Home » Lemmer » Mast en blokmakerij de Vries » De verf en de smeer

De verf en de smeer

Houten en ijzeren schepen vragen veel onderhoud. De firma Wed. S.J. de Vries & Zonen voorziet de schipper van de middelen daartoe.

De verkoopboeken en de winkelinventarissen bevatten een waslijst aan 'vette' artikelen: smeer, reuzel, boorolie, blokvet en consistentvet voor draaiende onderdelen, runolie of cachou om de zeilen en netten mee te tanen, teer voor het touw, menie voor ijzer, bruine teer voor het boeisel, koolteer of carboleum voor de scheepshuid onder water, pek om de naden te dichten, en ook nog zwart en bruin kleedensmeer om zeildoek waterdicht te maken en vaseline voor de huid van de zeeman.

Runolie en cachou.

Cachou (Maleis: katjoe) is een looistofhoudend extract uit een Oost-Indische acaciasoort*

De plant is de agacia catechu, WNT 3-2 (1916), 1951, Kloes (1892), 996.

Rinsje koopt het bij touwslager Lankhorst in Sneek. Lemster vrachtschippers geven voor het insmeren van zeilen en netten de voorkeur aan runolie uit gekookte eikenschors en laten het tanen over aan M.F. de Vries’ zeilmakerij en taanderij.

Er ging water en eikenschors in de ketel. Als ‘t mooi weer was, konden we drie keer daags zeil in de run dompelen. Dat was een hele hijs. Altijd werd de ene kant bruiner dan de andere kant, als je niet oppaste. Tanen was een heel stuk werk voor een beetje geld. Schipper Verhoef uit Echten koopt 1 Vat Run 174 ko. [ad] 8.85 bij Jan Siebold; opmerkelijk, omdat Verhoef schipper op een motorschip is8

Archief De Vries, debiteurenboek 1921-1929, folio 528 (1924); motorschipper Verhoef koopt op dezelfde dag 10 liter motorolie. Is de runolie voor zijn hulpzeil? Het schip, waarvan de naam onbekend is, is door de Gebr. de Boer gebouwd, Idem, folio 148.

175-2.jpg

Tekening: Dorleijn (1983), 3-111. Met een stokdweil smeert een visser bruine cachou of zwarte run op zijn zeil. De cachou moet diep in de garens doordringen.

Blanke harpuis en Stockholmer teer.

176-2.jpg

2 bussen harpuis uit IJlst én 1 bus retour

Rinsje koopt de meeste smeermiddelen bij A. Kuperus in Sneek, J. Nauta in Ylst en verschillende olieslagers in de Zaanstreek*

Kleedensmeer komt o.a. van T. Zandleven, Plamuurfabriek, Chemische Verfwaren, Stoomverf, Stopverf, Speciale Inrichting voor Tubenverwen, Vensterglas, Export op Indië, met vestigingen in Koog aan de Zaan en Leeuwarden, Archief De Vries, rekeningen 1902, Zandleven 28 maart.

De belangrijkste leverancier is Nauta, in Rauwe en Gekookte Lijnolie, Pik, Teer, Harst, Breeuwwerk en Harpuis, Siccatief, Stockholmer Teerolie, Carbolineum, Creosootolie, enz. enz. Nauta schrijft op verzoek zijn belangrijkste prijzen op voor de Heer Mej. Wed. S.J. de Vries en Zoon te Lemmer: In antwoord op Uw briefkaart bericht ik dat ik thans noteer:

177-2.jpg

In 1899 bestelt Rinsje bij hem maar liefst twaalf maal harpuis, koolteer of lijnolie. Harpuis is een mengsel van hars en lijnolie, waarmee de opbouw en het rondhout wordt opgeknapt. Het is een soort blanke lak die het door vissers meest gebruikte onderhoudsmiddel is voor het hout boven water. Vrachtschippers gebruiken het middel ook, voor het rondhout. En de schipper van een hektjalk zet de hek of statie, na hem blank te hebben geschuurd, glimmend in de harpuis*

Dorleijn (1983), 3-111, Loomeijer (1980), 33, 120. Andere schippers smeren de harpuis over de reeds aangebrachte teer om de huid van het schip mooi glimmend te krijgen, Jansma (2001), 56. Archief De Vries, o.a. rekeningen 1899, Nauta en inventarisboek 31 dec. 1924, z.p., (Winkel. ƒ 6129,55).

