Home » Lemmer » Oorlog Lemmer - Lemsterland » Sake Visser en de Spaanse burgeroorlog » Sake Visser en de Spaanse burgeroorlog (1)

Sake Visser en de Spaanse burgeroorlog (1)

Ik heb in verschillende plaatsen gevangen gezeten, allereerst in San Pedro de Cedella, dat was in Belchite, vlakbij Zaragoza, en daarna hebben we in de provincie Valencia gevangen gezeten. En de laatste jaren hebben we in Miranda de Ebro, gezeten, daar kwamen een hoop Engelandvaarders en vluchtelingen. Dat was in de buurt van Burgos, meer in het Baskenland.

Ja, de Nederlandse regering heeft ons wel laten stikken, we zijn nog bezocht door Jonkheer Panhuis, en daarna is de uitlevering pas georganiseerd, dat was in 1942. De Nederlanders waren veel minder dan de Engelsen overtuigd van de uiteindelijke overwinning op Duitsland.

Kaart voor Sake, van zijn neef Meint Visser en zijn vrouw Pietje Visser uit Lemmer.

In oktober 1936 komen de eerste internationale brigadiers in Barcelona aan.

Afdrukken van Wikipedia

Uit de Gazet van Mechelen 25 juli 1936. Afdruk van Wikipedia

Archief SDAP. Afdeling Lemmer. Periode 1894-1920.

(SDAP afdeling Lemmer. Opgericht in 1870 als afdeling van de Algemeene Friesche Werklieden Vereeniging, vanaf 1883 aangesloten bij de SDB en in 1896 bij de Socialistenbond; bleef na de opheffing van de Socialistenbond in 1900 als zelfstandige Socialistische Vereeniging bestaan en sloot zich pas eind 1901 bij de SDAP aan).

De SDAP verbood echter haar leden om medewerking te verlenen aan andere soortgelijke initiatieven. Veel leden waren het echter niet eens met de partijlijn en zij besloten op persoonlijke titel mee te doen aan andere comités zoals het Comité Hulp aan Spanje. De Internationale Rode Hulp organiseerde ook bijeenkomsten waar geld werd ingezameld voor de Spaanse republiek. Zo haalde zij in januari 1937 circa 20.000 gulden op bij steunlokalen, bedrijven en bondskantoren.

Vroeger ben ik bij de C.P.H geweest, bij de communistische jeugd. Dat was in de crisisjaren. De communistische jeugdbond, het C.J.B, was hier georganiseerd. We hadden Jacob de Rook, die jarenlang in de gemeenteraad heeft gezeten voor de C.P.H. Jacob de Rook, geboren in 1889, is hier vandaan gehaald en is omgekomen in Buchenwald in Duitsland op 13 april 1942.

De Tribune 1935

Ik werd aan het front ingezet in Madrid en later bij Belchite. George Orwell heeft daar ook gezeten en heeft er een boek over geschreven. Dat waren meer de Anarchistische Brigades, die zaten bij Lerida in de buurt. Daarna moesten we naar Teruel. Daar zagen we voor het eerst, dat het kon sneeuwen in Spanje, zaten we tot ons middel in de sneeuw. Teruel ligt hoog in de bergen, daar hebben we zwaar geleden, want daar hadden die fascisten hun kans, zij hadden veel meer materieel.

Fascistische troepen in Lerida.

Officieren van het 43e divisie van het Republikeinse leger.

Zelf zat ik in de 11e Brigade, de Duitse Brigade. Daarvan had je drie bataljons, het Thälmann bataljon, genoemd naar KPD-voorzitter Ernst Thälmann, die in 1944 werd vermoord in het concentratiekamp Buchenwald.

Dit was het Duitstalige onderdeel van de voornamelijk communistische Internationale Brigade die aan de Republikeinse kant vocht. En dan had je de 12e Februari, de Oostenrijkers. Op 12 februari 1938 dwong Adolf Hitler, de Oostenrijkse bondskanselier Kurt von Schuschnigg een overeenkomst te sluiten, waarin het verbod op de nationaalsocialistische partij werd opgeheven, de partij in de regering werd opgenomen, en daarbij het ministerie van Binnenlandse Zaken, en daarmee dus de controle over de politie kreeg.

