Arbeidsdienst in Duitsland (2)

Dwangarbeid in Duitsland

Geschreven door Annie Bergstra-Kramer.


Verslag van de belevenissen van Frans Kramer en Andries Visser.

Geschreven door Annie Bergstra-Kramer, oud Lemster geboren 23 januari 1941 dochter van Frans Kramer en Taekje Anna Kramer-Riewald, thans wonende in Drachten. Annie maakte een familiebrochure en stamboom boekje over het geslacht Kramer.

Haar vader Frans Kramer die met de razzia in de NOP op 17 november 1944 werd opgepakt vertelde wel eens iets over deze periode, maar wel heel summier. Hij sprak dan ook over zijn metgezel en vriend Andries Visser, ook uit Lemmer die met hem een half jaar in Duitsland was.

Frans Kramer.

Andries Visser.

Annie kwam via een kennis in contact met Andries Visser en zijn vrouw en van hem ontving zij veel informatie over die periode in Duitsland. Dit leidde er toe dat er opnieuw een familiebrochure van haar hand verscheen getiteld:

Het geslacht Kramer
1944 - 1945.

Dwangarbeid in Duitsland
17-11-1944 tot 14-05-1945.

Uit deze brochure de nu volgende pagina's door Annie Bergstra -Kramer.

Gezin Frans Kramer en Taekje Anna Kramer-Riewald, met hun twee kinderen Rinze geboren op 9 mei 1942 en Annie geboren op 23 januari 1941.

Lemmer Nieuwedijk: In het grote huis met de dakkapellen woonde de familie Poepjes en de familie Kramer.

Dwangarbeid in Duitsland. 17-11-1944 _ 14-05-1945

Verslag van de belevenissen van Frans Kramer en Andries Visser.

10 mei 1940 vielen de Duitsers ons land binnen. De tweede wereldoorlog was aangebroken.

Verplichte arbeid.

Op 22 maart 1942 stelden de Duitsers verplicht dat mannen in Duitsland moesten gaan werken. Men moest zich in verband hiermee laten keuren door een arts. Frans ging naar de vertrouwde huisarts van zijn ouders Rinze en Sijbrigje Kramer, dokter Buis. Deze keurde hem af. Daarna moest hij opnieuw gekeurd worden, maar dat deed Frans niet. In 1943 mochten artsen die geen lid waren van de nazi-gezinde artsenkamer, en velen hadden geweigerd daarvoor te ketenen, hun beroep niet meer uitoefenen. Hun naambordjes werden verwijderd. Officieel waren zij geen arts meer.

Op 25 juni 1943 deed de Leeuwarder Knokploeg een inval in gebouw Gerzon in de Friese hoofdstad en haalde daar de cartotheek van de jaargangen registratie weg, daarmee de bezetter een belangrijk hulpmiddel hij het oproepen van mensen voor de arbeidsinzet uit hand slaand. Vanaf 27 november 1942 werkte Frans in de Noordoostpolder, in dienst van de directie Wieringermeer. Hij werkte nu voor de voedselvoorziening en was derhalve vrijgesteld van de verplichte tewerkstelling in Duitsland. Hij verbleef in barakken van een kamp bij Lemmer en kwam om de 2 weken thuis. In de NOP werkte hij veel samen met Andries Visser uit Lemmer. Ze konden het goed vinden samen. Andries werkte al sinds 1937 in de NOP. Hij maakte in het begin hele lange werkdagen. Om 3 uur 's morgens de deur uit en hij kwam 's avonds om 10 uur pas weer thuis.

Verhuizing.

In augustus 1944 konden Frans en Taekje hun huis in de Fabriekssteeg nr. 15 te Leeuwarden ruilen met een echtpaar Pietersma, dat in Lemmer aan de Nieuwedijk woonde. Een pand van 2 onder 1 kap, met een stenen trap naar de voordeur. De kelder die onder het hele huis doorliep (deze ruimte was gewoon boven de grond) hoorde er niet bij. Hierin had Van der Veen zijn groenteopslagruimte. Het huis had een halletje met daarin de trap naar boven. Er was een voor- en achterkamer met daartussenin een ruimte wat ooit een bedstee is geweest.

Boven was 1 slaapkamer waarin aan weerszijden een bedstee was, maar zonder deuren ervoor. Door de ramen van de kajuit kon je de zee zien. Verder was er een zolderruimte op dezelfde verdieping met hoeken en gaten, maar daar konden wel een paar ledikanten staan. Beneden naast de achterkamer was een keukentje met een hoog raam, waar je dus niet door naar buiten kon kijken. Daarnaast was dan nog een vertrekje met kookgelegenheid en om de hoek van dat vertrekje was de WC (nog zo'n ouderwetse ton die opgehaald werd via een trap buiten die in de steeg uitkwam).

De Razzia.

Op 17 november 1944 gingen Andries en Frans zoals elke morgen naar hun werk in de NOP. Hun werkzaamheden lagen vlak buiten Lemmer, vlak na de brug bij het gemaal. Men noemde dit sectie A. Er stond hier slechts een enkele boerderij. Melkboer Hoekstra had Frans gewaarschuwd niet naar het werk in de NOP te gaan, maar de mannen voelden zich daar betrekkelijk veilig. Men had immers een Ausweis met een stempel en een hakenkruis erop, en ze werkten voor de voedselvoorziening. Elke morgen moesten we eerst langs de Duitse controle.

Dit waren vrij oude mannen, die hen wel kenden. De mannen gingen aan het werk. Er werd gedorst. Frans reed op een trekkertje. Om een uur of negen zagen ze Duitsers aankomen. Deze soldaten omsingelden hen, maar waren zo vermoeid, ze vielen in slaap. De mannen gingen door met dorsen om de slapende soldaten heen. Het duurde niet lang tot ze doorkregen dat er wel iets aan de hand was. Er kwamen steeds meer Duitsers en ze zagen dat ook bij Lemmer alles was afgezet. Ze hadden geen enkele kans om te vluchten. Om een uur of tien ging het erg hard regenen.

Toen werden de mannen door de Duitsers naar een landbouwschuur gedreven. Om elf uur moesten ze onder bewaking naar Kuinre lopen. De Duitsers die hen hadden opgepakt (het waren er zeker 80 à 90 man) hadden opblaasboten bij zich, omdat ze in de NOP ook wel kanalen moesten oversteken. Het werd Frans en Andries al spoedig duidelijk dat dit een grootscheepse razzia was. Andries had die morgen net een paar nieuwe laarzen in ontvangst genomen. Een van de Duitsers wilde die van hem afnemen. Toen heeft hij ze maar gauw aangetrokken en zijn oude weggegooid. Toen later gevraagd werd om trekkerchauffeurs (ze moesten apart gaan staan van de anderen) heeft Frans zich daar niet voor opgegeven, omdat hij opgevangen had dat deze dan naar Polen zouden worden gestuurd.

Kuinre.

Na de razzia werden Frans en Andries naar Kuinre gebracht, waar zij de nacht moesten doorbrengen in de school aldaar. Aukje (Andries' vrouw) is, nadat zij had gehoord van de razzia naar Kuinre gefietst. Het weer was bijzonder slecht, het regende en waaide heel hard, maar zij wilde kleding en dergelijke brengen en zij hoopte evenals andere vrouwen van opgepakte mannen nog even met Andries te kunnen praten, maar dat werd absoluut niet toegestaan. De volgende dag werden alle mannen die tijdens de razzia in de NOP en in Urk waren opgepakt, ondergebracht in houten barakken in Vollenhove.

