Home » Lemmer » Mast en blokmakerij de Vries » Het touw en het draad

Het touw en het draad

Touw en staaldraadtouw, zoals staaldraad een eeuw geleden genoemd werd (of kortweg draad), zijn veelzijdige producten. Hun functies laten zich goed met werkwoorden weergeven: trekken, slepen, opvieren, hijsen, heien, aanmeren, ondersteunen, meten, spelen, binden, ophangen, enz.

De soorten touw die bij die functies horen zijn legio, zoals jaaglijn, sleeptros, schoot, hijsdraad, heireep, landvast, touwladder, dieplood, klimtouw, bindgaren, strop. Als men alle verschillende soorten lijnen, touwen en trossen die door de weduwe en haar zoon zijn verkocht optelt, komt men tot bijna honderd!

Het bespreken van al deze types touw zou een aparte publicatie vergen. Dit hoofdstuk beperkt zich tot die soorten touw en staaldraad waarover het archief iets vertelt en welke inzicht geven in de bedrijfsvoering van Rinsje en haar zoon, en hun relatie met leveranciers en klanten.

Het (deels gestippelde) touw, de zwaardval, houdt het zwaard van een botterjacht (11 m.) in positie

Een eerste invalshoek betreft de touwwinkel die Rinsje in 1903 op de Polderdijk heeft laten bouwen. Is deze een succesvolle aanvulling op de mast- en blokmakerij?
En hoe ontwikkelt zich de touwomzet?

Een tweede invalshoek betreft de verschillende grondsoorten voor het vervaardigen van touw. Sinds de negentiende eeuw worden er steeds meer goedkope tropische vezels naar Nederland geïmporteerd, zoals manilla en sisal. Men mag veronderstellen dat de handel in het traditionele henneptouw hieronder lijdt.

Maar is die verschuiving merkbaar in de in- en verkoop bij de fa. Wed. S.J. de Vries & Zonen?
De laatste vragen gelden de verhouding tussen touw en draad. Naar verwachting neemt de hoeveelheid touw in de bedrijfsresultaten af en de hoeveelheid staaldraad toe naargelang de zeilvaart achteruitgaat en het transport per stoom- en motorboot groeit. Maar is dit ook zo? En welke aandeel verwerft het nieuwe herculesdraad, een combinatie van touw en staaldraad?
Aan het eind van dit hoofdstuk, onder het kopje Conclusies, zal ik trachten deze vragen te beantwoorden.

Een lijnbaan en een schiphuis.

Plattegrond A. Boling, naar Groenhof (1990) De langwerpige lijnbaan te Woudsend in 1821, van het dorp gescheiden door de Wegsloot

Omdat Rinsje een touwwinkel heeft laten bouwen, mag men ervan uitgaan dat zij een speciale belangstelling voor touw koestert. Die interesse lijkt op het eerste gezicht bevestigd te worden door een vondst in Tresoar, het provinciaal archief in Leeuwarden.
Blijkens een notariële akte koopt de weduwe in 1897 een heuse lijnbaan in Woudsend*

RAF, 332-19 Familie Lankhorst, Inv. 126, 103: Akte van verkoop door P.D. Ruiter te Harlingen, aan A. Beckeringh Lankhorst, van een lijnbaan c.a. te Woudsend 1894; met akte van doorverkoop aan de wed. S.J. de Vries in Lemmer, 1897.

Mogelijk heeft de familie De Vries nog contacten in dat dorp aan de overzijde van het Slotermeer, waar Jan Siebolts de Vries, de vader van haar echtgenoot, vandaan kwam.
De lijnbaan is voor zijn tijd modern, want er wordt patenttouw op geslagen door een machine die met een paard wordt gedreven.

De aankoop lijkt een logische stap. Door een lijnbaan in de onderneming onder te brengen kan de weduwe goedkoper beschikken over een belangrijke grondstof voor de schepen van haar klanten: touw. Maar bij nader inzien ligt het heel anders.

De verkoper heeft namelijk in het koopcontract uitdrukkelijk het beding op laten nemen dat de lijnbaan niet meer geëxploiteerd mag worden. Die verkoper is de firma Lankhorst, een grote touwslagerij in Sneek, die met deze 'sterfhuisconstructie' kennelijk een Friese concurrent wil uitschakelen. Het is dan ook onduidelijk wat Rinsje met de baan wil. Misschien gaat het haar om het schiphuis dat bij de lijnbaan is gelegen en in de koop meegaat. Of is ze van plan geweest een filiaal te Woudsend te openen?