En je had Nederlanders en Scandinaviërs, die in het Edgar André-bataljon zaten. In de vorige twee bataljons, heb ik ook gezeten, en die twee met elkaar was de brigade ‘de onze'. De 15e Brigade was de Amerikaans-Engelse Lincoln Brigade, daar is nog een film over gemaakt.

 

 

 

 

Ernst Thälmann. (Hamburg, 16 april 1886 - Buchenwald, 18 augustus 1944) was de leider van de Kommunistische Partei Deutschlands (KPD) tijdens de Weimarrepubliek.

In Madrid kwam je niet in de stad zelf. Wij lagen net voor Madrid. Daar kwam je alleen maar om te sneuvelen. Het was 'non pasaran' en je lag bijna nooit achter het front. Er moest een offensief ingezet worden, of er moest een offensief opgevangen worden. Daar moest je dan weer naartoe, of je moest soms enden lopen, of we moesten ons weer terugtrekken, rust had je niet. Maar het is net als met dat liedje: 'Old Soldiers Never Die'. 

Als je voor het eerst aan het front bent, dan schrik je van alle geluiden, maar na een tijdje went dat. Net als met granaten, je hoort aan het geluid dat ze over je heen gaan. Dus je prakkezeerde er niet over, je dacht bijvoorbeeld nu kan ik wel even een tukkie doen, ze gaan toch allemaal over ons heen.

Dat was ook zo met vliegtuigen, je ziet ze aankomen, en als ze dan boven je zijn, is alles al voorbij, want als ze dan wat uitgooien, komt het toch ver achter je terecht. Al die dingen begin je te leren, en daar word je rustiger van. Je hoorde het ook aan het schot zelf, dan dacht je oh, dat zit daar, en daarvoor keek je om je heen. Je wist niet waar het vandaan kwam. En later denk je, als je het schot hoort, ik ben niet dood want die kogel is altijd eerder als het geluid. Dat zeggen die Amerikanen ook in 'old soldiers never die', maar ja je kunt evengoed doodgaan, alleen raak je toch meer gewend aan die dingen.

Je hebt ook blindgangers, dat zijn ook granaten, die kwamen er aan alsof er ganzen kwamen aanvliegen. Ze gaan helemaal over de kop de lucht in, komen dan met een hoop lawaai aan, dat hoorde je ook direct, en dan wisten we niet wat het was. En dan was het weer duiken hè, en later dacht ik, gewoon rustig blijven liggen. Eerst ben ik bij Brunete ingezet met de 11e Brigade, en later bij Belchite. Bij Brunete was het een offensief van republikeinen, bij Teruel ook, maar daar waren meer Spaanse brigades. Zij hebben dat offensief ingezet bij Teruel. En wij moesten de zaak dan weer consolideren, want later kwam het tegenoffensief van de fascisten.

Het was een verschrikkelijk vuur daar, ze hadden van alles: Duitsers, Duitse tanks, Duitse vliegtuigen. Bij Brunete was ik bij een Hollandse groep ingedeeld. Ik had daar ook een kameraad getroffen, die daar ook nog is gesneuveld: Jan Borgman, een Groninger. Ik zal zijn naam nooit meer vergeten, want de Spanjaarden noemden hem altijd 'Pelo Caci', omdat zijn haar wit was, en zijn kleren ook, door de zon.

Hetzelfde haar dus als zijn uniform. Jan Borgman, ja, die kreeg een schot door zijn hoofd, hij lag naast me. Toen vielen we aan... opstaan... liggen... opstaan... liggen... en toen moesten we weer liggen en konden we niet verder. Ik hoorde een zucht naast me en dat was Jan Borgman. Later zijn er nog mannen teruggekomen met schoten in hun buik en darmen. Toen schoten de heren fascisten al met explosieven... zó′n ingang en zó′n uitgang.

Er lagen wel meer brigades, maar daar kwam je nooit mee in contact, en als je verder naar de Pyreneeën ging, had je Lerida liggen. Daar heb ik een paar maanden gelegen bij Huesca, tegen de Pyreneeën aan. Dat was ook zo verrot koud, het was net in de winter, en vandaar moesten we naar Teruel, nou, dat was 48 uur in die rottige wagens; als je eruit stapte, dan viel je zo om, zo stijf en koud was je, er lag nog een hoop sneeuw. Onze compagnie moest weer een aanval doen, een front rechttrekken. Dan kwamen ze 's morgens vroeg in het donker aan met sigaretten en busjes (blikjes) eten.