Zij werden onder strenge bewaking gesteld, al waren er die toch nog kans zagen te ontvluchten. Frans en Andries zaten hier met ongeveer 15 mannen die allen uit Lemmer afkomstig waren. Dames van het Rode Kruis kwamen eten brengen en schrijfgerei, zodat er een briefje naar huis kon worden geschreven. Ongeveer 25 mannen moesten het doen met één kamer, waarin slechts zes eenpersoonsbedden stonden, zodat de meeste mannen gewoon op de vloer moesten slapen, in hun kleren uiteraard. Het weer was grauwen guur.

Briefkaart die Frans vanuit Vollenhove schreef.

Lieve vrouw en kinderen.

De koffer heb ik in goede orde ontvangen hoor! Je wordt bedankt voor de foto en het bericht. Wat is het snel gegaan hé, dat had ik niet verwacht. Maar afijn, we weten waar we op moeten vertrouwen. We zitten hier nu in Vollenhove in een school. We hebben het goed, er wordt ons van alles toegesjouwd. We gaan vandaag naar Meppel, en worden we verdeeld over het land. Het spijt me dat ik jullie niet meer even heb gezien. Zeg de kinderen maar dag van mij, en geef ze een kus. Er wordt weer gewerkt aan een vrijstelling, er is een geringe kans. Schrijf mijn ouders ook maar en zeg dat alles in orde is, en dat de hele polder weg is , alleen de mannen boven de veertig niet. Ik hoop dat er spoedig verandering mag komen, en dat we gauw weer bij elkaar zullen zijn. Je moet je geen zorgen maken over mij, alles lijkt goed. Je moet met het geld maar zien. Red je maar, en moed houden hoor! Zo God het wil, komt alles terecht. Groeten ook aan de buren (Echtpaar Luik). En groeten aan mijn ouders.

Nu tot het volgende bericht vrouw of tot ziens.

     Dag Annie en Rinze, kus van papa, jullie paps.

Buurman Luik, de buurman van Frans en Taekje heeft alle bagage, koffers en dergelijke die de vrouwen aan de bij de razzia opgepakte mannen wilden versturen, met paard en wagen naar de plaats van bestemming gebracht. Op woensdag 22 november krijgen de mannen te horen dat ze naar Meppel zullen worden getransporteerd. Donderdagmorgen 23 november 1944 is er eerst een appèl en dan begint de streng bewaakte voettocht. Het wordt een hele zware tocht. In de striemende regen strompelen de mannen over de dijk. De vele uitvallers worden met gummiknuppels overeind geslagen. Enkelen die echt niet meer kunnen worden in vrachtwagens gesmeten en komen achteraan. Langs de weg staan mensen die brood, melk en fruit geven.

Meppel.

Het is half vier als de mannen in Meppel aankomen. Er is net luchtalarm gegeven, bewoners van Meppel kijken medelijdend vanachter hun ramen naar de trieste optocht. In totaal zijn er ca. 400 mensen die tijdens de razzia's zijn opgepakt, Friezen, Urkers en Amsterdammers. Veel mannen kunnen haast niet meer lopen. Mensen van het Rode Kruis komen de gewonde voeten verzorgen. De allerergste gevallen moeten naar het ziekenhuis, maar deze mensen hebben dan het geluk om te kunnen ontsnappen.

Men wordt ondergebracht in een school. Op de gangen delen de Duitsers schreeuwend bevelen uit. Beurt om beurt moet door iedereen deurwacht worden gehouden, dag en nacht. Niemand mag op het appèl ontbreken. 's Morgens en 's middags staan de mannen in de regen en de kou te verkleumen. De heren van de SS staan droog in de portiek Na het appèl verzorgen de mannen hun voeten, prikken hun blaren door en deden er meel op. De mannen moesten van de Duitsers Heil Hitler zeggen, maar iemand kwam toen op het idee om Drei Liter te zeggen, want het Heil Hitler konden ze niet over hun lippen krijgen.

Zaterdagavond 25 november moeten de mannen zich gereed maken voor vertrek. Om 10 uur nemen de mannen hun spulletjes op de rug en gaan vaderlandse liederen zingend om de moed er toch wat in te houden naar het Meppeler station. Er staat een trein klaar en die vertrekt om één uur 's nachts, Niemand, weet waarheen. De tocht duurt de hele nacht Zondagmorgen. De zon schijnt op de bleke ongewassen gezichten van de mannen. Ineens stopt de trein. Er vliegt met oorverdovend lawaai een Engelse jager over de trein, even later een Duitse. Ze zijn in een gevecht gewikkeld. Dekking wordt er geschreeuwd en iedereen wurmt zich in paniek door deuren en ramen naar buiten, het weiland door, de slootkant in. Als het voorbij is worden de mannen weer 'Schnell, schnell' de trein ingejaagd. In de trein ligt alles hopeloos door elkaar en als korte tijd later de trein het station van Haren-Emst binnen rijdt kan dan ook niemand zijn eigen spulletjes vinden.

Haren (Kreis Meppen)

Na een klein uurtje lopen arriveren de mannen in een plaatsje Haren (Kreis Meppen), 12 km. over de Nederlandse grens. De mannen werden in drie groepen gesplitst en verdeeld over twee scholen en een schouwburgzaal. De Friezen krijgen een gymnastieklokaal aangewezen als verblijf. Men moet op de harde vloer slapen met de kleren aan. Het eten voor 's middags bestaat uit waterige soep zonder enige voedingswaarde, het werk uit loopgraven maken. Zwaar werk. Door de slechte hygiëne had ieder al spoedig last van hoofd en klerenluizen, wat veel jeuk en ongemak met zich meebracht.

Elke dag moesten de mannen 6 km. naar hun werk lopen. Het broodrantsoen bestond uit 400 gram, d.w.z. drie hele dunne sneetjes 's morgens en 's avonds om 7 uur weer 3 dunne sneetjes. Om 6 uur kwamen de mannen na een dag zwaar werk te hebben verricht terug, bekaf en met een hongerige maag. Om 9 uur gingen de lichten uit. Het slapen op de harde vloer was bepaald geen pretje. Het regende bijna elke dag; kleren konden amper gedroogd, dus de volgende dag maar weer in dezelfde natte kleren naar het werk. De regen maakte ook de maand december 1944 tot een natte moesson, de dagen werden korter, de kleren natter en smeriger, de gedachten somberder, en men had heimwee naar huis.

Absender: F. Kramer
Kino Lager
Duitsland Haren-Ems,

Lieve vrouw en kinderen,

28 november 1944

Wij zitten hier in het dorpje Haren-Ems in het grondwerk. Zondag zijn we hier aangekomen. met ons allen is het goed. We zijn goed gezond, en het eten is best. Ik schrijf je deze briefkaart in ons Lager. Wanneer hij overkomt dat weet ik niet, maar wil je dan direct naar mijn ouders schrijven dat alles is. Jullie zult wel ongerust zijn denk ik. Maar dat hoef je niet te zijn. Misschien komen wij zo de Heere wil weer spoedig terug. Ik hoop dat bij jullie ook alles in orde is. De Polder moet voor jullie geld zorgen,anders ga je maar naar de burgemeester. Hoe is het met mijn lieve schatten? Zijn ze goed gezond en vragen ze ook naar papa?Dat ging maar plotseling he! Maar daar is niets aan te doen vrouw. Houd maar goede moed en vertrouw op God. Het is zijn wil en daar berusten we in. Ik hoop dat we weer spoedig bij elkaar zullen zijn. Schrijf mijn ouders, en zeg dat alles goed is. Ik heb maar 1 briefkaart, doe de groeten aan de buren en dan zeg ik gedag. Een kus voor Annie en Rinze.

     Tot ziens, jullie papa.

