Home » Lemmer » Mast en blokmakerij de Vries » Gieken, gaffels en boegsprieten

Gieken, gaffels en boegsprieten

Masten en laadbomen zijn niet het enige rondhout aan boord van een zeilschip. Er is veel meer. De inventaris van 1 januari 1927 geeft een aardig beeld van het rondhout waar de mastmakers mee aan het werk zijn: 

Schema: Archief De Vries, inventarisboek 31 dec 1926 z.p. (f. 13069,68). Aantal en gemiddelde waarde van de masten in het tuig van het jacht van scheepswerf De Boer zijn geschat.

Tot deze voorraad horen dus zeven gieken in lengte variërend van 6 tot 15 meter, waaronder twee Volendammer gieken (voor botters) en een Duitse vuren. Een giek is minder waard dan een mast, maar meer dan een gaffel en een boegspriet.

Rechttoe rechtaan: de giek

De giek of zeilsboom is het rondhout dat horizontaal onder het grote vierkanten zeil steekt. Hij maakt een bijna rechte hoek met de mast. De mastmaker hakt hem uit een ellen van vuren- of grenenhout. Vissersgieken meten zo’n 17 centimeter in doorsnee en zijn 6 tot 7 meter lang. Die van grotere binnenvaartschepen meten 11 tot 15 meter en hebben vaak een verdikking middenin. Een vissersgiek is een rechttoe rechtaan rondhout dat v oor de mastmaker kinderspel is: bijzonders zat er helemaal niks aan.

Visser Fimme Bootsma verkrijgt in 1927 een Zware Giek (enz) 6,10 M uit ellen; Werkloon 8 uur ad 50 [ct.] voor zijn Jouke (LE 67). Slaat 'zware' op het materiaal, grenen? Visser Rinze Andries Visser schaft in 1924 een nieuwe vuren giek aan voor zijn aak De jonge Andries (LE 64). Hij krijgt hem op een koopje: ƒ 10,-, ijzerwerk inbegrepen.

Giek van 10 meter op een naoorlogse tjalk-jacht (woonschip)

Het belangrijkste ijzerwerk is de gebogen of scharnierende stang aan het uiteinde van de giek, dat in een oog aan de mast past. Hierdoor is de giek goed wendbaar, wat voor het laveren en overstag gaan noodzakelijk is. Als een Lemster visser bij het vissen met een sleepnet extra zeil wil voeren (met name de bezaan), moet hij de giek naar binnen trekken en gaat hij op het boord staan om met verschillende zeilen en bomen te kunnen 'jongleren'.

Bij het verrichten van deze handelingen op de botter LE 80 raakt Jan Bijma een keer overboord omdat de giek onverwachts naar buiten zwaait. Zijn broer Hendrik: Ik denk: “Verrek, waar is Jan?” Hij zou de bezaan even opzetten maar keek niet naar de zeilschoot. Nou toen dook ie onder. Nou, ik kijken, want hij kon ook niet zwemmen. Ik denk: “Dan moet ‘r hier boven komen.” ‘t Kwam krek uit. We pakten ‘m in de kraag en trokken ‘m binnen. Misschien moet de nieuwe haakstok en het stuk manillatouw dat Jan, de drenkeling, in april 1927 bij Wed. S.J. de Vries voor de botter koopt, wel met dit incident in verband worden gebracht.

In 1927 verkoopt de mastmakerij 24 gieken, met sterk verschillende prijzen; het zijn dan vooral scheepswerven die gieken afnemen. Onder hen zijn Welgelegen uit Harlingen, Draaisma en Zoon uit Franeker en A.F. van der Werff uit Leeuwarden. Werfeigenaar De Wijn op Texel koopt zelfs drie gieken.

Van boven naar beneden de giek, gaffel en mast van een jol voor de zeilsport.