Had je zo'n busje, dan moest je die met zes man delen. Het waren van die grote bussen, maar daar had je geen tijd voor. Ik weet nog dat we dan tegen elkaar zeiden "laten we die bus maar delen met wie er terugkomen", nou, dan kwamen er maar twee man terug van de zes (Nederlanders).

Je had nooit geen rust, je moest van het ene front naar het andere; dan werd je wel weer aangevuld. Er waren ook wel Spanjaarden, die kwamen ook in de Internationale Brigade, want van de hele compagnie hadden we maar één sectie over. Het waren allemaal doden en gewonden, en als je licht gewond was, was het nog niet zo erg, want die mannen lagen evenzogoed te wuiven op de brancard omdat ze weggingen naar het hospitaal, hadden ze weer een paar weken rust.

Zelf ben ik nooit gewond geweest, ik heb wel eens een schampschot gehad, maar daar had ik nog geluk mee. Ik denk dat de kaarten geschud zijn als je geboren wordt, maar ik heb vaak genoeg gevloekt, dat ik nog leefde. Dat was toen ik in het concentratiekamp zat, want dat is erg hoor die honger. Je ziet wel eens, of dat lees je ook wel eens, dat ze iemand tegen de muur zetten om gefusilleerd te worden en dan denk je dat zal een verschrikkelijk iets wezen. Maar dat zouden ze met ons ook doen, en het enige wat ik dacht, mijn vuist gaat omhoog. Er waren jongens die zaten te huilen, maar ik trok me er niet veel van aan, ik dacht klets, pats en het is over.

Later kwamen er nieuwe mensen bij, vanachter het front vandaan, om ons weer te steunen. Evengoed ging mijn maat Jan Borgman dood. We hebben toen een hoop mensen verloren. We hebben die aanval toen wel afgeslagen, ook doordat er een anti-tank bij ons achter stond. Maar als je de eerste doodschiet of in brand ziet vliegen, dan begin je ook een beetje te twijfelen.

Want dat zijn net zo goed mensen, daar kom je later ook achter, iedereen is net zo bang voor de dood, want helden bestaan er niet. Je doet heldhaftige dingen, dat je misschien later denkt..... Ik heb het ook wel gehad, dan duurde het wel uren, zo lag ik te trillen voordat ik weer tot mezelf kwam.

Maar op het moment dat je dat doet, dan ben je verstandeloos, dan denk je er niet over na, maar later komen de reacties. Dat noemen ze dan ook heldendaden, dat je dat gedaan hebt, maar de meeste hebben dat helemaal niet als heldendaden ervaren, het ging onbewust bij wijze van spreken. Later komt het bewustzijn, dat je bij je zelf denkt, dat had mij ook kunnen overkomen, die doden en gewonden, daar ben je toch mens voor, je wilt toch blijven leven.

De infanterie en de artillerie stonden een stapje verder achter ons opgesteld, dat combineerde allemaal, die schoten eerst en dan moesten ze nog een schot doen, en dan moesten wij aanvallen. Maar voordat wij aanvielen hebben we de tanks teruggestuurd, naast ons waren ze al teruggetrokken.

Wij lagen vooruitgeschoven in een punt en die moesten wij opzij weer rechttrekken. Maar op het laatst kregen we het vuur uit de flanken vandaan, dus wij moesten ook weer terug, maar ja dat was nou een keer zo opgesteld. Ik weet niet hoe dat kwam, het waren ook geen beroepsofficieren die we hadden. Arie van Poelgeest vertelde later dat er gevochten is om een kerkhof bij Brunete, maar dat was bij Teruel, daar lagen we toen achter. Het zat zo, die kerkhoven zitten daar allemaal in de muur hè, daar worden die kisten opgeschoven.

Maar wat deden die fascisten, die schoten erop, wij lagen er vlakbij, en dan vlogen de kisten de lucht in. Maar later stond in de krant, dat wij het gedaan hadden. De republikeinen kregen altijd de schuld, hè, maar de fascisten schoten het hele kerkhof naar de bliksem. Bij Belchete was een eerste offensief van de republikeinen, en later hebben ze weer een offensief ingezet. Zij zetten altijd offensieven in, die hadden veel meer materieel, Ik was er een paar keer doorgekomen met die anderen, maar toen liep het echt mis, en was het weer terugtrekken. Zo'n 12 uur later kwamen we er pas door, want ze schoten nog met artillerie op ons. Je hoort aan die dingen of ze dichtbij invallen, of dat ze ver over gaan.