(Onze buren waren in die tijd het echtpaar Luik)

Op een dag worden er klompen uitgereikt, maar er zijn veel te weinig paren, dus velen moesten op hun kapotte en lekke schoenen blijven lopen. Andries' vrouw wachtte steeds op bericht van haar man over de post. Andere vrouwen hadden wel een briefkaartje ontvangen. Nu werden de briefjes die de mannen wilden verzenden gecensureerd, hadden ze teveel geschreven, of misschien geschreven hoe slecht het was ten aanzien van omstandigheden, dan werden zulke briefjes niet verzonden.

Een pakje.

In ieder geval wou Andries zijn vrouw hem wel een pakketje sturen met kleding en wat tabak. Hendrik van der Wal (een visventer uit Lemmer, die door zijn beroep wel in aanraking kwam met Duitsers) heeft toen aan een Duitser die met verlof naar huis ging een pakje meegegeven van Andries zijn vrouw. Hij had beloofd dat pakje in Haren-Ems te brengen. Andries werd op een avond bij de commandant van Haren in zijn kantoor ontboden, Andries met knikkende knieën er naar roe. Hij dacht dat hij voor een of ander op het matje werd geroepen, maar toen was de Duitser uit Lemmer daar om hem het pakje van zijn vrouw te overhandigen.

Opnieuw op reis december 1944.

's Morgens vroeg wordt men al vroeg gewekt. Al het stro moet worden opgeruimd. Iedereen moet zijn boeltje pakken, want ze gaan weer op reis. Een Nederlander in een zwart Waffen-SS-uniform deelt mee dat de mannen naar Oldenburg gaan om een opleiding te krijgen bij de spoorwegen. 's Middags om 4 uur moeten ze zich buiten opstellen. Ieder sjouwt met zijn plunjezak. Buiten ligt er sneeuw. Wat staat de mannen nu weer te wachten! De miserabele hygiënische omstandigheden, het gebrek aan kleren, nooit is er een stukje zeep verstrekt, scheren moest worden gedaan me een beetje theewater.

Iedereen voelde zich ellendig, moe en onzeker over wat hen nu weer boven het hoofd hing. Om 5 uur komen ze meer glijdend dan lopend aan op het station van Haren-Ems. Er valt sneeuw en het is koud. Bad Zwischenahn blijkt de plaats van bestemming te zijn, 60 km verderop. De beide kerstdagen hoeft er niet gewerkt te worden. Het karige broodrantsoen wordt voor 2 dagen uitgereikt, en er is voor ieder een hele leverworst. Die blijkt overigens min of meer bedorven te zijn. De gevolgen blijven dan ook niet uit, de toiletten raken overbelast.

Bad Zwischenahn (bij Oldenburg)

Hier hebben Frans en Andries ongeveer 3 à 4 weken gezeten. Ze woonden met een man of 150 in barakken. Het kamp van de mannen lag tegen de bosrand aan. Er was ook een vrouwenkamp in Bad Zwischenahn. Frans en Andries werkten met nog 5 andere Hollanders in de keuken. Hier werd eten klaargemaakt voor o.a. de Duitse Wehrmacht die op het nabijgelegen vliegveld werkten. Ze moesten pannen vol aardappelen schillen, wortelen schrapen e.d. ook voor henzelf en anderen uit hun kamp die elders werkte, loopgraven maken bijv. Om 7 uur 's morgens begon de dag met appèl. Ze moesten 'Heil Hitler' roepen, maar ze zeiden steevast allen in koor 'Drei Liter'. Het werk in de keuken duurde tot half vijf.

De vrouwen die in de keuken werkten mochten een uur eerder weg. Vertier was er niet voor de mannen. Ze hielden zich 's avonds vooral bezig met het ontluizen. Die luizen waren voor iedereen een enorme plaag. Ze werden gek van de jeuk. Toen Frans en Andries later in Wilhelmshaven waren, had Frans eens een soortement staalborsteltje wat ze daar voor hun werk moesten gebruiken. Daarmee 'borstelden' ze hun haar en hun hoofdhuid ging dan bloeden. Ze schoren elkaar met een scheermesje wat al weken oud was, zonder zeep, want dat hadden ze niet. Dus hun gezicht bloedde nogal, maar hun baard laten staan was ook geen oplossing in verband met de luizenplaag.

Elke week werden hun kleren en beddengoed ontluisd. Dat wil zeggen hun kleding en beddengoed werd 3 uren lang in een grote ketel gestoomd. Men had amper kleding, dus moesten de mannen 3 uren lang wachten zonder kleren aan, tot ze die weer terug kregen. Het was midden in de winter, er heerste strenge vorst, maar ondanks het ontluizen van de plaag werden ze niet verlost. Andries heeft later nog een pakketje van thuis ontvangen, waarin ook een stukje zeep zat. Ook Taekje stuurde een pak met o.a. een jas en tabak daarin. Dat pak is wel op de plaats van bestemming aangekomen. De mannen kregen wel eens een vrije dag.

Dan kregen ze een verlofpasje mee met een stempel en een hakenkruis erop, zodat ze geen moeilijkheden kregen op zo'n dag. Op zulke dagen gingen ze 'de boer op' om eten te bemachtigen. Ze probeerden van schamele bezittingen iets te ruilen tegen eten, want ze hadden altijd honger. Op een dag klopten ze eens aan bij een boer die Nederlander bleek te zijn. Deze man was met een Duitse vrouw getrouwd en woonde hier al voor de oorlog. Deze boer wilde hun ruil waar niet aannemen, 'want' zei hij: 'jullie hebben bijna niets en ik heb er niets aan, maar jullie mogen elke week wel tabak komen halen'. Hij verbouwde die zelf. Er was daar ook een meer in de buurt waar ze wel eens om heen zijn gelopen. Ze durfden niet te vluchten naar Holland, want de kans dat ze gepakt zouden worden was veel te groot.

Vluchtpoging.

Twee broers (Poepjes heetten ze, ze kwamen ook uit Lemmer) hebben een keer geprobeerd te vluchten. Deze twee werkten ook in de keuken. Ze hadden van te voren al een kaart bestudeerd om te zien welke route ze zouden volgen. Toen ze op eens een vrije dag hadden, namen ze een retour voor een treinrit. Maar toen ze al in Nieuweschans waren gearriveerd, dus ze waren net over de grens, moesten ze een poos wachten en werden ze daar tijdens een controle gepakt. 's Avonds om een uur of elf werden ze weer op de kamer gebracht waar Andries en Frans ook sliepen. De twee broers waren verschrikkelijk afgeranseld door de Duitsers.

Tja, Frans en Andries zouden wel graag naar huis willen, maar ze beseften heel goed dat ze niet aan heimwee mochten toegeven, want dan hielden ze het niet vol, en ze wilden al deze ellende overleven. Eens zou de oorlog toch wel aflopen, dat hielden ze steeds in gedachten Ze hebben in Bad Zwischenahn ook wel graafwerk moeten verrichten. Er waren altijd bewakers bij hen. Dit waren (zoals Andries mij vertelde) oude afgedankte soldaten. Die waren zo kwaad nog niet, om de 10 meter stond er één. Maar deze bewakers moesten er wel voor zorgen dat zij, als ze met 50 man op het werk waren 's avonds ook weer met hetzelfde aantal terugkwamen. Overdag telden ze het aantal mannen dat nog aanwezig was en dan ontbrak er wel eens eentje. Zo iemand bleek dan een eind verderop te zijn, waar hij in een koolrapen veld van een boer zat om weer wat extra eten te organiseren.

Op de boerderij.