Tekening Portier: ‘Het dorp Woudsend soo als ‘t hem sien laat van ‘t Noordoosten’, pen en penseel in Oost-Indische inkt, particuliere collectie Lenk, Zwitserland. Afb. ontleend aan De Graaff (2001) 

Woudsend anno 1752, getekend door Pieter Idserdts Portier. Uiterst rechts, naast korenmolen 'Het Lam’, de lijnbaan. Van dit langwerpige gebouw wordt Rinsje de Vries anderhalve eeuw later eigenares

Hennep uit Holland.

Geen touw dus uit Woudsend, en opvallend is dat Wed. S.J. de Vries haar touw evenmin bij de lijnbaan in het eigen Lemmer betrekt (Voor zover bekend; de lijnbaan sloot begin 20e eeuw en veel facturen van voordien ontbreken.) maar in Sneek, Edam, Gouda, Rotterdam en België. De Lemster lijnbaan van Wed. Corn. Sleeswijk, ook eigenares van de houtzagerij, is voor haar denkelijk te duur. En het assortiment van anderen aantrekkelijker.

Die anderen zijn touwslagers in Sneek, Holland en België. Onder hen zijn producenten uit Holland in de meerderheid. Bij stoomspinnerij en touwslagerij Holland te Edam van Zeilmaker & Co., die vanuit zijn kantoor in Amsterdam touwwerk, bindtouw, staaldraad, zeildoek en waterdichte dekkleden verkoopt, bestelt Rinsje verschillende zware trossen.

Op een keer gaat er iets mis met een vracht trossen uit Edam. Zeilmaker zendt per vergissing twee trossen van de verkeerde afmetingen.

Rinsje meldt hem de fout en Zeilmaker schrijft terug: In beleefd antwoord op Uw schryven dato gisteren dient dat wy U ter wille willen zijn en de twee trossen terugnemen, ofschoon wy natuurlijk de heen vracht [-kosten] kwyt zyn. Wy verzoeken U dus morgen franco huis terug te willen zenden de tros van 3¼ duim, terwyl U de 2¾ duims tros aan de heer P. Koops te Wildervanck volgens inliggend adres en merk, ook franco gelieve af te zenden via Groningen, maar rekenen wy er op dat U daar direct morgenvroeg voor zult zorg dragen. Ingesloten zenden wy u de creditnota der twee terug te nemen trossen en de nieuwe ....

Zeilmaker maakt van de nood een deugd met zijn verzoek aan Rinsje om een tros naar Groningen door te sturen, omdat die klant wel vaker de betreffende dikte nodig heeft. Maar een excuusje kan er niet af.

Onder de touwleveranciers zijn er enkele afkomstig uit het Zuid-Hollands en Utrechts grensgebied. Dat is niet toevallig. In het Groene Hart is al sinds de Middeleeuwen op smalle stroken langs rivierdijken hennep geteeld, vanouds de grondstof voor de touwvervaardiging.

In steden in of nabij de Lopiker- en Krimpenerwaard, zoals Lekkerkerk, Haastrecht, Moordrecht, Oudewater en Gouda horen de handel in en verwerking van hennep eeuwenlang tot de voornaamste takken van bedrijvigheid*

Feis [e.a.] (2002), 9 e.v.; De Vries/Van der Woude, (1995), 247 ev.; Van der Wouden (1959), 198 e.a. Jan Siebold koopt in 1906 van de Lekkerkerker touwslagerij De Zee- en Riviervaart (J. de Gruijter & Zonen) 11 geteerde trossen, Idem, rekeningen 1906 17 maart.

In de negentiende eeuw valt de inlandsche hennepteelt echter sterk terug en verwerken de touwslagerijen uit het Groene Hart, zoals in de rest van Nederland, hoofdzakelijk uit Rusland geïmporteerde hennep.

Touwslagers uit de Zuid-Hollandse polders met wie Rinsje en Jan Siebold zaken doen, zijn Van der Lee in Oudewater, (via het kantoor in Amsterdam), Van Riet in Moordrecht en Spit & De Vletter in Gouda. De laatste drijft een fabriek van Garens, Touwwerk, Leidsels & Singels en houdt tevens magazijn van Visschersgaren en katoen, Gordijn-, Jalousie-, Schilderij-, Meubel- en Spiegelkoord.