In de Verkoopboekhouding 1921-1927 komen 43 gieken voor, waarvan meer dan dertig nieuwe en een vijftal gebruikte. Men bedenke daarbij wel weer dat er nog wel meer verkocht zijn: een deel der goederen is niet gespecificeerd. Gemiddeld kost een giek van De Vries in de jaren twintig ƒ 17,50. Maar daar zitten ook grote Amerikaans grenen exemplaren voor tjalken tussen en die zijn langer en veel duurder dan gemiddeld. De nieuwe giek van Wiebe de Vries bijvoorbeeld, voor zijn 144 ton grote ijzeren tjalk, kost in 1922 het dubbele (ƒ 35,00). De Giek 13 M 75 (in Amsterdam aangen.) voor de tjalk Frieda van de Amsterdamse rederij Het Noorderveer is de duurste: ƒ 40,00, mede gezien de toevoeging: Was ook smidswerk bij. In de loop der jaren neigen de prijzen naar beneden te gaan.

De al een beetje ouderwetse dwarsmast of ra, voorloper van de giek, wordt praktisch niet meer gebruikt omdat dwarsgetuigde schepen zeldzaam worden. Alleen schuiten met een vierkant gaffeltopzeil, een klein vierkant zeil dat de ruimte tussen mast en gaffel vult en dus het hoogste zeil van het tuig is, hebben nog ra’s: de topra en de schootra om precies te zijn. Jan Siebold verkoopt voorzover bekend maar één keer een partijtje ra’s, en wel in juni 1927: 16 stuks van 4 M 20 4½ cM ø aan de scheepswerf De Vries Lentsch jr. in Amsterdam-Nieuwendam*

Archief De Vries, verkoopboek 1927, 65. Zijn het wel ra’s? Carol de Vries tekent aan: ‘Veel, kort en dun, dus merkwaardig. Het is eerder een maat voor tentpalen,’ e-mail 26 jan. 2005.

De gaffel, recht of kromgebrand

Jelle Kolk is, voordat hij kapitein van de Lemster reddingsboot wordt, schipper in de binnenvaart. Hij koopt in 1922 bij Jan Siebold een vuren gaffel voor ƒ 13,50. Een gaffel is een rondhout langs het bovenlijk van een vierhoekig zeil*

De definitie is van Van Kampen (1924), reg. G. Een lijk is een touwzoom om een zeil.

Hij staat in een schuine hoek op de mast. Het uiteinde, de klauw, houdt de mast vast als een open hand. De klauw wordt ook bek genoemd. De gaffel wordt op verschillende manieren tegen de mast gedrukt. Meestal houdt de rakband van het grootzeil de klauw op zijn plaats. Maar bij grote tjalken, zoals Kolk er mogelijk een heeft, is de klauw blijvend met een bus aan de mast bevestigd. Ook worden er wel gaten in de twee uiteinden van de klauw geboord waar een aparte rakband, soms met klootjes, door wordt geleid, waarvoor wel de naam paternoster wordt gebruikt*

Huitema (1977), 44. De rakband is een stukje touw dat de rand van het zeil met de mast verbindt.

De firma Wed. S.J. de Vries in Lemmer verkoopt alle genoemde onderdelen*

Bijv. 2 gaffelbussen aan Klaas Romkes te Urk, Archief De Vries, verkoopboek 1927, 19.

Er zijn rechte en kromme gaffels. Willem Grijpsma, een bekende Lemster stoombootkapitein, bemachtigt in 1927 een Rechte Gaffel 1 [m.] 50 aan ‘t zijl {sic} zonder bek met ijzerwerk. De kleine rechte gaffel kan voor een sloep van zijn stoomboot bestemd zijn, of misschien bezit de kapitein privé een kleine zeilboot die een gaffel nodig heeft. De gaffels van botters zijn ook (bijna) recht. Volendammer botters hadden altijd een rechte, ieperen gaffel,12 voet lang, 12 cm dik (Gurbe van Brug).