Hieronder volgen nog enkele belevenissen uit de tijd dat Frans en Andries in Bad Zwischenahn zaten. Frans schreef wel naar huis dat ze voldoende eten kregen, maar dat was absoluut niet waar (hij wilde zijn moeder niet ongerust maken). Vanuit hun werkkamp werden de mannen dagelijks met een bus naar het werk gebracht. Ze moesten graafwerk verrichten. Frans en Andries, zaten op het voorste bankje. Toen de bus stopte schoten zij als eersten uit de bus, liepen er omheen en verdwenen in het bos. De Duitse bewakers hadden het zo druk met het tellen van de mannen dat zij het niet merkten. Na enige tijd gelopen te hebben kwamen ze bij een open veld waar een boer aan het aardappelrooien was. Ze vroegen of ze mochten helpen. De boer die best hulp kon gebruiken sloeg dat niet af. Na een poos gewerkt te hebben kwam er een stel Duitsers langs, waarop Andries het benauwd kreeg en het op een lopen wilde zetten. 'Ben je gek' zei Frans, 'dat loopt juist in de gaten'.

Ze werkten toen naar het bos toe en verdwenen daarin, maar hadden wel hun keteltje volgepropt met aardappelen. Na een poos gehold te hebben kwamen ze aan een slootkant, maakten een vuurtje en kookten hun aardappeltjes. Toen ze zouden gaan eten kwam er een vrouw voorbij, die vroeg of ze geen vlees hadden. Het lijkt een sprookje, maar een poosje later kwam een meisje hen vlees brengen. Die dag was hun maag tenminste behoorlijk gevuld. 's Avonds zorgden we weer op tijd bij de bus te zijn.

Zo ging het natuurlijk niet elke dag, maar als ze een kans zagen namen ze die, want het werk was zwaar en het eten schaars. Het gebeurde ook eens dat ze gaten moesten graven en al twee dagen helemaal geen eten hadden gehad. Ze voelden zich belabberd en slap. Eigenlijk niet tot werken in staat. Toen zeiden Frans en Andries tegen elkaar dat ze de eerste de beste die voorbij zou komen om eten gingen vragen. Laat er nou iemand voorbij komen die Nederlands blijkt te spreken. Hij nam de mannen mee naar een kantine in de buurt en daar kregen ze een soepterrine met snert.

De mannen aten niet, maar vraten zoals mijn vader dat later aan ons vertelde. In zo'n soepterrine gingen zeker zeven borden erwtensoep. Toen ze dat allemaal op hadden, hadden ze het gevoel nog wel meer op te kunnen. Ze hadden al zo'n poos op rantsoen geleefd, dat ze bang waren dat de snert misschien niet zo goed voor hun gekrompen magen zou zijn, maar wonder boven wonder hebben ze er beide nauwelijks last van gehad. Ook zijn ze eens met een partijtje hout, wat ze expres nat hadden gemaakt, naar een boer gegaan die best wat hout kon gebruiken. Omdat het nat was mochten ze het zelf in de keuken achter de kachel leggen en wat ze al hoopten gebeurde, ze kregen een bord soep.

Mej.J. Riewald
p/a F. Kramer
Nieuwedijk 48
Lemmer.

31 december 1944

Lieve vrouw en kinderen,

Vandaag de laatste dag van het jaar en morgen de eerste van 1945 en tevens je verjaardag. Hiermee feliciteer ik je hartelijk en hoop dat de Heere God ons nog lang voor elkaar wil sparen, al kan ik je niet aan het hart drukken en je een flinke zoen geven. Zoals je weet zijn we met zijn vieren als kameraden vertrokken. Twee van hen zijn afgekeurd, en gaan hoogstwaarschijnlijk de 5e januari naar huis toe. Hoe gelukkig voor die twee jongens. Hoe of het met ons komt dat weten we niet. Dat blijft afwachten. Maar vrouw, al hoe ik naar jullie verlang, ik blijf de moed houden en vertrouw op de Heere onzen God die alles wel zal maken. Ik hoop dat met jullie ook alles goed is, ook met de kinderen. Die zullen ook wel vreemd opzien denk ik dat papa nooit eens thuiskomt. Ook hoop ik dat je geld krijgt. Probeer dat op alle manieren, en wend je anders tot vader en moeder die ik een briefkaart schrijf, die de jongens op de bus zullen gooien in de Lemmer. Kan je met de winter nog wat stoken? Ik denk nu haast nog wel. het vriest hier aardig, daar ook? Wij blijven nu met zijn tweeën over en redden ons best. Wij zitten hier 20 km. van Oldenburg af te werken bij de telefoon. het leven is precies zoals in de barakken als in de NOP. We hebben nog maar één keer Tommies gezien. het is nog rustiger dan in Lemmer. het is de volle waarheid hoor vrouw! het eten is goed maar te min. Maar we scharrelen veel aardappels op. We hebben net een flinke portie aardappelen met groente boerenkool op. Dus daarover geen zorgen hoor! Alleen de verschoning is slecht. Jammer dat ik niet een teken van jullie kan horen, maar afijn we vertrouwen op God. Dag lieve schatten, een kus van papa hoor, en hij hoopt spoedig weer bij jullie te zijn. We stoken hier twee kachels, dus je hoort alles is in orde, verder komen de jongens veel bij je. Hartelijke groeten aan jullie en de buren, en schrijf mijn ouders ook. Misschien heb je voor mij wel bericht weg, maar dat komt wel na, want we zijn verhuisd zoals je wel verneemt. Nu vrouw jammer dat het zo gegaan is. maar het is de wil des Heeren. Ik hoop jullie spoedig weer te zien. Nu schrijf ik nog even over mijn jas, die ik ben kwijtgeraakt en nu krijg ik Willem zijn jas en zal hij de mijne halen, geef hem aan Willem de Jong. Ik heb ook een mooi jasje terug gekregen, maar dat is een dunne, die ik nu heb is beter voor de regen. Nu vrouw het begint weer te vriezen, nu is het weer koud. Heb je aardappelen  en uien bij de melkboer? Ik hoop van wel, anders zijn ze bevroren> Je moet je maar redden hoor schat. Ik hoop gauw weer thuis te zijn, want ik verlang naar jullie, maar wij moeten berusten in de wil des Heeren. Vertrouw daar ook op vrouw, en bid voor de vrede, en zeg de kinderen maar dag, dan hoop ik tot spoedig ziens.

Dag vrouw en kleine pukken, een gezegend Nieuwjaar hoor, naar ik hoop voor ons allemaal, ook voor de buren, zeg je het even!

     Tot ziens

          je Frans.

Oldenburg.

Frans en Andries, hoorden bij de eerste groep die naar Oldenburg is gebracht Ze werden ondergebracht in een oude loods, vlakbij het station. Alle ramen van deze loods waren kapot. Ze sliepen op stro, ieder van de mannen had slechts 1 eenpersoons deken, ze hadden het dan ook erg koud. Er stond wel een oude kachel in de loods. Fedde Verhoef, ook een Lemster, sliep met Andries samen op één krib. Frans lag in de hoek, had daar nog een beetje beschutting, maar Fedde en Andries lagen vlak onder de kapotte ramen.

Ze konden niet slapen, want ze hadden het verschrikkelijk koud. Fedde heeft toen een krib die over was in de kachel verbrand om nog een beetje warmte te creëren. De volgende morgen werden de mannen weer geteld, en toen ontdekten ze dat er een krib ontbrak. Dat was in de ogen van de Duitser een ernstige zaak en toen ze ontdekten dat Fedde dit had gedaan, hebben zij hem naar het oosten van Duitsland getuurd voor straf. (Fedde heeft de oorlog wel overleefd, woont tegenwoordig in Kampen 1991).

Oldenburg was voor Andries en Frans slechts een 'Durchgangslager'. Zij zijn hier drie dagen gebleven en gingen vanuit Oldenburg per trein naar Sande, een dorpje wat ongeveer negen kilometer onder Wilhelmshaven lag, en waar de mannen in een z.g. 'Frei Lager' in barakken waren ondergebracht.