Oliedun koolteer uit Zweden.

Koolteer heeft een vergelijkbare functie maar dan voor de romp en het vlak. De romp wordt met bruine teer bewerkt, het vlak met zwarte koolteer. Koolteer komt vrij bij de productie van gas uit steenkool. Rinsje koopt in 1900 in totaal zesenhalf ton koolteer van J. Nauta, die zich voorstaat op het feit dat zijn produkt niet al te stroperig is: Een Ton gemerkt K is dun koolteer, de andere is oliedun.

Hij maakt ook nog onderscheid tussen koolteer, Stockholmer teer en bruine teer die soms ook uit Zweden komt: bruine teer no. 1 Umea. Met bruine teer behandelt men houten tjalken rondom: het boeisel, de zwaarden, het dek en de roef. Sommige schippers smeren ook hun reefknuttels, rakbanden en lijken in met bruine teer*

Loomeijer (1980), 121. 53. 30 liter houtcarboleum - 70 idem taan[carboleum] ad 10 cent, Archief De Vries, inventarisboek 31 dec. 1926 z.p. (f 10107,95). Mogelijk is carbolineum hetzelfde als bruine teer.

Teer wordt ook voor de duurzaamheid van touw aangewend. Zoals in hoofdstuk 14 bleek, verkopen touwslagers en zeilmakers hun touwwerk geteerd of ongeteerd. Ze dompelen hun trossen in een ketel of ton met teer. De behandeling moet na een of twee jaar zeilen worden herhaald. Vissers en schippers teren of tanen hun tuig vaak zelf.

Carbolineum (in het archief meestal carboleum genoemd) smeert men op het hout onder water. Het is een donkerbruine vloeistof, bereid uit steenkool of houtskool. Jan Siebold houdt in 1924 10 Liter vruchtboomcarboleum (waarde ƒ 2,-) in voorraad. Want wanneer een boom flink gesnoeid wordt, smeert de kweker de 'wonden' wel in met carboleum.

Sneker blokkenvet.

De firma Wed. S.J. de Vries verkoopt een smeermiddel speciaal voor blokken en rollen: blokvet of blokkenvet, een mengsel van olie en zeep, een hard smeermiddel.

A. Kuperus uit Sneek, met een stoomloc in zijn logo, levert behalve blokkevet nu en dan consistentvet aan weduwe de Vries. Consistentvet dient mogelijk ook om blokken te smeren.

Vanaf september 1900 is de Sneker olieslager A. Kuperus daarvan de vaste leverancier, nadat hij eerst tot tweemaal toe 25 Kg (voor een kwartje het kilo) als proef heeft meegegeven met de vrachtwagen van Muurling (in eigen bussen van De Vries)

Het pokhout, het materiaal waar de blokmaker de meeste schijven van draait, heeft terecht of ten onrechte den naam van 'zich zelven te smeren', als het tot looprollen, rolschijven voor schuiframen enz. wordt gebruikt, maar hoe vettig het Jamaicaanse hardhout van nature ook is, alleen met blokvet blijven de schijven tussen de wangen soepel draaien.

Het zijn, behoudens vishandelaar De Rook, uitsluitend vissers die het blokvet afnemen, zoals Lykle Hans Poepjes die het goedje voor de blokken op zijn LE 7, Geep 7 koopt voor 35 cent.

Oude reuzel van Spijkervet.

Er is nog meer smeer. Poetspommade voor het koper. En bijenwas voor een mooie vloer of een eikenhouten kast*

Bus poetspommade ƒ 1, -, voor kapt. Joh. Grijpsma en ¼ KG prima zuivere bijenwas ad 3,- voor korenmolen De Hoop, Archief De Vries, verkoopboek 1927, 34 en 67.