De factuur van de Goudse touwslager is versierd met hennepblaadjes, laatste sporen van de hennepteelt in de driehoek Rotterdam, Utrecht en Leiden

Jaaglijnen voor veenkanalen.

Bij Spit & De Vletter koopt Rinsje echte Goudsche Jaag- en Treklijnen. Met een jaaglijn wordt een schip vanaf de wal voortgetrokken. Bij een trekschuit wordt daarvoor een paard ingezet. Maar een vrachtschipper doet het meestal zelf of laat zijn vrouw trekken, hangend in het zeel.

Een jaaglijn moet sterk zijn en is dan ook doorgaans van hennep, evenals bijvoorbeeld de koptouwen en repen waarmee vissers hun netten binnenboord halen. De Gebr. H. en J. de Jong uit St. Nicolaasga kopen in 1927 een treklijn, vaak synoniem voor jaaglijn. De De Jongs zijn dan ook schippers. De lijn is 30 meter lang, vijftienstrengs.

Jaaglijnen liggen niet in grote hoeveelheden in de touwwinkel in Lemmer, in tegenstelling tot in het Drentse filiaal, beheerd door Fernhout. In het magazijn in Hoogeveen liggen maar liefst 26 stuks trek- en jaaglijnen van dertig meter en meer. De reden dat er in Hoogeveen veel meer jaaglijnen in voorraad worden gehouden dan in Lemmer, zijn de veenkanalen in Drenthe. Die zijn zo smal dat er bijna altijd gejaagd moet worden. De Friese schippers daarentegen kunnen op de brede Friese vaarten en meren meestal zeilen.

Staand en lopend want.

In Rinsjes tijd is het meeste want nog van hennep. Onder het want verstaat men al het tot de scheepsuitrusting behorende touwwerk. Het wordt onderscheiden in staand want, d.w.z. het touwwerk dat op zijn plaats blijft, en het lopend want, dat bewogen wordt. Het staande want, de verstaging van de mast, is bijna altijd van staaldraad. Tot lopend want behoren vallen, kraanlijnen, schoten en ander touw werk waar hier enige voorbeelden van volgen. Ongespecificeerd is een trosje Lopertou 15 garen, 25 pond 3 ons voor ƒ 6,15 dat Rinsje bij zeilmaker M.F. de Vries koopt.

Rinsje besteedt in 1890, vroeg in haar carrière dus, het repareren van een zeilhaler uit aan timmerman H.W. Visser. Een zeilhaler of neerhaler is het lopende deel van een val die dient om een zeil of fok neer te halen. Volgens Vissers jaarrekening gaat het om een Zeilhaalder voor de palingbotter.

De palingbotter in kwestie is ofwel de LE 19, De Zuiderzee, van R.R. Hoekstra sr., dan wel de LE 18, Dorp Lemmer, van zijn zoon R.R. Hoekstra jr.*

De enige twee botters in Lemmer volgens Van Keulens Almanak 1887, naar Dorleijn (1996), 5-333.

Jan Siebold verkoopt drie toppenenden aan schipper W. Boelsma uit Lemmer. Het toppenend is een lijn waarmee een rondhout getopt wordt, d.w.z. die naar de top van de mast of steng gaat en daar door een blok loopt. Een gaffellijn gaat naar Jacob Thijsseling (LE 1). De visser, die in het archief de bijnaam Oude Bellouw krijgt, koopt hem voor een kwartje.

'Lijkentouw kregen we steevast van Buisman'.

Ook de loglijn is doorgaans van hennep. De firma W.A. Visser & Zn. uit Heeg koopt er in Lemmer een van 30 vadem (=ruim 50 meter). Deze lange henneplijn wordt langszij te water gelaten voor het opmeten van de snelheid. Dat is niet onbelangrijk voor de firma Visser, de grootste palingexporteur van Nederland, die met o.a. Harmonie en de Visscherij* op Londen vaart, waar de palinghandelaar een eigen steiger in de Theems rijk is.

W.A. Visser is met deze schepen in 1921-1927 klant van de mastmakerij, Archief De Vries, debiteurenboek 1921-1929, folio 133, 505, 549.

Zijn schippers moeten de op de Friese meren gevangen paling zo vers mogelijk op de kade in Londen afleveren. Daarbij is enige snelheid geboden!