Wilhelmshaven.

In het laatste oorlogsjaar bestond er in Wilhelmshaven een groot tekort aan arbeidskrachten. Zo moest de marinewerf bijna geheel door buitenlandse krachten draaiende worden gehouden. Deze werkkrachten waren ondergebracht in zogenaamde 'Frei Lager', waarvan er verscheidene zijn geweest in en rond Wilhelmshaven. Frans en Andries waren dus in zo'n frei Lager ondergebracht in het plaatsje Sande ten zuidwesten van Wilhelmshaven.

In Sande was ook een vrouwenkamp waarin Russische arbeidsters waren ondergebracht. Frans en Andries zaten in een voormalige marinekazerne. Een hoog stenen gebouw. Als er 's nachts luchtalarm was, vluchtten ze meestal in een greppel. Anderen vluchtten ook wel in de kelder onder het gebouw. In januari 1945 heerste er strenge vorst en op 4 februari is de dooi ingevallen en regende het steeds. Frans en Andries werden te werk gesteld in de Kriegsmarinewerf te Wilhelmshaven.

Ze moesten daar onderdeeltjes maken, maar waar dat nu eigenlijk voor moest dienen wisten ze niet. Eerst gingen ze met een bus naar hun werk. Deze bus haalde hen uit Sande zelf vandaan, maar de bus had achterop een soort kookpot die gestookt werd met hout of brandstof. Het gevolg was dat de bus dan steeds moest stoppen onderweg en zodoende kwamen de mannen te laat op hun werk. Dat mocht dus niet meer. In het vervolg moesten ze met de trein gaan.

Maar toen moesten ze elke dag eerst een kwartier lopen om bij de trein te komen en 's avonds natuurlijk ook weer. Ze moesten tijdens hun werk in de marinewerf een zogenaamde 'flapbroek' dragen. Dat was een broek zonder sluiting voor. Deze werkbroek hebben ze bij een arbeidsbureau in Wilhelmshaven moeten halen. Ze droegen deze broek over hun gewone werkbroek heen. Die was natuurlijk ook al behoorlijk versleten. (Andries is later nog thuisgekomen met deze bewuste flapbroek. Bovendien droeg hij bij thuiskomst een dominees-jasje met zijden kraag.

Ze hadden ook praktisch geen kleding en raakten tijdens de bombardementen als ze in de bunkers (schuilkelders) moesten vluchten ook wel kleding kwijt). Ze mochten trouwens de flapbroek niet aanhouden als ze naar de bunker moesten. Die moesten ze eerst uittrekken van hun chef. Men kreeg meestal 5 minuten voor er een luchtaanval werd verwacht hiervan bericht. Vaak moesten ze overdag wel 3 maal in de bunkers wegens een luchtalarm.

Er waren verschillende verdiepingen in de bunkers. Hoe meer Duitsers er in moesten, hoe hoger het buitenlandse werkvolk moest gaan, want de Duitsers gingen natuurlijk voor. Frans en Andries hielpen wel vrouwen en kinderen naar binnen. Andries droeg voor een vrouw die in een keuken werkte een koffer. Als dank daarvoor heeft hij wel eens wat eten van haar gekregen wat ze in haar koffer had meegesmokkeld. In de bunkers zaten ze trouwens betrekkelijk veilig.

Onrecht.

Het portret van Hitler wat in de werf aan de wand hing, is tijdens een bombardement haar beneden gevallen. De lijst erom heen was stuk. Nu gebeurde het een keer dat de mannen met hun werk bezig waren in de Kriegsmarinewerf dat Frans eens stond te nietsdoen. Ze waren natuurlijk ook absoluut niet gemotiveerd om zich voor de Duitsers uit te sloven. Ze deden hun best heus niet. Dus Frans stond wat voor zich uit te staren en leunde wat op zijn werkbank met zijn rug naar de deur en zag dus niet dat er een hoge piet binnenkwam. Andries zag hem wel binnenkomen, maar stond te ver van Frans af om hem te waarschuwen. De Duitser schopte Frans tegen zijn benen en schreeuwde tegen hem dat er 'gearbeitet' moest worden. Frans zei toen dat ze te weinig te eten kregen om goed te kunnen werken.

Toen heeft de Duitser hem tegen de grond geschopt. Frans was woedend, maar bedacht dat hij zijn mond verder maar beter kon houden, omdat de man hem in staat leek hem te kunnen doodschieten. Voor straf heeft Frans een nieuwe lijst moeten maken om het portret van Hitler. Als hij het af had, brachten ze een andere lijst, die hij er dan weer om heen moest zetten. Dat is zo een keer of vier gebeurd.

Deze pesterij heeft zo'n drie weken geduurd. Ze ontvingen in Duitsland 75 Mark per maand, maar daar werd 30 Mark van ingehouden voor kostgeld (ze kregen amper eten) en hielden dus 40 Mark over waar van alles van moest worden betaald. Een bezoek aan het 'Krankenhaus' bijvoorbeeld. Ook in de tijd dat ze in Wilhelmshaven werkten zagen ze nog wel eens kans om er eens dagje tussenuit te gaan. Ze hielden zich dan 's morgens 'krank' ziek, en gingen niet naar het ochtendappèl. Om een uur of negen vertrokken ze dan, overdag werd er niet gecontroleerd maar ze moesten wel zorgen niet gesnapt te worden.

Urkerboten.

Ze gingen het dorpje Sande wel eens in. Bij Wilhelmshaven liep een kanaal waar een ophaalbrug overheen lag. Ze hebben hier wel Urker boten zien varen die door de Duitsers waren gevorderd. De schipper was aan boord om bijv. naar Bremen te varen, maar de schipper kwam zonder zijn boot weer thuis. Bij deze brug stonden huizen waar Poolse dwangarbeiders waren gehuisvest. Ze droegen een grote P op hun rug. Er zijn uit Wilhelmshaven wel enkele dwangarbeiders op transport naar huis gezet. Dezen werden zo enorm door heimwee verteerd, dat het niet langer ging. Nu waren de Duitsers bepaald niet zachtzinnig. Er waren in de buurt van Wilhelmshaven ook strafkampen waar heel wat Friezen hebben gezeten en waar verschillende mannen de ontberingen en beestachtige behandelingen niet hebben overleefd. Frans en Andries zijn na Wilhelmshaven nog weer op transport gezet naar een strafkamp bij Kiel. Op zondag 1 april 1945 viel Pasen.

Kiel.

De laatste 3 à 4 weken van de oorlog zaten Frans en Andries met nog ongeveer 50 à 60 Hollanders in een kamp bij Kiel. Er zaten ook andere nationaliteiten. De gevangenen kwamen overal vandaan. Frans en Andries kwamen hier terecht na Wilhelmshaven. Eigenlijk min of meer voor straf. Ze hadden namelijk papieren gevonden bij een benzinetank die door een vliegtuig naar beneden was gegooid, dat gebeurde wel vaker. Dan wilden de vliegtuigen het teveel aan ballast kwijt op hun terugtocht. Er waren er, die dachten dat het een bom was, maar Andries wist wel zeker van niet. En uit nieuwsgierigheid waren ze naar die plek toegelopen. De benzinetank (een lege natuurlijk) had zich zo'n 3 meter in de grond geboord. De papieren die ze gevonden hadden op dezelfde plek, lieten ze aan de anderen zien toen ze 's avonds al op hun krib lagen.