Zo we zijn er door hoor, nu een sigaretje roken, maar ja allemaal doodmoe, en als je naar het front toe moet, dan lopen ze allemaal achteraan, en als je van het front weggaat, dan lopen ze allemaal voorop. Dat moet je dan in de gaten houden, want wij liepen achteraan hoor, van 't front af, nou ja we waren er door. Je hebt altijd van die opgerolde dekens bij je, nu een sigaretje roken, ik ga maar even liggen.

We hebben zo'n nacht in een plaatsje gelegen, in een schuur met 100 man. Dat waren Engelsen, Fransen, Duitsers, en ingesloten dus, want met dat terugtrekken moesten er altijd achterblijvers wezen. Die komen het laatst, want het mag niet vernomen worden van de andere kant, dat je terugtrekt. Dan liggen er een paar te schieten en te vuren, want wij lieten er ook weer een paar achter, toen wij gingen.

We zeiden: "schiet maar op alles, wat je ziet”, dat is de strategie, nietwaar. We moesten maar zien of we verder konden komen, maar ja toen kregen we direct al vuur, bij de bergen langs, bij de heuvels, waar we liepen over de bergpaadjes. We kregen vuur van voren, dus wij de bergen op, maar toen waren we omsingeld en dat was dat . Dan maar overgeven, een hoop Engelsen een hoop Duitsers, weer te laat teruggetrokken vanzelf, en dat was dat.

Bron: Archief van het Verzetsmuseum; De foto is genomen in concentratiekamp Miranda de Ebro. Hier staan Sake en zijn maten op.

f0b1dca606fc4a2ab04696b68102461f.png

(Aan de hand van de foto, zien we de namen van Arie Miel, Piet Seegers (Stichting Spanje 1936 - 1939 vertelt: Zijn moeder en broer werkte voor de Wollweber groep die fascistische schepen saboteerden, beide zijn omgekomen in de Tweede wereldoorlog. Zijn vader heeft in een concentratiekamp gezeten en heeft dit overleeft.), Herman Scheerboom *, (ook een Amsterdammer) van Elven (′n Hagenees), Hoosten (die was korporaal mitrailleurschutter in het vliegtuig in de laatste oorlog bij de marine, die is later ook nog naar Indië gegaan, Adriaan Thomassen, familie van de oud-burgemeester van Rotterdam. Deze weet ik niet, maar hij was wel een gestudeerde, had economie. Zijn ouders hadden een grote schilderijenwinkel. Dit is een Rotterdammer.

Verhoeven, een Tilburger, Deutekom kwam uit Delft, Beuker of Bökker is in het kamp overleden. Hij had een neusontsteking, zijn vader was een Duitser geloof ik. Dit is nog een Tilburger, en een Hagenees, drie Duitsers (In een Duits biografieën boek „Sie werden nicht durchkommen!” van Werner Abel, worden ze met naam genoemd: Alfred Richter en Ernst Cohen, die zich als Hollander voordeden en daarom ook net als de andere Nederlanders werden vrijgelaten. Dit werd later ontdekt waardoor ze op Curaçao werden gevangen gezet). De vier die in december zijn vrijgelaten staan er niet op, de foto is van een latere datum).

* Van Herman Scheerboom, is de levensloop terug te lezen op deze website  http://spanje3639.org/2015/02/21/terug-naar-de-ebro/

Bron: Nacho Garcia van de Jailynews: Een lijst van het Rode Kruis van 29 november 1938 over kledinguitdeling shirt (camisa), pullover (jersey) espadrilles (alpargatas)

Lijst van het Rode Kruis januari 1940 met internationale gevangenen in Belchite. (Gevangenen van San Pedro werden eerst naar Belchite gestuurd en later concentratiekamp Miranda de Ebro)

We moesten ons overgeven niet ver van Zaragoza. We konden ook wel ophouden, want er begon al een te huilen en.... als je dan een paar doodschiet, dan knallen ze je helemaal af. Je hebt altijd nog stille hoop, wat altijd dom is, maar ja dat is met ieder mens zo. Dat zie je met terroristen, die geven zich over, terwijl ze weten dat ze niet meer vrijkomen, dan kun je je beter doodvechten.