Aken hebben een kromme

De meeste Lemster aken, tjalken en skûtsjes hebben een kromme. Je moest een kromme boom hebben voor een kromme gaffel van zo’n 3½ meter lang. Maar van nature is ook een kromme boom nog niet krom genoeg. Een gaffel bereikt de gewenste kromte niet door hakken en schaven, maar door branden en trekken. Hij werd tussen twee bankschroeven gezet en er werd iets zwaars, stenen of zo, aan touwen aan gehangen. Vuur d’r onder, omwoelden we ‘m met zakken en daar kwam water op en dat hing dan zo de hele nacht tot hij krom genoeg was.

Het is een wonder dat er bij ons nooit brand is uitgebroken*

Rinsje van Ommen de Vries of Siebold de Vries in Van der Horst (1982),26, cit. ingekort. - Na 1930, wanneer lijm en lijmtang in gebruik zullen komen, wordt de gaffel uit losse onderdelen op elkaar geplakt. Er hoeft dan niet meer gebrand te worden. De productie gaat veel sneller, Archief Zuiderzeemuseum. Vroom, Vraaggesprek met de heer van Brug.

Omdat gaffels op maat voor de klant worden gemaakt, heeft het geen zin een voorraad op te bouwen. De inventaris van 31 december 1924 vermeldt er weliswaar tien, maar die zijn op één na allemaal tweedehands of onbruikbaar: 1 uitgezaagde gaffel, 1 Gebruikte Esschen idem, 1 Nieuwe Gaffel 3 Mtr m/ houtbek, 1 kromme Gaffel en 6 oude gaffels.

Een kromme gaffel met klauw en opgezette klampen, getekend door Peter Dorleijn. De klauw is het open uiteinde links.

Gaffels zijn soms van grenen of vuren, maar meestal van iepen of essenhout. In de mastmakerij liggen voor gaffels geschikte essenstammen die in Steenwijk zijn ingekocht.

Een juffer was ons te dun

In 1922 koopt niet alleen schipper Kolk een gaffel. Ook zeilmaker De Vries tikt bij Wed. S.J. de Vries een oude gaffel op de kop. Dat zijn de enige twee, in dat jaar genoemd. Hoewel een mooie kromme of rechte gaffel een specialiteit van de firma Wed. S.J. de Vries is, bestelt Jan Siebold er soms een bij derden. Gebr. Wijtzes, Mast-, Blok- en Pompmakerij en Scheepssmederij, levert in 1906 1 Gaffel lang 26 vt. Met 3 banden […] ƒ 32.5'.

Van de drie ijzeren banden bevinden twee er zich op een derde en tweederde van de gaffel omdat hij minimaal op twee punten wordt gehesen, de derde dient ter bevestiging van de zeilhoek. De Wijtzesen schrijven erbij: Wij hebben de zelfe gemaakt uit een ligt spiertje, Een juffer was ons te dun. Daarom is dit de naaste prijsberekening. Zend eens het bedrag maar per post aan ons over, Hoogachtend u 2 dienaars, Gebr Wijtzes, [betaald per postwissel]. Drukte in de mastmakerij moet de reden zijn dat deze opdracht aan Wijtzes wordt verstrekt. Aan welke klant Jan Siebold deze 'uitbestede' gaffel doorverkoopt, is onbekend.

In 1927 worden er elf verkocht, vijf rechte en twee kromme (van de overige is het postuur niet vermeld). De gemiddelde prijs is dan ƒ 13,62. Van deze elf verkochte gaffels wordt er één teruggezonden en gecrediteerd. Het is een gaffel van 11 voet met bus, bek en ijzerwerk, prijs ƒ 22,10, verstuurd aan de Werf van Joh. Oost te Harderwijk. De reden van de retourzending kan zijn dat scheepsbouwer Joh.Oost het ding te duur vindt. De prijs, bij een normale lengte, springt eruit.