Van hennep en hout is deze loodlijn, een ‘metend’ touw behorend tot de collectie van het Fries Scheepvaartmuseum in Sneek. Tot de uitvinding van de sonar is het peillood voor een schipper op de Zuider- en Waddenzee onmisbaar, wil hij niet op een zandbank lopen.

Tenslotte lijkentouw. De touwranden die het zeil verstevigen, heten lijken. Het lijkentouw wordt door de touwslager zeer vast ineen gedraaid. We kregen het altijd van Buisman, steevast. Dat was altijd beste hennep, dat moest niet rekken, he? In later tijd was het wel wollig, was ‘t lang zo goed niet. Nou ís ‘t eruit. Allemaal staaldraad.

Deze Buisman is de baas van lijnbaan De Haringbuis aan de Vloeddijk in Kampen. Hij doet ook zaken met Rinsje en verkoopt haar 4 tros nuwste loopend touw 32½ [Pond] ad 24 ct, ƒ 78,20 geslagen. (De vier trossen gaan met de beurtschipper over Urk naar Lemmer).

Buisman, op dat moment een nieuwe leverancier van Rinsje, grijpt zijn kans en werpt een lijntje uit: Mijne Heeren {sic}. Hiernevens ontvangt UEd 4 trosjes als monster. Ik twijfel niet of deze zullen wel naar genoegen zijn. En: Bijgaand een reclamekaart om in de winkel te hangen. Helaas is die kaart niet bewaard. * Archief De Vries, rekeningen 1899, Buisman 5 juni. Ook aan Jan Siebold levert hij trossen lopend want: Te vergeeflijk heb ik op nader opgaaf van Ued gewacht en zend dus volgens uwer order per briefkaart van elk soort 2 stuks, waarvan een reeds ontvangen. Verder aanbevelend..., Idem 1906, 30 juli.

Vlaamse en Russische hennep.

Een tweede gebied met veel hennepteelt, naast het Groene Hart, is de streek rond het riviertje de Dender in Vlaanderen. Drie touwslagers daar weten de Nederlandse markt te penetreren: Van Haute Vercauteren en Vermeire uit Hamme en Vertongen-Goens uit Dendermonde. Vermeire verkoopt henneptouw maar ook 1 tros lijnwaad koord Maurice voor fl.pb [=florin Pais Bas] 2,36. Onder lijnwaad valt vlas te verstaan. Rinsje koopt er maar weinig van omdat het minder sterke vlastouw nauwelijks gebruikt wordt*

Vlastouw vormt maar 2,3% van de bekende inkoop voor 1900, hoewel het twee keer zo goedkoop is als henneptouw. Naast Vermeires lijnwaadkoord is er nog een keer sprake van vlas: de voorraad van 1-1-1927 bevat 53 KG vlastouw A’dam ad 0.40ct (=1,1% van het touw in voorraad), waarschijnlijk van touwslagerij Holland. Archief De Vries, inventarisboek 31 dec. 1926 z.p. (ƒ 7462,84).

Van de drie Belgische bedrijven is de N.V. Vertongen-Goens, Platte & Ronde Reepen in Hennep, Aloës, Yzer- & Koperdraad, Fabriek van Reepen, Touwwerk & Bindgaren; Sinds omtrent drie eeuwen gesticht; Stoomkracht 1200 Paarden, het belangrijkst. Vertongens touw heeft zoveel aanzien dat Rinsje zijn naam op de gevel van haar touwwinkel laat zetten*

Anno 2005 zijn de letters op de gevel nog leesbaar. De fa. De Vries’ opvolger Van der Neut heeft een reclamebord van Vertongen-Goens altijd bewaard. Het staat op de grond naast de ingang.

Zoals in het Groene Hart verdringt ook in Vlaanderen de goedkope Russische hennep de eigen teelt. Jan Siebold koopt in 1906 bij Vertongen 12 trossen Russische hennep geteerd 3 streng[s]: Zeescheepstouw, gewone garens, 561½ KG. ad ƒ P.B. 48. Elke tros is 120 vadem lang (= ca. 220 meter, de gebruikelijke lengte van een tros).

Hennep los en vijf bos mos.

Dekplanken en mastgat van jachten.

Al eeuwen lang is hennep niet alleen grondstof voor touwfabricage, maar ook een vulmiddel bij het breeuwen van scheepshuiden en het dichten van dekplanken. Voor de laatste bewerking worden de naden tussen de eiken dekplanken eerst opengewerkt en met hennep of mos gevuld.