Maar toch doe je dat niet zo gauw, je hangt toch aan het leven, en later denk je had ik het maar niet gedaan, had ik me maar dood gevochten...... Maar ja toen was het zover en kwam er een melder, dat was allemaal radio vanzelf. Want ze schreeuwden altijd, dat ze tegen de Internationalen vochten, maar ze hadden er nog nooit één gevangen, dus moesten ze op het laatst gevangenen hebben, zodoende hebben ze ons gevangen genomen.

Aan het Ebron-front ben ik gevangen genomen. Toen we in mei 1938 gevangen genomen waren, was het 'cota la capesca?' en 'fusillade'. Die Spaanse fascisten waren er wat trots op, dat ze ons, Internationalen, te pakken hadden. Het eerste wat ik dacht was "als ik nou een klein muisje was kroop ik weg, maar als ze me tegen de muur zetten, gaat de vuist omhoog". Ik dacht later in Holland komen ze er wel achter, als ze niks meer van me horen, ik dacht het is maar kort, klets, pats, en het is gebeurd.

Maar omdat je zo moe was, want let wel, als ze je nu van huis afhalen, uit je bed vandaan, en ze zetten je tegen de muur, dan sta je er wel heel anders tegenover. Maar als je zolang aan het front gelegen hebt, doden en gewonden en al gezien hebt, dan weet ik niet of je het dan niet anders ervaart dan kort, klets, pats en het is over. Maar ik ben blij dat ze het niet deden, daar gaat het niet om.

Later heb ik ze wel vervloekt, dat ze 't niet gedaan hebben, want die honger die we later leden, dat was nog veel erger dan de dood. We werden naar beneden gebracht, en alles werd ons ontnomen. Daar kwamen we meer mensen tegen, en werden we in een dorpje in een schuurtje ondergebracht. De andere morgen zijn we met een auto naar Zaragoza gegaan, en van Zaragoza naar Belchite.

Daar stond een klooster waar we een jaar of anderhalf jaar hebben gezeten. Het klooster was helemaal stuk geschoten, en er zaten nog nonnen in toen wij er waren. San Pedro de Cadella heette dat, in Belchite.

In juli 1942 zijn we vrijgelaten, dat is een heel end hoor als je jong bent, honger en honger en honger..... Ik heb twee jaar in een steengroeve gewerkt, om het dorp weer op te bouwen, Moesten we voor de stenen zorgen, die uit de rotsen vandaan kwamen. Daar vandaan zijn we naar Valencia gegaan, maar je kreeg nooit geen eten, hé. Je had zo ʼn honger, honger….

Een exemplaar van de illegale nieuwsbrief uit San Pedro (augustus 1938)

Drie foto's van Nancy Wallach van ALBA (haar vader zat ook gevangen in San Pedro), de Amerikaanse organisatie van Spanjestrijders (www.alba-valb.org): Begraafplaats binnen het klooster van San Pedro. Gevangenen werden buiten het klooster geëxecuteerd, maar begraven in het klooster. Degene die bloemen legt is een Spaanse mijnheer die een blog heeft genaamd naar de illegale nieuwskrant the Jaily News

Het klooster San Pedro, waar Sake ook gevangen heeft gezeten. In het klooster liggen verschillende Spanje-strijders begraven, maar het klooster weigert elke vorm van herdenking en/of herdenkingsteken.

Op de foto is een herdenkingsteken te zien die men wilde plaatsen.

Op YouTube, is een korte Spaanse documentaire te zien met beelden van gevangen Interbrigadisten in San Pedro Cardena, waar Sake ook gevangen heeft gezeten, de beelden van het klooster beginnen op tijdstip 1:54 van de documentaire.

Belchite ligt ongeveer 40 km ten zuidoosten van Zaragoza. In 1937 is om en rond het stadje hevig gevochten door de Republikeinen en de Falange. Op 24 Augustus 1937 lanceerden de Republikeinen hier een offensief. Het verzandde al snel in huis aan huis gevechten met als resultaat 6000 doden en een Belchite dat geheel aan flarden geschoten werd. In januari 1938 lanceerde Franco hier opnieuw een offensief, samen met de Italianen, dat het front stabiliseerde. Na de burgeroorlog is besloten het nieuwe Belchite maar naast het verwoeste dorp te bouwen.