De 51 pond Oude Reuzel die Rinsje in 1899 van slagerij Spijkervet in Steenwijk koopt, is waarschijnlijk bedoeld om ijzeren assen in te smeren om ze vlot draaiende te houden.

Reuzel wordt met dat zelfde doel ook aan molenassen gesmeerd. De oude reuzel voor Rinsje gaat in een kist aan boord bij schipper J. de Ruiter uit Oudehaske die hem van Steenwijk naar Lemmer vaart. Hij moet onderweg zijn vrachtje goed geroken hebben*

Archief De Vries, rekeningen 1899, Spijkervet, 30 nov. De nota van Spijkervet is afgedrukt op de oorspronkelijke factuur van een onbekende Varkensslagerij (Spek, Worst, etc.).

Ook haar zoon handelt in oude vette waren. De 620 kilo Smeerolie Bos die hij voor ƒ 62,00 bemachtigt, is afgewerkte olie van het Provinciaal Stoomgemaal in Tacozijl. Bos is daar de hoofdmachinist (hij is de man van de vrouw met het bobbed hoedje).

Dat het om afgewerkte smeerolie gaat, blijkt uit een tweede inkoop tegen dezelfde prijs: 30 Ltr Vuile Olie Stoomgem. voor ƒ 3,-  Het is niet zo’n vreemde aanschaf als ‘t lijkt. Afgewerkte olie gebruiken schippers om de binnenkant van de voor- en achtersteven vet te houden*

Loomeijer (1980), 120. ‘Bij ons in de kelder op het Singel stond een vat afgewerkte olie, die door mijn vader of het personeel werd gebruikt als ze flink vuile handen hadden,’ Carol de Vries, e-mail 27 april 2005.

Jan Siebold betrekt zijn harpuis, blokvet en koolteer, zoals zijn moeder, met name bij Nauta in IJlst (C. en A. Nauta zijn inmiddels J. Nauta opgevolgd), en A. Kuperus in Sneek. Verschillende smeermiddelen blijven wanneer Jan Siebold het bedrijf leidt, goede verkoopproducten. Hij zet veel teer en lijnolie af en redelijk wat blokvet en harpuis.

Van goudoker tot krijtwit.

Naast de typisch nautische smeermiddelen wordt de verkoop van verf steeds belangrijker in de omzet van de firma Wed. S.J. de Vries in Lemmer. Op de schappen staan o.a. vloerlak, vloeilak en buitenlak. Op de bussen zijn merknamen te lezen als:

Usifeth (Zweden?)
Sikkens Briljant (Groningen)

Borneman (Sneek) (Fa. W. Borneman, Vernis- en Verffabriek, Kantoor Singel 8, RAF-Handelsreg.
inv. nr. 3578, 1921-1931 en Tel.Gids 1915, Sneek)

Boles, Ripolin en Victoria (groen).

Nederlandse verfsoorten zijn nog:

Veluwine (ook: Veluvine, uit Harderwijk: o.a. wit, Japan wit en Japan sneeuwwit)

Heldersche verf (in groen, grijs, wit en Havanna) (Havanna-bruin en groen ziet men op de boeisels van tjalken, Loomeijer (1980), 120.)
Haarlemmer verf, Maasverf, Tjallema Verf (uit Sneek.

Hoeksema’s stoomverven (uit Leeuwarden) (Fa. Gebr. Hoeksema, Leeuwarden, Stoomververij en Chem. Wasscherij, Hoekstersingel, fabr., RAF-Handelsreg. inv. nr. 3480, 1921-1926 en Telefoongids 1915, Leeuwarden. Archief De Vries, inventarisboek 31 dec. 1926 z.p. (f 610,97 en ƒ 297,12) e.a.; Idem 1 jan 1929 z.p. (f 2733,15).)

Van deze merken worden Ripolin en Haarlemmer (Enamel en Haarlemmer Olieverf) het meest verkocht. Ze zijn leverbaar in de kleuren goudoker, vloerbruin, persrood, zinkgroen, parelgrijs, gemengd loodwit en krijtwit*  Om er maar een paar te noemen.

