorde het tot de uitzondering dat iemand die daar niets had te maken in den ouden Lemster toren klom en daar onze plaats en omgeving vanuit den hoogte mocht aanschouwen. Nu is dat door de wacht die daar vanwege de Luchtbeschermingsdienst is geplaatst veranderd en vele ingezetenen die nimmer hooger kwamen dan de begane grond klimmen thans naar het platform van den toren.

Dit zijn de torenwachters de mannen die een wakend oog houden op de belangen van de burgerbevolking en bij dag en nacht daar op den toren uitzien naar vliegtuigen en meldingen moeten doen van mogelijke bominslagen. Deze menschen van de burgerlijke luchtbescherming hebben hun bivak opgeslagen in onzen koepeltoren en bij mooi weer vertoeven deze wachters gaarne op het plat, waar een prachtig vergezicht hen in staat stelt de omgeving op te nemen.

Ver weg valt Urk en soms ook Enkhuizen waar te nemen: op den achtergrond rijzen de bosschen van Gaasterland omhoog, verder Noordelijk het stedeke Sloten in de boomen van het bolwerk verscholen, droomend in zijn rust van vergane welvaart.

Dan de Brekken, het Stroomkanaal en Langesloot eenerzijds in de omlijsting van de Rijksstraatweg en aan de andere zijde de Rien en de verte het Tjeukemeer glinsterend in de zonneschijn. Op deze wateren die zich als een zilveren lint slingeren door de lage landerijen, de binnenscheepjes, visschersbootjes of zeiljachtjes.

Dan de her en der verspreid liggende boerderijen in de Brekkenpolder, kleine Brekken, de Grens of Kooipolder bij Sloten, aan de andere zijde het Westend of Otterweg en Oosterzee op den achtergrond aan de kant van het Tjeukermeer, het is alles als een levend schilderij met daar tusschen de landbouwers, die thans druk zijn met den hooioogst.

In het land de nijvere boerenbevolking, aan de zeezijde de visschers in hun booten, zeilend tegen de horizon, waar lucht en water elkaar raken en dicht bij haast onder je de werken van de sluisput en gemaal, waar de kranen puffen en de baggermolens in de N.O. polder kreunen en steunen. En onder aan den voet het leven van den dag; de groenteman en de melkboer, de timmerman die een hekje herstelt of een dakgoot oplapt, elders een schilder die tegen een ladder opklautert.

Het is de moeite waard op een mooien zomerdag dit panorama, dat een bouwdoos gelijkt, in oogenschouw te nemen. Men ziet dan de wereld van een andere zijde en het aanschouwen van al dat land en water, gestoffeerd met vee en zeil, met torentje en boerderij doet de schoonheid van ons Friesche land eerst goed uitkomen.

Het is een klimmen langs trapladders in diepe duisternis en door duimen stof van vele tientallen jaren misschien, waard. De oude toren heeft het leven, eeuwen aaneen kunnen gadeslaan; hij heeft vele Lemster geslachten zien komen en gaan, ze als kind zien spelen aan zijn voet en zien opgroeien. Hij heeft als het ware gedeeld in hunne zorgen en leed, ze zien feestvieren en jubelen in dagen van hoogtij.

De oude torenklok die in 1598 gegoten werd door Henrick Wegewaert in de Stadt Kampen, aldus het opschrift heeft de menschen eeuwen aaneen kond gedaan van vreugde en rouw. Hij heeft ze opgeroepen naar het bedehuis en met zijn gelui uitgeleide gedaan naar hunlaatste rustplaats.

Dagen van welvaart en teruggang van de bewoners, die rond zijn voet zich een bestaan zochten, Heeft hij gekend, en dezelfde toren is voor menig zeeman een baken geweest! en een welkom heeft hij ongetwijfeld toegeroepen aan hen, die na jaren in den vreemde te hebben gezworven weer terug keerden in de schaduw van zijn verweerde muren.

Eeuwen reeds staat hij als een stille wachter in den nacht, maar dat er wacht wordt geloopen op zijn platform zal denkelijk nimmer tevoren zijn gebeurt, tenminste niet in die mate als thans het geval is. Mogelijk is het ook in het grijs verleden wel eens nodig geweest dat de toren een uitkijkpost herbergde, b.v. in de dagen toen de Engelschen op de Zuiderzee kruisten en hier in 1799 de Lemmer belegerden.

Het krijgsrumoer en de vreemde uniformen heeft de oude toren vaker aan zijn voet gezien, want Lemmer had evenals nu ook in het verleden bezoek van vreemde krijgslieden. Wij herinneren aan de Engelschen en de Russen gevolgd door de Fransche tijd.

Thans staan de wachters in den ouden toren bij dag en bij nacht. Ze turen in de verte in en zien uit naar de vliegtuigen die om en over onze plaats ronken en plaatsen hun bevindingen in een soort logboek, dat een getrouw overzicht moet geven van de ervaringen daar op gedaan, maar dat geworden is een boek vol indrukken en gemoedsuitingen, vol kostelijke humor soms ook dichterlijke ontboezemingen.

Het gaat niet op hier uit een greep te doen, doch een enkele uiting moge hier volgen, opdat straks meer normaler tijd zal aanbreken en de torenwacht geschiedenis zal zijn geworden, degene die dan in de vergeelde bladen van "de Zuid" rondneust iets terug zal vinden van wat er leefde in het gemoed van de wachters in den ouden Lemster toren.

Notitie van een torenwacht.

Daar zit ik weer, maar nu in het nachtelijk duister
Met om mij heen de stilte van de zomernacht,
Terwijl ik naar de vliegmachines luister
Verstrijkt genoegelijk mijn twee uurtjes torenwacht,
Zwaarmoedig tikt het torenuurwerk zijn seconden
Zoals het dit een reeks van jaren heeft gedaan,
Tenminste als het steeds werd opgewonden
Want zoo men dit vergat dan bleef het staan,
Zooeven heeft het nachtelijk uur geslagen
Toen ik enthousiast naar boven sloop,
Maar naar de waarheid moet je maar niet vragen
Omdat ik liever in mijn bedje kroop,
Blijmoedig pik ik steeds de drie-en-tachtig treden
Voordat ik in het hooge wachtlokaal belandt,
Waar 'k met een zware zucht mijn moede leden
In een der zachte clubfauteuiltjes plant,
Mijn lotgenoot verdwijnt naar hooger sferen
Geniet van 't uitzicht op de torentrans,
Maar ik kan daarom wel gerust beweren
Ook hij breekt voor de torenwacht geen lans,

Dat ik deez' notitie hier nu zit te maken,
Is heusch niet uit vervelendheid
Doch om 't gevoel maar kwijt te raken,
Dat ik mijn tijd met nietsdoen hier verslijt


TOP