Soldaten Republikeinen rond Belchite.
Soldaten Republikeinen rond Belchite.
Soldaten in Belchite.
Soldaten in Belchite.
Belchite.
Belchite.
Belchite.
Belchite.

Het Spaanse volk moest ook honger lijden, want er was niks. Het land was vernield door vier jaar burgeroorlog. Men kan zich wel redden op het platteland, maar in de steden zagen de mensen ook zwart van de honger. En wij waren de laatsten, die van dat kleine beetje wat kregen, je ging dood van de honger, altijd maar honger. En dan zo mager worden dat er ziektes kwamen.

Er zijn er verschillende gestorven in 't kamp, ook Duitsers en Italianen. We hadden nog wat Italianen bij ons, die in Frankrijk gewerkt hadden, en Polen. Je krijgt in het begin pijn in je maag, ik ben er in het begin ook ziek geweest. En later werd je maag verdoofd. Als je dan een beetje van die warme soep krijgt, dan begint de honger weer, vlieg je tegen de muren op van de honger, dan wilde we de stenen wel opeten.

Af en toe kregen we een stukje brood. ‘s Morgens had je niks, ging je op je nuchtere maag met een beetje zwarte graankoffie – werd van graan gemaakt - naar de steengroeven, en dan moest je werken. Ik heb wel gezegd: “we hebben het niet zo slecht gehad als in Duitsland”. Want ik geloof, dat ze ′t daar toen nog erger hebben gehad. We werden ook steeds ondervraagd. 

Er was een Hollander, Alex* heette hij, ik geloof dat hij Witte Reus genoemd werd, en hij sprak Spaans, Engels, Duits en Frans. Hij zat er al gevangen toen wij daar aankwamen en hij ondervroeg ons. De mishandelingen vielen nog mee, we kregen wel een klap maar dat was niet zo erg, maar ik geloof dat ze het voor die tijd wel gedaan hebben aan 't front zelf... snap je wel.

* Stichting Spanje 1936 - 1939 vertelt: De Alex waar over gesproken wordt is Alexis de Seume die later zou trouwen met een zus van Piet Seegers, zijn vader werkte vroeger op de Russische ambassade in Den Haag (ten tijde van de Tsaar) over deze familie is een boek geschreven Diplomaat van de Tsaar door Angela Dekker.

Maar ik heb het niet meegemaakt, hangt er ook van af door wie je gevangen genomen werd natuurlijk. Maar wat ik al zei, ze schreeuwden altijd over de Internationalen, maar er zijn commissies geweest die het onderzocht hebben. Die zeiden, waar zijn ze dan, hebben jullie er dan nooit een gevangen? Dus ze moesten op het laatst levend bewijs hebben, dat er ook Internationalen waren. Want ze wisten wel dat die een grote rol speelden in de burgeroorlog, de Internationale Brigades. 

We zijn toen ook getoond aan die commissies, internationale commissies. Engeland deed dat ook en er zijn Engelsen bij ons geweest, in San Pedro. Dat was voor de wereldoorlog uitbrak. We werden gefotografeerd en we hebben gesproken met Engelsen van de Internationale Commissie. Ze vroegen hoe we behandeld werden, of wat we te eten hadden.

Toen vonden wij het nog niet zo slecht, het werd veel slechter toen die grote oorlog uit brak. Maar het werd ook al slechter toen die Engelsen het land uit waren. Toen had je helemaal geen rechten meer. In Miranda de Ebro hebben we daarna een jaar gezeten en daar kwamen er andere Nederlanders bij die uit Holland gevlucht waren. Dat waren meestal studenten en een enkele zwarthandelaar. 

In Miranda de Ebro was een interneringskamp waar ook nog joodse jongens waren uit België. Dat waren geen internationalen, zij zaten er al voordat wij kwamen. Zij waren er gekomen tussen 1940 en 1942 en kwamen uit Frankrijk vandaan. Wij zaten steeds met hetzelfde ploegje. Maar we zijn er in twee ploegen uit gekomen. Ik was een van de eersten die daar uitkwam. Met een stuk of drie Duitsers erbij, die Hollandse namen hadden. Zij kwamen er zo uit. Op Curaçao hebben ze toen hun namen opgegeven, maar toen wilden ze naar Mexico toe. Die hebben mazzel gehad dat ze Hollandse namen hadden. 