Archief De Vries, inventarisboek 31 dec. 1926, z.p., (Transp. f 297,12). Japanlak is een dekkende, laag gepigmenteerde natte verf, eind 19e eeuw door de chemicus dr. Riep in Zwolle ontwikkeld, die er zijn naam aan gaf. Molijn & Co. (Rotterdam) bracht de verf als eerste op de markt gebracht, De Vlieger (1993), 5.

Advertentie op email muurbord: De Amsterdamse vestiging van N.V. Le Ripolin is van 1926 tot 1928 crediteur van Jan Siebold de Vries, Archief De Vries, crediteurenboek 1923-1928, 97. 

Ripolin is een door de Nederlander dr. Riep ontwikkelde dekkende verf, die in de jaren twintig en dertig West-Europa verovert. Deze advertentie moet daaraan hebben bijgedragen.

Dodekop en rauwe olie.

Behalve blikken natte verf staan er zakken en bussen Drooge Verfwaren in poedervorm in de winkel: bruine en gele oker, ijzer- en loodmenie, zinkwit, ultramarijn blauw, persrood en een aangebroken zak omber, een uit Umbrië afkomstige bruinige kleurstof, bereid uit een vette grondsoort.

Ook dodekop wordt droog bewaard. Dodekop is een verfstof die bijna geheel uit ijzeroxide bestaat. De naam geeft een realistisch beeld van de kleur: rood en paars. Dodekop wordt ook colcothar genoemd (naar Golgotha)

Deze kleurpoeders lengt men met water of lijnolie aan om er verf van te maken. Rinsje en Jan Siebold kopen en verkopen vele honderden liters lijnolie. Lijnolie is in twee vormen in de handel: rauw (ongekookt) en gekookt. De gekookte lijnolie heeft een voordeel boven de ongekookte: Het drogend vermogen van lijnolie kan door koken aanmerkelijk worden bevorderd.

Gekookte lijnolie kan ook zelfstandig als een blanke lak dienen, mits de rauwe olie schoon is: Alleen heldere olie is geschikt om er gekookte van te bereiden. Is de olie troebel, dan wordt zij bij het koken weldra bruin, soms zwart.

Schippers verven de binnenzijde van het boeisel met lijnolie, al dan niet vermengd met kachelpotlood. Lijnolie is goedkoper dan verf, maar moet vaker worden bijgewerkt.

Haarlemmer verf, niet te verwarren met het eeuwenoude kwakzalversmiddeltje haarlemmerolie, koopt de weduwe bij de moderne Haarlemsche Stoomverffabriek

Driekante schrappers en roeststekers met steel.

Voor het verwijderen van oude verf en roest levert de winkel, driekante schrappers (Rinsje) of schrabbers, schrapers en schrobbertjes(Jan Siebold). Voor het polijsten van de ondergrond schuurpoeder, vellen schuurpapier, schuurlinnen en stukken puimsteen ad 20 cts. En voor het opbrengen van nieuwe verf, teer en smeer de nodige kwasten, bokkenpootjes en plamuurmessen.

Het inventarisboek vermeldt driehoekige jachtschrappers en groote schrappers, de vorm is er door Jan Siebold of de boekhouder bij getekend. Met de opkomst van de ijzeren scheepsbouw worden schraapijzers, roeststekers m/ steel en zo/ steel, staalboenders, staalborstels en staalspieborstels steeds essentiëler*

O.a. in Archief De Vries, inventarisboek 31 dec. 1924, z.p., (Winkel f 3204,40). ‘Roeststekers werden in mijn tijd gemaakt van botte vijlen, die bij de smid voorzien werden van een uitgesmeed scherp uiteinde, dus een soort recycling,’ Carol de Vries, e-mail 16 april 2005.

Op stoomboten wordt de bemanning na het lossen en laden met schrobber en schraapijzer aan het werk gezet.