Het waren waarschijnlijk papieren die door Engelsen uit het vliegtuig zijn gegooid tegelijk met de lege benzinetank. Om kort te gaan, de Duitsers kwamen er achter dat zij die papieren hadden opgeraapt en dat vonden zij een reden om Frans en Andries voor straf naar een ander kamp te sturen. Dat werd dus het kamp bij Kiel. Deze plaats ligt aan de Oostzee. Er waren duinen, waarin ook mijnen waren geplaatst. In ditzelfde kamp zaten ook ongeveer 3000 Russen. Kennelijk ook gezinnen met kleine kinderen.

Deze mensen waren er nog veel slechter aan toe dan de groep waar Andries en Frans in zaten. De meesten hadden amper kleren en schoenen aan. De gewone gevangenen, zoals Frans en Andries hadden wel iets meer vrijheid dan de Russen. Ze konden nog wel eens een luchtje scheppen, maar om het kamp was wel een afrastering met stroom en er liepen waakhonden buiten. Buiten het stek konden ze dus niet komen. Ze hoefden hier verder niets te doen. Er was geen werk. In dit kamp was een lange kantine waar de mannen 1 keer per dag iets te eten konden halen. Dat eten bestond uit een bordje soep voor zover dat de naam soep kon verdienen. In deze kantine zagen ze ook de Russen die bewakers bij zich hadden.

Vrijwilligers.

Toen werd er op een dag om vrijwilligers gevraagd om aardappelen te lossen. Andries en Frans met nog een paar Hollanders melden zich hiervoor aan, want ze kregen dan wat extra soep. Anders hadden ze zich natuurlijk niet aangemeld. De schuur waarin die aardappelen gelost moesten worden lag aan de voorkant van het gedeelte waar de Russen zaten. Ze konden ze daar niet zien, maar de hoorden wel dat er vlakbij kinderen waren. Als de bewakers die bij het aardappellossen aanwezig waren toevallig even de andere kant opzagen, gooiden ze wat aardappelen over de muur en ze hoorden dat de kinderen ze opraapten en er mee weg holden. Ze zagen ook kans voor zichzelf wat achterover te drukken en dat kookten ze dan 's avonds in een soort hoge ketelbus.

Goede tijding.

Op een dag, het zal ongeveer 27 of 28 april 1945 zijn geweest,hoorden ze de hele dag vliegtuigen in de lucht. Deze gooiden papiertjes naar beneden, ze raapten ze op en toen wisten ze dat de oorlog voorbij was. Ze hadden eerder al duizenden karren waarop munitie lag en paarden ervoor, voorbij zien trekken. Die moesten naar het front verderop. Om een uur of zes 's avonds werd er omgeroepen in het kamp dat men zich rustig moest houden. Maar Frans en Andries hoorden de Russen enorm tekeer gaan omdat de bevrijders (Canadezen) het kamp binnenkwamen. Om 7 uur diezelfde avond mochten Frans en Andries vertrekken, als ze maar voorzichtig zouden zijn. Het was overal een chaos op de wegen. Duitsers die vluchtten, onderweg door Canadezen werden aangehouden en hun wapens niet wilden afgeven.

Naar huis.

Frans en Andries gingen lopend op weg met nog ongeveer 11 Hollanders. Ze hadden perse niet nog een nacht in het kamp willen blijven. Ze hadden maar één verlangen en dat was naar huis. Toen ze ongeveer een uur hadden gelopen zeiden ze tegen elkaar dat ze nu eerst maar een boer moesten gaan zoeken om te overnachten, want het begon al wat te schemeren. Plotseling hoorden ze 'Halt'. Ze werden aangehouden door een van de wachten van de bevrijders. De mannen zijn toen naar een voormalig hotel gebracht, dat daar aan de Oostzee lag en dat vol zat met Duitsers die reeds opgepakt waren. Ze kregen wat te eten en konden hier de nacht doorbrengen. De volgende dag kreeg ieder van hen pasjes mee, zodat ze in het vervolg hun reis verder ongestoord konden vervolgen. Om 10 uur 's ochtends vertrokken ze weer.

Onderweg gingen ze meestal met z'n tweeën naar een boer om wat eten te bemachtigen. Ze zochten kleine boerderijtjes uit, want de boeren van de grote waren meestal nogal nazigezind. Op een van de eerste dagen dat ze op weg waren hebben ze bij een boer een wagentje (waar melkbussen op vervoerd werden) gestolen. Als ze eens een klein beetje eten over hadden konden ze dat erop leggen. Maar als een van de mannen te moe was om nog verder te lopen, dan kon hij op het wagentje een poosje uitrusten. Ze legden per dag zo'n 45 à 50 km lopend af. 's Avonds rusten ze uit met hun benen omhoog tegen een boom. 's Nachts sliepen ze bij boeren in het hooi. Andries liep zo ongeveer op anderhalve laars. Onder één laars miste een hak. Dat liep ook niet zo gemakkelijk natuurlijk.

Ook Frans liep op een paar afgetrapte laarzen: Andries heeft onderweg nog een paar schoenen bij een Engels depot weten te bemachtigen, maar helaas bleken die toch te klein te zijn, dus daar had hij nog niet veel aan. Zo hebben de mannen 7 à 8 dagen gelopen. In totaal toch wel 350 à 400 km. Ze hebben ook een nacht bij een boertje in een schuur geslapen die ook bakker was en brood bakte voor de Wehrmacht. Deze man wou hen eigenlijk niet in de schuur laten omdat een andere groep de nacht daarvoor een zwijnenstal had achtergelaten, maar goed, hij liet ze toch binnen. Andries heeft deze boer zijn schoenen waar hij toch niet op kon lopen, gegeven in ruil voor brood. De volgende dag kregen ze in ruil voor wat Marken melk te drinken.

De laatste dag vertrokken ze 's morgen om 8 uur en om 9 uur kwamen ze aan in Leer. Er waren veel mensen op een groot veld bijeen. Ieder moest zich hier melden. Ze werden door een arts onderzocht, werden ontluisd. Ze waren erg vermagerd en ondervoed natuurlijk. Andries woog nog 119 pond, Frans slechts 98. Bij de controle bleek ook nog dat 3 van de mannen die met hen in de groep van 13 man zaten en al dagen hadden meegelopen, Nederlandse SS'ers waren. Ze bleken een brandmerk (ingebrand nummer) te hebben. Deze heren hebben ze niet terug gezien. Het wagentje wat ze hadden gestolen, hadden ze aan een Nederlandse boer willen geven, maar ze hebben dit in Leer achter moeten laten.

Over de grens.

Bij Bunde moesten ze over de grens. Daar stonden heel veel te wachten op legerwagens die de mensen naar Nederland zouden brengen. Andries zei dat ze al 5 dagen ingeschreven stonden, dat was helemaal niet waar, maar ze mochten toen vooraan staan. Per legerauto zijn ze toen via Nieuweschans naar Wezep vervoerd, waar ze werden opgevangen door het Rode Kruis. Wezep ligt onder Zwolle. Ze mochten geen bericht naar huis zenden.

Werden hier uitvoerig onderzocht door artsen en ze kregen per dag slechts twee koekjes te eten, omdat ze zwaar ondervoed waren. Nu hadden enkelen uit hun groep in Leder tabak weten te bemachtigen en dat ruilden ze hier tegen blikken vlees. Omdat ze honger hadden aten ook Frans en Andries hiervan, maar ze kregen toen wel maag- en darmstoornissen. Na 5 dagen in Wezep te zijn vastgehouden, mochten ze nu dan toch eindelijk naar huis. Ze konden meerijden met een legerauto, maar onderweg kreeg de auto pech. Dat bleek niet onmiddellijk te kunnen worden opgelost, er was immers overal gebrek aan en dit gold ook voor auto-onderdelen.