Maar daar kom je later achter, dat had je allemaal kunnen doen, je had je wel als Zuid-Afrikanen kunnen uitgeven. Want die Spanjaarden wisten het toch niet, die kenden alleen Spaans. Maar ik vond die omstandigheden in het concentratiekamp eigenlijk zo erg dat ik liever dood was geweest. Vanwege de honger. Honger en kou, dat heb je altijd als je ondervoed bent, dan heb je het altijd koud. En in de zomer is het te warm voor je, maar is het toch beter uit te houden dan in de kou. Want in Aragon, in Zaragoza, waar we ook zaten, daar ligt sneeuw in de winter. En lopen de treinen vast in de sneeuw. We hebben die treinen nog helpen uitgraven. 

Dan kreeg je een extra schep voeding. De SDAP deed ook niet veel voor de Internationale. Het waren een heleboel links georiënteerde jongens en de meesten waren werkloos. Er was geen toekomst, net als nu. En je voelde je antifascist. Want ik had ook met Duitse emigranten contact, we wisten ook wel wat er speelde. Het was onmogelijk om het niet te weten. Het speelde zich af met de zeesoldaten in de Duitse Concentratiekampen. En dan de houding van de Nederlandse overheid. Met joodse mensen ook. We hebben gehoord over jongens die opgepakt werden in Amsterdam en weer werden teruggestuurd, terwijl ze wisten dat het hun dood zou worden en toch deden ze dat, het was een verschrikkelijk iets.

Er waren verschillende politieke achtergronden bij de verschillende brigadisten. De Hollanders waren allemaal links georiënteerd. En er waren mensen die geen godsdienst hadden, humanistisch en anarchistisch, van alles door elkaar. De Brigade was niet alleen communistisch, zoals het nu vaak wordt gezegd. Er was nooit discussie in zo′n brigade over de verschillende meningen. Je was er allemaal om te winnen en fascisme te verslaan. In Lemmer was iedereen onder de gewone mensen ook aardig antifascistisch. Je dacht er niet over om fascist te worden. Dat had je toch niet geleerd en je had het gevoel dat het iets verkeerds was. 

In Lemmer waren er wel een paar aanhangers van het fascisme, maar niet de Lemsters zelf. Er zijn er misschien wel geweest, maar ze hebben er nooit voor uit durven komen. In Spanje werden we op de hoogte gehouden van de politiek, je kreeg er wel eens een Spaanse krant. Zelf kon ik die niet lezen, maar we hadden er wel jongens bij zitten die dat konden lezen. Met een van hen heb ik later nog gevangen gezeten. De vader van Seegers was gemeenteraadslid in Amsterdam. Piet heette hij, en staat ook op de foto, ik weet niet of hij daar gestorven is, ik heb hem later nooit meer teruggezien. Hij is weggegaan uit Canada en zou toen naar Australië gaan of op de koopvaardij als kanonnier.

(Leendert Seegers is de vader van Piet Seegerss. In 1931 werd hij lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland, wat hij tot de Duitse bezetting zou blijven. In het verloop van de jaren dertig en tijdens de Duitse bezetting eiste de strijd tegen het fascisme van het strijdbare gezin Seegers een zware tol. Zijn vrouw en zijn twee zoons raakten betrokken bij de strijd tegen de Franco-dictatuur in Spanje, zijn vrouw en hun oudste zoon later ook bij het transport van illegaal drukwerk naar Duitsland. Eind 1940 werden deze beiden gearresteerd. Seegers' vrouw overleed bij een proces in Hamburg, de oudste zoon in een concentratiekamp. Seegers zelf werd in april 1941 bij een tramhalte in Amsterdam gearresteerd. Via het concentratiekamp Amersfoort belandde hij in Buchenwald, waar hij tot het eind van de oorlog verbleef. Hij kreeg een plaats in de illegale internationale kampleiding van communisten en tegen het eind van de oorlog ook in een nationaal comité. Namens dit comité ondertekende hij na de bevrijding van Buchenwald een felicitatietelegram aan de jarige prinses Juliana).