Werken al die verwijderaars niet, dan grijpt men naar paardenmiddelen als zoutzuur en caustische of causticsoda. Causticsoda, een heftige chemische verbinding, heeft Kapt. D. Jonker nodig omdat er ergens op zijn s/s Amsterdam een afvoer verstopt is.
Schuurlinnen koopt het Waterschap De Lemstersluis, samen met 1 KG Usifeth Prima Lak en een Prima Lakkwast.

Schuurlinnen en -papier zijn voor het eigen personeel van de mastmaakster niet weggelegd. Blokmaker Gurbe van Brug: Schuurpapier gebruikten we vroeger nooit. ‘t Hout moest allemaal met een stukje glas worden bijgewerkt, en daarna gelakt. Ambachtelijke traditie of ver doorgevoerde zuinigheid?

Terpentijn en ultramarijn waschblauw.

Om de verf te verdunnen gebruikt men natuurlijk terpentijn. Op een plank in de winkel staan 6 flesjes Savana terpentijn en 4 flesjes Godina terpentijn. Om de verf sneller te laten drogen is er siccatief op de markt.

Rinsje en Jan Siebold kopen hun verf, lijnolie, terpentine en siccatief in Den Haag bij Ripolin, in Nunspeet bij Veluvine, in Haarlem en Den Helder bij de stoomverffabrieken aldaar. Sneker leveranciers zijn A. Kuperus en J. van der Feer Pzn., Magazijn van Verfwaren, Vensterglas, Lakken, Vernissen, enz. enz., aan het Kleinzand, en te Joure zetelt de lak- en vernisfabriek van Bouma-Scheen (ook in Dikke en Dunne Standolie).

Een andere leverancier is F. Alberdingk & Zonen, Brouwersgracht 230, Amsterdam. Zijn brievenhoofd stroomt over: Stoom-patentoliefabriek De Blaauwe Burgt, Speciale standolie-Stokerij, Stoom-lijnoliekokerij De Groote Keizerskroon, Raap- Patent- en Lijnolie, Vlokvrije lijnolie, Papaverolie, Saladeolie en Boterolie, Robbentraan, Blanke en Bruine Berger levertraan, Cylinder- en Castorolien, Consistentvet, Talk en Poetskatoen.

De Witt, Groningse Fabriek van Chemische Preaparaten.

De Witt, Groningse Fabriek van Chemische Preaparaten [!] en Verfwaren, beroemt zich erop Eenigst fabrikant van het echte Ultramarijn-Waschblauw te zijn. Aan Rinsje verkoopt hij 1 fust Prima [=1e soort] Engelsche Blackvarnish, een zwarte buitenlak. Onderaan de brief staat: Koperverf kan ik u tot mijn spijt niet aan helpen. Harpuis kost op heden ƒ 28,50 per 100 Liter. Bij afname van minstens 50 Liter bij 't fust ƒ 24,25. Dit is prima kwaliteit. Door de hooge olieprijzen is het mij onmogelijk u lager offerte te maken. Onder verdere aanbeveling...

Met de hoge olieprijzen doelt hij op die van lijn- en raapolie. Hoe belangrijk verf en de vette waren voor de weduwe en haar zoon zijn, blijkt uit het feit dat ze van meer dan vijfentwintig verfleveranciers gebruik maken! Daarbij is één buitenlander: die Krefelder Farbenfabrik Ludwig & Max Leven.

183-1.jpg

Meester-schilder Folkert Abes Verbeek uit Lemmer stuurt op 1 Juuly 1899 het Rekentje van 1898, met onder meer plegaarde verft. Rinsje voldoet de rekening op 1 juli 1899. Een plegaard of plechtgaard is een boom om de diepte te peilen.

Verf wordt niet alleen aan schippers verkocht. De klanten op het land kopen ook wel eens een blik of busje. Vooral aannemers en timmerlieden. Zelfs de schilder komt langs voor verf. De tweelingbroers Abe en Wiebe Gerrit Verbeek, die in Lemmer het bedrijf van hun vader Folkert Abes, de meester-schilder, hebben overgenomen, komen wel eens een kleur te kort. In de winter van 1923/1924 o.a. een bus Copal en twee bussen bruin.

Diagram op basis van Archief De Vries, rekeningen 1899-1909. N= het aantal
inkooptransacties van beide productgroepen.