Vervolgens wordt een strook presenning op het breeuwsel in de sleuf gelegd en aan weerszijden, op beide planken, vastgespijkerd. Tenslotte wordt het geheel met pek aangesmeerd. Presenning, in het archief consequent persenning genoemd, is een rol sterk linnen. Voor losse hennep is er elke maand wel een klant. Want de vezels worden niet alleen op scheepswerven als breeuwsel gebruikt, zoals door Brandsma (6½ ons hennep los ad 25 ct.), maar ook pompmakers moeten hennep hebben omdat ze hun pompemmertjes met die vezels en vet rondom insmeren.

Zo repareren de mannen van Jan Siebold een houten scheepspomp van de LE 2 van Theade Wouda: 2 kleppen op emmertje en zuiger; hennep en vet; 2 uur werkloon, samen ƒ 3,20. Verder gebruiken loodgieters de lange vezels om er schroefdraden van gasbuizen mee af te dichten. En ook elektriciens, smeden en gemeentediensten hebben hennep als afdichtingsmateriaal: 0,4 KG Pomphennep ad f 2,50 (smid Anton Bijlhout), klep en hennep met vet (Gemeentegasfabriek).

De fa. Wed. S.J. de Vries verkoopt alle voor het breeuwen benodigde artikelen. Bovendien helpt een van de personeelsleden wel eens het breeuwkarwei te verrichten. De fa. Gebr. J. en P. Slump laat in juli 1924 de fa. De Vries de beurtaak breeuwen die de dienst Sneek-Zwolle onderhoudt.

Inclusief werkloon en mos komt dat op ƒ 14,85. Het karwei is dan kennelijk nog niet klaar, want een maand later betalen de Slumps nog 1 gulden voor 5 bos mos. (Het gebruik van mos in de naden komt overigens in Friesland maar zelden voor. Het is meer een gewoonte bij het onderhoud van Zuiderzeebotters.

Rinsje betrekt haar hennep bij Lankhorst, ook voor haar Friese filiaal: losse hennep per kar naar Heeg verzonden. Het is raden waar ze haar mos vandaan haalt.

Van aloë tot oliphant.

In de loop van de 19de eeuw beginnen tropische vezels geleidelijk het Hollandse industriegewas te verdringen. Een grote rol in die 'kolonialisering' van de touwsector speelt de fa. N.J. Lankhorst & Zoon's in Sneek, Machinale Spinnerij, Touwslagerij en Vischnettenfabriek, Import en Export, opgericht in 1803.

Het Friese bedrijf (dezelfde als die waar Rinsje de lijnbaan in Woudsend van heeft gekocht) groeit uit van een armzalig touwbaantje langs de stadswal tot een modern bedrijf aan de rand van de stad, dat zich in de 20e en 21e eeuw tot een belangrijke touw producerende en verhandelende multinational ontwikkelt.

Tekening, ‘voorstellende een lange lijnbaan’, namelijk die van Lankhorst, kort na de verhuizing uit het centrum van Sneek.

Rinsje is niet wars van de vreemde vezels uit verre oorden. Ze verrijkt haar winkel met touw dat exotische namen draagt als abaca, alapat, aloë, kokos, malakka, manilla, manillacey en sisal. De meeste zijn gekocht in Sneek en afkomstig uit het Verre Oosten, Mexico en West-Indië.

Een bizarre soort lijkt: 2 tros Oliphant 344 Ko. Of heeft de verkoopafdeling in Sneek een schrijffout gemaakt en is alapat(h) )bedoeld, een kokosvezel uit India die vaker voorkomt? In hetzelfde jaar immer levert Lankhorst aan Rinsje 6 trossen Alapat 124½ KG ad 32 cent ƒ 39,54. (Dikke tros volgt spoedig).

Touw en trossen reizen gewoonlijk met de tram naar Lemmer, mits de order tijdig Sneek heeft bereikt: Wy ontvingen gisterenavond uw telegram, nadat de knechten reeds naar huis waren, en was het dus te laat om orders te geven om hedenmorgen per eerste tram te zenden. Wy zenden dus heden voor zoover voorradig de trossen per boot toe, en teke-nen wy Hoogachtend, N J Lankhorst; rest volgt spoedig.