Ze zijn uitgestapt en hebben toen ergens wat gegeten! Toen ze later terugkwamen bij de plek waar ze uit de legerauto waren gestapt, stond deze daar niet meer. Wat nu! Gelukkig konden ze toen verder gaan met een kolenauto. Deze bracht hen tot Heerenveen. Ze waren beide zwart van het kolengruis. Op het station van Heerenveen bleek dat er geen vervoer was naar Lemmer. Van de stationschef mochten ze wel in het kantoor overnachten; maar ze wilden zo graag naar huis.

Ze hebben hun schamele bezittingen op het station achtergelaten, dat kon later wel opgehaald worden, en ze zijn lopend op weg gegaan. Ze hadden toen inmiddels al wel kans gezien bericht naar Lemmer te sturen, dat ze onderweg waren. Ze liepen via St. Nicolaasga over de Noed. Daar hebben ze bij verschillende huizen aangebeld om te proberen iets te eten te kunnen krijgen. De meesten deden niet open, maar eindelijk lukte dat toch bij een huis, waar een oude man open deed. Deze gaf hen een beker warme melk en zij gaven hem in ruil daarvoor wat tabak wat ze nog op zak hadden.

Eindelijk in Lemmer.

Na 5 à 6 uren te hebben gelopen, kwamen ze dan eindelijk in Lemmer aan. Andries woonde aan de Singel. De Singel was aan het eind van het Turfland. Frans liep met hem mee over de Kortestreek, omdat hij daar over de brug wilde gaan om via het Waaigat op de Nieuwedijk te komen, maar daar ontdekten ze dat de brug eruit was. Men kon daar alleen met een pontje overgezet worden. Nu was het al avond, ongeveer half twaalf, dat pontje werd 's avonds niet bediend. Andries liep toen door en Frans liep terug over de Kortestreek om over de Blokjesbrug (bij Noppert voor) te gaan.

Daar werd hij aangehouden door de ondergrondse. Ze hielden iedereen aan op zoek naar NSB'ers. Frans had het persoonsbewijs bij zich wat hij in Wilhelmshaven had ontvangen. Andries heeft steeds zijn Nederlandse bij zich gehad (misschien heeft mijn vader zijn Nederlandse op een of andere wijze verloren in Duitsland, in ieder geval moet zijn persoonsbewijs voor de ondergrondse wel een onbekend document zijn geweest. Bovendien kenden zij Frans Kramer niet, immers toen hij op 17 november 1944 bij de razzia in de NOP is opgepakt, woonde hij nog maar pas in Lemmer.

Opsluiting.

In ieder geval dacht de ondergrondse dat Frans misschien wel een NSB'er was. Ze hebben hem toen opgesloten in het gemeentehuis (wat moet mijn vader zich toen ellendig hebben gevoeld om als een misdadiger opgesloten te worden na alle ontberingen die hij als dwangarbeider in Duitsland had doorgemaakt). De volgende morgen komt Andries in Lemmer anderen tegen, die hem vertellen dat er iemand was opgepakt die net uit Duitsland was gekomen. Hij dacht meteen 'Als dat Frans maar niet is'. Dat bleek dus wel het geval te zijn. Hij is onmiddellijk naar de commandant van de ondergrondse, ene Zwarthoed, gegaan om duidelijk te maken welke enorme blunder men had gemaakt. Men heeft Frans toen onmiddellijk op vrije voeten gesteld.

Vrij en thuis.

Ik herinner me nog heel goed de thuiskomst van mijn vader. Mijn moeder kwam uit de kamer en ik kwam de trap af rennen. Ik vloog hem nog eerder dan mijn moeder om de hals en ik weet ook nog goed dat hij zwart van het kolengruis was. Ik was toen ruim 4 jaar oud.

Mijn herinneringen van die dagen in Lemmer.

Toen Frans opgepakt was in de NOP, moest Taekje het maar zien te redden met de kinderen, Annie 3½ en Rinze ruim 2 jaar oud. Rinze werd trouwens Broerke genoemd in die tijd. Er was natuurlijk overal gebrek aan. Zo waren er ook geen schoenen meer te krijgen. Jouke Luik, zoon van de buren maakte voor Annie houten kleppers met een bandje er over heen. (Ik herinner me nog goed hoe trots ik daar op was en dat ik steeds op de Nieuwedijk heen en weer liep, omdat ik dat geklepper op straat zo leuk vond).

Allerlei voedsel kwam op de bon. Eten werd uit een gaarkeuken gehaald. Die gaarkeuken was ergens bij de Nieuwburen in de buurt van het Nutsgebouw als ik het me goed herinner. Op een keer ben ik mijn moeder daar kwijtgeraakt. Ik huilde tot iemand zich over mij ontfermde en me weer bij mijn moeder bracht. 's nachts waren we vaak wakker doordat er vliegtuigen over Lemmer vlogen. Op een keer waren Rinze en ik overdag buiten, toen er ineens ook een zwerm vliegtuigen aankwam. Mijn moeder vloog in paniek naar buiten om ons op te halen, maar van pure angst is ze in een steeg flauwgevallen.

Gaarkeuken bij de Nieuwburen in de buurt van het Nutsgebouw

Aan de overkant van de Nieuwedijk woonden Duitsers in huizen die ze gevorderd hadden. Ik herinner me dat er een hele dikke Duitser woonde, een al oudere man in mijn ogen tenminste, die gaf me wel eens een boterham. Dat was een grote grijze boterham. Een beetje zuur van smaak. Verderop aan de Nieuwedijk lagen ook bunkers. Ik zag dat kinderen daar grote stukken karton, waar een houten rand omheen zat, weghaalden. Ik wou mijn moeder daar ook wel mee verrassen, want al hoe klein ik nog was, dat ze regelmatig gewoon niets had om de kachel te laten branden wist ik wel. Dus ik pakte ook zo'n stuk karton en sleepte dat achter me aan. Maar toen kwam er ineens een Duitser uit een van de bunkers met zijn vuist omhoog en hij schreeuwde tegen me dat ik het moest laten vallen. Ik was verschrikkelijk bang en wist niet hoe gauw ik thuis moest komen.

Van de laatste nacht voor de bevrijding herinner ik me niets. Ik heb altijd gedacht dat wij die nacht bij onze buren Luik in de kelder hebben gezeten, maar op een schoolreünie van Lemmer in 1988 ontmoette ik Ida v.d. Bijl. Getrouwd met Tiemen Sietsma, die indertijd met mij in de klas zat. Tiemen is even oud als ik, Ida is jonger. Zij woonde in de oorlog in de Tuinstraat. De Tuinstraat lag beneden de Nieuwedijk. Zeker een meter of vier lager denk ik. De huizen aan de Nieuwedijk hadden onder hun huis een kelder die als het ware ingebouwd was in de dijk. Niet alle huizen hadden zo'n kelder die onder het hele huis doorliep, maar de vrijstaande woningen wel.

De firma Coehoom had een grote kelder. Volgens Ida hebben daar de laatste nacht van de oorlog alle bewoners van de Nieuwedijk, de Tuinstraat en misschien ook van het Waaigat enz. daar de nacht doorgebracht. Ida heeft haar moeder gevraagd of wij, mijn moeder, Rinze en ik, die nacht ook bij Coehoorn in de kelder zaten. Die kon zich dat niet meer herinneren. Voor haar moeder was die nacht een hele dramatische nacht. Zij was namelijk al met Ida naar de kelder gegaan en Ida's vader zou nog even iets doen in hun huis. Toen hij maar steeds niet kwam, werd haar moeder zo ongerust, dat ze terug holde naar huis en toen vond zij hem dood. Hij was geraakt door een granaatscherf Geheel overstuur is zij toen met Ida op haar arm onder het granaatvuur terug gehold naar de kelder. Zij was in verwachting van haar tweede kind Pieter, die een half jaar later is geboren.