Maar er was er wel een, en die staat ook op de foto, Bennie Beuker geloof ik, en hij is daar gestorven. En er was een jongen bij ons die geestelijk ziek werd, Deutekom was dat. Hij heeft zich later in Engeland toen hij in dienst was door z’n hoofd geschoten, het was hem teveel geworden. 

Richard van de Velde, webmaster van  www.prinsesirenebrigade.nl  wist het volgende: Sake vertelt o.a. over Johannes het volgende: “En er was een jongen bij ons die geestelijk ziek werd, Deutekom was dat. Hij heeft zich later in Engeland toen hij in dienst was door z’n hoofd geschoten, het was hem teveel geworden.”

Deze opmerking is helemaal juist en onderschrijft de overlijdensakte die ik in Engeland heb gekocht en waarin staat: “ Johannes overleed op 11 april 1943 aan de gevolgen van een kogelinslag in zijn hoofd, afgevuurd uit zijn 303 dienstwapen. Johannes was op dat moment geestelijk in de war.”
Meer op: www.prinsesirenebrigade.nl-omgekomen Deutekom.

Er was er nog een die Beuker heette, 'Ben', een rauwe vent, ik geloof dat hij een Duitse vader had. Hij kwam uit Amsterdam vandaan Hij kreeg een neusontsteking en is daar toen gestorven. Er zijn een hoop overleden daar... Duitsers, Italianen. 

Er zijn vier Italianen overleden en de oudere Duitsers allemaal. Dan kon je merken dat je jonger was en je had altijd vroeger goed gegeten, dat scheelt. Meer uithoudingsvermogen om er tegen te vechten. Ik werd evenzogoed ziek maar door andere omstandigheden. Maar ik kwam er ook weer boven op terwijl die andere allemaal stierven aan tyfus. Ik was een keer gewond geweest en aan het rechter oog was ik blind. De oogzenuw die de foto van de pupil naar de hersenen brengt, is uitgedroogd. Die tyfus valt altijd aan op de zwakste plek, dus op mijn rechter oog. Dat kwam door een schampschot en het was dus erger dan ik dacht. Ik kreeg daar direct nachtblindheid overheen, maar dat is later weer goed gekomen. Met het rechteroog zie ik niks meer. 

We kregen geen krantjes van de Internatonale Brigades. Je zat altijd op post te wachten, en die kwam dan wel eens van familie en zo, een brief of een ansichtkaart, en ook voor die andere jongens, maar dan was er weer eens eentje dood. Je had ook een Hollandse krant die wel eens doorkwam. Ik weet nog goed over de kwestie van het verse kadetje dat in de Tweede Kamer speelde: of er voor acht uur al vers brood verkocht mocht worden. Over zoiets onbelangrijks werd gepraat, terwijl de Duitsers aan de grens stonden. We werden op de hoogte gehouden doordat je af en toe wat hoorde, en je kreeg het wel door wat er te doen was. 

In het Zuiden zijn we nooit geweest. Estramadura. Daar zaten meer de Spanjaarden. We kregen nooit iets te horen over anarchisten en trotzkisten. Nee….ik geloof dat er een hoop overdreven wordt hoor. Je had heel weinig contact met anderen, bijna alleen maar binnen je eigen groep. Als je in de nacht op moest om af te lossen, dan zocht je maar een kuiltje op de grond, dat was het makkelijkst en dan hadden ze soms een deken achtergelaten en dan nam je die er ook bij. Soms had je zes dekens over je heen, zo verrot koud was het. Maar ja dan had je met die groep contact, en verderop, nee je wist nog niet eens wie er lag zeg maar.

De indeling van het front met mitrailleurs, tanks en artillerie was langgerekt. We kwamen alleen in contact met de mensen van de infanterie en daar ging je ook mee om. En als het Hollanders waren, spreek je Hollands, en als het Duitsers waren, proberen ze dat met jou. Want ik heb ook wel gehad en toen kwam ik er ook gelukkig door: moesten we helemaal naar voren toe en zat ik in het Duitse bataljon. Een Kapitein, een officier, en ik en nog twee anderen moesten naar voren toe om alles te onderzoeken. Maar het was zo stil allemaal en we hadden al uren gelopen en het was ‘s nachts. Toen zei de kapitein: we gaan hier weg. Ik vertrouw het niet en wij weg. Inmiddels was het al ochtend geworden.

Onbekend.

TOP