De meest gebruikte geïmporteerde vezels zijn manilla, uit de schors van een wilde bananenpalm, sisal uit het grote blad van de agaveplant en kokos uit de bolster van de kokos-noot.

Reddingslijnen van Belgisch kokos, zo waarschuwt een advertentiecampagne van Lankhorst rond 1910, wordt voor ‘Echt Sneeker’ verkocht. Past op schippers! Dat gij Sneeker krijgt.

Van veel door de firma De Vries aangekocht touw is niet zichtbaar of het om een reddingslijn gaat. Redden kan wel het doel zijn van het touw dat de IJsvereniging Lemmer voor ƒ 16,50 koopt. Met het oog op wakken.

Niet alleen in Sneek, maar overal dringen de tropische touwsoorten in de touwslagerijen door. De Gebr. Woudstra uit Hoogeveen verkopen naast hennep en vlaggenlijnen trossen van Aloë toud.

J.C. de Voogd in Dordrecht ontwikkelt zich van handmatige touwslager en hennephandelaar tot Fabriekant van alle soorten Geteerde en ongeteerd Touwwerk, Gegalvaniseerd IJzerwant, Manilla en Cocos Touwwerk, Bliksemafleiders, enz. enz. De vervanging van hennep in zijn brievenhoofd door manilla en kokos weerspiegelt de opkomst der koloniale vezels, zoals de vervanging van touwslager door fabriekant de invoering van stoomkracht verraadt.

Manilla.

Touw, geslagen uit manilla en door de firma Wed. S.J. de Vries meestal als mannille ge-speld, kan henneptouw in al zijn functies vervangen. In het archief komen manillatrossen en -hijstouw voor.

Touwslagerij De Eendracht van Nico Hoos in Rotterdam slaat manilla trossen van 3½ tot 7 duim (= 28 tot 56 mm.). De zwaarste die Rinsje van hem koopt weegt 79 kilo. Sleeptrossen levert Jan Siebold aan de kapiteins van de sleepboten die Lemmer aandoen.

Begin 20e eeuw verovert de stalen sleeptros snel terrein, maar ook dan verdwijnt de natuurvezel niet geheel uit de sleepkabel. Omdat staal niet elastisch is en de grote spanningen tussen sleper en gesleepte niet aankan, splitst de touwslager of de tuiger een kort manilla of kokos eindstuk aan de kabel, de zogenaamde rekker.

Jan Siebold laat tuiger Huite Zijlstra een kous in een manilla rekker splitsen voor het s.s. Amsterdam (Groningen-Lemmer v.v.) van kapitein D. Jonker.

Kokos.

In een reclamecampagne van onbekende datum pronkt Lankhorst met zijn export-succes.

Rekkers van kokos zijn meer gangbaar. Jan Siebold verkoopt in 1927 een kokos rekker, gestikt met Engels garen, aan kapitein Joh. Vogelzang (Groningen- Lemmer v.v.) en koopt een oude rekker van de Lemster sleepbootkapitein G. Duiker voor ƒ 5,00, in ruil voor een nieuwe 50 KG Cocos Rekker ad 70 [cent per kilo] voor ƒ 35,-, want de dingen zijn waardevol.

Zwaaitrossen worden eveneens van kokos geslagen. Vermoedelijk gebruiken stoombootkapiteins een zwaaitros bij het manoeuvreren in de haven, wanneer de kop of kont van het schip naar de kade toe beweegt of juist uitzwenkt.

Het zijn in ieder geval kapiteins van grote stoomboten (Vogelzang, nachtboot op Amsterdam, Prima Cocos Zwaaitros ad 70 cent [per kilo]; Grijpsma, s/s Jan Nieveen, Jonker, s/s Amsterdam), die de trossen aanschaffen. Het zijn flinke dingen van tussen de ƒ 40,- en  ƒ 50,- per stuk. Na de tweede wereldoorlog zal het woord zwaaitros met het ding in onbruik raken.

De vezeltjes uit de kokosnootbast zijn kort en ruig, echter slap en zeer licht, zodat kokostouwwerk drijft. Omdat een drijvende landvast of sleeptros gemakkelijk is op te pikken, wordt kokos voor de vervaardiging daarvan vaak toegepast.

Ook van kokos maar veel kleiner zijn de 23 losse kurkzaktouwen die in de touwwinkel liggen. (Na de verhuizing naar Amsterdam zullen achtereenvolgens Jan Siebold, Siebold en Carol de Vries nog steeds veel stootzaktouw verkopen. Alleen gaat het dan op zijn Engels fendertouw heten).