Het aandeel van de verf, vette waren in de inkoop neemt na 1900 toe van 3,7% naar 5,3%. Het aandeel van de andere onderhouds- en bouwmaterialen neemt eveneens toe. Beide ontwikkelingen hebben te maken met Rinsjes investeringen in haar bedrijfspanden en wijzen (nog) niet op veranderingen in de klandizie.

Diagram op basis van de gespecificeerde verkoop in Archief De Vries, debiteurenboek 1921-1929 en verkoopboek 1927. N= het aantal verkooptransacties van beide productgroepen.

Ook in de verkoop in de jaren twintig groeit het aandeel van de verf en andere bouwmaterialen hoewel die stijging, gemeten in percentages van de omzet, beperkt is en maar in één jaar (1926) boven de 5% uitkomt. De groei weerspiegelt een geleidelijke verandering in de klandizie.

In Deel 2, hoofdstuk 11 De Aannemers, zal blijken dat het aandeel van bouwbedrijven in de omzet toeneemt. Overigens zijn in het verkoopdiagram de verkochte souline, teresina en herteliet niet meegeteld. Die stoffen hebben konden niet worden thuisgebracht.

Kromme bokkenpootjes en de stippertjes van weduwe Godschalk

Kwasten, borstels en bezems komen uit de borstel- en bezemfabrieken, die zich in Nederland bijna altijd in de buurt van heidegebieden bevinden, met name in Utrecht, de kop van Overijssel, Drenthe en de Friese veendistricten. Uit Gorredijk komen tal van kwasten en borstels van Wed. A. Godschalk.

Zij heeft een borstelfabriek met Specialiteit in Straatbezems, Kwasten en Zeemleer. Kwasten zijn er om mee te schilderen en teerkoppen en bokkenpoten om mee te teren. Een teerkop is groter dan een bokkenpootje, waarvan de steel in een hoek van 45 graden eindigt, hetgeen ze goed bruikbaar maakt*

‘Teerkoppen worden los verkocht met een diameter van 45, 50 of 55 mm. Ze zijn voorzien van een stukje schroefdraad, bedoeld om te bevestigen op een teerstokijzer die op een houten steel bevestigd is. De korte stelen voorzien van een kleine teerkop zijn bokkenpoten, variërend van 30 tot ,45 mm. Radiateurkwasten bestonden toen nog niet,’ Carol de Vries, e-mail 14 april 2004.

Stippertjes zijn pootstokken voor de akker of de tuin. Ene J. Godschalk (zoon van de weduwe uit Gorredijk?) heeft een borstelfabriek in Assen en een magazijn van moltondweilen. Hij vervaardigt Harpuiskwasten, kromme Teerkoppen, Piasava-Bezems, en verkoopt En Gros: Sponsen, Zeemleer, Dweilen en Touwwerken.

Archief De Vries, rekeningen 1902, J. Godschalk 28 febr. en Idem 1905, 25 juli;
ook: kasboek 1926, 14 mei. ‘Colombo- bezems zijn van zwarte, minder sterke vezels
dan de bruine Piasava-bezems. Beide dacht ik uit Afrika,’ Carol de Vries, email
14 april 2004.

N.I. Jakobs & Zoon uit Zwartsluis, Borstelwerk, Touw- en Breeuwwerk, verzendt vooral veel verfkwasten en een paar smeerkwastjes naar Lemmer. En van de borstel- en kwastenfabriek van de Gebr. Hoogstraal in Amersfoort betrekt Rinsje harpuiskwasten, teerkoppen, en rietbezems Columbo.

De Leonsche kwasten en lampenragers gaan per dozijn. Hoogstraal stuurt ze eerst over het spoor van Amersfoort naar Amsterdam, waar ze ongetwijfeld de Lemmer boot ingaan die pal achter het centraal station aan de steiger ligt*

Archief De Vries, rekeningen 1902, Hoogstraal 10 jan. León ligt in Noord- Spanje. Er is ook een fabriek van Hoogstraal in Uithuizen (Gr.), Salverda/ Wielinga (1983), 26.