Nu en dan is er vraag, niet naar een gehele gaffel, maar naar een onderdeel. Voor zijn houten aak LE 8 Weltevreden moet Jan de Blauw in 1926 een nieuwe klauw hebben. Het jaar daarop kopen de Gebr. de Boer kopen een houten bek en een kam.

De prijzen van gaffels na 1921
N= aantal stammen

De Verkoopboekhouding 1921-1927 vermeldt twintig complete gaffels. De meeste kosten rond de 13 gulden, inclusief enig ijzerwerk. De prijzen kelderen na 1921 (zie grafiek). De gegevens van 1921 zijn gebaseerd op slechts 2 dure rechte gaffels, verkocht aan zeilmaker Jacob Frankfurt in Enkhuizen.

Korte boegsprieten en een lange uit een juffer

De boegspriet is het naar voren uitstekende rondhout op het voorschip waaraan het voorste stag bevestigd is; de stag is een lijn of staaldraad die de mast ondersteunt. De lengte van de boegspriet kan sterk verschillen. Marten Raadsveld, bijgenaamd "Lytse" (kleine) is de vissende eigenaar van de ijzeren aak, Drie Gebroeders, LE 10, een mooi scheepje van 8.60 meter lengte. De aak is in 1915 in zijn opdracht door de Gebr. De Boer gebouwd*

Huitema (1982), 254 met foto van de LE 10; Visserijreg. Vlaardingen, 1923 - 1931: LE 10 M. Raadsveld; foto ook in Post (1993), 52. Gezien de data in het visserijregister heeft Raadsveld de aak in 1922 echter al verkocht (aan de Wouda’s) en betreft de aankoop in 1922 een andere schuit.

Voor zijn schuit schaft Raadsveld in 1922 1 Boegspriet 16 Voet aan voor ƒ 6,75. Hij koopt meteen een nieuwe stok voor zijn kor waarmee hij op mosselvangst toogt.

De boegspriet is niet duur in vergelijking met die welke collega-visser Fimme Bootsma (LE 61) een jaar eerder heeft opgehaald: ƒ 18,75, maar die is een stukje langer: 6,7 meter, en zal wel niet van hetzelfde hout gesneden zijn geweest. Veel goedkoper is Jelle Koornstra in december 1926 uit: de zijne kost ƒ 1,95. Misschien is die spriet een voorlopige voorziening op zijn Saûn Sisters (LE 72), (Zeven Zusters), want tien maanden later krijgt hij voor ƒ 16,- een echte lange boegspriet. Daar past een hele juffer in.

Kort of lang, ze zijn gemaakt van vuren of grenen zoals die van 23 vt 13 cM in de beugel, greenen bestemd voor Theade Wouda (LE 2), voor ƒ 14,-. In 1925 verkoopt de firma De Vries, voor zover vermeld, de meeste boegsprieten: 5 stuks. Ook in dit jaar zijn ze voornamelijk voor Lemster vissers bestemd. Alleen de duurste is voor een schipper, W. Leijenaar uit Drachten. Hij kost ƒ 33,20. In 1927 worden vier boegsprieten verkocht, alle aan vissers. De gemiddelde prijs is dan ƒ 13,70.

Dat er verhoudingsgewijs veel vissers een nieuwe boegspriet nodig hebben, heeft met het beroep te maken. Het voor de steven uitstekende rondhout is kwetsbaar en tijdens het met man en macht inhalen van de zware netten of bij het 'inparkeren' in de krappe vissershaven gebeurt er wel eens een ongelukje. De Verkoopboekhouding 1921-1927 vermeldt in totaal zestien boegsprieten, met sterk uiteenlopende prijzen.

Boegspriet van Boeier. ‘Tuig moet 40 c meter korter’, schrijft Jan Siebold op het ontwerp.

Bijlage 5 is een overzicht van alle in 1921-1927 verkochte gieken, gaffels en boegsprieten. 

PDF
Bijlage 5 Verkoop gieken, gaffels, boegspr.1921-27
PDF [264.8 KB]
Download (2 downloads)