De bevrijders hadden in Follega hun geschut iets te krap afgesteld in het begin. Het moest op de haven gericht zijn om de Duitsers te beletten weg. te komen. In deze nacht zijn meer mensen uit Lemmer omgekomen. Later op de lagere school zat er bij mij een Dik de Vries in de klas, wiens vader ook dodelijk getroffen werd. Ik herinner mij ook nog een mevrouw die een winkeltje had in de Schans en een kunsthand droeg. Haar hand is zij toen ook kwijtgeraakt door een granaatscherf.

Rinze kan zich nog wel van de laatste oorlogsdagen herinneren dat hij Duitse soldaten over de Nieuwedijk zag marcheren, die kwamen van Gaasterland en zullen op weg zijn geweest naar de Lemsterhaven om aldaar te vluchten per boot. Mijn moeder verkeerde nog in onzekerheid over mijn vader. Zij en Andrie's vrouw hadden nog geen bericht van hun mannen gehad, terwijl andere vrouwen wiens mannen ook in Duitsland waren al wel bericht hadden gehad. Dat gaf veel spanning, onrust en slapeloosheid voor mijn moeder.

Zou mijn vader weer thuiskomen? Alles was onzeker, zij moest maar afwachten wat een opluchting voor haar toen buurman Luik, kwam vertellen dat Frans en Andries op weg waren naar huis. Volgens een aantekening van mijn grootmoeder Sijbrigje Kramer-Jellesma in haar agenda uit die tijd, weten wij dat mijn Vader op maandag 14 mei 1945 is thuisgekomen. (Sijbrigje Martens (Sijbrigje) Jellesma, 1892-1955 -gehuwd met Rinse Franses Kramer 1888-1954)

Drie dagen later is hij naar Leeuwarden gereisd om zijn ouders te bezoeken. (pake en beppe Kramer woonden op de steenfabriek 'Schenkenschans' bij Leeuwarden). Lemmer is op 17 april 1945 door de Canadezen bevrijd. Rond Lemmer zaten in de laatste dagen nog een 1500-2000 man Duitsers geconcentreerd, zodat deze plaats door de Canadezen bevrijd moest worden. Ongeveer op hetzelfde ogenblik, waarop Harlingen werd bevrijd, trok dinsdagmorgen 17 april de BS Lemmer binnen. Een tweetal Polen had inmiddels kans gezien de springlading uit de dijk van de Noord-Oostpolder te verwijderen, waarmee een ramp als die van de Wieringermeer werd voorkomen.

Voor zover ik weet hebben wij ook nog enkele onderduikers in huis gehad. Een Han Hasper en ene Ab Kamphuis. Van deze Ab Kamphuis bestaat nog een brief die hij schreef in 1947. We hebben ook enkele bevrijders ingekwartierd gehad naar ik meen. Een Fransman en een Canadees geloof ik. Ik herinner mij nog dat mijn moeder rode bieten kookte en dat een van hen het deksel van de pan optilde en toen erg vies keek. Ik geloof niet dat hij deze groente lustte, of misschien kende hij het helemaal niet.

Slot.

Mijn vader werkte tot 1952 in de NOP bij de Directie Wieringermeer Polderwerken, en trad later in dienst bij de ASF in Leeuwarden. In 1962 verhuisden mijn ouders naar Drachten en later naar Ureterp. Bij dat huis was een stukje grond waarop hij zijn eigen groente verbouwde. Mijn vader overleed na een ernstige ziekte op de leeftijd van 63 jaar op 18 maart 1978. Mijn moeder woont sinds 1982 in Drachten en is nu 73 jaar (1991) Andries is later in dienst gekomen bij Staatsbosbeheer en overleed 29 november 1991. Zijn vrouw woonde later in de Wiepke Hofstraat.

Amsterdam, winter 1945 46

Beste Teakje en Frans,

Het is zondagavond en nu zal ik gauw eens even schrijven hoe het met de poes is. Nou hij is gisteren goed en wel gearriveerd.  Frits heeft hem van de boot gehaald (bedoeld wordt de 'Jan Nieveen' die van Lemmer naar Amsterdam voer over het IJsselmeer, mensen vervoerde en belangrijk was in de 2e wereldoorlog toen er Hongerwinter was in Amsterdam)

Meteen in huis maakte hij de kist open in huis en daar kwam poes eruit stappen en begon zich gauw te wassen. Dat was zo grappig net of ze zeggen wou: "Zie ik me er daar toch uit" Ze deed trouwens niks anders als zich maar wassen, ze is al zo gewend, ze deed haar behoefte netjes in een bakje, meteen al gisteravond.

Nou Teakje en Frans,  nog heel hartelijk bedankt hoor voor al de moeite die jullie voor ons gedaan hebben, we zijn er erg blij mee, want het is niet alles als de muizen je zo alles vernielen. We vingen ze wel maar ja er kwamen er zo veel, het orgel hadden ze binnenin flink vervreten, we hebben het juist deze week laten repareren. Ook de aardappelbonnen en twee brieven hebben wij ontvangen en daar zijn we heel blij mee. Wij hebben nu een goed mud in voorraad , waar we van de week nog wel van moeten eten. We krijgen 1 kilo om te bewaren, maar het rantsoen is veel te kort, je bewaard er niets van, we komen tekort. Ik heb nu gelukkig kleiaardappelen van de bonnen gekregen, ze hebben nu weer veel zwarte in de winkels, die zijn zo slecht. Ik vind het prachtig dat jullie ons zo fijn helpen. Het is natuurlijk lang niet toereikend, zoals aardappelen en melk, brood hebben we wel genoeg, maar niet alleen dat jullie ons ermee helpen, maar het medeleven doet me ook zo goed, jullie leven met onze jongen*. Jullie kunnen zich dat zo goed indenken omdat Frans ook opgepakt is geweest. Ik kan hem geen ogenblik vergeten. Ik loop dikwijls op straat ergens naar toe, alleen zo te denken, dat de tranen me maar zo over de wangen lopen. Ik ga met de gedachte naar bed en ik sta er mee op en heb het 's morgens dat ik geen lust heb om de dag weer te beginnen en toch moet het. De andere kinderen moeten ook leven, daar hebben ze recht op op meeleven, maar het verdriet knaagt mijn gestel stuk. Ik heb alle dagen zo'n ondraaglijke hoofdpijn. Naar de dokter hoef ik niet te gaan, voor mij kan hij niks doen. Zijn ? hij is een jood, is ook niet teruggekeerd, toch heeft hij de moed om opnieuw een praktijk te beginnen en ben ook blij dat we weten dat er EEN is die zich altijd om ons bekommerd al begrijpen wij het waarom niet. Teakje schreef dat ik maar eens moest komen, och daar zal nog wel niets van komen. Maar als je wat havermout over hebt, dan zou ik dat graag hebben, als je het sturen kan met de boot. De kosten zijn voor mij natuurlijk, de prijs geef je maar op. Onze Hennie van 15 is zo uit zijn krachten gegroeid, hij moet extra eten zegt de dokter, maar extra eten mag hij niet voorschrijven, want ziek is hij gelukkig niet.

Hiermede onze hartelijke groeten, tante Ida

(tante Ida had 5 kinderen: Age, Frits, Henk, Joop en Ida) * Bedoeld wordt de oudste zoon Age, geb. in 1926, dus hij had in de oorlog de leeftijd om gepakt te worden door de Duitsers en ik denk, dat dat is gebeurd. Voor zover ik weet was deze zoon vermist en heeft het Rode Kruis geprobeerd om hem op te sporen in latere jaren. Ik denk dat men er veel later is achtergekomen, dat Age is overleden in 1944.