Jan Siebold verkoopt in 1927 10 (kromme) bokkenpootjes, 2 borstels, 48 kwasten, 5 penselen en 6 schrobbers voor ruim ƒ 100,-.

Van twee schoonmaakartikelen zijn vorm en functie niet helemaal helder, de getrokken spuiboender en de steukelkwast. Die komen onder andere uit Amersfoort: We hebben als monster een getrokken spuiboender gezonden daar die beter voldoen dan gepekt; wenscht u echter bepaald gepekt, leveren wij u die naar genoegen en zelfs nog iets billijker in prijs

In 1899 levert de weduwe Godschalk aan weduwe de Vries het volgende:

Scheepspik in een fluitje en een oliesnip.

De smeermiddelen worden in verschillende emballage gegoten. Stookolie wordt opgeslagen, vervoerd en verkocht in vaten. Lijnolie en verf gaan in een bus; een lege bus kan opnieuw worden gebruikt: Uw bus ter vulling ontvangen (Nauta). Lak  gaat in een blik of een fust, koolteer in een ton of fontje, consistentvet en kledensmeer in een busje, terpentine in een flesje, scheepspik in een fluitje.

Teer wordt voor het gebruik in emmers uitgegoten, de zogenaamde teerputsen, die los worden verhandeld. Rinsje koopt ze o.a. van S. van Emdens Stoomfabriek van Petroleumtoestellen annex Magazijn van IJzerwaren,Gegalvaniseerde Emmers, Tobben en Putsen in de Amsterdamse Spuistraat en van G. J. Haagsma in Woudsend: Mej. de Wed. S. de Vries, hier nevens zend ik Ued. 4 teerputsen van elk twee; de kleinste kosten per stuk 1.15, de grootste per stuk 1.25, niet twijfelend of zij zijn naar genoegen, hopende met uwe geEerde orders om meer te maken begunstigd te worden, In afwachting, gegroet G.J. Haagsma*

* Archief De Vries, rekeningen 1899, van Embden 1 dec. en correspondentie 1898, Haagsma 13 april, briefje; ook idem 1896, Ribbens 6 nov. ‘Een teerputs, met een deksel op, moet niet verward worden met een gewone puts, met een krul in het hengsel om het putstouw aan vast te kunnen splitsen: die heeft elk schip aan boord om water te kunnen “scheppen”,’ Carol de Vries, e-mail 17 april 200

Vrachtenvelop: Archief De Vries, rekeningen 1902, Heekelaar 18 april. 

Jacob Heekelaar & Zoon verzendt vanuit het Noord- Hollandse Wormerveer harpuis in een fust en kledensmeer in busjes in een kistje. De vracht gaat via Amsterdam

En een snip met een lange tuit.

Putsen worden met een flink aantal in voorraad gehouden. Op 31 december 1924 worden in de winkel, op zolder en in het magazijntje naast de werkplaats dertig putsen bewaard. Jan Siebold verkoopt er behoorlijke aantallen van. In 1927 zeventien, gemiddeld ƒ 1,25 per puts. De Lemster scheepsbouwers Gebr. de Boer hebben een Groote puts m/touw ingespl[itst] van ƒ 1,75 nodig voor een van de sleepboten in de serie Veehandel die op de helling ligt.

Deze smeeroliekan à la Aladin wordt door Jan Siebold 'oliesnip' genoemd. Hij heeft '9 Oliesnippen ad 30 ct, 10 Staande en 3 Platte Oliesnippen ad 45' achter in de winkel staan. Het is een van de weinige keren dat een woord uit de moedertaal in de boekhouding doordringt, want het Friese 'snip' of 'snipke' betekent: kannetje met een lange tuit*

Archief De Vries, inventarisboek 31 dec. 1924, z.p., (Winkel, Transp. f 5042,69). Zantema, Frysk Wurdboek, 1-938. ‘Dit model, nog steeds hetzelfde, gebruik ik tussen 1960 en 2005 om mijn fiets mee te smeren,’ Carol de Vries, email 17 april 2005.