Sisal simmen.

De agave-vezel sisal is geschikt voor zeilvallen, ankertrossen en landvasten. Sisal is goedkoop maar niet aangenaam om te hanteren vanwege zijn ruwe en weinig soepele vezel. In het archief komt sisal meestal voor in combinatie met simmen. Een sim is een touwversterking langs een net.

Voor gebruik van het net moet de sim eerst aan het net worden bevestigd, het zogenaamde simmen of insimmen. Dit is een secuur werkje en de laatste fase van de vervaardiging van het want, na het breien en aan elkaar zetten van de galen. Simmen is ook nodig wanneer de netten een andere maaswijdte moeten krijgen.

Is de nieuwe ansjoopvis bijvoorbeeld van een ander formaat dan vorig jaar, dan moeten de beugnetten worden aangepast: Het ene jaar was de vis klein van stuk en het andere jaar soms groot [...]. Dan was het een run naar Jan Pen, de nettenhandelaar, en Minze Zeilstra met de zijnen waren in de baan om het hardst aan het insimmen en soms waren lange wachttijden het gevolg. Anne Visser, de Brêgewipper, kon je dan tussen de bedrijven ook zien insimmen langs de muur van slager Koning. Zo ging dat toen.

Rinsje betrekt haar sim bij plaatsgenoot J. Pen, Machinale nettenhandel en visscherijbenoodigdheden: 27 [Pond] Sim voor ƒ 8,64, en bij W.J. de Voogd uit Dordrecht. De simmen van de Dordtse hennephandelaar en touwslager zijn aanvankelijk nog van hennep.

In 1899 schrijft De Voogd aan de weduwe: De Heer [!] S.J. de Vries, Lemmer, Mijn Heer! Heden zond ik per boot franco aan uw orders de laatste bestelde simmen af en twijfel niet of U zult over de kwaliteit bijzonder tevreden zijn. Bij aanstaande behoefte verzoek ik u beleefd ons uw order tijdig op te geven, want er gaat in dat artikel zoo veel bij ons om dat ik ieder op zijn beurt moet bedienen. De hennepmarkt is zeer vast en als dat eenigen tijd aanhoud, dan worden de prijzen van het touw, dus ook van de simmen duurder. Ik raad U aan een partij in koop te nemen, dat hebben verscheidene uwer collega’s ook gedaan*

* Archief De Vries, correspondentie 1899, 3 maart. Overigens is de zin ‘ik twijfel niet of U zult over de kwaliteit bijzonder tevreden zijn’ in die tijd een vaste formule in de handelscorrespondentie.

Het advies van de touwslager wordt opgevolgd: Rinsje slaat opnieuw simmen van hem in: 1 bos sim 12 15 18 en 24 draads voor ƒ 7,20.

Envelop voor een rekening uit 1899 van touwslagerij en hennep-handel W.J. de Voogd (de postzegel is eruit geknipt)

Hennep onder druk.

Maar hoe vast De Voogd de hennepmarkt ook acht, de tropische vezels zijn een stuk goedkoper. Vanaf begin 20e eeuw gaan de meeste vissers over op sisal simmen. Alle sim die Jan Siebold verkoopt, bijv de 20,7 kilo aan Joh. H. Visser (LE 12), is van sisal.

Diagram op basis van Archief De Vries, rekeningen 1899-1909. In het diagram zijn de ongespecificeerde goederen buiten beschouwing gelaten.

Wil dat dan zeggen dat hennep het geheel tegen het tropische touw aflegt? Dat is aanvankelijk, vóór 1910, nog niet het geval. Het diagram van de inkoop toont dat hennep met 55% nog de boventoon voert.

Maar daarna verliest het oude industriegewas toch een fors marktaandeel, aanvankelijk aan touw van kokosvezels en in de verkoop van de twintiger jaren met name aan manilla, de vezel die de sterke positie van hennep geheel heeft overgenomen (zie het tweede diagram)

Toch kan het henneptouw zich na 1924 enigszins herstellen en zich met een verminderd aandeel (6% van alle touw) handhaven.

Diagram op basis van Archief De Vries, debiteurenboek 1921-1929 en verkoopboek 1927. In het diagram zijn de ongespecificeerde goederen buiten beschouwing gelaten.

TOP