Home » Lemmer » Mast en blokmakerij de Vries » Hout: de cijfers

Hout: de cijfers

De productgroep hout, waarin alle stammen, masten, bomen, stokken bij elkaar zijn genomen (alleen houten blokken en pompen vallen erbuiten), is de grootste in de in- en verkoop van de fa. Wed. S.J. de Vries & Zonen. De staafdiagram toont dat ze in de tijd van Rinsje jaarlijks goed is voor ruim een derde tot bijna de helft van de aanschaffingen. In de loop van de jaren twintig van de vorige eeuw daalt het percentage.

De verklaring moet gezocht worden in de neergang van de houten zeilvaart ten tijde van de opkomst van de ijzeren stoomschepen. Overigens is er voor de daling van de houtinkoop in 1927 nog een reden: met het oog op de aanstaande verhuizing naar Amsterdam, vult Jan Siebold de voorraad niet meer aan. Hij koopt alleen nog hout wanneer er direct een klant voor is.

Grafiek op basis van Archief De Vries, rekeningen 1890-1909, kasboek 1913, kasboek 1925-1927. De ongespecificeerde aanschaffingen zijn buiten beschouwing gelaten. N= totaal in guldens. (De crediteurencijfers van 1927 zijn iets minder precies dan de inkoopcijfers 1890-1909 omdat bij gebrek aan facturen niet altijd zeker is wat er precies is ingekocht.)

In de verkoop 1921-1927 vormen de eigen producten van de mastmakerij verreweg de grootste productgroep. Maar het aandeel van die rondhouten producten in de omzet loopt geleidelijk terug tot onder de 50%. De verklaring ligt opnieuw in de terugval van de zeilvaart. De hoge rondhout omzet van 1922 en de lage van 1926 springen eruit. Deze piek en dit dal hebben te maken met verschuivingen in de aankopen van bottermasten door werven aan de Gouwzee.

De percentages van de omzet liggen aanmerkelijk hoger dan die van de inkoop in de vorige grafiek:ruim 20%. Dit verschil wordt voor het grootste deel verklaard door de meerwaarde die het werk van de mastmakers aan de ingekochte materialen toevoegen.

Grafiek op basis van Archief De Vries, debiteurenboek 1921-1929 en verkoopboek 1927. De ongespecificeerde omzet en de contante verkoop 1925-1927 zijn buiten beschouwing gelaten.

Gerekend naar omzet zijn de scheepswerven en rederijen de grootste afnemers van de producten van de mastmakerij, maar gerekend naar aantallen artikelen zijn de winkels in scheepsbenodigdheden in de diverse Friese en Nederlandse havens de grootste kopers. Zij nemen in 1927 tezamen meer dan duizend haakstokken, vaarbomen en roeiriemen af.

De een zijn nood is de ander zijn brood

Een deel van de omzet van rondhout wordt gegenereerd door de acute nood van de klant. Vanzelfsprekend profiteert de mastmakerij, zoals de hele 'scheepsverzorgende industrie' profiteert van de schade van schippers. Laveerproblemen in de als lastig bekend staande haven van Lemmer maken op een keer dat De Hoop (LE 12) van Joh. H. Visser op de dam vastloopt waardoor het roer van de kont raakt. Slecht weer vermenigvuldigt de problemen. Burg. Kallenbach klaagt dat het bij stormweer met groote moeilijkheden gepaard gaat, de haven te verlaten en de kans op averij zeer groot is.

Buitengaats is het dan nog gevaarlijker. In 1906 overvaart het Duitse stoomschip Taygeta midden op de Noordzee de Urker botter UK 52. Schipper Toon Bakker drijft urenlang rond met zijn 13-jarig neefje Dubbele op zijn rug, die zijn handen om zijn ooms hals heeft geslagen. Ze blijven in leven door zich vast te houden aan een kluiffokpaal totdat de reddende UK 138 verschijnt.

In de nacht van 28 op 29 december 1914 raast een zware storm over ons land. Te Lemmer zijn de visschersschuiten in de haven van hun touwen geslagen tegen den steenen havendam. Botters van de heeren Mol en Snoek uit Volendam zijn gezonken. De opvarenden worden gered. Van de Lemster vissers zijn Fimme Bootsma (een klant van Jan Siebold) en Jilling Kingma het zwaarst getroffen. Hun verzoeken om schadevergoeding (ƒ 55,- en ƒ 25,-) wijst de burgemeester af. Voor een collecte wegens orkaan wordt wel vergunning verleend.

Een jaar later is het bij de beruchte overstromingsramp van 13 januari 1916 weer raak, en nog veel erger. Delen van Waterland, de Veluwe en de Kop van Overijssel overstromen en op Marken verdrinken 17 mensen. In Lemmer zijn geen slachtoffers, maar het scheelt weinig en de schade is groot.

’t Was vliegend stormweer uit zuidzuidwest.’t Water donderde zo hoog, dat de dam stond d’r een meter onder. Dat d’r stond een zee! [...] D’r waren d’r een stuk of wat die hadden mekaar in de grond gerost. Nou d’r zat een twintig, dertig schuten op de kade, die is anders toch wel een meter of vijf boven de waterspiegel. [...] Die stonden in ‘t gras van die nettendrogerijen. Achter in de haven waren van die spekbakken, nou, d’r was d’r eentje, daar hebben we veertien dagen naar gezocht, die was ook gezonken. We hebben ‘m op het laatst gevonden met de mast en alles d’r af. [...] De hele Zuiderzee werd volgestouwd. Verschrikkelijk veel hout dreef op zee....

Al die masten die in een enkele nacht in wrakhout veranderen behoeven vervanging. Hoewel de schuit van een visserman doorgaans niet verzekerd is, moet hij op zijn minst een nieuwe mast laten plaatsen om weer buitengaats te kunnen vissen. Hij kan zijn schuld bij de plaatselijke geldschieter vergroten of een beroep doen op het mastfonds dat in Lemmer opgericht is en dat wel voor een groot deel op de Polderdijk zal zijn besteed. Ook Volendam heeft zijn mastenfonds en in Urk is sedert 1914 sprake van een averijfonds, opgezet door de visserijvereniging.

Jan Siebold noemt dat mastefonds. Het keert hem in 1925 een bedrag van ƒ 258,- uit voor een nieuwe mast die hij naar het eiland laat vervoeren waar hij vervolgens op de werfhelling van Hakvoort in de getroffen vissersschuit wordt gezet. Het jaar daarop betaalt het mastfonds van Volendam ƒ 275,- aan de fa. de Vries, ongeveer de prijs van een pitch pine bottermast. Ook vrachtschippers lijden schade door de weersomstandigheden. De Algemeene Scheepvaart Mij "Flevo" betaalt met verzekeringsgeld een schadevergoeding mast aan Jan Siebold voor een van haar stoomboten, waarschijnlijk de Flevo IV.

De boekhouding van de verkoop van nieuwe masten door de firma Wed. S.J. de Vries vertoont pieken die kunnen wijzen op verhoogde activiteit na zwaar weer. Zo worden eind maart-begin april 1922 vijf masten, een giek en een gaffel geplaatst tegen gemiddeld 1,5 per maand in heel 1922. Oktober 1924 is een topmaand met zes verkochte masten, tegenover negen in de rest van dat jaar. Hier pas wel voorzichtigheid: de aantallen zijn te klein om verregaande conclusies te kunnen trekken. Omzetgegevens uit de jaren met zware storm (1915 en 1916) of ijsgang (1928) ontbreken.

TOP